907: Centraal Genootschap voor Kinderherstellingsoorden

Dit archief is niet geïnventariseerd en alleen op afspraak raadpleegbaar.

Algemene kenmerken

Toegangsnummer:

907

Periode:

1899 - 1998

Inleiding

Geschiedenis van de archiefvormer

Oprichting

Aan het eind van de negentiende eeuw zijn de omstandigheden bar en boos voor kinderen in grote steden als Rotterdam en Amsterdam. Het is slecht gesteld met de hygiëne en kinderarbeid is nog aan de orde van de dag. Particulieren, vaak onderwijzers en artsen, zetten zich in voor het welzijn van ziekelijke kinderen. Ze richten vakantiekolonies op, vaak aan de kust of in de bossen, waar de zogenoemde bleekneusjes kunnen aankomen en aansterken. Om plaatselijke initiatieven te verenigen, ontstond in 1901 de vereniging Centraal Genootschap voor Kinderherstellings- en Vacantiekolonies (C.G.K.). De naam zou later wijzigen in Centraal Genootschap voor Kinderherstellingsoorden en Gezondheidskolonies en uiteindelijk in Centraal Genootschap voor Kinderherstellingsoorden. Het C.G.K. ontwikkelde zich tot een landelijke algemene vereniging waarbij zo’n 600 plaatselijke afdelingen zich aansloten. Naast de afdelingen konden ook verenigingen met hetzelfde doel zich aansluiten bij de koepel. Afdelingen zonder door het hoofdbestuur goedgekeurde statuten werden 'afdelingen in oprichting’ genoemd. Op het toppunt van de kinderuitzending in de jaren vijftig exploiteerde het C.G.K. dertien koloniehuizen op verschillende locaties in het land. Het bestuur zetelde in Amsterdam en hield kantoor op Oosteinde 5.

Uitzending

Kinderen werden door huisartsen en later schoolartsen aangedragen bij de plaatselijke afdelingen om voor uitzending in aanmerking te komen. Als ouders toestemming gaven werd de uitzending in samenwerking met het C.G.K. dan financieel en organisatorisch geregeld. In de beginjaren vond uitzending alleen plaats tijdens de zomervakantie, maar na 1920 gebeurde dat het gehele jaar door. In de huizen namen artsen en verpleegsters vanaf die tijd de plaats in van vrijwilligers. Op medisch gezag werd de standaarduitzendperiode verlengd van drie tot vier weken naar vijf en later zes weken of meer. Aan verschillende kinderherstellingsoorden werden daarom eigen scholen verbonden, zodat kinderen niet een te grote achterstand zouden oplopen op school. Een A-koloniehuis was voor kinderen met een lichte aandoening voor wie een uitzending van vier tot zes weken voldoende werd geacht. Op een B-koloniehuis verbleven kinderen met een zwaardere aandoening.

Opheffing in de Tweede Wereldoorlog

In de Tweede Wereldoorlog werden diverse huizen door de Duitsers gevorderd, afgebroken of geplunderd. Het C.G.K. werd zelfs enige tijd opgeheven, maar het bleef op de achtergrond actief. Na de bevrijding herenigde het bestuur zich, het koloniewerk kwam weer geleidelijk op gang.

Bloei en teruggang

Een halve eeuw lang floreerde de kinderkolonie. Op een kleine terugval vanwege de oorlogsjaren na bleef het aantal uitgezonden kinderen en het aantal verpleegdagen met de jaren stijgen. Zodoende werden na de oorlog de beschadigde huizen opnieuw (op)gebouwd en uitgebreid. Aan het eind van de jaren vijftig vond echter een ommekeer plaats. Kinderen die fysiek op peil werden gebracht maakten plaats voor patiëntjes die psychische en sociale zorg behoefden, wat een zeer sterke verhoging van de kosten met zich meebracht. Bovendien verschoven zorg- en hulpverlening meer en meer naar de eigen omgeving, de school en het gezin en stopte de overheid in de jaren zeventig met het subsidiëren van kinderuitzendingen.

Financiering, overheid en liquidatie

Aanvankelijk waren uitzendverenigingen volledig afhankelijk van particulier geld. Na de Eerste Wereldoorlog besloot de rijksoverheid echter structureel bij te springen. Hierdoor groeide de kinderuitzending uit tot een van de belangrijkste sociaal-geneeskundige voorzieningen voor schoolkinderen, waaraan in ruim tachtig jaar naar schatting zo’n 800.000 kinderen hebben deelgenomen. Men hoopte dat kinderen het aangeleerde hygiënische gedrag na terugkomst thuis zouden introduceren. De medische kinderuitzending had dus ook een beschavingsmissie.

In 1972 stopt de overheidssubsidie, omdat er geen behoefte meer was aan de herstellingsoorden zoals ze tot dan toe gefunctioneerd hadden. Een aantal van de huizen komt als medisch kindertehuis onder de werksfeer van Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Enkele huizen worden middels andere bronnen (onder andere de Bijstandswet) gefinancierd, of ze kregen een andere bestemming, werden samengevoegd of afgebroken. Aan het begin van de tachtiger jaren werd besloten het Centraal Genootschap te liquideren. Dit betekende na ruim tachtig jaar het definitieve einde van de kinderkolonies.

Samenwerkingsverbanden

Naast het in levensbeschouwelijke zin neutrale C.G.K. bestonden er ook overkoepelende protestants-christelijke, katholieke en joodse kinderuitzendingsorganisaties. De verschillende koepels hebben een samenwerkingsverband in de Centrale Raad voor Kinderuitzending in Utrecht. Deze Raad was zelf weer een koepel van lokale raden die in de grote steden waren opgericht.

Geschiedenis van het archief

Het kantoor van het C.G.K. zetelde decennia lang op Oosteinde 5 te Amsterdam. Hier werd de centrale administratie gevoerd en werden de bestuursvergaderingen gehouden. Na opheffing in 1983 wordt het archief in de periode 1983-1985 in delen overgedragen aan de Gemeentelijke Archiefdienst van Amsterdam via liquidateur J.F. Renes. Hij is tevens secretaris en voorzitter geweest van het C.G.K. Op dat moment bevindt het archief zich in koloniehuis Zwartendijk te Egmond, waar het door de archiefdienst wordt opgehaald.

Als de liquidatie begin jaren tachtig in gang wordt gezet vraagt de directie van het C.G.K. aan de plaatselijke afdelingen en de bij het C.G.K. aangesloten verenigingen om relevante delen van hun archieven over te dragen aan het C.G.K. In een stadium daarvoor werden afdelingen soms omgezet in een correspondentschap en werden financiële middelen en het betreffende afdelingsarchief overgedragen aan het C.G.K. Deze archieven staan in rubriek 3 Overgedragen archieven.

Het afdelingsarchief van de vereniging Kinderuitzending Amsterdam I werd niet overgedragen aan het C.G.K., maar werd in 1994 wel aangeboden aan de Gemeentelijke Archiefdienst van Amsterdam om alsnog te worden toegevoegd aan het archief. Het gaat om ongeveer één meter archief dat door de penningmeester van de vereniging G. Keuning, werd aangeboden. Omdat het in de kern om een soortgelijk archief gaat als de andere afdelingsarchieven is besloten om het te beschrijven in rubriek 3 Overgedragen archieven. Vanwege het complete karakter, de omvang in vergelijking met de andere afdelingsarchieven en het feit dat het zoveel jaren later direct aan de Gemeentelijke Archiefdienst van Amsterdam is geschonken zonder tussenkomst van het C.G.K., heeft het een eigen subrubriek gekregen 3.1 Vereniging Kinderuitzending Amsterdam I.

Er volgen nog drie aanvullingen. In 2000 komt er een aanvulling op het archief. Het betreft een schenking van 0,8 meter, voornamelijk jaarverslagen, financiële jaarstukken en correspondentie, wederom afkomstig van de heer J.F. Renes. In 2003 koopt het Stadsarchief van een antiquair een door kunstenaars geïllustreerd leden- en donateursboek uit 1918 (inventarisnummer 333) om toe te voegen aan het archief. En in 2009 volgt een aanvulling op het archief van ongeveer 2 meter, afkomstig van mevrouw A.H. Wünker, voormalig directrice van koloniehuis Zwartendijk te Egmond.

Gedeponeerd archief

Pensioenfonds

Het archief beslaat ongeveer 3 meter.

Het 'Pensioenfonds ten behoeven van het personeel in vasten dienst van het Centraal Genootschap voor Kinderherstellings- en Vacantiekolonies' werd opgericht in 1930. Een pensioencommissie hield zich in de jaren daarvoor al bezig met allerlei pensioenregelingen en brengt daarover in 1930 een rapport uit. Naar aanleiding daarvan wordt besloten een eigen pensioenfonds op te richten, wat datzelfde jaar ook gebeurt. Het College van Beheer van het Pensioenfonds brengt over het reilen en zeilen van het fonds verslag uit aan het hoofdbestuur van het C.G.K.

Halverwege 1951 sluit het fonds zich aan bij het Pensioenfonds Volksgezondheid en Maatschappelijk Werk. Het Pensioenfonds van het C.G.K. blijft evenwel bestaan als ontvanger van de bijdragen van het C.G.K. en deelnemers en als betaler van het premiebedrag aan het P.V.M.

Omvang van het C.G.K-archief

Het archief beslaat voor bewerking 94 meter. Archief na bewerking: 65 meter, inclusief overdragen en gedeponeerde archieven.

Bronnen

J.M. Fuchs en W.J. Simons, Ter wille van het kind Vijfenzeventig jaar Centraal genootschap voor Kinderherstellingsoorden 1901-1976 (Naarden 1977).

G.L. Zwartendijk, Een twintigjarig Jubilé... Inhoud hiervan door A.C. Bos, in zijn Gezondheids-Kolonies Eene bijdrage tot de verbreiding van de kennis dezer instellingen van maatschappelijk belang (Egmond 1899), 'vergeleken en afgestemd'.

H.B. Boudewijnse, E.M. van Lokven, E. Oskam e.a., Nederlands Leerboek Jeugdgezondheidszorg; deel A, Organisatie (Assen 2005)

http://resources.huygens.knaw.nl/armenzorg/gids/vereniging/678687212 (geraadpleegd december 2018)

Archiefvormer

Centraal Genootschap voor Kinderherstellingsoorden en Gezondheidskolonies
© Stadsarchief
Disclaimer / Colofon
<

Gegevens over mogelijk nog levende personen mogen alleen worden gebruikt voor historisch (waaronder genealogisch), wetenschappelijk of statistisch onderzoek.

Door het aanklikken van onderstaande button verklaart u zich te houden aan het Reglement voor raadpleging en gebruik van het Stadsarchief.