748: Archief van de Associatie-Cassa

Algemene kenmerken

Toegangsnummer:

748

Periode:

1806 - 1969

Inleiding

Korte geschiedenis van de Amsterdamse kassiersbedrijven in de negentiende en twintigste eeuw

De geschiedenis van de Amsterdamse kassiersbedrijven, voorlopers van de huidige Kas-Associatie, is beschreven in een tweetal gedenkboeken uit 1966 en 1986, die ter oriëntering van de archiefgebruiker voldoende informatie bevatten. Onder verwijzing naar deze gedenkboeken kan ik hier volstaan met enkele hoofdlijnen uit de geschiedenis van de Amsterdamse kassierderij in de negentiende en twintigste eeuw.

Volgens het Wetboek van Koophandel (1838) zijn kassiers 'personen aan wie tegen genot van zeker loon of provisie gelden ter bewaring en uitbetaling worden toevertrouwd' (art. 74). De kassier bewaarde en incasseerde wissels, effecten en andere waardepapieren en hield de daarvoor ontvangen gelden beschikbaar ter betaling aan de eigenaar, zodra en op de wijze als deze dat verlangde. De kassier was alleen bewaarder van de hem toevertrouwde gelden en was niet bevoegd die te beleggen of er handel mee te drijven. Oorspronkelijk (tot de oprichting van de Rente-Cassa en de Kas Vereeniging in 1864 en 1865) vergoedde hij geen rente over de ingelegde bedragen, integendeel hij vroeg daar loon of provisie voor. De kwitanties, betalingsopdrachten (assignaties) en andere bewijsstukken van de kassiers werden 'kassiersbriefjes' of 'kassierspapier' genoemd. Omdat dit kassierspapier aan toonder was en niet op order, zoals wissels, kreeg het in het handelsverkeer de functie van betaalmiddel, vergelijkbaar met de tegenwoordige cheques en bankbiljetten. In principe werd door de kassiers alleen krediet verleend in de vorm van beleningen, dat wil zeggen tegen onderpand van waarden. Hun functie lag van oudsher hoofdzakelijk op het gebied van de regeling van het betalingsverkeer, dat door hun bemoeienissen soepeler kon verlopen. De kredietverlening bleef beperkt, omdat het uitstaande krediet de omvang van de per cliënt in bewaring gegeven waarden niet mocht overschrijden.

De grootste bloei van het kassiersbedrijf viel in de tweede helft van de achttiende eeuw, toen er (omstreeks 1780) te Amsterdam 54 kassierskantoren bestonden. In 1840 waren er nog een twintigtal werkzaam, waarvan de Associatie Cassa en de Ontvang- en Betaalkas wel de voornaamste waren. In



1850 waren daarvan nog 13 bedrijven over. De laatste 'particuliere' kassierderijen, de firma's Cornelis de Veer & Zonen en E. & H. van Cranenburgh werden pas aan het eind van de negentiende eeuw, in respectievelijk 1894 en 1899, opgeheven. Zij gingen op in de in 1865 opgerichte Kas-Vereeniging. Het verschil tussen de 'particuliere' kassiers en de grote bedrijven ligt in de beheersvorm: de Associatie Cassa was georganiseerd als een soort Naamloze Vennootschap, de Ontvang- en Betaalkas als een Commanditaire Vennootschap avant la lettre (deze begrippen werden pas in 1838 in het Wetboek van Koophandel omschreven): zij stonden namens de deelnemers onder toezicht van commissarissen, die voor het dagelijks beheer directeuren aanstelden. In het begin van de negentiende eeuw was er behoefte aan dit soort beveiligingsconstructies door de sterke achteruitgang van de Amsterdamse geld- en goederenmarkt in de Bataafse en Franse Tijd. Men kreeg de beschikking over grotere kapitalen dan de particuliere kassiers en de risico's waren meer gespreid. De Associatie Cassa werd opgericht in 1806 door W. Borski en D.J. Voombergh; de Ontvang- en Betaalkas is in 1813 voortgekomen uit de kassiersfirma Bosch & De Clercq. Er schijnt een aanzienlijk standsverschil tussen beide maatschappijen te zijn geweest: in een terugblik wordt de Ontvang- en Betaalkas 'kassier der arme lieden', de Associatie Cassa 'kassier der rijke lieden' genoemd. De laatste kreeg al snel de functie van centrale bank voor de Amsterdamse groothandel, vergelijkbaar met de oude Wisselbank. Dat de Associatie Cassa een leidende rol in de Amsterdamse 'haute finance' speelde, wordt onder andere duidelijk in de concurrentiestrijd met de Nederlandsche Bank (opgericht in 1814). 'Het is algemeen bekend', schrijft A.M. de Jong in zijn Geschiedenis van de Nederlandsche Bank, 'dat [de Amsterdamse geldwereld] de Nederlandsche Bank in den eersten tijd van haar bestaan weinig gunstig gezind was. Zowel de bankiers [bedoeld wordt: kooplieden-bankiers] als de kassiers zagen in de Bank een ernstige concurrentie, die hun bedrijf alleen maar afbreuk kon doen'. In de tweede helft van de jaren dertig, toen de (koloniale) goederenhandel sterk opleefde, ontstond er een conflict tussen de Nederlandsche Bank en de Amsterdamse kassiers onder leiding van de Associatie Cassa, dat door De Jong en Emeis (geschiedschrijvers van respectievelijk de Bank en de Associatie Cassa) uitvoerig wordt beschreven. Daarbij ging het in wezen om het de facto afdwingen van een monopolie van de Bank in het betalingsverkeer ten koste van het kassierspapier, dat immers een soortgelijke functie vervulde als de door de



Bank uitgegeven bankbiljetten. Het conflict werd in 1840 beslecht met een compromis, waarbij de Bank het recht verkreeg om met uitsluiting van anderen biljetten aan toonder uit te geven.

Tot het begin van de jaren zestig bleef de organisatie van het bankwezen beperkt tot De Nederlandsche Bank, een aantal particuliere kooplieden-bankiers en kassiers, en de twee kassiersmaatschappijen de Associatie Cassa en de Ontvang- en Betaalkas. In de jaren zestig echter ontstond er een geheel nieuwe situatie door de oprichting van moderne commerciële banken in Amsterdam, die zich ten doel stelden de bij hen gedeponeerde gelden te gebruiken voor de financiering van produktieve ondernemingen. Met dit doel werd in 1863 de Algemeene Maatschappij voor Handel en Nijverheid opgericht, die weliswaar slechts kort (tot 1866) heeft bestaan, maar aan de wieg stond van enkele belangrijke ondernemingen, waaronder de Nederlandsch-Indische Handelsbank en de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen. Andere voorbeelden van moderne in deze periode opgerichte banken zijn de Twentsche Bankvereeniging (1861) en Sarphati's Crediet- en Depositobank (1863). Bij deze modernisering van het bankwezen waren de oude instellingen van de Amsterdamse kapitaalmarkt, zoals de Associatie Cassa, niet betrokken. Tekenend in dit verband is het oordeel van H.P.G. Quack (een typische vertegenwoordiger van de nieuwe richting en betrokken bij de Algemeene Maatschappij), die laatdunkend schrijft over 'de machtige côterie van de Borski's met haar kassierderij der Associatie Cassa'. Anders dan de oude kassiersbedrijven vergoedden de nieuwe bankinstellingen rente op deposito's om kapitaal aan te trekken. Daarmee vormden zij uiteraard geduchte concurrenten en dreigden zij de positie van de kassiers te ondermijnen. Om de concurrentie het hoofd te bieden stichtte de Associatie Cassa in 1864 een dochteronderneming, de Rente-Cassa, die wel rente vergoedde. Met de gedeponeerde gelden verrichtte de Rente-Cassa kredietoperaties op korte termijn (disconteringen, beleningen en prolongaties). De Associatie Cassa hield zich bij de oude statuten, zodat deposito's geheel in kasvorm aanwezig bleven. Cliënten kregen echter het recht hun tegoeden kosteloos te doen overschrijven naar een rekening van de Rente-Cassa.

Van groot belang werd een nieuw concurrerend kassiersbedrijf, de Kas- Vereeniging, opgericht in 1865 door onder andere de liberale economen N.G. Pierson en G.M. Boissevain. Dit bedrijf kreeg voet aan de grond in de Amsterdamse handelswereld door de overname van het kassiershuis Di Gazar Francken & Co. In een nota uit 1869 omschrijft Pierson de doelstellingen van de Kas-Vereeniging als volgt: 'Een Bank wilden wij stichten, eene inrichting die de circuleerende kapitalen, die ongebruikte kassen tot zich zou trekken. De kassierderij zou slechts het middel zijn om dit doel te bereiken. Wij wilden ons bankwezen dat, met Engeland en Amerika vergeleken, nog op verre na niet aan de eischen van een goed, ontwikkeld bankwezen voldoet, een krachtige stoot tot vooruitgang geven, ja een nieuwe phase doen ingaan. Kortom, wij wilden geen verbeterde Associatie Cassa creëeren, maar een inrichting naar het model der Londensche Joint-Stock Banks'. De Engelse Joint-Stock Banks waren handelsbanken die krediet op korte termijn gaven ten dienste van de handel en de kapitaalmarkt. In de praktijk was de Kas-Vereeniging vooral kassier die, evenals de andere kassiersmaatschappijen, diensten verleende bij de afwikkeling van effectentransacties en het betalingsverkeer. Zij hield zich bezig met het ontvangen van gelden in rekening-courant, het betalen van assignaties en kwitanties, het incasseren en disconteren van wissels en het bewaren van effecten en andere waardepapieren. Op de gedeponeerde waarden werd rente vergoed en zij werden gebruikt als onderpand voor kortlopend krediet (beleningen). Een belangrijk verschil met de oude Associatie Cassa was de openbaarheid van de jaarrekening. De Ontvang- en Betaalkas werd in 1874 omgezet in een Naamloze Vennootschap en opereerde voortaan op dezelfde wijze als de Kas-Vereeniging.

In de twintigste eeuw werden de taken van de kassiers meer beperkt tot dienstverlening aan effectenhandelaren en emitterende bedrijven en instellingen. Omdat zij zelf niet deelnamen aan emissies, niet handelden in effecten en geen blanco krediet verschaften, waren zij geen partij op de effectenmarkt en konden zij functioneren als onafhankelijke instellingen van de effectenhandel. De afwikkeling van de beurstransacties verliep in de regel via de kassiers: de te leveren effecten werden bij hen afgegeven en de incassering van de koopsommen was bij hen geconcentreerd. Deze functie leidde tot een toenemende onderlinge samenwerking. Aanvankelijk ondervond de Kas-Vereeniging nogal wat tegenwerking van de overige kassiers; in 1880 echter spraken de drie grote kassiersmaatschappijen af hun kassierspapier onderling via een girosysteem te verrekenen, zodat het vervoer van bankpapier over de openbare weg kon worden beperkt. In 1916 richtten de Kas-Vereeniging en de Ontvang- en Betaalkas het 'Amsterdamsch Verrekenkantoor' op. Het doel daarvan was vereenvoudiging van het geld- en effectenverkeer door een systeem van clearing. De Associatie Cassa deed daaraan niet mee, aangezien zij 'in deze combinatie als minderheid steeds zou staan tegenover de beide andere instellingen, die door hare geheel van de onze verschillende relaties en verhoudingen reeds meermalen getoond hebben door motieven geleid te worden, waarmede de



A.C. zich niet kan vereenigen'. In plaats daarvan besloten de Associatie Cassa en de Rente-Cassa hun onderlinge relaties te verstevigen, aanvankelijk (1919) door gemeenschappelijke vergaderingen, later (1920) door een personele unie van commissarissen en directeuren. Per 1 januari 1929 werd de Ontvang- en Betaalkas overgenomen door de Kas-Vereeniging, die daarmee veruit de grootste van de twee overblijvende kassiersinstellingen werd. In 1943 werd voor het eerst overlegd over samenwerking met de Associatie Cassa. Deze besprekingen werden na de oorlog voortgezet en resulteerden per 1 januari 1952 in een samensmelting van beide instellingen tot de Kas-Associatie. Daarmee was het fusieproces nog niet teneinde: voorlopig sluitstuk was de overname van de aandelen Kas-Associatie door de Vereeniging voor den Effectenhandel in 1974, maar dit valt buiten de door de archieven bestreken periode.

Geschiedenis van de archieven en verantwoording van de inventarisatie

De archieven van de kassiersbedrijven zijn in gedeelten naar de gemeentelijke archiefdienst overgebracht. Bij de opheffing van de Ontvang- en Betaalkas in 1929 werd het archief overgedragen aan het Nederlandsch Economisch Historisch Archief (NEHA) te Den Haag. Na de fusie in 1952 ontving het NEHA een aantal kas- en grootboeken van de Associatie Cassa. Deze archiefbestanddelen werden in 1972 en volgende jaren door het NEHA aan het gemeentearchief in bewaring gegeven. Van deze archieven werden door de archiefdienst plaatsingslijsten gemaakt. In 1987 volgde de overbrenging van een resterend deel van het archief van de Ontvang- en Betaalkas en van de Associatie Cassa en van de archieven van de Rente-Cassa en de Kas-Vereeniging. Tijdens de inventarisatie bleek dat de archieven van de Kas-Vereeniging en de Associatie Cassa enigszins door elkaar waren geraakt. De stukken zijn uiteraard naar hun archief van herkomst teruggebracht. De indeling van de inventarissen berust niet op een oude orde. Daarvan waren weinig sporen aanwezig. Bij het archief van de Kas-Vereeniging bevinden zich enige materiële objecten, te weten een mandje met een stempelhouder en vijf stempels en een kistje met twee doosjes met een aantal verkoolde waardepapieren en een couponkniptang.



Deze objecten worden bij het archief bewaard, maar zijn niet in de inventaris opgenomen. Uit het archief van de Ontvang- en Betaalkas zijn enkele series financiële administratie vernietigd (ca. 68 meter), voornamelijk bestaande uit kasboeken en kopieën van de rekeningen-courant.

De resterende omvang van de archieven is: Ontvang- en Betaalkas 39 meter; Associatie Cassa 11 meter; Rente-Cassa 0,50 meter; Kas Vereeniging 10 meter. In de overeenkomst van bewaringgeving d.d. 23 januari 1987 is bepaald, dat de archieven van deze instellingen slechts geraadpleegd mogen worden na schriftelijke toestemming van de bewaargever, de Kas-Associatie N.V.

Archiefvormers

    De nummers achter de archiefvormers verwijzen naar het corresponderende inventarisdeel of het inventarisnummer. Door er op te klikken opent zich de inventaris op dat onderdeel of nummer.
    • Associatie Cassa : 1
    • Associatie Cassa; stichting pensioen- en ondersteuningsfonds : 2
© Stadsarchief
Disclaimer / Colofon
<

Gegevens over mogelijk nog levende personen mogen alleen worden gebruikt voor historisch (waaronder genealogisch), wetenschappelijk of statistisch onderzoek.

Door het aanklikken van onderstaande button verklaart u zich te houden aan het Reglement voor raadpleging en gebruik van het Stadsarchief.