827: Archief van de Vereniging Ons Huis

Algemene kenmerken

Toegangsnummer:

827

Periode:

1785 - 1992

Inleiding

1.1 1890 - 1892: Ontstaan en oprichting

Vanaf de tweede helft van de negentiende eeuw nam de industrialisatie van Amsterdam grote vormen aan. Deze industrialisatie leidde tot een sterke bevolkingstoename; van heinde en ver vestigden zich nieuwkomers in Amsterdam. De Amsterdamse arbeidersklasse nam snel in omvang toe. Oude stadswijken als de Lastage en de Jordaan konden de snelle groei nauwelijks bijbenen en vanaf de laatste decennia van de negentiende eeuw werden in de gebieden rond de grachtengordel dan ook veel arbeiderswoningen gebouwd. In sommige wijken, zoals in de Jordaan en de Nieuwmarkt, was sprake van erbarmelijke woonomstandigheden.

Zowel progressieve liberalen als socialisten zetten zich vanaf ongeveer 1890 in voor de 'verheffing' van de arbeidersklasse. In dit beschavingsoffensief lag de nadruk op de begrippen cultuurspreiding en volksontwikkeling. Een belangrijke inspiratiebron waren de ideeën van de Engelse historicus en sociale hervormer Arnold Toynbee. In London werd in 1884 de Toynbee-hall opgericht, met als doel de leefsituatie van de Londense arbeiders te verbeteren en het contact tussen geschoolde en ongeschoolde mensen te intensiveren. De studenten die zich voor de Toynbee-hall inzetten, woonden in het centrum zelf. Drie jaar later vond in de Londense wijk Whitechapel de oprichting plaats van het People's Palace, een volkspaleis waar de arbeiders van East End zich konden ontwikkelen.(1)

Beide initiatieven maakten veel indruk op de letterkundige Hélène Mercier, die plannen begon te ontwikkelen voor een Nederlands volkshuis. In het jong-liberale tijdschrift 'Vragen des Tijds' van het kamerlid A. Kerdijk schreef zij vanaf 1889 een serie artikelen waarin de oprichting van een dergelijk volkshuis in Nederland werd bepleit. De zaak begon te rollen toen zij in de loop van 1890 J.A. Tours ontmoette en de tabakshandelaar P.W. Janssen, alsmede diens zoon C.W. Janssen. Met betrekking tot de oprichting van Ons Huis in 1891 leverde mevrouw Mercier de ideeën, J.A. Tours de praktische uitwerking en P.W. Janssen fourneerde het kapitaal. In 1891 werd de vereniging Ons Huis opgericht en verrees in de Rozenstraat (hartje Jordaan) het door C.W. Posthumus Meijes ontworpen volkshuis. Op 10 mei 1892 kon het gebouw worden geopend.(2) Vereniging Ons Huis noemde zichzelf nadrukkelijk neutraal en wilde geen stelling nemen. Niet iedereen was daarvan overtuigd; sommige confessionelen beschuldigden Ons Huis ervan een socialistisch bolwerk te zijn. Socialisten daarentegen vonden de vereniging een vorm van patroniserend liefdewerk.(3) In het jaarverslag van 1893 schetste directeur J.A. Tours een tweetal karikaturen van bezoekers die voor de eerste maal het gebouw in de Rozenstraat betraden: ,,'T waren een dame uit, wat genoemd wordt, de aanzienlijke stand en een arbeider. Mevrouw wil eens weten, wat dat gebouw aan de Rozenstraat nu eigenlijk wil. Zij begrijpt het niet. Het heet een gebouw voor het volk, het volk dat zij evenmin kent als de negers uit de bossen van Midden-Afrika, zoals het verslag spottend zegt; het volk, een geheel dat voor haar iets onbehaaglijks, iets onfatsoenlijks, iets plats schijnt te betekenen. Wij volgen de omschrijving van het verslag. Zij doorloopt de verschillende lokalen. 'Ach, houden die mensen ook van schaken en ' kunnen zij dat leren? En talen, vreemde talen ' hebben zij daarvoor talent? Wat zie ik? Ordelijk zitten zij daar samen en zitten in een clubje, zeer gezellig.' Dan de arbeider. Die komt ook eens kijken, maar met een wantrouwend oog. Men heeft hem gewaarschuwd voor dat gebouw, opgericht door een kapitalist, om de arbeiders onder de duim te houden. Is de directeur niet naar Engeland geweest en heeft hij daar niet gezien de kracht der werklieden, die zich verenigd hebben? Dat hier voorkómen en de lui aan een zacht lijntje houden, dat is het doel. Verwacht toch niet, zo spreekt of denkt hij, dat ooit een kapitalist zonder enige nevenbedoeling, alleen tot nut en genoegen van de aren tot diens zelfstandige ontwikkeling zijn geld zou geven? Beide bezoekers, beide soorten van bezoekers, verlaten volgens het verslag, bevredigd het gebouw. Ze zijn - de een zo goed als de ander overtuigd. Intussen mene men niet, dat alle weerstand zo gemakkelijk te overwinnen was. Er bleef veel misverstand aan beide zijden. Zo vonden wij bijvoorbeeld enerzijds het verwijt, dat 'Ons Huis' door zijn ontwikkelingsarbeid de arbeiders maar ontevreden maakte. 'Ja, antwoordde de heer Tours, maar is het niet goed, dat er is een heilige ontevredenheid die hen doet trachten betere woning, betere voeding, betere gezondheid te erlangen?''(4)

1.2 1892 - 1912: De periode Tours-Mercier

Rond de stichtingsdatum werd het bestuur van de vereniging Ons Huis bijgestaan door een tiental commissies, namelijk die voor leeszaal, gymnastiek- en schermlessen, clubs, kooklessen, verstellessen, kniplessen, wetenschappelijke voordrachten en cursussen, taal- en andere lessen, zondagavondbijeenkomsten, muzieklessen en toneellessen.(5)

In de eerste jaren bleken vooral mensen van buiten de Jordaan de activiteiten van Ons Huis te bezoeken. Om het werk van Ons Huis grotere bekendheid te geven en ervoor te zorgen dat degenen bereikt werden om wie het allemaal begonnen was, namelijk de arbeiders, werd in 1894 begonnen met de publicatie van het Orgaan van Ons Huis, dat in een oplage van 800 exemplaren werd verspreid.

Vanaf 1896 werd door de vereniging begonnen met de speelplaats op terreinen die door de gemeente ter beschikking waren gesteld. Tegen betaling van een cent konden kinderen op zaterdagmiddag komen spelen. De speelplaats werd een daverend succes waaraan in 1897 al 6200 kinderen deelnamen. In 1899 bezochten bijna 16.000 kinderen de speelplaats bij de Bilderdijkstraat, terwijl de speelplaats bij de Overtoom door bijna 5000 kinderen werd bezocht. In 1906 werd een forse uitbreiding van het perceel Rozenstraat gerealiseerd. De nieuwbouw omvatte tevens een eigen speelplaats. Onder leiding van directeur J.A. Tours vonden in Ons Huis verschillende vernieuwende activiteiten plaats. Zo bedacht mevrouw Tours de zogenaamde 'Robinson Crusoë-club', waar jongens geleerd werd om zich in allerlei situaties zelf te kunnen redden. Sokken stoppen, knopen aanzetten, afwassen en overhemden verstellen waren onderwerpen die daar aan de orde kwamen.

Een andere succesvolle activiteit was het organiseren van volkszangavonden.(6)

Directeur J.A. Tours vertrok in 1907 naar Rotterdam om daar een Rotterdamse 'Vereniging Ons Huis' op te zetten. Zijn opvolger was dr. P.C.M. Bos. In 1910 overleed mevrouw Hélène Mercier.

1.3 1912 - 1937: mejuffrouw van Asperen-van der Velde directeur

In 1903 trad mejuffrouw C.P. van Asperen van der Velde in dienst van de vereniging, waarna zij in 1907 adjunct-directrice en in 1912 directrice van Ons Huis werd. Leek de vereniging Ons Huis tussen 1900 en 1910 enigszins ingeslapen, na die tijd was sprake van een versnelde groei. Vanaf 1913 stond Ons Huis in de zomermaanden onder de noemer 'Vacantieschool' tussen half tien en twaalf uur 's ochtends en tussen twee uur en half vijf 's middags open voor kinderen uit de buurt. De vacantieschool werd in de daarop volgende jaren een enorm succes, maar noodzaakte de vereniging Ons Huis ook om uit te zien naar aanvullende financiering. In 1914 deed vereniging Ons Huis voor het eerst ' en succesvol ' een beroep op de gemeente voor subsidie.(7)

Ook met betrekking tot het vinden van geschikte inleiders en sprekers ten behoeve van cursussen en lezingen bleek mejuffrouw van Asperen van der Velde uiterst succesvol. In haar correspondentie betreffende te houden en gehouden lezingen bevinden zich naast brieven van talloze onbekende inleiders ook brieven van bekende namen als de acteur Louis Bouwmeester, wethouder F.M. Wibaut, de historici Hajo Brugmans en H. Enno van Gelder, de architect H.P. Berlage en de socialistische arts Jan van Zutphen, oprichter van het sanatorium Zonnestraal. In 1917 bestond vereniging Ons Huis 25 jaar en om daar aandacht aan te schenken organiseerde men een conferentie over het Toynbee-werk in Nederland, zoals dat toen nog genoemd werd. Tijdens de conferentie werd het Adviesbureau opgericht. Dit bureau moest alle vragen, die gesteld werden over het volksontwikkelingswerk, inventariseren en beantwoorden.

Inmiddels stond de vereniging Ons Huis aan de vooravond van een ingrijpende uitbreiding van de werkzaamheden. Vanaf 1918 werd het volksontwikkelingswerk op geheel nieuwe leest geschoeid. Nieuwe volkshuizen zouden onder de paraplu van de vereniging Ons Huis moeten worden gesticht en waar al initiatieven in die richting zouden bestaan, moesten deze onder de paraplu van Ons Huis worden gebracht. De samenwerking van verschillende verenigingen met Ons Huis ging echter niet altijd probleemloos. In het jaarverslag van 1918 staat daarover het volgende vermeld:

,,De grondslag waarop de centralisatie ten aanzien van de reeds bestaande verenigingen bedoeld was te worden toegepast, bleek niet voor alle organisatieën doorvoerbaar; speciaal ten aanzien van enkele oudere zustervereenigingen bleek een minder nauw verband gewenscht; met deze ervaring rekening houdend werden enkele uitzonderingen in den overigens doelmatig blijkende regel overwogen, en begin 1920 in toepassing gebracht.'' Daarmee werd gerefereerd aan klachten van onder andere het Amsterdamsch Bouwfonds, de vereniging Samenwerking en de vereniging Jeugdwerk Wittenburg. Bemiddeling van het College van Burgemeester en Wethouders leidde ertoe dat het Amsterdamsch Bouwfonds en Samenwerking onder hun eigen vlag zouden blijven functioneren, maar wel via vereniging Ons Huis gesubsidieerd zouden worden. De kwestie met Jeugdwerk Wittenburg bleef nog enige tijd slepen voordat uiteindelijk een compromis werd bereikt waardoor deze vereniging onder de paraplu van de vereniging Ons Huis bleef. Inmiddels waren de ideeën omtrent de centralisering weer enigszins bijgesteld. In 1923 werd Ons Huis ontheven van de taak om toezicht te houden op de zogenaamde Toynbeeverenigingen en de verenigingen voor Vrije Jeugdzorg. Dit toezicht was door het College van Burgemeester en Wethouders voortaan opgedragen aan de ambtenaar H.L.F.J. Deelen. In 1924 werd de angel uit de reeks van competentieconflicten getrokken doordat vereniging Ons Huis niet langer fungeerde als subsidiehuis.(8) Ook de samenwerking met de Bond van Amsterdamsche Buurt- en Speeltuinverenigingen bleek in de praktijk moeizaam te verlopen. In Tuindorp Oostzaan liepen de gemoederen zo hoog op dat de dagbladen De Telegraaf en Het Volk lucht van de meningsverschillen kregen. Pas in 1925 konden de conflicten door bemiddeling van de Hoofdinspectrice van de Gemeentelijke Woningdienst bijgelegd worden en gaat door de vereniging Ons Huis en mede ten behoeve van andere verenigingen in Tuindorp Oostzaan een aanvraag naar het College van Burgemeester & Wethouders voor een groter onderkomen. In het jaarverslag 1931 - 1932 werd met enige trots gemeld dat Ons Huis onderdak had gevonden in het Zonnehuis.

De samenwerkingsmoeilijkheden hadden de stichting van nieuwe afdelingen niet in de weg gestaan. In 1923 bestonden een twaalftal afdelingen, te weten in de Staatsliedenbuurt, de Spaarndammerbuurt, de Indische Buurt, Buiksloterham, Nieuwendammerham, Muiderpoort, Wittenburg, Transvaalbuurt, Tuindorp Oostzaan, Amstelveenscheweg en Raampoort. De afdeling Nooddorp viel al snel af.

De uitbreiding van het aantal afdelingen vergde de nodige aanpassingen in de totale organisatie. Ons Huis in de Rozenstraat werd het 'moederhuis' van waaruit alle activiteiten werden gecoördineerd. Het bestuur van de Rozenstraat werd het hoofdbestuur van alle afdelingen, dat ongeveer eens per maand bij elkaar kwam. Het Hoofdbestuur had de uiteindelijke verantwoordelijkheid voor alle afdelingen en bepaalde het beleid. Mejuffrouw van Asperen werd behalve directrice van de Rozenstraat ook hoofddirectrice van alle afdelingen. In haar werk werd zij bijgestaan door een inspectrice, die het contact met de afdelingen onderhield. Eénmaal per maand kwam de Raad van Directies bijeen; de hoofddirectrice met de directrices van alle afdelingen. Op deze vergaderingen werden vooral organisatorische aangelegenheden besproken.(9)

Hoewel vereniging Ons Huis nog steeds een eigen positie innam binnen het geheel van organisaties op het gebied van volksontwikkeling, werd het gemeentelijk beleid in toenemende mate gericht op gelijkstelling van alle organisaties op het gebied van volksontwikkeling. Uit gegevens die de andragologe Mieke Lunenberg voor haar proefschrift verzamelde, bleek dat Ons Huis in 1923 achtentachtig procent van de verstrekte gemeentelijke subsidiegelden ontving. Rond 1939 ontving vereniging Ons Huis rond zeventig procent van de verstrekte gemeentelijke subsidiegelden.(10)

Oprichting van nieuwe afdelingen was er dan ook niet meer bij. Er moesten zelfs afdelingen verdwijnen. Eerst werden in 1929 de afdelingen Transvaalbuurt en Indische buurt gesloten.(11) In 1934 werd de afdeling Nieuwendammerham opgeheven.

Ten behoeve van de gehele vereniging vonden intussen allerlei initiatieven plaats. In1916 werd de Commissie Vacantiehuizen opgericht. Ons Huis exploiteerde een tweetal vakantiehuizen, namelijk de Leperkoen in Lunteren, dat speciaal voor Ons Huis werd gebouwd, en het Bennoheim in Zandvoort. Rond die tijd werd in de gehele samenleving een toenemende bezorgdheid over het gedrag van de jeugd zichtbaar. Met de oprichting van de jongensverenigingen in 1916 begaf Ons Huis zich op het terrein van de jeugdzorg. De jongensverenigingen sloegen goed aan, maar soortelijke experimenten met meisjesverenigingen mislukten en na 1922 werd dan ook niets meer van de meisjesverenigingen gehoord. In het seizoen 1928-1929 werd de Ons Huis Jongerenbond (OHJB) opgericht. Binnen de OHJB bleef het zogenaamde 'rijpere jeugdwerk'jeugdzorg:,,den OHJB, die niet is een jeugdorganisatie, waarin de leden bij meerderheid van stemmen hun eischen trachten ingewilligd te krijgen, maar een stuk JEUGDZORG van Ons Huis; modern opgevat met zoveel mogelijk zeggenschap van de leden, maar waarvoor de Ons Huis-leiding de verantwoordelijkheid draagt en de beslissende stem heeft.'' (12) In 1924 werd een terrein aan de Wittenburgervaart door de gemeente in erfpacht aan Ons Huis uitgegegeven. Daarop verrees ten behoeve van de rijpere jeugd in 1925 een boothuis. In 1934 kreeg Ons Huis de beschikking over een botenhuis aan de Amstel.

In de winter van 1925 vond de eerste kerstvacantieschoool plaats. In datzelfde jaar werd mejuffrouw van Asperen benaderd om clubwerk voor fabrieksmeisjes te organiseren. Het fabrieksmeisjeswerk bleef bestaan tot ongeveer 1935.(13)

Rond hetzelfde jaar naderde het afscheid van mejuffrouw van Asperen. Na haar afscheid bleef zij erelid van vereniging Ons Huis en mocht alle vergaderingen bezoeken. Zelfs was zij later nog korte tijd interimdirectrice van één van de afdelingen. Na haar pensionering boekstaafde mejuffrouw van Asperen haar persoonlijke herinneringen die onder de titels Ons Huis in de Jordaan en Jordaanherinneringen werden gepubliceerd.,,Zij illustreren de sfeer van Ons Huis in de periode van haar (hoofd-)directieschap: een warme, huiselijke gezelligheid''.(14)

1.4 1938 - 1945: Wisseling van de wacht en oorlogsjaren

Rond 1937 kwam de algemene leiding en de leiding van de Rozenstraat in handen van juffrouw H. Piebenga; Juffrouw J.C. van Meerendonk werd belast met het toezicht op de afdelingen. Tijdens de eerste oorlogsjaren breidde het werk van vereniging Ons Huis zich op bescheiden schaal uit, mede doordat na de opheffing van de Arbeiders Jeugdcentrale (AJC) leden van die organisatie zich aansloten bij de Ons Huis Jongerenbond. Op allerlei slinkse manieren wist men Duitse inmenging te omzeilen. In het herdenkingsboek dat in 1992 werd gepubliceerd kan men daar veel over lezen.(15) In het jaarverslag 1942 - 1943 kunnen we lezen:

,,Nog meer bezoeken dan in 1942 ' '41, dezelfde duisternis, nog minder materiaal. Ook viel in deze strafperiode wederom een strafperiode, waardoor het de kinderen onmogelijk was 'Ons Huis' te bezoeken. Na afloop van zo'n strafperiode duurde het weer eenige weken voor de kinderen het juiste besef, van wat niet mag en wel mag, weer was bijgebracht. Ook is het zeer merkbaar dat vele vaders in het buitenland werken, de vernielzucht neemt vaak onbegrijpelijke vormen aan.''

Het daaropvolgende jaarverslag, dat handelde over de jaren 1943 tot en met zomer 1945, meldt:

,,De laatste twee oorlogsjaren waren voor 'Ons Huis' moeilijk. Beperkende bepalingen, razzia's enzovoorts, beperkten het bezoek. Bij de voortdurende zorg over de geestelijke gesteldheid van de bezoekers moest de vaste staf zich tegen de ontmoediging weren. Bij de uitzending van de jongens naar het buitenland werd vrijwel overal huisbezoek gedaan, teneinde hen ervan te overtuigen dat zij niet moesten gaan. Gingen zij toch, dan werd getracht al bij voorbaat de neerhalende tendens te neutraliseren, er werd voortdurend contact met hen gehouden. Gedurende de laatste oorlogswinter was de aandacht zeer sterk gericht op de kinderkeuken en de kinderuitzending. Er werd een clandestiene keuken in stand gehouden die 1000 etende kinderen per dag telde. Dagelijks werden tientallen kilometers afgelegd om melk voor de babykeuken te halen. Onvermoeibaar werd door huishoudelijke dienst en vaste staf gewerkt. Het was geen kleinigheid om met ongeschoold personeel op een bepaald uur klaar te hebben, zodat men zich kan voorstellen, dat er hard gewerkt is en met een enorme liefde en overgave. Zo goed mogelijk en nog steeds verantwoord zijn de clubs blijven komen. Het gebouw was onverwarmd, de kleding onvoldoende, toch werd er gezongen en gespeeld, er werden spelletjes gespeeld, die men 's avonds thuis bij een carbid-lamp of bij een olielamp konden worden gedaan. Een grote stroom van drukte barstte los na de bevrijding. Er was in kleine kring al veel voorbereid en op 11 mei 1945 trok 'Ons Huis' met 600 jonge menschen naar de Dam om met 2000 andere jonge mensen te beleven, dat wij bevrijd waren en dat wij het voortaan met elkander wilden doen.'' 1.5 1945 - 1960: Volkshuizen

Na de oorlog vonden in korte tijd veel personeelswisselingen plaats. De directie kwam in handen van H. J. Barentsz en mejuffrouw J. A. Fokke. Zij was door haar werk bij de in 1928 opgerichte Nederlandse Vereniging van Buurthuizen al erg bekend met de vereniging Ons Huis, mede doordat het secretariaat van de NVB gevestigd was in de Rozenstraat. De betrokkenheid van de bezoekers en de grotere zelfstandigheid van de afdelingen waren in deze periode belangrijke uitgangspunten. In oktober 1948 werd een nieuw huisreglement aangenomen waarin dit als uitgangspunt was geformuleerd. De besturen van de afdelingen zouden voortaan worden gekozen door een raad van bezoekers, ook wel afdelingsraad genoemd. Bezoekers konden ook in de afdelingsbesturen worden gekozen. De afdelingsbesturen stelden hun eigen begroting en werkplan op en waren verantwoordelijk voor hun eigen financieel beheer. Toch bleef het Hoofdbestuur in de Rozenstraat stevig de touwtjes in handen houden. Zij mocht besluiten van de afdelingsbesturen ongedaan maken wanneer deze naar haar mening in strijd waren met 'de geest van Ons Huis' of wanneer ze zouden leiden tot niet verantwoorde financiële verplichtingen. Ook mocht de Hoofddirectie zich ongevraagd met de afdelingsbesturen bemoeien. Afdelingsdirecties verzetten zich dan ook tegen de bevoordeelde positie van de Rozenstraat. In 1951 werd overgegaan tot de vorming van een huisbestuur Jordaan. De Rozenstraat kreeg echter geen eigen directie. (16)

In 1952 werd het zestig-jarig bestaan van vereniging Ons Huis gevierd. Een fraai herdenkingsboek, waaraan onder andere door Gerrit Kouwenaar werd meegewerkt, rolde van de persen. Zoals eertijds in 1893 de dame uit de aanzienlijke stand en de arbeider door Tours werden rondgeleid door het gebouw aan de Rozenstraat, zo werd ook de dichter Gerrit Kouwenaar in de gelegenheid gesteld door het gebouw in de Rozenstraat te wandelen om nader kennis te maken met het werk van de vereniging.,,Het werk van Ons Huis'', zo schreef Kouwenaar,,,is niet langer volksontwikkeling in de geijkte (en beperkte) zin, maar is pioniersarbeid, welke in het gegeven kader van 'Ons Huis' de mens in welke groep of klasse hij ook behoort. Ik dwaalde rond door het uitgestrekte gebouw. Het was een mooie voorjaarsavond. Ik keek neer op de door verlichte vensters omspannen binnenplaats, waar een groep opgeschoten jongens en meisjes volleybal speelde. Ergens achter een deur klonk een stem, die nadrukkelijk een Franse zin uitsprak, welke daarna door een jonge meisjesstem werd herhaald. Uit een ondefinieerbare richting drong een wals van Chopin tot mij door. De volleybal kletste tegen de stenen. In de huiskamer zat een groepje vrouwen rustig babbelend onder een schemerlamp. En ik dacht er aan, dat er in dit gebouw een 300 mensen bezig waren met andere, vollediger mensen te zijn, dan zij in hun gemechaniseerd nummerbestaan in fabriek of kantoor konden wezen.''(17)

De centrale bijeenkomsten in de Rozenstraat bleven belangrijk. Op het gebied van cultuur werd geprobeerd om bekende namen van kwalitatief hoogstaande artiesten te boeken. In het herdenkingsboek 100 jaar buurthuiswerk in Amsterdam blikt Jo Fokke terug:

,,Wij hadden geen geld, maar wel een groot gebouw. En de grote zaal had een prachtige akoestiek. Wij boden dan aan kunstenaars en groepen oefenruimte aan, want die hadden ook vaak geen geld. Zij maakten gebruik van onze ruimte om te oefenen en in ruil daarvoor gaven zij dan voorstellingen.''(18) Vanaf 1951 werkte Ons Huis mee aan de organisatie van het Kunstmaand Festival, dat een alternatief moest vormen voor het veel prestigieuzer, deftiger en duurder Holland Festival. In 1952 werkten veel landelijke politici mee aan de politieke cursus 'Ontmoet uw Tweede Kamerlid'. Een jaar later was het de beurt aan gemeenteraadsleden. Burgemeester A.J. d'Ailly, bekend van de wandelgids, woonde in de Rozenstraat veel spiegelraadsvergaderingen bij, die bestonden uit deelnemers van de cursus en wel in ongeveer dezelfde verhouding als die binnen de werkelijke raad bestonden. Ook de landendagen die vanaf 1953 werden georganiseerd, trokken veel aandacht. Hoogtepunten van het seizoen vormden ook de familiedagen, De centrale algemene programma's die door Ons Huis werden uitgegeven, waren strak en sober opgemaakt, in een stijl die beïnvloed lijkt te zijn door typograaf en museumdirecteur H.J. Sandberg. Ook nieuwe ontwikkelingen gingen, zij het soms aarzelend, niet aan vereniging Ons Huis voorbij, zoals de Rock 'n Roll en in het voetspoor daarvan de Indo-rock. De verslaggever van Het Parool schreef in een artikel over het Moonlight-feest aan boord van Motorschip Holland:,,Gisteravond bleek wat er van al dat werk is terechtgekomen, toen de Holland vertrok en de tweehonderd jongens en meisjes ontdekten dat er muziek was ' beneden rock 'n' roll en swing, boven stijldansen. Toen de trossen waren losgegooid, barstte de muziek los en begonnen vooral de jongens beneden de dolste capriolen te maken; er werd gedanst met benen, voeten, maar ook ogen, mond en vingers; dat laatste afgekeken van de Indische Nederlanders onder de Ons Huisleden''(19)

De maatschappelijke ontwikkelingen vonden hun weerspiegeling in de ontwikkelingen binnen Ons Huis. Binnen het werk van de vereniging ontstond in de loop van de jaren vijftig meer belangstelling voor een richting waarbij groepsontwikkeling centraal kwam te staan. De directie van de vereniging werd gegrepen door de ontwikkelingen binnen de Engelse 'community centers', waar de bezoekers veel meer zeggenschap werd gegund dan bij Ons Huis het geval was. In de loop van drie jaar werd een bestuursstructuur gecreëerd waarbij de gewenste grotere zelfstandigheid van de bezoekers het uitgangspunt is. Deze methode werd de cirkelstructuur genoemd. In die opzet verdween de directeur als centrale figuur. Hij bleef weliswaar verantwoordelijk voor de gang van zaken binnen een buurthuis, maar was niet de baas. Na de aanvaarding van de cirkelstructuur achtte men de tijd rijp om een definitieve regeling te treffen voor de Rozenstraat. Naast het huisbestuur dat al eerder was geïnstalleerd, kwam dus nu ook een afdelingsdirecteur en werd de Rozenstraat en gewone afdeling.

De centrale algemene activiteiten in de Rozenstraat namen inmiddels steeds meer in betekenis af.(20)

1.6 1954 - 1968: Ons Huis in de westelijke tuinsteden

Vanaf de tweede helft van de jaren vijftig werden in de westelijke polders nieuwe wijken gebouwd. Het bestuur van Ons Huis juichte de vestiging van nieuwe afdelingen in deze westelijke tuinsteden van harte toe. Achtereenvolgens werden de afdelingen Slotermeer (1955), Geuzenveld (1956) en Osdorp (1963) opgericht. Deze drie afdelingen, die gevestigd zijn in wijken waar het maatschappelijke leven in een pioniersfase verkeert, werden een proeftuin van het werken volgens de cirkelmethode en werden dan ook buurthuizen genoemd in plaats van afdelingen. De afzonderlijke afdelingen konden weer bestaan uit een aantal buurthuizen. Nadruk van de activiteiten lag in deze periode op jeugd- en tieneractiviteiten. In Geuzenveld bestond één buurthuis dat in de eerste tien jaren van haar bestaan moest werken met verspreid liggende lokalen. In het 'Ons Huisnummer' van het periodiek 'De Schalm' vinden we een korte typering van de buurt. Buurthuisleider Ger Neervoort typeerde de toenmalige bewoners als: ,,Mensen die zich in sociaal opzicht in stijgende lijn bewogen, mede door stijging van inkomen, stijging op de maatschappelijke ladder en een zekere verburgerlijking. Een soort nieuwe middenstand. Het aantal deelnemende gezinnen waaruit kinderen, tieners of volwassenen deelnemen aan de verschillende activiteiten is rond de zevenhonderd per jaar. Het aantal deelnemende gezinnen uit konfessionele kring is rond dertig procent. Men heeft in het algemeen een konsumptieve houding ten opzichte van de geboden mogelijkheden. Anderszins blijkt het toch ook geen probleem om grote groepen mensen te betrekken bij de werkzaamheden. Wat treft is een grote mate van participatie in het beleid van de zijde van deelnemers en bewoners. Er is een groot aantal kommissies op verschillende terreinen. Deze kommissies voeren in feite een dialoog met zichzelf en met de stafkrachten der vereniging over het te voeren beleid en de praktische uitvoering. De zelfstandig opererende kommissies doen verslag van hun werk aan de Algemene Kommissie. De Algemene Kommissie op haar beurt stippelt, in gesprek met de staf, de hoofdlijnen van het beleid uit.''(21)

Ger Neervoort schreef eveneens over het buurthuis Osdorp. Opvallend noemde hij dat het buurthuis een andere start had dan gebruikelijk, namelijk nadrukkelijk in samenwerking met de levensbeschouwelijke groepen Hervormde Gemeente en Humanistisch Verbond. Daarom kende dit buurthuis ook een begeleidingscommissie. Op het moment dat Neervoort deze impressie schreef, was het buurthuis echter slechts drie jaar actief en mogelijkerwijs behoeft het daarom geen verwondering te wekken dat de participatie van de Osdorpers in de activiteiten op dat moment nog van geringe betekenis was.(22) Geuzenveld, Slotermeer en Osdorp hadden een voorbeeldfunctie voor de overige afdelingen. Rond 1966 werden de drie afdelingen samengevoegd tot de regio Nieuw-West. In de westelijke tuinsteden verrezen in dezelfde tijd de eerste jongerencentra, zoals jongerencentrum Buddha in Geuzenveld en jongerencentrum Kwak in Osdorp.

Rond 1968 leek de cirkelstructuur van Ons Huis redelijk te functioneren. De leiding van de buurthuizen bleven zowel het beleid maken en beïnvloeden als ook uitvoeren. De eindbeslissingen en eindverantwoordelijkheid lagen in handen van directeur Barentsz en het hoofdbestuur. Nog in 1967 schreef directeur Barentsz een brief aan het Girokantoor der Gemeente Amsterdam, waarin hij een girorekening die ten name stond van buurthuis Buiksloterham liet opheffen.

1.7 1968 - 1977: Het conflict tussen buurthuisstaven en Hoofdbestuur

Vanaf 1966 waren de maatschappelijke ontwikkelingen in een stroomversnelling geraakt. De jongeren in deze jaren waren veel minder gezagsgetrouw dan men gewend was en zij experimenteerden meer. De buurthuizen en jongerencentra in de westelijke tuinsteden kregen bijvoorbeeld te maken met de vraag hoe om te gaan met marihuanagebruik. Binnen de werkgroep hash-hash poogde men daar beleid op te formuleren.

Binnen het buurthuiswerk werden twee tendensen zichtbaar. In de eerste plaats een verlangen van de buurthuisstaven om meer invloed te krijgen in beleidsvormingsprocessen binnen de vereniging. Een tweede tendens was de wens van buurtbewoners om meer zeggenschap te krijgen over 'hun' buurthuizen. Een factor die vertroebelend kon werken bij het ontstaan en het uitvechten van conflicten was het bestaan van radicale vormen van maatschappijkritiek. In 1970 liet het Hoofdbestuur een analyse maken van de eigen organisatie. Het rapport bevestigde de visie van progressieve krachten binnen de organisatie:

,,Op veranderingen reageert de organisatie op dit moment burokraties, dat wil zeggen formalisties met een nadruk op procedures en hiërarchie. De organisatie is gesloten, bijna dogmaties en eerder gericht op de vervulling van een aantal burokratiese behoeften zoals het organiseren omwille van het organiseren. De groep [lees: het Hoofdbestuur ' JWS] als groep moet in de revisie, maar waarschijnlijk kan zij di Gaandeweg ontstond er een kloof binnen de organisatie. Nadat enkele malen genomen beslissingen door het Hoofdbestuur waren doorgedrukt, ontstond in de loop van 1972 een conflict rond de benoeming van een opvolger van hoofddirecteur Barentsz. Diens gedoodverfde opvolger, Ger Neervoort, was niet voor iedereen acceptabel en de manier waarop het Hoofdbestuur de benoeming in mei 1973 wilde effectueren, werkte als een rode lap op een stier. Een anoniem zwartboek werd gepubliceerd en er kwam een actiecomité tot stand dat het bestuur een ultimatum stelde. Toen het bestuur dit ultimatum naast zich neerlegde, werd eind mei het pand aan de Rozenstraat bezet. De bezetting haalde de landelijke voorpagina's. Het conflict leidde in eerste instantie tot een verslechtering van de werksfeer. Iets meer dan een jaar na de bezetting echter deden bestuur en directeur voorstellen om de vereniging een opener karakter te geven. De bevoegdheden van het hoofdbestuur werd beperkt ten gunste van de ledenvergaderingen, waarin voortaan ook stafleden en buurtbewoners zitting konden nemen. De feitelijke zelfstandigheid van de buurthuizen werd nu ook formeel geregeld en het Centraal Bureau diende voortaan vooral om te voorzien in expertise. In de loop van 1976 werd Ons Huis in de Rozenstraat gesloten. Het pand werd in 1979 verkocht aan de afdeling Amsterdam van de Nederlandse Vereniging ter bevordering van de Integratie van Homosexuelen COC, die het pand nog steeds in gebruik heeft. Het Centraal Bureau betrok een pand aan de Stadhouderskade.

1.8 1978 - 1983: Federatie van buurt- en jongerenwerk in Amsterdam (FBJA)

Had het buurthuis- en jongerenwerk tijdens het kabinet-denUyl de wind nog volop in de zeilen, met het aantreden van het kabinet-van Agt-Wiegel veranderde deze situatie drastisch. Verder maakte ook de gemeente duidelijk dat zij graag met één gesprekspartner zou willen werken. Binnen vereniging Ons Huis was men van mening dat men beter de regie kon voeren door zelf de samenwerking te zoeken met de overige koepels die buurthuizen exploiteerden. Vanaf 1977 voerde Ons Huis overleg met de SJHA (protestant), KGBA (rooms-katholiek) en Het Anker (sociaal-democratisch) met als doel te komen tot één stedelijke federatie van Buurthuizen en Jongerencentra in Amsterdam. Begin maart 1978 sloot Ons Huis zich bij de koepel aan. Daarna volgde een periode van intensief vergaderen om te komen tot een blauwdruk voor de reorganisatie van het stedelijk welzijnswerk. In maart 1980 verscheen onder auspiciën van Ger Neervoort en Stan Lenglet de zogenaamde Rode Nota. Hierin werd bepleit dat iedere welzijnskoepel een bepaald gedeelte van de stad onder haar hoede kreeg. Voorgesteld werd om het aantal werkeenheden dat een organisatie in de verschillende regio's had als uitgangspunt te nemen. Dat deel van de stad waar de desbetreffende koepel de meeste werkeenheden bezat, zou voortaan haar werkterrein worden. In een drietal besturenconferenties in de loop van 1981 en het begin van 1982 werd de feitelijke reorganisatie op de rails gezet en werd besloten dat Ons Huis voortaan haar thuisbasis in Nieuw West zou krijgen. De vereniging Ons Huis zou opgaan in de Stichting Nieuw West. De Stichting Nieuw West was echter geen lang leven beschoren en zou begin jaren negentig opgaan in Stichting Welzijn Westelijke Tuinsteden met als 'roepnaam' Impuls.(24)

  1. Archief en ordening
Het archief van de vereniging Ons Huis werd in 1981 aan het Gemeentearchief in bewaargeving gegeven. In 1994 werd een aanvulling verkregen. Het archief, dat de periode beslaat van 1891 tot 1987, heeft een omvang van ruim 30 meter. In 2000 werd door mevrouw G. Burger een begin met de inventarisatie gemaakt, waarna de bewerking in 2001 werd voortgezet door de heer J.W. Schilt, die ook de inleiding schreef. In 2003 werd door mevrouw L. Hagoort, met medewerking van mevrouw K. van Laar, de inventaris afgerond.

Bij de inventarisatie werd een grote collectie foto's afgezonderd, die nog nader toegankelijk gemaakt dienen te worden. Het gaat hier om ruim drie meter foto's van uiteenlopende aard en over een periode van ruim negentig jaar. De collectie bevat een aantal albums en een aantal series, die een zekere samenhang vertonen. Ook werd een serie glasnegatieven aangetroffen.

Tijdens de bewerking bleek een aantal stukken, dat niet in het archief aanwezig is, opgenomen in de bibliotheekcollectie van het Gemeentearchief Amsterdam. Een lijst van deze stukken is als appendix aan deze inleiding toegevoegd.

Voor raadpleging van stukken jonger dan 30 jaar is toestemming van de bewaargever vereist. De dienstdoend studiezaalmedewerker kunt u vertellen hoe u deze toestemming kunt verkrijgen.

In het Gemeentearchief Amsterdam vindt u tevens de notities van de heer J.A. Tours in zijn hoedanigheid als schoolopziener van de kleinkinderenscholen en 'bewaarplaatsen over de periode 1885 - 1892. Deze zijn opvraagbaar onder toegangsnr. 264, inventarisnummers 1 en 2.

Eveneens in het Gemeentearchief vindt u het archief van de afdeling Onderwijs van de secretarie te Amsterdam. In de alfabetische klappers op dit archief vindt u onder de zoekterm 'Subsidiëring ' Ons Huis' veel informatie over het gemeentelijk beleid ten aanzien van de subsidieverstrekking aan Ons Huis in de periode 1912 tot en met 1970.

Appendix ' Lijst van stukken opgenomen in de bibliotheek van het Gemeentearchief Amsterdam

N.B. Niet opgenomen zijn bibliotheeknummers die in hun totaliteit in het archief aanwezig zijn. Bibliotheeknummers die gedeeltelijk wel en gedeeltelijk niet in het archief aanwezig zijn, zijn wel opgenomen.

N.B. 2 De bibliotheeknummers zijn te vinden in de systematische kaartcatalogus in de rubriek P IV ' Verenigingen en instellingen 'ter ontwikkeling'.

P 712:

Catalogus van de boekerij van 'Ons Huis', Rozenstraat, Amsterdam. Amsterdam 1904.

P 470:

Ons Huis' Amsterdam. 10 mei 1892 - 10 mei 1917. 80 blz.

P 910.008:

Jaarverslagen. 1892, 1895 - 1906, 1911 - 1915, 1937 - 1938, 1951 - 1954.

WW 0590:

Ons Huis'. Periodiek van het volksontwikkelingsgebouw in de Rozenstraat te Amsterdam. Amsterdam, 1894 - 1900.

P 900.976:

[Diverse stukken, o.m.:]

Statuten. 1891,

Voorlopig huishoudelijk reglement. [1912];

Circulaires, uitnodigingen, programma's, onder andere van de opening van het gebouw Rozenstraat. 1892.

Voorgeveltekening en plattegrond van het gebouw door C.W. Posthumus Meijes, architect. 1891

J.A. Tours. Een avond in Ons Huis. 1894

De eerste zomer in 'Ons Vacantiehuis' de Leperkoen. 1917.

Drie weken kindergeluk in de groote vacantie. 1924

C.P. van Asperen van der Velde. Ons Kinderdorp. 1921

Onze 'jongensvereeniging' in haar eerste drie levensjaren. 1919

P 900.977:

[Diverse stukken, o.m.:]

Programma's van lezingen, cursussen, bijeenkomsten. 1892 - 1940

P 900.978:

[Diverse stukken, o.m.:]

'Ons Huis', Centraal orgaan van het ns-Huis-werk in Amsterdam. 1919 - 1924. Aanwezig: Jaargang 1, nr. 5 ' Jaargang 5, nr. 6. Losse nummers. Incompleet.

Ons Huis. Uitgave van de Maatschappij voor Goede en Goedkope Lectuur. 1925. Jrg. 1, nr. [februari 1925]

P 900.979:

[Diverse stukken, o.m.:]

Circulaires, programma's, alfabetische lijsten met medewerkers, catalogi. 1892.

P 900.980:

[Diverse stukken, o.m.:]

Ons Huis. Brieven. 1953.

P 900.981:

[Diverse stukken, o.m.:]

Programma's, werklijsten en andere. 1947.

P 900.982:

[Diverse stukken, o.m.:]

Circulaires, uitnodigingen en andere. 1953

De Groei. Maandblad van de vereniging Ons Huis. Ons Huis vijfenvijftig jaar. 1947. [Los nummer, mei 1947]

P 168:

Ons Huis: wát er te zien, te hooren en te genieten valt. 1912.

WW 533:

Ons Huis in Mokum. Maandblad van de vereniging Ons Huis. 1961 - 1963. [Niet volledig]

(1) Pots, R. Cultuur, koningen en democraten. Overheid en cultuur in Nederland, p. 177.

(2) Snepvangers, M. en M. Sorée Ons Huis, 100 jaar buurthuiswerk in Amsterdam, pp. 10-25.

(3) Ibidem, p. 25.

(4) Parafrase van jaarverslag 1893, in 1952 door Gerrit Kouwenaar geschreven. 60 jaar Ons Huis. 60 jaar volksontwikkeling, pp. 12-13.

(5) 60 jaar Ons Huis. 60 jaar volksontwikkeling, p. 11.

(6) Snepvangers, M. en M. Sorée Ons Huis, 100 jaar buurthuiswerk in Amsterdam, pp 29-35.

(7) Ibidem, pp 39-40.

(8) Lunenberg, dr. M. Geluk door Geestelijke Groei, pp. 110-112.

(9) Snepvangers, M. en M. Sorée Ons Huis, 100 jaar buurthuiswerk in Amsterdam, pp 57-58.

(10) Lunenberg, dr. M. Geluk door Geestelijke Groei, pp. 112-114.

(11) Snepvangers, M. en M. Sorée Ons Huis, 100 jaar buurthuiswerk in Amsterdam, pp. 75-76.

(12) Ibidem, pp. 79-80.

(13) Ibidem, pp. 79-80.

(14) Ibidem, pp. 97-98.

(15) Ibidem, pp. 99-118.

(16) Ibidem, pp. 122-124.

(17) Kouwenaar, G. In Amsterdam staat Ons Huis. IN: 60 jaar Ons Huis. 60 jaar volksontwikkeling.

(18) Snepvangers, M. en M. Sorée Ons Huis, 100 jaar buurthuiswerk in Amsterdam, p. 131.

(19) Neptunus op schip vol dansende jongens en meisjes gehesen. 'Moonlight-feest' met veel muziek en kisten vol limonade. IN: Het Parool, 15 juni 1959.

(20) Snepvangers, M. en M. Sorée Ons Huis, 100 jaar buurthuiswerk in Amsterdam, pp. 134 - 138.

(21) Ons Huis vijfenzeventig jaar. Amsterdamnummer van de Schalm, 1967 (Jrg. XXIV) nr. 2/3.

(22) Ibidem

(23) Snepvangers, M. en M. Sorée Ons Huis, 100 jaar buurthuiswerk in Amsterdam, pp.149-150.

(24) Ibidem, pp. 160-170

Archiefvormers

    Het nummer achter de archiefvormers verwijzen naar het corresponderende inventarisdeel of het inventarisnummer. Door er op te klikken opent zich de inventaris op dat onderdeel of nummer.
    • Vereniging Ons Huis
    • Verhagen, R.L. (Rudolf Leendert, Dolf) Verhagen-Kohnert, A.W. : 5.3
© Stadsarchief
Disclaimer / Colofon
<

Gegevens over mogelijk nog levende personen mogen alleen worden gebruikt voor historisch (waaronder genealogisch), wetenschappelijk of statistisch onderzoek.

Door het aanklikken van onderstaande button verklaart u zich te houden aan het Reglement voor raadpleging en gebruik van het Stadsarchief.