735: Archief van de Firma Hope & Co. met verwante archiefvormers

Algemene kenmerken

Toegangsnummer:

735

Periode:

1679 - 1981

Inleiding

*ASPECTEN VAN DE GESCHIEDENIS VAN HOPE & CO EN VAN GELIEERDE ONDERNEMINGEN*

*Hope & Co tot ca. 1815*

_De familie Hope_

Van 1720 tot 1814 waren verschillende leden van de familie Hope actief in de koophandel (1). Over de vroegste periode van het bedrijf is echter weinig bekend. Archibald jr. (1698-1734) en Thomas (1704-1779) Hope begonnen in de jaren twintig van de achttiende eeuw activiteiten in Amsterdam ontplooien. Zij waren geboren in Rotterdam als zoons van de koopman Archibald Hope (1664-1743) en handelden aanvankelijk op Engeland en Amerika, evenals hun vader en broers te Rotterdam.

De eerste jaren na 1720 woonde Archibald jr. aan het Singel bij zijn oom Warner Lulofs die actief was als speculant. Nadien vestigde Archibald jr. zich als koopman aan de Herengracht. In 1726 trad hij in het huwelijk met een Amsterdamse koopmansdochter, die echter al in datzelfde jaar overleed. Ook Thomas trouwde een koopmansdochter en woonde aan de Herengracht 'over de Bergstraat'. Daar werd hun zoon Jan (1737-1784) geboren. Het inkomen van beide broers was op het moment van hun huwelijk al zo hoog dat zij voor de belasting op het trouwen voor het hoogste bedrag werden aangeslagen. Thomas stond sedert 1730 ingeschreven als poorter van Amsterdam. Van Archibald werd een dergelijke inschrijving niet gevonden (2).

Na het overlijden van Archibald jr. trad zijn broer Adriaan (1709-1781) in zijn plaats naast Thomas. Thomas en Adriaan Hope legden zich in de eerste jaren voornamelijk toe op de goederenhandel en de afwikkeling daarvan: vervoer, opslag, verzekering en kredietverlening. Al in 1779 meldden de _Nederlandsche Jaarboeken_ naar aanleiding van het overlijden van Thomas '[...] dat er mogelijk geen comptoir zo magtig in Europa gevonden wordt, dan het welk hij in deze stad heeft gevestigd' (3).

De oudste inschrijving van een Hope bij de Wisselbank uit 1721 staat alleen op naam van Archibald Hope jr. De oudste op naam van Archibald en Thomas Hope dateert van 1726. In 1762 werd door middel van een circulaire bekend gemaakt dat Jan en Henry in de firma werden opgenomen en dat de firma voortaan Hope & Co heette. De oudst bewaarde overeenkomst waarin de Hopes hun afspraken op schrift stelden is van 1762. Het doel van het bedrijf werd als volgt omschreven: '[...] dat deze firma niet anders zal dienen dan tot zaken van de commercie en commissiën, en niet tot eenige negotiatiën van gelden a deposito of dergelijken' (4). Henry, de oudste zoon van Archibald Hope sr. (1735-1811), had zich aanvankelijk in Boston als koopman gevestigd. Nadat hij in Londen ervaring in de koophandel had opgedaan, werd hij in 1762 door zijn ooms Thomas en Adriaan in de firma in Amsterdam opgenomen, samen met zijn neef Jan, de zoon van Thomas (1737-1784). Henry werd de drijvende kracht achter de firma in de achttiende eeuw. Aan hem droeg Adam Smith de vierde druk op van zijn magnum opus _An inquiry into the nature and causes of the wealth of nations_ (1786). Hoewel Jan sinds 1762 medefirmant was, werd Hope & Co eigenlijk geleid door zijn Amerikaanse neef Henry. Onder diens leiding ging de firma zich in de tweede helft van de achttiende eeuw toeleggen op de financiering van handelstransacties en vooral op de uitgifte van geldleningen aan vorsten en overheden in Zweden, Polen, Rusland, Portugal, Spanje, Frankrijk en Amerika (5). Henry zorgde ervoor dat de jonge Engelsman John Williams (1757-1813), die in Amsterdam als koopman ervaring opdeed, in de firma werd opgenomen. Tevens arrangeerde hij een huwelijk tussen deze John Williams en de dochter van zijn zuster. Henry was ook degene die Pierre Cesar Labouchere (1772-1839) in 1790 in dienst nam. In 1802 werd ook hij firmant.

Verschillende leden van de familie Hope maakten niet alleen naam als kooplieden, maar ook in andere functies en hoedanigheden. Zo was Thomas representant van stadhouder Willem IV en opperbevelhebber en gouverneur-generaal van de Nederlandse Oostindische Compagnie (6). Zijn zoon Jan was onder andere lid van de Amsterdamse vroedschap en bewindhebber van de Oostindische Compagnie. Jan was in 1763 in Rotterdam gehuwd met Philippina Barbara van der Hoeven, dochter van een burgemeester.

Zoals gebruikelijk in de achttiende eeuw hielden de Hopes kantoor aan huis. In 1758 kocht Thomas panden aan de Keizersgracht bij het Molenpad, tegenwoordig de nummers 444-446. In 1763 werd 448 daaraan toegevoegd. Het perceel in de tuin van 446 werd verbouwd tot kantoor. De aansluitende panden Prinsengracht 659-661 gingen dienst doen als pakhuis ('Kerkkroon') en stallen annex koetshuis. Voor de goederen die op de Prinsengracht geladen en gelost werden was de binnenplaats bereikbaar via de Calvaars- of Klaverbladsgang. Thomas, zijn broer Adriaan, en Jan woonden er tot 1782, Henry tot 1794, John Williams tot 1808 en later de firmanten Labouchere en Coesvelt tot 1813. Na het overlijden van John Williams Hope werden de activiteiten verplaatst naar Doelenstraat 9, vlakbij de beurs en Nederlandsche Bank, waar de firma gevestigd bleef tot 1821. Na 1821 was het kantoor gevestigd aan de Keizersgracht bij de Vijzelstraat. De familie Sillem woonde vlakbij aan de Herengracht en later de familie Van Loon aan de overzijde van de Keizersgracht. Een bezoeker aan de firma in 1759 meldde dat er 26 medewerkers waren. In 1811 staan er vijftien medewerkers op een salarislijst, in 1815 dertien (7). De Hopes belegden grote sommen geld in kunstverzamelingen. Naast een reusachtig vermogen liet Jan Hope een grote collectie schilderijen na, een uitgebreide bibliotheek en een verzameling prenten en tekeningen. Zijn zoon Thomas (1769-1830) verzamelde kunstwerken, waarvoor hij in Engeland een museum bouwde, en publiceerde onder andere over de geschiedenis van kleding en meubels. Vooral Henry heeft naam gemaakt als kunstverzamelaar. In zijn buitenverblijf Welgelegen te Haarlem liet hij zalen inrichten als expositieruimte. Bij zijn vertrek uit Nederland nam hij zijn collectie mee naar Londen. Er is een lijst bewaard gebleven van bijna 400 schilderijen met de getaxeerde waarden (8).

Toen in 1794 een Franse invasie dreigde, vertrokken de Hopes, die nauwe relaties met de Oranjes hadden, naar Engeland. Henry Hope zou daarna niet meer naar Nederland terugkeren. Aanvankelijk werden Labouchere en Baring gemachtigd de zaken waar te nemen, totdat ook zij zich inscheepten te Den Helder. Een deel van de zaken werd overgenomen door bevriende handelshuizen als Insinger & Co en J.J. Voûte & Co. Paulus Taay, een vertrouwd lid van het personeel, werd gemachtigd de lopende zaken in Amsterdam te behartigen. Hij kreeg daarbij steun van Robert Voûte (1747-1823), die in Rusland al veel belangrijk werk voor de firma had verricht (9). De contacten tussen de Hopes in Engeland en de zaakwaarnemers in Amsterdam liepen gedeeltelijk via de Londense handelshuizen van Baring en Harman. Vanuit Amsterdam en Londen werden vele brieven geschreven. De boekhouding werd in Amsterdam bijgehouden.

In 1803 vond er op papier een zekere scheiding plaats tussen de vestigingen in Londen en Amsterdam onder de naam van respectievelijk Henry Hope & Co en Hope & Co. Dit had gevolgen voor de boekhouding, maar niet voor de correspondentie. Het was de bedoeling om bij de autoriteiten in Holland de schijn te wekken dat de firma in Amsterdam een zelfstandig bedrijf voerde, los van de firmanten in Engeland. Maar ook na 1803 ging het grootste deel van de winst van de vestiging in Amsterdam naar de Hopes in Londen, dus de firma Henry Hope & Co. In 1809 was dat bijvoorbeeld niet minder dan het 41/49e deel. In Amsterdam was de leiding van de firma in feite in handen van P.C. Labouchere en niet van John Williams Hope. Labouchere ontplooide in nauw overleg met Henry Hope te Londen nieuwe financiële activiteiten met buitenlandse mogendheden.

Het terugtrekken van de Hopes uit de firma Hope & Co te Amsterdam heeft zich geleidelijk voltrokken. In 1808 keerde John Williams Hope terug naar Engeland. Henry Hope was inmiddels de zeventig gepasseerd en liet zich minder met de zaken in. Hij overleed in 1811. Labouchere liet nadien de werkzaamheden in Amsterdam over aan een nieuwe generatie. Hij verhuisde naar Engeland en werd lid van de firma Baring & Co in Londen (hij was met een dochter van Baring getrouwd). Hoewel hij na 1811 geen direct belang meer in Hope & Co had, behartigde hij nog wel zaken van de firma in het buitenland. De erfgenamen van Henry en Jan Hope trokken zich in de loop van 1813-1814 allemaal terug uit Hope & Co in Amsterdam en deden hun aandeel als stille vennoten over aan Alexander Baring in Londen, een zwager van Labouchere (10).

*Hope & Co na ca. 1815*

In 1815 vond er in de activiteiten en de administratie van de firma geen fundamentele wijziging plaats. Net als voorheen legde men zich toe op het verstrekken van leningen aan buitenlandse mogendheden. Hope & Co participeerden onder andere in het Louisiana-project en in leningen aan Rusland, Spanje en Oostenrijk. In de loop van de negentiende eeuw introduceerde de firma vele Amerikaanse spoorwegfondsen op de Amsterdamse beurs, zorgde voor de emissie van andere binnen- en buitenlandse fondsen en participeerde in syndicaten en consortia met andere effectenhuizen in binnen- en buitenland. De overheersende positie van Hope & Co in buitenlandse leningen aan Rusland blijkt onder andere uit de studie van Platt (11).

In het begin van de negentiende eeuw zat het de firma niet altijd mee omdat heel wat staten problemen kregen met de aflossing van de leningen en de betaling van renten. Tevens werd de belegging in buitenlandse waarden door de Nederlandse overheid lange tijd tegengewerkt met de bedoeling het kapitaal in Nederland beschikbaar te laten stellen aan binnenlandse projecten. Na 1823 liep het totale ingelegde kapitaal terug van anderhalf naar een miljoen gulden. Van 1839 tot 1930 was het vrij constant_ f_ 2.000.000 gulden. Maar ondanks vele financiële moeilijkheden werd in de negentiende eeuw alleen in 1826, 1827 en 1830 geen winst uitgekeerd. In de twintigste eeuw deed zich dat alleen in 1930 voor. De laagste winst werd uitgekeerd in 1823; de hoogste in 1819, namelijk _f_ 2.500.000 op een kapitaal van _f_ 1.750.000 en een balanstotaal van bijna zestien miljoen gulden.

De continuïteit van het beheer van de firma na 1815 werd verzekerd door huwelijken en het lidmaatschap van verwanten, in de eerste plaats zoons en dochters. Hieronder volgt een korte beschrijving van enkele belangrijke betrokken personen en families. In de bijlage is een overzicht van participanten in Hope & Co opgenomen.

_Alexander Baring (1774-1848)_

Alexander Baring was al op jonge leeftijd werkzaam voor Hope & Co, onder andere in Noord-Amerika en in het Caraïbisch gebied. In 1794 werd hij als twintigjarige in Amsterdam aangesteld. Na het terugtrekken van de Hopes werd hij vennoot van de firma door het aandeel van de Hopes over te nemen. Alexander Baring was een zoon van Francis Baring die in 1770 met zijn broer het Engelse bankiershuis Baring Brothers had opgericht. Na het overlijden van zijn vader in 1810 zette Alexander het bedrijf voort. Tevens volgde hij zijn vader op als lid van het Engelse parlement, waarin hij van 1806 tot 1835 zitting had. Alexander Baring werd in 1835 in de adelstand verheven tot Lord Ashburton. Zijn zuster trouwde met P.C. Labouchere. Van 1815 tot 1823 was al het kapitaal van de firma Hope & Co in zijn handen. In 1823 bedroeg dit kapitaal _f_ 1.750.000. De directie in Amsterdam verdeelde de helft van de winst. Na 1823 had Baring geen deel meer aan de activiteiten van Hope & Co. Korte tijd, van 1823 tot 1828, was Thomas Baring nog vennoot. De relatie van Hope & Co met Baring Brothers was toen formeel niet anders dan die van Hope & Co met andere effectenhuizen. Wel werkten Baring Brothers & Co en Hope & Co nauw samen bij het verstrekken van leningen aan Rusland (12).

_Labouchere_

Leden van deze familie waren meer dan een eeuw actief in Hope & Co. Pierre Cesar (1771-1839) en Samuel Pierre (1778-1867) waren zoons van een Franse immigrant. Pierre Cesar werkte aan het einde van de achttiende eeuw al op jonge leeftijd in een ondergeschikte positie bij Hope & Co. Hij huwde in 1796 met een dochter van Francis Baring uit Londen en werd vervolgens lid van het bankiershuis Baring Brothers. Alexander Baring was zijn zwager. John (1799-1863) was de tweede zoon van Pierre Cesar en was ook korte tijd firmant van Hope & Co. Samuel Pierre werd in 1823 lid van de firma Hope & Co en was bovendien chef van de firma S.P. Labouchere & Co in Rotterdam. Henri Matthieu (1807-1869), een zoon van Samuel Pierre en gehuwd met C.H. van Lennep, vrouwe van Doorn, volgde hem op in de firma. Charles Henry (1863-1916), een zoon van Charles Bernard (broer van Henri Matthieu) en H.M.J. Voombergh, vrouwe van Zeist, was de laatste Labouchere bij de firma Hope & Co.

_Adriaan van der Hoop (1778_1854)_

Voor zijn intrede bij Hope & Co maakte Van der Hoop verschillende zakenreizen naar het buitenland, onder andere naar Spanje. Via zijn familie had hij nauwe contacten met regenten in Holland en met de Oranjes. In zijn publikatie over de kunstverzameling van Van der Hoop gaf Knoef in 1948 een opsomming van het optreden van Van der Hoop in handels- en bestuurszaken. Genoemd kunnen worden: bemoeienis met het opstellen van de nieuwe Grondwet van 1814, met het Grootboek der Nationale Schuld, met de Amsterdamse Wisselbank, met de totstandkoming van de beurs van Zocher. Tevens bekleedde hij posities in het stads-, provincie- en landsbestuur. Na 1822 bewoonde hij het huis aan de Keizersgracht 446 waarin al eerder leden van het huis Hope geleefd hadden. Een aanzienlijk deel van het kunstbezit van het latere Rijksmuseum werd door hem bijeengebracht (13).

_Sillem_

Hieronymus Sillem (1768-1833) was het eerste lid van de familie Sillem, die meer dan een eeuw lang een leidende rol in de firma zou spelen. In Hamburg was hij in de handel opgeleid. Zijn familie was verbonden met de Hamburgse bedrijven van Matthiessen en Benecke & Co. Voor Hieronymus in 1815 in de firma Hope & Co werd opgenomen, had hij als koopman ervaring opgedaan in de handel in Rusland en was hij gevestigd geweest in Petersburg. Zijn zoon Ernst (1807-1867) volgde hem op. Zijn dochter huwde met de nog te noemen Johannes Borski. Na het overlijden van Ernst trad zijn zoon Johan Gottlieb (1837-1896) als vennoot op, om later plaats te maken voor zijn zoon Ernest (1864-1919). De latere vennoot B. Heldring (1892-1934) was door zijn huwelijk verwant aan de familie Sillem (14).

_J.B. Stoop (1781-1856)_

Toen Stoop in 1833 vennoot van Hope & Co werd, had hij al een lange staat van dienst bij de Borski's achter de rug. Zijn activiteiten bij de firma Borski komen hierna ter sprake. Over zijn contact met de familie Borski publiceerde Van Lennep het een en ander (15). Over zijn tijd bij Hope & Co is nauwelijks wat bekend.

_Van Loon_

Sinds het huwelijk van Hendrik Maurits Jacobus (1831-1901) met een dochter van Willem Borski II, een zuster van Willem Borski III, zijn er zes leden van deze familie lid van Hope & Co geweest. In 1854 kwam de plaats van Adriaan van der Hoop vrij en trad Hendrik toe. Bijna een halve eeuw later werd hij opgevolgd door zijn oudste zoon Willem Hendrik (1855-1935). Willem was tevens lid van Van Loon & Co en van Weduwe Willem Borski, waarvan zijn vader in 1885 commanditair vennoot was. Ernest Hendrik, tweede zoon van Hendrik, was van 1887 tot 1902 ook lid van Hope & Co. Na Willem kwam zijn zoon Hendrik Maurits (1886-1949) in de firma (1920), en later ook zijn dochter Louise Marguérite (1891-1947). Naast de oudste zoon van de eerstgenoemde trad ook zijn vijfde zoon Ernest Hendrik (1863-1944) in 1887 toe tot zijn uittreding in 1902; zijn zoon mr. Louis Charles (1891-1955) volgde hem in 1920 op (16).

_Ter Meulen_

Carel Eliza (1867-1937) is geboren uit een familie die verbonden was met koopliedenfamilies als Stadnitski, Tra Kranen en Loopuyt. Zijn grootvader was korenfactor en zijn vader assuradeur. Zijn eerste werkkring vond hij bij de effectenfirma Molière, gelieerd aan Borski. In 1901 werd hij lid van Hope & Co. Vóór zijn toetreding werd zijn vennootschap tot het drijven van de commissiehandel in effecten met M.P.T. Damalvy Molière ontbonden. Buiten zijn kantoor genoot Ter Meulen veel aanzien als financieel specialist. Hij nam als zodanig deel aan de vredesbesprekingen van Versailles en was vele jaren voorzitter van het financiële comité van de Volkenbond (sinds 1921). Hij was commissaris van vele binnen- en buitenlandse bedrijven. Henri ter Meulen (1902) was na hem lid van de firma; hij was een zoon van een broer van Carel, een vermaard scheikundige (17).

*De firma Weduwe W. Borski, (1790) 1816-1966*

Het is niet toevallig dat bij het Hope-archief vele archivalia van het bedrijf en de familie Borski werden aangetroffen. Er was een nauwe relatie tussen de Borski's en de firma Hope & Co. Er is over deze familie al het een ander in druk verschenen (18). Hier komt in het kort alleen de relatie met Hope & Co aan de orde.

Voordat er sprake was van een vennootschap op naam van Borski deed Willem Borski (1765-1814) zaken op eigen naam. Van 1789 tot 1795 stond hij bij het gilde ingeschreven als gezworen makelaar. Hij was toen gevestigd aan de 'Agterburgwal over de Petanjestraat'. Nadien was hij zelfstandig koopman en commissionair en participeerde, onder meer met Hope & Co, in uiteenlopende financiële ondernemingen, bijvoorbeeld leningen aan Rusland en Spanje. Dat hij bijzonder fortuinlijk in de handel was bleek uit de aankoop van onder meer de hofstede Elswoud met landerijen in 1805 en een dubbel koopmanshuis aan de Keizersgracht in 1809. In 1813 behoorde hij tot de hoogst aangeslagenen van Amsterdam (19).

Na het overlijden van Willem Borski in 1814 zette zijn weduwe Johanna van der Velde de zaken voort samen met J.B. Stoop. Stoop was in 1816 als directeur van Franse en Amerikaanse fondsen gepatenteerd. Deze vennootschap van koophandel werd in 1817 ingeschreven bij de Rechtbank van Koophandel onder de naam firma Weduwe W. Borski. Daarbij werd verwezen naar de notariële akte van compagnieschap waarin de maatschap sedert 1 februari 1816 was aangegaan (20). Het kantoor van Borski legde zich vooral toe op commissionairszaken, op de uitvoering van orders op de Amsterdamse beurs, het uitzetten van geld op prolongatie en het fungeren als inschrijvingskantoor voor openbare emissies (21). Na verloop van tijd traden haar zonen Willem (1799-1881) en Johannes (1807-1891) tot de firma toe. In 1833 trok Stoop zich terug om firmant bij Hope & Co te worden. Deze overgang van Stoop van Borski naar Hope werd door Van Lennep aangegrepen om de uitzonderlijke positie van Borski tegenover Hope in het daglicht te plaatsen: 'De Weduwe met een grote W helpt Hope uit de brand, de commissionair steunt de bankier, de knecht komt de baas te hulp' (22).

Na het overlijden van de weduwe Borski (1846) trad ook haar zoon Johannes uit de firma. Willem Borski (II) werd nu hoofd van de firma, later samen met zijn zoon Willem (III) (1834-1884). Na de dood van Willem (II) in 1881 zette zijn zoon de firma voort samen met P.J. Loman en jhr. W.H. van Loon, die vanaf 1 juli 1885 na het overlijden van Willem (III) de meeste zaken voortzetten onder de naam Van Loon & Co. In 1937 werd deze, wederom na een overlijden, opgenomen in Hope & Co. Daarmee kwam na bijna een eeuw een einde aan het zelfstandig optreden van enkele generaties Borski's.

De relaties van Borski met Hope & Co waren op het persoonlijke vlak intensiever geworden door huwelijken. In 1831 was Johannes gehuwd met een dochter van de firmant Sillem van Hope & Co, in 1854 Willems dochter Louise Catherina met jhr. H.M.J. van Loon - sedert 1854 lid van Hope & Co - en in 1882 huwde weer een andere nazaat van Borski met mr.dr. J. Luden, lid van Van Loon & Co en Hope & Co (tot 1919) en president-commissaris van de Nederlandsche Bank. Zijn zoon Hendrik Luden (1885-1924) was na zijn huwelijk met een Amerikaanse slechts korte tijd firmant; hij verdronk in de Noordzee (23). De firma hield kantoor aan de Keizersgracht tussen Leidse- en Spiegelstraat, na 1886 in het kantoor van Van Loon & Co en vervolgens bij Hope & Co. De oorspronkelijke naam van de firma (Weduwe) W. Borski bleef van het begin af aan verbonden met de met anderen opgerichte administratiekantoren voor Amerikaanse, Franse, Nationale en 'Buitenlandse' fondsen. Als zodanig werden certificaten mede op naam van de firma Borski uitgegeven. Deze praktijk werd onder meer voorgeschreven door de Nederlandse wetgeving. Ook na de overname door Van Loon & Co werd de naam Weduwe W. Borski nog gebruikt voor de twee laatstgenoemde fondsen. De firma voerde met onder meer de firma Ketwich & Voombergh en met de firma Hope & Co de directie, maar had met de daadwerkelijke uitvoering van de administratie verder geen bemoeienis. Ten behoeve van de inschrijvingen in het Grootboek van Nationale Schuld en op de door de administratiekantoren uitgegeven certificaten werd de naam van de firma Weduwe W. Borski nog gehandhaafd tot de opheffing van het kantoor in 1966. Dit blijkt ook uit de inschrijving van de firma in het Handelsregister van de Amsterdamse Kamer van Koophandel (24).

*Van Loon & Co, (1885) 1889-1936*

Over het beheer van dit commissionairskantoor van effecten in de eerste decennia is weinig bekend. De beherende firmanten maakten op 30 juni 1885 bekend dat na het overlijden van de associé W. Borski jr. de overgebleven vennoten P.J. Loman en jhr. W.H. van Loon met ingang van 1 juli 1885 de firma Van Loon & Co voortzetten. W.H. van Loon was de oudste zoon van H.M.J. van Loon die sedert 1854 lid was van Hope & Co. Na het overlijden van Loman in 1888 werd de opvolging in 1889 in de firma Van Loon & Co bekend gemaakt en bleek nog de relatie met Wed. Borski: 'Wij hebben de eer U te berichten dat wij als Deelgenoot in onze zaken, en in die welke door ons onder de firma Weduwe Borski worden gedreven, hebben opgenomen de Heer Mr. J. Luden'. Deze firma zette de meeste activiteiten van de firma Wed. W. Borski voort en legde zich dus toe op de beurshandel en was inschrijvingskantoor voor openbare emissies.

De firma Van Loon ontving het winstaandeel van de firma Wed. Borski in de administratiekantoren die door Ketwich & Voombergh en Hope & Co beheerd werden. Opgemerkt zij dat naast degenen die deelnamen in het kapitaal van de firma Van Loon & Co ook andere firmanten van Hope & Co in de winst van de firma Van Loon & Co deelden. In 1897 waren beide firmanten van Van Loon & Co tot de firma Hope & Co toegetreden. Volgens het _Algemeen Adresboek van Amsterdam_ was het kantoor vanaf 1886 gevestigd aan Keizersgracht 524, samen met dat van Wed. Borski, tot het in 1904 overging naar het pand van Hope & Co. In 1919 trok J. Luden zich terug en werd de vennootschap voortgezet door W.H. van Loon, C.E. ter Meulen en J.C. de Beaufort. Uit een inschrijving in het Handelsregister bleek dat de vennootschap onder firma in 1935 werd omgezet in een commanditaire vennootschap met drie vennoten bij wijze van geldschieting en C. ter Meulen als beherend vennoot. Op 1 januari 1937 werd de vennootschap opgeheven; Hope & Co waren de vereffenaar (25).

*Administratiekantoren*

Van 1824 tot 1938 werd een deel van de activiteiten van Hope & Co ondergebracht in een administratiekantoor voor 'Buitenlandse fondsen', dat binnen de firma een afzonderlijke organisatorische eenheid vormde. Hope & Co voerden de directie gemeenschappelijk met twee andere firma's die al grote ervaring hadden met het beheer van Amerikaanse, Franse en nationale fondsen: Ketwich & Voombergh en Wed. W. Borski. Van 1803 tot 1821 voerden Hope & Co samen met R. & Th. de Smeth en W. & J. Willink de directie over een kantoor voor het Gemeenschappelijk Bezit van Originele Amerikaanse fondsen. Hope & Co namen de administratie van dit gemeenschappelijke kantoor op zich en waren daarvoor verantwoording schuldig aan beide andere firma's. Cliënten konden gebruik maken van de diensten van dit kantoor voor bemiddeling bij beleggingen in moeilijk verhandelbare fondsen. Een administratiekantoor vormde in die tijd geen zelfstandige vennootschap en geen rechtspersoon in de zin van het Wetboek van Koophandel. In die zin onderscheidde dit kantoor zich van administratiekantoren die later als NV werden opgericht.

Nadat koning Willem I in 1824 het verbod had ingetrokken om zonder toestemming in buitenlandse leningen te participeren, legden Hope & Co zich met nieuwe kracht toe op buitenlandse fondsen, met name Russische. Op naam van de directie van het kantoor werden gemakkelijk verhandelbare certificaten uitgegeven tegenover inschrijvingen op naam in buitenlandse Grootboeken en tegenover obligaties aan toonder van buitenlandse geldleningen, waarvan bijvoorbeeld de rente niet in Nederland betaalbaar was. Voor elk specifiek fonds werden afzonderlijke certificaten en couponbladen uitgegeven. Hope & Co verzorgden voor het administratiekantoor de beleggingen en droeg de zorg voor de ontvangst der renten en aflossingen. Het kantoor, dat niet meer aan certificaten uitgaf dan de ingelegde kapitalen, kreeg de onkosten vergoed en berekende provisie voor de bemiddeling. Voor de cliënten werden formaliteiten verricht, de financiële zaken afgewikkeld en in bijzondere omstandigheden kon het kantoor de belangen van het publiek behartigen. In het begin van de twintigste eeuw nam deze activiteit duidelijk af als gevolg van een vergemakkelijking van het internationale beleggingsverkeer. Aan het einde van de jaren dertig vond liquidatie plaats.

In het begin van deze eeuw werden beleggingsactiviteiten door de vennoten niet meer allemaal op naam van de firma of van de afzonderlijke firmanten uitgevoerd, maar ondergebracht in zelfstandige ondernemingen. Deze nieuwe administratiekantoren onderscheiden zich van de bovengenoemde omdat zij als naamloze vennootschappen optraden. NV's zijn als rechtspersoon aansprakelijk, in tegenstelling tot de vennoten bij bovengenoemde kantoren. Deze kantoren waren op hetzelfde adres gevestigd als de firma Hope & Co. Een ander verschil is dat deze NV's aandelen uitgaven voor de deelnemers in het kapitaal en schuldbewijzen van de vennootschap. Daarnaast bleef het mogelijk ook certificaten uit te geven (bijvoorbeeld het kantoor van Binnen- en Buitenlandse fondsen).

Het eerste zelfstandige administratiekantoor met de rechtsvorm van NV was de Hollandsche Beleggings Compagnie, die in 1904 werd opgericht door firmant C.E. ter Meulen. Doel was het verkrijgen van beleggingswaarden door inschrijving, aankoop, deelneming in syndicaten of op andere wijze, en het administreren daarvan met de bevoegdheid tot het wisselen tegen andere. De aandelen waren op naam en bij volstorting ook aan toonder. In de loop van deze eeuw werden andere kantoren opgericht voor algemene of specifieke fondsen. De raden van beheer van deze NV's waren steeds samengesteld uit firmanten van Hope & Co.

*Maatschappij 'Keizersgracht' tot exploitatie van kantoorgebouwen, 1910-1941*

Ten slotte voerden Hope & Co de directie over de maatschappij 'Keizersgracht' tot exploitatie van kantoorgebouwen. Deze NV bestond van 1910 tot 1941. Het doel was het verkrijgen en verhuren of op andere wijze exploiteren van onroerende goederen, in de eerste plaats van kantoorgebouwen. Het totale kapitaal van _f_ 120.000 bestond uit aandelen aan toonder, die alle geplaatst waren. Er was in feite maar één pand in beheer, dat door de firma Hope & Co en gelieerde bedrijven werd gebruikt. Na de uitbreiding in 1898 van de panden van Hope & Co aan de Keizersgracht bij de Vijzelstraat was ook de firma Van Loon & Co in dit kantoor gevestigd en later nog andere gelieerde ondernemingen. In 1919 volgde wederom een verbouwing en werd het van een nieuwe gevel voorzien. In 1920 werd het zeer ruime belendende woonhuis op 577 aan het kantoor toegevoegd. Tot 1962 bleven de verbonden bedrijven in deze panden gevestigd.

*Personeel*

In de negentiende eeuw varieerde het aantal personeelsleden bij Hope & Co tussen de 15 en 20, onder wie enkele losse krachten (26). Na 1900 liep het aantal snel op van 27 in 1901, 38 in 1905 tot 57 in 1915. In 1815 verdienden vier personeelsleden meer dan _f_ 2.000 per jaar en vier minder dan _f_ 1.000. In 1912 ontvingen twaalf personeelsleden meer dan _f_ 2.000, van wie drie elk _f_ 3.000; elf verdienden minder dan _f_ 1.000, exclusief gratificaties (27). Als werkzaamheden worden genoemd: Hollandse, Engelse, Franse en Duitse correspondentie; chef en bediende in het wissel-departement; (adjunct-)boekhouder; rekening-couranthouder; journalist; stenografist (1901); telefonist (1910); bediende op het vóórkantoor; kantoorknechten en kantoorlopers; schoonmaakster. Naamgenoten van firmanten werden als voluntair vermeld. Incidenteel werd personeel aangenomen voor bijzondere werkzaamheden: het op lijsten zetten van Russische coupons of het nummeren van couponbladen. Vermeld kan worden dat menig personeelslid een lange carrière bij de firma had. Zo ondertekenden er in honderd jaar maar vijf opeenvolgende boekhouders de jaarlijkse balans.

*GESCHIEDENIS VAN HET ARCHIEF EN VERANTWOORDING VAN DE INVENTARISATIE* (28)

*Algemeen*

In de overeenkomst van 1782 tussen de firmanten werd een regeling opgenomen over de opvolging na overlijden van de eerste firmant, Henry Hope. Daarbij kwam ook de overdracht van het archief ter sprake. Zijn aandeel in de compagnieschap zou overgaan naar de tweede firmant, Jan Hope:

alle de gelden, goederen, effecten, uit- en inschulden, boeken en papieren, niets uitgezonderd van welke natuur of benaming zulks zoude mogen zijn, tot de voorschreve compagnieschap eenigzints behorende, met'er daad en directelijk zal en zullen eigen zijn en blijven aan den heer tweede comparant [...] (29).

Wat er daarna met het archief van de firma Hope & Co gebeurde kon slechts gedeeltelijk worden achterhaald. We weten bijvoorbeeld niet wat allemaal uit Engeland is gekomen en wat daar gebleven is. Evenmin is bekend wat er met de archivalia in Amsterdam gebeurde na het terugtrekken van de familie Hope en na de verhuizingen van het kantoor in 1813 van de Keizersgracht naar de Nieuwe Doelenstraat en ca. 1821 naar de Keizersgracht tussen Spiegelstraat en Vijzelstraat.

Incidenteel zijn er lijsten opgemaakt van stukken die voor een speciaal doel bijeengebracht en bewaard werden. Toen bijvoorbeeld Robert Voûte zijn papieren betreffende zijn activiteiten voor de firma Hope & Co (1793-1807) aan de firma overdroeg, werd daarvan een lijst opgesteld (30).

Een algemeen overzicht van de archivalia is opgesteld toen de activiteiten van de firma gedeeltelijk naar Londen werden verplaatst (31). Het betreft stukken opgemaakt tussen 1760 en 1803 met verwijzingen naar de vertrekken waarin het materiaal zich bevond. Kanttekeningen in de marge duiden erop dat de lijsten in Londen opgesteld werden: 'sent to Asd', 'delivered to B.B. & C' of 'to Harman & Co', aangevuld met data van ongeveer 1805 tot 1812; soms staat er met potlood bijgeschreven 'delivered'. Voor een deel werden deze archivalia nog bij de inventarisatie aangetroffen; andere archivalia werden niet gevonden, bijvoorbeeld, 'a green oblong wooden case with a slip of paper upon it no 4. Welgelegen'.

Lijsten van vernietigde archivalia zijn opgesteld in 1852, 1875/6 en 1899 (32). De vernietingslijst van 1852 beschrijft voornamelijk pakken 'verkladde [...] couponbladen' met specificaties, recepissen en nummerlijsten, met daarbij een lijst van overgehouden exemplaren van couponbladen, recepissen, obligaties enz. Dit soort stukken komt ook op de andere lijsten voor. Het opschrift op de lijst van 1875 vermeldt wat er met de archivalia gebeurde: 'Memorie der vernietiging op 21 en 23 september 1875 zoo door verscheuring bij de Gebr. Koster als verbranding aan de IJzergieterij de Atlas'. Naast de vele boekhoudkundige series vanaf ca. 1783 somt hij allerlei soorten documenten op van 1783-1839. Die zaten tezamen in 36 kisten. Op deze lijst uit 1875 treft men ook een bijschrift aan over de toestand van de bewaarde stukken:

Al het voorschrevene en bestaande is meer of minder door lekkage, ratten en muizen beschadigd of vergaan, en loopt in de periode 1764 à 1801, en is, te oordelen naar de toestand waarin alles is aangetroffen, verpakt geweest ter vernietiging (33). Af en toe staat er bij in welke vertrekken de archivalia zich bevonden. Op de vernietigingslijst van 1876 staan onder andere zestien kisten brieven: 'Anno 1764 à 1801 over het algemeen door ratten beschadigd'. Toch zitten er nog heel wat brieven uit die jaren in het archief. In 1899 werd vermeld: 'Alle boeken, brieven enz. zijn tot 1869 naar de papierfabrieken van H.E. van Gelder gegaan en daar vernietigd'. Enkele series die op de lijst staan zijn uiteindelijk toch bewaard gebleven, waaronder grootboeken en journalen.

Een laatste notitie troffen wij aan op een los vel papier en is gedateerd 6 november 1916: 'Alle oude stukken betrekkelijk de firma Hope & Co afgegeven aan de heer mr. J. Luden' (34).

Van 1954 tot 1974 werkte Buist in de bibliotheek van de Rijksuniversiteit van Groningen aan zijn onderzoek over de jaren 1770-1815. Daarvoor werden vijf boekenkisten en nog enkele trommels uit het Hope-archief naar Groningen gezonden.

In 1977 werd het oud-archief van de firma Hope & Co in bewaring gegeven bij het Gemeentearchief te Amsterdam (35). Een aanzienlijk deel daarvan kon in de jaren 1988-1990 geïnventariseerd worden door J.C.A. Blom, dankzij een financiële bijdrage van de toenmalige Bank Mees & Hope. Deze deelinventaris werd ook op de studiezaal van het Gemeentearchief aan het publiek ter beschikking gesteld. Dankzij nieuwe bijdragen van ABN-AMRO en MeesPierson was mw. A.M. Bendien in 1995-1996 in staat het resterende gedeelte te inventariseren. Die omvatte inmiddels ook een omvangrijke aanvulling die in 1995 werd overgebracht, met name bestaande uit archiefstukken betreffende boedelbeheer, gelieerde bedrijven en administratiekantoren. Haar inventarisatie leidde tot een complete herordening van de bestaande inventaris van de hand van J.C.A. Blom. Op de studiezaal van het Gemeentearchief bevindt zich een concordans van de vernummering van zijn inventaris. Het geheel stond onder leiding van A. Knotter, die verantwoordelijk was voor de uiteindelijke indeling en de eindredactie van de inventaris en de inleiding. Het archief is openbaar met uitzondering van de stukken jonger dan vijftig jaar, die alleen na toestemming van de bewaargever mogen worden geraadpleegd.

*De correspondentie*

De correspondentie van de firma Hope & Co is gescheiden naar stukken van de kantoren in Amsterdam en (na 1795) Londen. Beide kantoren hielden zich met dezelfde handelsactiviteiten bezig. De correspondentie bevat ook stukken aan firmanten, gemachtigden en klerken van de firma, die niet in Amsterdam of Londen verbleven, maar bijvoorbeeld in Petersburg, Hamburg, Antwerpen of Parijs. Hope & Co hanteerden bij de behandeling van de ingekomen en uitgaande stukken verschillende systemen naast elkaar. Dit heeft tot gevolg dat niet alle ingekomen stukken onder de correspondentie terecht zijn gekomen. Aan het einde van de negentiende eeuw (ca. 1890) lijkt het er echter op dat vrijwel alle ingekomen stukken onderwerpsgewijs geordend werden; de chronologische serie en de serie op afzender houden dan op te bestaan. De correspondentie van de afzonderlijke kantoren bestaat uit uitgaande en binnengekomen stukken. De uitgaande brieven zijn in principe in registers afgeschreven en voorzien van alfabetische indexen op naam van de geadresseerden. Deze indexen behoren tot de weinige toegangen die door de klerken van de firma gemaakt werden. Registers van uitgaande brieven van vóór 1795 zijn schaars. De afschriften en kopieën van uitgaande brieven zijn opgenomen in gelijktijdig naast elkaar bijgehouden series registers.

Naast de algemene series zijn er ook registers van uitgaande brieven die alleen betrekking hebben op nader genoemde geadresseerden, bijvoorbeeld vaste correspondenten in het buitenland, of op onderwerpen, bijvoorbeeld Spaanse of Amerikaanse leningen. Deze registers over bijzondere onderwerpen kunnen evenwel ook nog brieven bevatten over andere onderwerpen of gericht aan andere geadresseerden.

In tegenstelling tot overheidsadministraties maakten Hope & Co geen gebruik van agenda's waarin in chronologische volgorde, met behulp van een doorlopende nummering, aantekening werd gehouden van het inkomen, afdoen en opbergen van stukken. Als toegang stonden alleen de geklapperde registers van uitgaande brieven ter beschikking. Daarbij werd meestal ook gerefereerd aan een ingekomen brief.

De ingekomen brieven en andere stukken zijn per kantoor gesplitst in twee afzonderlijke series. De eerste serie bevat ingekomen brieven van niet nader gespecificeerde afzenders en zijn min of meer in chronologische volgorde geordend. Er zijn jaren bij waarin de meeste brieven die in een jaar ontvangen werden bij elkaar zitten. In andere jaren zijn de ingekomen brieven van één jaar verspreid over meer pakken of omslagen die ook wel stukken bevatten uit voorafgaande en daarop volgende jaren.

De tweede serie ingekomen stukken is primair alfabetisch gerangschikt naar de namen van de afzenders. Als er van de genoemde afzenders brieven in deze serie voorkomen, wil dat niet zeggen dat dit alle brieven van deze afzenders betreft. Men kan hun correspondentie ook aantreffen in de chronologische serie en in dossiers betreffende bijzondere onderwerpen.

Bij de ordening van de correspondentie is ervoor gekozen de gevonden orde zoveel mogelijk intact te laten. Het was niet doenlijk een strict chronologische orde aan te brengen. Een groot deel van de ingekomen stukken bestaat uit bijlagen, aantekeningen en minuten van uitgaande brieven zonder data. Ook zitten er tussen de ingekomen stukken bijlagen van oudere datum. Herordening van de stukken op naam van de afzenders was evenmin mogelijk, onder andere omdat er bij de chronologische serie ingekomen stukken ook allerlei bijlagen, rekeningen, aantekeningen enz. gevoegd zijn, waarvan de afzender niet zonder meer duidelijk is.

Als gevolg van deze behandeling van de ingekomen stukken zal de raadpleger voor een bepaald onderwerp steeds verschillende inventarisnummers moeten doornemen.

*De boekhouding*

De bewaard gebleven boekhouding is slechts een restant van de zeer uitgebreide administratie van Hope & Co. Dit weten we omdat er vanaf 1875 van de vernietigde archiefbescheiden uit het Hope-archief lijsten gemaakt werden. De meeste boeken op deze vernietigingslijsten behoren tot de zogenoemde hulp-, of bijboeken: memorialen, factuur-, trek-, en kasboeken.

Evenals de correspondentie is de boekhouding in de kantoren in Amsterdam en Londen in verschillende registers bijgehouden. De boekhouding van de Londense firma heeft slechts betrekking op de periode 1802-1818 en begint niet, zoals de Londense correspondentie, in 1795. Pas in 1802 vond een scheiding op papier plaats tussen de vestiging in Londen en die in Amsterdam. Bij de inventarisatie kon echter niet met zekerheid vastgesteld worden of de Londense boekhouding in Amsterdam of in Londen werd bijgehouden.

Bij de ordening van de boekhouding staan de stukken met de samengestelde gegevens vooraan, met name de balansen en de grootboeken. De balansen en verlies- en winstrekeningen zijn een belangrijke bron voor de geschiedenis van de firma. De balansen bevatten samenvattende overzichten van de activiteiten in een bepaald jaar en de vermogenspositie op 31 december. De indices op de grootboeken, voornamelijk op naam, zijn naast de indices op de brievenboeken, te gebruiken als nadere toegangen, bijvoorbeeld om vast te stellen met wie de firma handelscontacten had.

Een keuzeprobleem deed zich voor bij de ordening van de losse rekeningen-courant. Vaak hebben deze betrekking op specifieke projecten. De meeste rekeningen-courant werden onder de boekhouding opgenomen met eventueel een verwijzing onder de betreffende onderwerpen.

*Leningen en administratie van effecten*

De stukken betreffende leningen en effecten zijn primair onderscheiden naar de organisatievorm: negotiaties aan de ene, syndicaten (en emissies) aan de andere kant. Een negotiatie is een vorm van eigendom van aandelen van de aandeelhouders gezamenlijk, die namens hen door Hope & Co of een andere emitterende instelling werd beheerd. Deze vorm treffen wij aan in de achttiende en de eerste helft van de negentiende eeuw. Een syndicaat is een vereniging van bankiers die ten doel heeft gezamenlijk een financiële operatie tot stand te brengen, met name de uitgifte van aandelen of het plaatsen van een geldlening. De aandeelhouders zijn mede-eigenaar van het emitterende bedrijf, of - in het geval van een obligatielening - schuldeisers.

Onder de kop negotiaties treft men dus stukken aan over leningen in de achttiende en vroege negentiende eeuw, voornamelijk staatsleningen, maar ook Westindische plantageleningen. De stukken betreffende syndicaten hebben in hoofdzaak betrekking op de periode na ca. 1890 en zijn per syndicaat of emissie in dossiers geordend. Dit zeer omvangrijke bestand is geordend naar aard van de instelling waaraan de lening werd verstrekt: overheid, spoorwegen, financiële en andere ondernemingen. Daarbinnen is een geografische indeling gevolgd naar werelddeel en land.

*Persoonlijke archivalia*

Van en over firmanten bevinden zich nog archivalia buiten het Hope-archief, die in het bezit zijn van particulieren of ondergebracht in openbare archiefbewaarplaatsen. Van belang zijn met name de familiearchieven Sillem, Luden, De Beaufort (met Stoop), Labouchere, en het archief van de firma Ketwich & Voombergh (36). Voor zover na te gaan is er van de familie Van Loon niets bewaard gebleven (37). Ook het Baring-archief in Londen bevat veel documenten over de firma Hope & Co (38). Vermeldenswaard zijn stukken over firmant Stoop in het archief van de familie De Beaufort. Deze zijn via een nazaat van Stoop die met een De Beaufort getrouwd was in het archief van deze familie terecht gekomen. Dit bevindt zich in het Rijksarchief in Utrecht en bevat vele stukken over de relatie van Stoop met Borski en Hope & Co, en verder een groot aantal belangwekkende archivalia van Thomas en John Hope: 'Deze stukken zijn afkomstig van Thomas Hope (1704-1779) en diens zoon John Hope (1737-1784). Zij zijn vermoedelijk door toedoen van J.B. Stoop, mede-firmant van Hope & Co in het familiearchief De Beaufort terecht gekomen'. De stukken gaan voornamelijk over het bestuur van Amsterdam, Holland en de koloniën; de beschrijvingen beslaan 11 bladzijden.



*ENIGE AANVULLENDE LITERATUUR*

W.H. Berghuis, _Ontstaan en ontwikkeling van de Nederlandse beleggingsfondsen tot 1914_ (dissertatie Rotterdam, Assen 1967)

C. Eisfeld, _Das Niederländische Bankwesen_ (Den Haag 1916)

C.H. Kindleberger, _A financial history of Western Europe_ (London 1984)

V. Nolte, _Fünfzig Jahre in beiden Hemisphären. Reminiscenzen aus dem Leben eines ehemaligen Kaufmannes_ (Hamburg 1854)

W. Ree en W.F. Zuurdeeg, _Het bedrijf en de administratie van effecten- en bankzaken_ (Amsterdam 1925)

D.C. Renooy, _De Nederlandse emissiemarkt van 1904-1939_ (Amsterdam 1951)

James C. Riley, _International government finance and the Amsterdam capital market 1740-1815_ (Cambridge 1980)

J.P. van der Voort, _De Westindische plantages van 1720 tot 1795. Financiën en handel_ (dissertatie Nijmegen, Eindhoven 1973)

Joh. de Vries, _Een eeuw vol effecten. Historische schets van de Vereniging voor de Effectenhandel en de Amsterdamse Effectenbeurs 1876-1976_ (Z.pl., z.j.)

J.J. Weeveringh, _Woordenboek voor den effecten-, wissel- en speciehandel, het assurantiewezen en het boekhouden_ (Amsterdam 1888) *VOETNOTEN*

(1) J.E. Elias, _De vroedschap van Amsterdam,_ 2 dln. (Amsterdam 1903-1905) 937 en voor de periode 1770-1815 M.G. Buist, _At spes non fracta. Hope & Co 1770-1815_ (Den Haag 1974)

(2) Elias, _De vroedschap_, 973. Ondertrouw Archibald 20-12-1725 (DTB 715/162, MOT 19-12-1725). Zijn vrouw begraven op 29 september 1726 (DTB 1065/54v). Ondertrouw Thomas 11-12-1727 (DTB 716/188, MOT 10-12-1727). Vrouw van Thomas begraven 17-7-1758. Poorterboek 14-4-1730. De zoon van Thomas stond niet bekend als John maar als Jan Hope, zie _Amsterdamsche Courant_ 24-4-1784 en DTB 1117/117 en 1105/90v

(3) _Nederlandsche Jaarboeken_ (1779) 1465-1466

(4) Archief wisselbank 159/1056 (1721) en 170/2099 (1726). Notariële archieven 12358/193 (1763)

(5) Buist beschreef de ontwikkelingen rondom deze leningen van 1770 tot 1815 in zijn boek _At Spes Non Fracta_

(6) In het Algemeen Rijksarchief bevinden zich archivalia van Thomas Hope op de 1e afdeling, 1750-1784 (7,5 m), en bij de 2e afdeling in het J.C. Baud-archief (0,05 m)

(7) Buist, _At Spes Non Fracta_, 544 en inv.nr. 540

(8) Inv.nr. 2895. Buist nam de lijst van Henry Hope on in zijn proefschrift _At Spes Non Fracta_, 486-494. De bedrijfsboekhouding bevat mutaties van de in- en verkoop van kunstwerken op naam van verschillende Hopes.

(9) Zie voor Robert Voûte ook het familie-archief in bezit van de Voûte-vereniging in Amsterdam

(10) Zie voor de genealogie van Labouchere: _Nederlands Patriciaat_ 1963. Een archief van de familie Labouchere berust bij een familielid. Een inventaris daarvan bevindt zich bij het Centraal Register Particuliere Archieven in Den Haag.

(11) D.C.M. Platt, _Foreign Finance in Continental Europe and the U.S.A. 1815-1870_ (Londen 1984)

(12) Arch. 5074, rechtbank van koophandel (1814-1838); _Encyclopedia Brittannica_ 1949 (Ashburton en Baring); Ph. Ziegler, _The sixth great power. A history of one of the greatest banking families, the house of Barings, 1762-1929_ (New York 1988)

(13) J. Knoef, 'De verzamelaar A. van der Hoop', _Jaarboek Amstelodamum_ (1948) 50-72

(14) Inventaris van het archief van de familie Sillem door I. Vellekoop (arch. 363); zie ook: 'Herinneringen aan mr. J.A. Sillem, 1840-1912. Ingeleid door J.A. Sillem', _Jaarboek Amstelodamum_ 62 (1970) 131-193

(15) F.J.E. van Lennep, _Een weduwe aan de Amsterdamse beurs_ (Groningen 1973); zie ook: Inventaris van het archief van de familie De Beaufort door E.P. de Booy (Rijksarchief Utrecht 1985; nr. 53). Dit archief bevat stukken van Hope nrs. 2242-2341 en Stoop nrs. 1383-1419 en een portret van Stoop.

(16) Zie Van Lennep, _Een weduwe_

(17) Notaris J.C.G. Pollones 1900/647. _Nederlandsch Patriciaat 35_ (1949), 189. _Algemeen Handelsblad_ 15-11-1937 en _Times_ 16-11-1937

(18) W.J.J.C. Bijleveld, _Brieven van, aan en over Willem Borski I_ (Leiden 1943); Van Lennep, _Een weduwe_; Buist, _At spes non fracta_

(19) Arch. 366, inv.nr. 1072 en _Herenboekjes_; Buist, _At spes non fracta_ en L. van Nierop, 'De honderd hoogst aangeslagenen in Amsterdam in 1813', _Economisch-Historisch Jaarboek_ (1925)

(20) Arch. 5074, inv.nr. 1316, p. 28 en Notaris E.C. Bondt 3-2-1817

(21) Zie voor een omschrijving van de activiteiten van Borski: '200 jaar Hope & Co', (stencil 1961). Dit is een niet-gepubliceerde en niet-verantwoorde geschiedenis die werd aangetroffen in Sillem-archief, p. 8-9. Dit was waarschijnlijk de basis voor publikatie in _Algemeen Handelsblad_ van 21-12-1961. Zie ook _1720-1970. 250 jaar R. Mees & Zoonen in Rotterdam_, 42

(22) Arch. 5074, inv.nr. 1327, p. 1 en Notaris J.C. Commelin 5-6 en 27-12-1832; Van Lennep, _Een weduwe_, 28

(23) Arch. 583, inv.nr. 139 dd. 30-6-1885; zie voor Luden ook het familiearchief Luden (arch. 922)

(24) Handelsregister, dossier nr. 48177; zie ook het archief Ketwich & Voombergh (arch. 600) (25) Handelsregister 3184 en arch. 583, inv.nr. 139, 30-6-1885, nr. 141 15-2-1889; notarieel archief 23238/365 (29-6-1885) en _Algemeen Handelsblad_ 3-7-1885; NA 23256/97 en notaris J.C.G. Pollones 1900/646; _Algemeen Handelsblad_ 1-10-1919 p. 11 (avond)

(26) Gebaseerd op inv.nrs. 523 (1795), 264 (1858), 254 (1849)

(27) Vgl. inv.nrs. 540 en 541

(28) Zie ook: J.C.A. Blom, 'Het beheer van de handelscorrespondentie tot ca. 1900', _Nederlands Archievenblad_ (1988) en _idem_, 'Korrespondenzarchive von Kaufleuten bis etwa um 1900: Das Beispiel Hope & Co in Amsterdam', _Archiv und Wissenschaft_ (Kwartaalschrift van Vereinigung deutscher Wirtschaftsarchive, 1989)

(29) Inv.nr. 521

(30) Inv.nrs. 1979 en 206

(31) Inv.nr. 1768

(32) Inv.nrs. 558 en 559

(33) Inv.nr. 558

(34) Inv.nr. 559

(35) _Baanzicht Informatieblad Mees & Hope Groen NV_, juni 1974, en _Jaarverslag Gemeentelijke Archiefdienst Amsterdam_ 1977

(36) M.A.P. Leering, _Inventaris van het archief van de familie Luden, (1611) 1750-1971 (1984)_ (Gemeentearchief Amsterdam 1995); E.P. de Booy, _Inventaris van het archief van de familie De Beaufort_ (Rijksarchief Utrecht 1985); I. Vellekoop, 'Inventaris van het archief van de familie Sillem', _Economisch- en Sociaal-Historisch Jaarboek_ 33 (1970) 236-262; Jan C.A. Blom, 'Inventaris van de archieven van de firma's Ketwich & Voombergh en Labouchere, Oyens & Co' Amsterdam 1987 (niet gepubliceerd); zie ook noot 9

(37) Mededeling van mevr. dr. I.H. van Eeghen

(38) Mededeling van de archivaris van het archief van Baring Brothers & Co, J. Orbell *BIJLAGE* *TIJDBALK PARTICIPANTEN HOPE & CO (1725-1940)*

1700 10 20 30 40 50 60 70 80 90 1800

-+--------------+--------------+--------------+--------------+

Archibald Hope xxxxxx

(1698-1734)

Thomas Hope xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx

(1704-1779)

Adriaan Hope xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx

(1709-1781)

Jan Hope xxxxxxxxxxxxxx

(1737-1784)

Nic. Baudouin xxx

(?-1787)

J.C. Hartsinck xx

Henry Hope xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx-

(1735-1811)

John Williams Hope xxxxxxxxxxxx-

(1757-1813)

Thomas Hope xxxxxxx-

(1769-1830)

Adriaan Elias Hope x-

(1772-1834)

Henry Philip Hope x-

(1774-1839)

Alexander Baring xxx-

(1774-1848)

P.C. Labouchere xxx-

(1772-1839)

-+--------------+--------------+--------------+--------------+ 1700 10 20 30 40 50 60 70 80 90 1800

1800 10 20 30 40 50 60 70 80 90 1900 10

+--------------+--------------+--------------+--------------+--------+



-xxxxxx H. Hope

-xxxxxxx J. Williams Hope

x H. Hope jr.

x J. Dixon

-xxxxxxxxxxxxx A. Baring

(1774-1848)

-xxxxxxxxx P.C. Labouchere

(1771-1839)

xx W.G. Coesvelt

xxxxxxx P.F. Lestapis

xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx A. van der Hoop

(1778-1854)

xxxxxxxxxxx J. Sillem

(1768-1833)

xxxx Th. Baring

xxxx J.P. Labouchere

xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx S.P. Labouchere

(1778-1867)

xxxxxxxxxxxxxxx J.B. Stoop

(1781-1856)

E. Sillem xxxxxxxxxxxxxx

(1807-1861)

H.M. Labouchere xxxxxxxxx

(1807-1869)

jhr. H.M.J. van Loon xxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxxx-

(1831-1901)

J.G. Sillem xxxxxxxxxxxxxxxxx

(1837-1896)

W. Borski jr. xxxxxxxx

(1834-1882)

+--------------+--------------+--------------+--------------+--------+

1800 10 20 30 40 50 60 70 80 90 1900 10



-+--------------+--------------+--------------+

1880 90 1900 10 20 30 40 1950

C.H. Labouchere xxxxxxxxxxxxxxxx

(1863-1916)

jhr. E.H. van Loon xxxxxxxxxxxxxxxx

(1863-1944)

E. Sillem xxxxxxxxxxx

(1864-1919)

mr.dr. J. Luden x

Archiefvormer

Hope & Co.
© Stadsarchief
Disclaimer / Colofon
<