612: Archief van de Remonstrantse Gemeente

Algemene kenmerken

Toegangsnummer:

612

Periode:

1618 - 1939

Inleiding

ONTSTAAN EN ORGANISATIE

Sinds de Synode van Dordrecht in 1618 is het klimaat voor de remonstranten een decennium lang niet zeer gunstig geweest. Toen hebben een felle pamflettenstrijd en zelfs kleine onlusten door de tegenpartij geweten aan de remonstranten de magistraat in Amsterdam niet verleid tot strenge maatregelen; de strijd bleef veelal beperkt tot theologisch en kerkelijk, en niet het politieke, terrein (1).

Een kleine 250 personen waagden het in 1628 om zich, voor een verzoekschrift, kenbaar te maken als remonstrantsgezinden (2). De dreiging was geweken en uit 1630 wordt de neerslag van de eerste handelingen van een Remonstrantse gemeente te Amsterdam zichtbaar. Er werden, met slechts enige weken tussentijd, twee huizen gekocht aan de Keizersgracht (3) bij de gangen die leidden naar de achtererven waarop aldra de verscholen kerk werd neergezet, achter onder andere het huidige pand nr. 102. De koop geschiedde weliswaar op naam van enige partikulieren, maar dezen behoorden juist tot de initiators van een eerste reglement betreffende het financiële beheer in 1631. Er blijkt inmiddels kapitaal voor het kerkgebouw te zijn verstrekt en de eerste boeken waarin de financiën worden verantwoord dateren dan ook uit 1630 (4).

Reeds in 1619 hadden de verbannen predikanten, vergaderd te Antwerpen, besloten de gemeente heimelijk of in het openbaar te blijven bedienen. De uitvoering hiervan werd opgedragen aan een bestuur bestaande uit Uytenbogaert, Episcopius en Grevinkhoven, als buitendirecteuren - die buitenslands bleven en kontakt hielden met de, twee jaren later aangezochte, binnendirecteuren. De bediening werd verzorgd door predikanten die telkens voor enige maanden tot deze riskante taak werden gecommitteerd. De in 1629 vergaderde predikanten in den lande bepaalde dat in alle kerken 'opzieners' aangesteld zouden worden tot raadscollege van de predikanten.

Eerst eind 1631 werd besloten om iedere kerk zijn eigen vaste predikanten te geven, hetgeen in de loop van 1632 zijn beslag kreeg. Aan Amsterdam werden drie predikanten toegedacht, maar door het te gering aantal beschikbaren bleven van 1632 tot 1643 Niellius en Praevostius de twee enigen; in laatstgenoemd jaar kreeg deze gemeente haar derde predikant, en bijna twee eeuwen bleef het getal op drie.

Reglement 1631

Het hierboven reeds aangestipte reglement, de 'ordre geraemt op den ontfanck ende uutgeef van alle penningen raeckende de Remonstrantse gemeijnte binnen deser stede Amsterdam', dateert van 1 mei 1631 en is opgesteld door dertien personen, zich noemende 'opsienders' (5). Volgens dit reglement krijgt een college van tien opzieners, ouder dan 28 jaar, houdende met de gemeente het avondmaal en de christelijke broederschap, tot taak de zorg voor de financiële aangelegenheden betreffende het kerkgebouw en de huizen, de collecten van de aalmoezen, en alle ontvangsten en uitgaven. Alle tien assisteren bij buitengewone collecten, terwijl zes van de tien worden aangewezen voor inzameling van de collecten tijdens de prediking. Uit de overige vier wordt een tot boekhouder en een tot penningmeester aangesteld. De financiële zorg omvat met name nog de rentebetaling op en zo mogelijk aflossing van het kapitaal opgenomen voor het kerkgebouw, alle toegezegde legaten en de uitkeringen aan de armen. Aan het eind van elk jaar, op 30 april, moet het college rekening doen ten overstaan van 'de twaelve die haer voor de lasten van 't gebou verbonden hebben', waarna de helft aftreedt en voor 2 jaar vrij is. De opzieners hebben even daarvoor tezamen met de predikanten vijf nieuwe opzieners gekozen. Onder de tien opzieners moeten er tenminste twee zijn uit het getal van de zojuist genoemde twaalf borgen. Voor zaken betreffende het geloof, de leer, de doop, het avondmaal, het beroepen van predikanten, kerkelijke regels en discipline zal het college van tien, maar dan uitgebreid met en onder voorzitterschap van de predikanten, in aparte vergaderingen bijeenkomen.

In tegenstelling tot de regel elders en in de meeste andere kerkgenootschappen had men met dit reglement derhalve één college in het leven geroepen dat alle taken, die niet de leer in ruime zin betroffen, in zich verenigde. Terwijl het landelijke reglement, opgesteld door Uytenbogaert en aangenomen in de algemene vergadering der Remonstrantse sociëteit of broederschap (6) gehouden te Amsterdam op 6 april 1633, toch een duidelijk onderscheid kent tussen een college van opzieners, genaamd mede-opzieners, voor alle kerkelijke en financiële zaken met name van eigendom, en een college van diakenen ofwel bedienaars der armen voor de collecten en uitreikingen aan de bedeelden, waarover zij rekening moeten doen aan de predikanten en opzieners (7). Dat het ene college in Amsterdam er in de aanvang zelf ook enige moeite mee had moge blijken uit een bijeenkomst in de kerkekamer van de oudopzieners, de opzieners en de predikanten in 1645 (8). Hier werd vastgelegd dat, waar bij de voorgaande verkiezing nauwelijks kandidaten bereid waren gevonden voor de funktie van opziener, omdat men bezwaren gevoelde tegen het 'omgaen met het saxken', en temeer omdat de opzieners zelf binnen hun college een onderscheid tussen de taak van ouderlingen en van diakenen schenen te maken, voortaan alle opzieners gelijkelijk zouden collecteren, met uitzondering van de 60-jarigen en ouderen. Er werd eind 1640 op verzoek van de predikanten en de opzieners een vergadering belegd van hen, de borgen en alle oudopzieners om tot leiding van de gemeente bij zaken van gewicht een bestuurscollege te formeren, zoals men elders een 'oude kerkeraad' kende (9). Het bestuurslichaam bestaande uit de predikanten, de opzieners, de oudopzieners en de twaalf borgen de laatsten worden na 1640 echter zelden meer genoemd krijgt als taak: het beroepen van predikanten, het aannemen van alumni, het benoemen van ziekentrooster, voorzanger en koster; het afhoren van de jaarrekening; het begroten van de bijdragen aan de Broederschap en aan de armen en voor het huizenbestand. Voorts blijven de artikelen van 1631 gelden, hetgeen impliceert dat dit bestuur de zorg voor de leer in de ruime zin overneemt. Bedoeld college, een voortzetting vormend van het bestaande college van opzieners en predikanten, maar nu in ledental en taak enigszins uitgebreid, heette de eerste jaren oude kerkeraad, aldra kerkeraad, vanaf eind 18e eeuw (in de reglementen reeds eerder) veelal grote kerkeraad, tot men rond 1880 van bestuur ging spreken (10).

Naast dit bestuur bleef het college van opzieners volgens de bepalingen van het reglement van 1631 in stand. Er is al spoedig een onderscheid zichtbaar tussen de opzieners, als totaliteit, waarbij ook de oudopzieners behoorden, en de zogeheten dienende opzieners, een kerngroep, ook wel dienend college genoemd. Het dienend college had enerzijds de zorg voor de armen en wezen; als zodanig gingen zij vanaf het midden van de 19e eeuw veelal diakenen heten. Anderzijds moesten dienende opzieners zich met financiën in ruime zin bezighouden, waar, zeker voor grotere bedragen, de oudopzieners ofwel opzieners-buitendienst in betrokken werden. Aan oudopzieners kon altijd gevraagd worden om in bestuurscommissies plaats te nemen, maar van praktische werkzaamheden, met name collecteren, gelduitreiking aan en bezoek van armen - het 'dienend' werk -, waren zij vrij.

Indien een bijeenkomst in de resoluties wordt betiteld als 'grote vergadering' dan is slechts uit de opsomming van aan en afwezigen af te lezen of het de grote kerkeraad of de opzieners, dus zonder de predikanten erbij, betrof; indien alleen de dienende opzieners vergaderden dan wordt dit in de resoluties vermeld.

Predikanten en dienende opzieners tezamen hadden een afzonderlijke bestuurlijke taak, zoals die pas in 1779 duidelijk is omschreven (11) als zij naar voren komen als kleine kerkeraad, een permanente commissie van de grote kerkeraad; deze kleine kerkeraad is waarschijnlijk reeds eerder ontstaan, doch dit is uit de reglementen niet te traceren. De basis van de bestuurscolleges met hun taken was nu gelegd en de meeste latere reglementen bevatten in wezen eerder verfijningen dan verschuivingen. De kerkeraad nam van tijd tot tijd nieuwe afzonderlijke wetten aan, die periodiek door een commissie ad hoc werden verzameld, waarna genoemde raad deze als reglement in zijn vergadering vaststelde. Dergelijke resumpties leidden onder andere in 1681, 1779, 1834 en 1907 tot vastlegging van de alsdan geldende kerkorde.

Reglement 1681

Alle geldende wetten staan in dit reglement voor het eerst bijeen (12). De bestuursorganisatie blijkt iets verder te zijn uitgekristalliseerd.

De kerkeraad, hier genoemd grote kerkeraad, is samengesteld als voorheen en heeft dezelfde taken behouden; er zijn vrij uitgebreide voorschriften voor het vergaderen gegeven.

Ook het college van opzieners heeft geen wezenlijke wijzigingen ondergaan. Er wordt duidelijk de nadruk gelegd op de onderlinge gelijkheid van de opzieners los van hun taken, met name het collecteren. Zij zullen allen 'de daad hebben van ouderlingen en diaconen' (benevens van kerkvoogden), met de blijvende restrictie dat het diakonale, dienende, werk blijft voorbehouden aan alleen de dienende opzieners. Het dienend college zal tot dienst van de armen vergaderen op een afzonderlijk, voorgeschreven uur. Aan elke uitgave van de gemeente van meer dan 100 gulden moeten alle opzieners, nadrukkelijk ook oudopzieners, hun goedkeuring hechten. Er worden voorschriften voor vergaderen gegeven; de dienende opzieners zullen bij toerbeurt moeten fungeren als scriba om de resoluties van alle vergaderingen te boek te stellen. Op het verzuimen van vergaderingen staat boete, gespecificeerd naar belangrijkheid van de bestuurders.

Er zijn enige vaste commissies. Naar vergaderingen van de Sociëteit of van een van de andere, meervermogende, gemeenten worden telkens afgevaardigd een of twee predikanten, een van de dienende en een van de oudopzieners. Een predikant en een opziener vormen de afvaardiging naar vergaderingen van curatoren van het seminarium. De bibliotheekcommissie bestaat uit twee man, een predikant en een opziener, en zorgt dat de boeken schoon worden gehouden, met de belangrijkste aan kettingen; uitlening aan de predikanten of studenten is toegestaan.

Reglement 1779

Het reglement ingaande 1 mei 1779 (13) bevat, in nog grotere mate dan het voorgaande, vele bepalingen die tegenwoordig in huishoudelijke reglementen of in reglementen van orde zouden worden ondergebracht.

Kerkeraad

Het kerkbestuur, de grote kerkeraad, is nog van dezelfde samenstelling als in 1640 al kunnen nu tevens lid zijn alwie door de kerkeraad hiertoe zijn gekozen (14). Naast de mogelijkheid om uit zijn midden bepaalde commissies te benoemen, met name jaarlijks de contrôlecommissies voor de effecten en de rekening van de boekhouders, kent de grote kerkeraad het volgende achttal permanente commissies:

  1. College van dienende opzieners
Van de financiële taak van dit vanouds bestaande college is nu afgesplitst alwat is opgedragen aan de hierna te noemen commissie van administrateurs der obligatiën. De tien leden van het college hebben telkens twee aan twee een afzonderlijke taak: collecteren - roulerend -; de inkomsten en uitgaven van het college natellen en afpassen; boedels van overleden gealimenteerden beredderen; voor de resoluties van de grote en kleine kerkeraden, en het eigen college, fungeren als scribae; en huisbezoek brengen aan de gealimenteerden. Voor het overige blijven hun taken ongewijzigd. Hun opvolgers worden gekozen door de kleine kerkeraad.

  1. Kleine kerkeraad
Bedoelde raad wordt gevormd door de predikanten en de dienende opzieners (15). Hij stemt vier maal per jaar, in vergadering bijeen, over de kandidaat-lidmaten en tekent de aangenomenen aan in het lidmatenboek; de afgewezenen kunnen in appel gaan bij de grote kerkeraad. Zoals reeds is aangeduid maakt de kleine kerkeraad de nominatie voor de nieuw te kiezen opzieners en verkiest hen tevens, nadat degenen die nooit eerder opziener waren door de grote kerkeraad geapprobeerd zijn. Tenslotte heeft deze raad er voor te zorgen dat de lidmaten tweemaal 's jaars worden bezocht door de predikant van hun wijk met een der opzieners uit de eigen raad en dat de catechisatiën behoorlijk geschieden.

  1. Gecommitteerden tot de vergadering der curatoren van het seminarium
Dit is reeds omschreven in het reglement van 1681 en blijft ongewijzigd. Het seminarium is van 1634 tot 1872 in Amsterdam gevestigd geweest.

  1. Bibliothecarissen
Deze commissie is ongewijzigd.

  1. Boekhouders
Deze commissie is, evenals de drie volgende (bouwmeesters, administrateurs van de effecten en administrateurs van de sociëteitslegaten), formeel reeds ingesteld, met een reglement, in 1775 (16). Van alle vier commissies kan opgemerkt worden dat zij bestaan uit twee opzieners, dienende of gewezen.

De boekhouders houden het kasboek, journaal, grootboek, kapitaalboek en grootboek der studenten bij. Zij doen aan de opzienders opgave van de vervaldata van salarissen en interesten.
  1. Bouwmeesters
De taak van de bouwmeesters - later veelal bouwheren genoemd houdt in het algemeen in de zorg voor het vast goed. De werkzaamheden omvatten de uitvoering van aankoop of verkoop, verhuur, reparatiën, het opmaken van de huurcedulen en huurkwitanties, evenals kwitanties voor het plaatsengeld. Ook hebben zij toezicht op het schoonmaken der kerk.

  1. Administrateurs der obligatiën
Tot het departement van deze heren behoort het boekhouden van het effectenbezit en de wijzigingen hierin. Zij ontvangen de interesten en aflossingen en verzorgen de aankoop en verkoop. Ook hebben zij toezicht over de eigendomsbewijzen van zowel effecten als vast goed en moeten voor de eerste een boek formeren. Tenslotte dienen zij boedels en legaten in ontvangst te nemen.

  1. Administrateurs der sociëteitslegaten
De administratie van enige aan de Sociëteit geschonken legaten geschiedde door de Amsterdamse gemeente, die hiervoor nu twee administrateurs aanwees. Op dit tijdstip behoorden de legaten Bode en Walschaart, welke beide uit effecten bestonden, tot deze administratie.

Het reglement van 1779 geeft een uitgebreide beschrijving van feitelijk reeds vanouds bestaande taken en verdeelt deze over de functionarissen. De groep waaruit men kon putten was vrij klein; het aantal lidmaten is tot het midden van de 19e eeuw steeds beneden de 500 gebleven (17). Men laat de werkzaamheden aan de personen en groepen die ze veelal reeds verrichtten en die alle voortkomen uit de opzieners en de predikanten, maar geeft nu aan ieder groepje de titel commissie.

Reglement 1834

De wetten van 1834 (18) zijn allereerst belangrijk om wat er niet expliciet in staat: de zorg voor de financiën. Deze berustte volgens het reglement van 1779 nog formeel bij de dienende opzieners. Tijdens de discussies over de wetten van 1779 in de kerkeraad was echter besproken of de predikanten nog steeds moesten blijven uitgesloten van de financiën, welke uitsluitend aan de opzieners waren opgedragen van de eerste tijden af. De vergadering van dienende en oudopzieners, bijeen op verzoek van de kerkeraad speciaal voor deze kwestie, besloot te renunciëren, ten gunste van de grote kerkeraad, van 'alzoodanig recht als dit collegie gehad heeft, of zoude mogen gehad hebben, met opzigt tot de privative bestiering van de finantien deezer kerk' (19). Bedoeld recht van de kerkeraad is desalniettemin niet tot uitdrukking gebracht in het reglement van 1779 en is in dat van 1834 evenmin bij de taken van dit college vermeld. De praktijk was, dat de boekhouder, sinds 1768 twee boekhouders, voortaan voor langer dan een jaar aangesteld (20), die van 1775 af een commissie van de grote kerkeraad vormden, het werk verrichtten. De financiën waren van 1779 af niet meer 'gesloten' voor de predikanten; het begrotingsrecht en het recht tot afhoren van de rekening waren trouwens al bij de grote kerkeraad van zijn institutie af. Het is niet duidelijk wat deze niet onbelangrijk lijkende verschuiving in de 'bestiering' van de financiën voor gevolgen had voor de predikanten.

Nieuw is in het reglement van 1834 dat er bij de acht reeds bestaande permanente commissies, die, afgezien van het zojuist omtrent de financiën vermelde, in leden en taak ongewijzigd blijven, is gekomen een commissie van weesvaders en dat een college van regentessen is toegevoegd aan de dienende opzieners.

Weesvaders

Twee opzieners vormen de commissie van weesvaders. De zorg voor wezen bestond reeds lang; in 1690 werd een voorschrift door de grote kerkeraad gegeven (21) voor de dienende opzieners betreffende de kwestie welke kinderen al of niet als wees zouden worden aangenomen. De gemeente heeft voor het eerst een weeshuis ingericht in 1800, in het pand Keizersgracht 100, dat in 1810 al weer werd opgeheven (22). Het toezicht op de wezen die werden uitbesteed bleek in de praktijk altijd toe te vallen aan de nieuw gekozen of jongste opzieners en telkens slechts voor een jaar. Deze gewoonte had niet zulke gelukkige gevolgen en werd in 1792 vervangen door de regel, dat de opzieners voortaan uit hun midden een commissie van twee weesvaders voor vier jaar zouden aanstellen (23). In 1834 wordt deze situatie bestendigd en wordt de taak van de commissie omschreven als het verzorgen van wezen, die worden aangenomen door het dienend college, inzake huisvesting, onderhoud en opvoeding tot zij 18 of 20 jaar oud zijn. De benoeming van weesvaders is nu zelfs ad vitam.

Regentessen

In 1801 had de kerkeraad voor een college van vier regentessen een reglement opgesteld (24), dat in 1834 ongewijzigd in het algemene reglement wordt opgenomen. De aanstelling geschiedt door de kerkeraad, op voordracht van dubbeltallen door het college zelf, voor telkens twee jaar. De taak omvat de aankoop van stoffen en het doen maken en uitdelen van kleding en andere lijfsbehoeften aan de gealimenteerden, en voorts het toezicht op het schoonhouden van de kerk. Het benodigde geld ontvangen zij van de boekhouders en ze zijn verantwoording verschuldigd aan de dienende opzieners. Een van de regentessen neemt met de weesvaders de zorg voor de wezen op zich.

Addities na 1834

Weescollege

De weesvaders hadden de opdracht om zonodig als voogd te fungeren, maar even voor 1850 weigerde de arrondissementsrechtbank hen als voogden te erkennen daar zij niet waren gecommitteerd door regenten van een weeshuis. De kerkeraad stelde derhalve in 1850 het weeshuis weer in het oude pand in en gaf een instructie (25). Het weescollege, ofwel college van regenten, telt vijf leden, samengesteld uit de twee weesvaders, een der predikanten en twee dienende opzieners. Zij houden toezicht op het weeshuis en de verzorging van de daarin opgenomen wezen. Een van de regenten treedt bij burgelijke handelingen op als voogd namens het college. De weesvaders blijven optreden voor de uitbestede wezen.

Diakenen

Ingevolge de Armenwet, ontworpen in 1851 en aangenomen in 1854, mocht het burgerlijk bestuur geen onderstand verlenen aan armen dan na zich te hebben verzekerd dat deze niet door kerkelijke of bijzondere instellingen van weldadigheid werd verleend. De kerkeraad schaarde zich geheel achter het principe van de wet en stelde de in de Remonstrantse gemeente geldende bepalingen voor de diakonie en het weeshuis in 1855 op schrift (26). Het college van dienende opzieners wordt van nu af veelal diakenen genoemd en behoudt als enige taak de ondersteuning en verzorging van armen en wezen. Tenminste een van de weesvaders is lid van het college. Na drie of vier jaren dienst treden de leden voor minstens twee jaar af; hun opvolgers worden door de kleine kerkeraad genomineerd. Aan de diakenen is toegevoegd het college van vier zuster diakonessen, dit zijn de regentessen van voorheen. Voor verzorging van de wezen blijft de instructie van 1850 gelden.

Reglement 1877

In 1876 zijn de wetten wederom herzien en in januari 1877 als nieuw reglement ingevoerd (27). In de hoofdlijnen van de bestuursorganisatie is niets wezenlijks veranderd. Er blijken enige wijzigingen te zijn aangebracht in de vaste commissies van de grote kerkeraad. Zo is de commissie van weesvaders verdwenen en is hun taak overgegaan op het weescollege. Ook bestaat de commissie van administrateurs van sociëteitslegaten niet langer en is hun taak een deel van die der administrateurs van de obligatiën geworden.

Nieuw is de commissie voor 'De Remonstrantsche Stichting', opgericht in 1876, waaronder wordt verstaan het gebouw bevattende burger- en arbeiderswoningen, met het daaraan verbonden weldadig fonds, behorende tot de gemeente en gesticht door mevrouw F. de Lanoy-van Manen. Eveneens nieuw zijn de commissie voor dienstverzorging, met als taak om openvallende predikbeurten te laten vervullen, en die voor de zondagscatechisatie, met de zorg voor behoorlijk godsdienstonderwijs.

Reglementen 1907

In 1892 reeds werden voorstellen tot herziening die voornamelijk een uitbreiding van het bestuur beoogden door de kerkeraad goedgekeurd (28). De zittingsduur van de bestuursleden werd gebracht op zes jaar. Tevens werd de mogelijkheid geschapen om bij bijzonder bestuursbesluit iemand te onderscheiden met een levenslang bestuurslidmaatschap. Omdat deze wijzigingen het beste geleidelijk konden worden ingevoerd, moest via een kiessysteem over de jaren 1893 en verder worden geregeld, dat inderdaad vanuit de bestaande verhoudingen de voorgeschreven bestuurssamenstelling ontstond. Deze was juist bereikt toen een algehele reglementsherziening noodzakelijk werd. Met ingang van 1907 was deze gereed en werd op dat tijdstip ingevoerd. Er zijn nu afzonderlijke reglementen voor enerzijds de gemeente, anderzijds de diakonie (29).

Reglement van de gemeente

Het hoogste orgaan in de gemeente heet bestuur; dit bestaat uit de predikanten, de buitengewone leden en ten minste twaalf gewone leden. Gewone leden worden gekozen door het bestuur voor de tijd van zes jaar. Buitengewone leden zijn diegenen aan wie het bestuur dit wegens aan haar bewezen grote diensten heeft aangeboden. Het bestuur behartigt alle belangen van de gemeente. Een specificatie van deze wel zeer algemene taakomschrijving wordt niet gegeven. Het bestuur benoemt het bestuur der diakonie uit zijn midden en een college van dienende zusters uit de vrouwelijke lidmaten. Voorts benoemt het bestuur uit zijn midden commissies. Deze zijn grotendeels belast met de reeds bekende taken van de vroegere vaste commissies van de kerkeraad en hebben ook veelal de oude naam behouden, zoals uit de volgende opsomming blijkt.

Er zijn commissies voor of van:

- de Remonstrantsche Stichting,

- dienstverzorging,

- voorbereidend godsdienstonderwijs (voorheen: zondagscatechisatie),

- bouwheren,

- boekhouders,

- administrateuren,

- bibliotheek en archieven,

- afgevaardigden ter curatorenvergadering,

- inzameling ten behoeve van de Broederschap,

- fonds Korthals Altes: een fonds in de baten waarvan de gemeente deelt,

- ontvanger der bijdragen voor de gemeente: de lidmaten wordt, bij toetreding, verzocht zich te verbinden tot een jaarlijkse bijdrage; de collecten blijven hiernaast bestaan,

- de registers: zorg voor de lidmatenadministratie in ruime zin en voor optekening van de samenstelling en tijd van aftreden van bestuurscolleges en -commissies.

Reglement van de diakonie

Het bestuur van de diakonie, die tot doel heeft het ondersteunen van armen en verzorgen van wezen, is opgedragen aan minstens acht leden, gekozen door en uit het bestuur der gemeente. Het voorzitterschap rouleert, er worden uit de bestuursleden een secretaris en een boekhouder benoemd. De diakonie heeft een eigen vermogen, dat zij zelf beheert, maar voor wijzigingen erin behoeft zij toestemming van het bestuur der gemeente, waaraan zij rekenplichtig is. Maandelijks wordt een inzameling onder de lidmaten gehouden tot versterking van de inkomsten der diakonie; de helft van de opbrengst van de collecten tijdens de godsdienstoefening komt ten goede aan de diakonie. Collecten worden gehouden door hen die daartoe worden aangewezen krachtens een huishoudelijk reglement van de gemeente.

Aan het bestuur is toegevoegd een college van vier dienende zusters, dat ter zijde staat waar vrouwelijke hulp wenselijk is. Benoeming van dezen geschiedt door het bestuur der gemeente, op een voordracht van dienende zusters. Aard en omvang van de werkzaamheden worden geregeld in een huishoudelijk reglement, vast te stellen door het bestuur van de gemeente.

Met de reglementen van 1907 zijn alle oude lichamen officieel verdwenen: grote kerkeraad, kleine kerkeraad, (dienende) opzieners, weescollege, en vervangen door de bovenomschreven bestuurscolleges.

Een reglementsherziening in 1925 brengt nog enige grondige wijzigingen in de bestuursverhoudingen. Er komen boven de bestaande besturen een lichaam geheten Vertegenwoordigend college, samengesteld uit de leden van de kerkeraad - de oude naam is herleefd! - en een twintigtal leden uit de wijdere kring van medewerkers uit de gemeente. Een nadere analyse van de bestuurscolleges uit deze recente tijd zou op deze plaats niet zo zinvol zijn, daar het archiefmateriaal in opzet van voor 1925 is.

Verenigingen en commissies

Er is een enkele vereniging en commissie geweest die, hoewel met een zekere zelfstandigheid werkend, toch een bepaalde band, van onderschikking, had met de Remonstrantse gemeente.

De vereniging Het Remonstrantsche Zangkoor heeft bestaan van 1876 tot 1893 en had als doel de beoefening van protestants kerkgezang in het algemeen en medewerking bij godsdienstoefeningen in de Amsterdamse Remonstrantse kerk in het bijzonder. Er is een bestuur van vijf tot zeven leden, gekozen door de leden van de vereniging, van welk bestuur de predikanten van de Remonstrantse gemeente reglementair lid zijn. Het kerkbestuur draagt de financiële lasten.

De commissie tot oprichting van een gedenkteken voor dr. G. van Gorkom wordt gevormd in 1905 en is na de onthulling van het gedenkteken, in de kerk geplaatst, en na afwikkeling van de financiële kant van de zaak in 1908 ontbonden. Het was een partikulier initiatief van een aantal lidmaten dat deze commissie in het leven riep. Zij heeft veelvuldig met het kerkbestuur moeten diskussiëren over de vorm en de plaats van het te vervaardigen gedenkteken.

DE ADMINISTRATIE

De inrichting van de administratie is voor een gedeelte af te leiden uit de reglementen. Uit de beginperiode zijn een paar registers met een gemêleerde inhoud voorhanden, maar daarnaast tegelijk al enige series voor afzonderlijke onderwerpen. Beide verschijnselen zijn een uitvloeisel van het feit dat alle administratieve werkzaamheden lange tijd werden verricht door het ene college van opzieners, dat de taken onderling echter vrij efficiënt verdeelde.

Kerkeraad en opzieners

De resoluties over 1631-1679 van de kerkeraad, de opzieners en de dienende opzieners staan in chronologische volgorde in één deel, het zogenaamde Capitaalboek, dat blijkens deze titel bekender is gebleven door de hierin tevens opgenomen jaarrekeningen van het kapitaal aan huizen en effecten van de gemeente, welke rekeningen tot 1679 tussen de resoluties staan op de datum van afhoring, 30 april, en hierna de hoofdmoot van het deel, zoals ook van het vervolgdeel dat loopt tot 1939, vormen. De serie resoluties, zonder andere toevoegingen, is voorts compleet van 1698 1781 voor vergaderingen van kerkeraad, opzieners en dienende opzieners dooreen en vervolgt van 1781 af als een serie van uitsluitend kerkeraadsresoluties. Voor de ontbrekende jaren 1679-1697 zijn er de kladresoluties, in het 'Nota boeck', lopend van 1676 tot 1697 (30). De omslag van resoluties naar notulen is niet scherper aan te geven dan dat zich in het laatste kwart van de 18e eeuw hierin een geleidelijke verschuiving voordeed. De dienende opzieners fungeerden als scribae van alle handelingen tot omstreeks 1870, waarna de bestuurscolleges zelf hun notulenregisters verzorgden.

De bijlagenserie begint in 1647 en heeft in de 17e eeuw nogal wat hiaten.

De lidmatenadministratie werd gevoerd door de kleine kerkeraad, behalve dat het doopboek, aangelegd in 1633, op basis van doopbewijzen van de predikanten werd bijgehouden door het dienend college. Het oudst aanwezige stuk mag gelden als lidmatenlijst avant la lettre: het is de handtekeningenlijst uit 1628 van remonstrantsgezinden die een adres aan het stadsbestuur wilden doen richten, om toestemming tot 'exercitie van religie' en vrijlating van de gevangen predikanten te verkrijgen (31). In het lidmatenregister begon men ieder boek met alle lidmaten van 1631 af over te nemen, behalve in de meer recente delen. Een afzonderlijk communicantenregister, dat is van deelnemenden aan het avondmaal, is aanwezig tot 1725. In 1726 begint het attestatieregister. Huwelijksinzegeningen zijn geboekt van de eerste huwelijkssluiting in 1818 af. In 1877 wordt voor het bijhouden van met name de lidmatenadministratie een lid van de kerkeraad aangewezen; in 1907 wordt hiertoe een commissie voor de registers door en uit het bestuur benoemd.

De financiële administratie, hoofdzakelijk gevoerd door de boekhouder(s), bevat vrijwel complete series kladkasboeken en kasboeken van 1631, journalen en grootboeken reeds van 1630 af; in het journaal ontbreekt de periode 1674-1682. De boekhouder hield tevens een 'onkostenboek' bij voor allerlei uitgaven voor zowel gebouwen als armen. Bij deze en andere registers geldt, dat het boekjaar liep van 1 mei tot 30 april en dit voor het laatst in 1811; in 1812 begon men op 1 januari.

De 'collecteboekjes', bijgehouden door de dienende opzieners die de collectebeurt hadden, vormen een doorlopende serie ingaande 1641.

De ontvangsten uit de verhuur van zitplaatsen werden eerst in het zogenaamde boek van de lange banken en daarna in enige hierop volgende plaatsenregisters geboekt door de koster onder verantwoordelijkheid van de bouwheren.

Boeten voor het verzuimen van bestuursvergaderingen, die ten goede kwamen aan de armen, waren reeds ingevoerd in 1631 maar er zijn slechts twee boetenboekjes over uit de tweede helft van de 18e eeuw, bijgehouden door de jongste der dienende opzieners. De administratie van de eigendommen nam een grote plaats in; deze geschiedde tot 1775 door de dienende opzieners, na die datum door commissies gekozen uit opzieners en oudopzieners. Er is een aantal registers met gemengde inhoud overgeleverd, waarin en het vast goed en de effecten van zowel de gemeente als van de Sociëteit zijn verantwoord. Deze bestrijken grotendeels de jaren voor 1775.

De in 1775 ingestelde commissie van administrateurs der obligatiën verzorgde sindsdien de administratie van het bezit, met name van de effectenportefeuille, die vooral in de Franse tijd sterk wisselde; een eerste register hiervoor was aangelegd door de boekhouder en werd door de commissie voortgezet. Tevens zijn enige hulpregisters voor rente en balanswaarde aanwezig.

De administrateurs der sociëteitslegaten, een commissie ook in 1775 in het leven geroepen, hebben aangaande het legaat Walschaart een aantal papieren nagelaten. Het legaat van Cattenburg is tot 1897 in Amsterdam beheerd, waarna dit door de Rotterdamse gemeente werd overgenomen; er is in het Amsterdamse archief een dossier met bescheiden tot 1897 gebleven. Laatstgenoemd legaat was bedoeld als een fonds ten gunste van de weduwen en wezen van overleden Remonstrantse predikanten.

Een niet onaanzienlijk deel van de neerslag van het beheer van eigendommen bestaat uit eigendomsbewijzen, zowel van effecten als van huizen, en van stukken die de kerk toegekende legaten en erfstellingen adstrueren. Bedoelde papieren zijn van oudsher zaaksgewijze afzonderlijk opgeborgen.

Er zijn twee 'klasboeken', kennelijk bijgehouden op de kerkekamer door het dienend college of misschien door de koster, waarin de uitlening en terugbezorging van allerlei documenten en voorwerpen staan genoteerd.

De Amsterdamse boekhouder hield ingaande 1865 aantekening van de bijdragen van gemeenteleden voor het in 1801 opgerichte Subsidiefonds der Sociëteit, bestemd tot verbetering van de inkomsten van hoogleraren en predikanten en tevens tot ondersteuning van hulpbehoevende gemeenten (32). Deze optekeningen zijn slechts over 1877 bewaard in het archief, juist over het jaar dat reglementair een bestuurscommissie voor de administratie van dit fonds is ingesteld.

Van de aktiviteit van de bibliotheekcommissie resten slechts een kasboekje en een enkele brief. De bibliotheek werd in 1878 aan de Universiteits-Bibliotheek te Amsterdam in bruikleen afgestaan.

Voor het beheer van het Onderstandsfonds Korthals Altes, te controleren door de Remonstrantse gemeente, had deze een aparte bestuurscommissie ingesteld; een omslag met stukken uit 1884 en later is aanwezig. Het fonds beoogde steun aan behoeftige werklieden bij de firma Korthals Altes te Amsterdam. De gemeente deelde voor een tiende part in de inkomsten.

De archiefstukken van zowel de vereniging Het Remonstrantsche Zangkoor als de commissie voor een gedenkteken voor dr. G. van Gorkom zijn bij de Remonstrantse gemeente gedeponeerd en in het archief aanwezig.

Diakenen

De zorg voor armen vormde een afzonderlijk onderwerp van bestuur. Dit ressorteerde eerst onder de dienende opzieners, als een van hun taken, en van 1850 à 1855 onder hun opvolgers, ook wel diakenen geheten, die nu deze zorg als hoofdtaak hebben. Aan het onderwerp diakonale zorg zijn bij voortduring afzonderlijke bestuursvergaderingen gewijd; de resoluties tot 1781 van deze vergaderingen zijn te vinden in de algemene resolutieboeken, chronologisch temidden van resoluties van de andere bestuurscolleges. Van 1781 tot 1799 zijn ze slechts in de vorm van een enkele kladnotitie over, waarna echter een ononderbroken afzonderlijke serie notulen volgt, met aansluitend ingaande 1808 een serie bijlagen.

Dienende opzieners hebben de administratie gevoerd betreffende de armen tot 1850 en de uitbestede wezen tot 1782. Er zijn verschillende registers aangelegd. Reeds in 1632 begint een serie 'armenboeken', tot 1809 in duplo bijgehouden (33), niet aanwezig over 1677-1789, betreffende de geregelde gelduitkeringen. De 'armenclapper' bevat bijzonderheden over de armen, het 'grootboek van de armen' vermeldt de aan een ieder verstrekte bedragen. Voor de uitbestede armen, bestaande uit weduwen en wezen, werd een speciaal register bijgehouden. Blijkens vermeldingen in het laatstgenoemd register was er een voorgaand boek; dit geldt eveneens voor het 'grootboek', Deze zijn niet meer aanwezig. De in 1792 aangestelde weesvaders hielden ingaande dat jaar een 'boek voor weesen' bij, met gegevens over uitbestede wezen, en hebben voorts jaarrekeningen nagelaten. Uit het eerste kwart van de 20e eeuw dateren stukken en een register over voogdijkinderen, dat zijn kinderen van ouders die van de ouderlijke macht zijn ontheven.

Door het in 1850 ingestelde weescollege is een afzonderlijk notulenboek ingericht; de bijlagen hierbij zitten echter tussen de bijlagen bij notulen van diakenen.

Van de hand van het college van regentessen ofwel diakonessen zijn notulen van 1895 af voorhanden. Er is een register van inkomsten en bepaalde uitgaven betreffende armen, wezen en het schoonhouden van de kerk dooreen, alles behorende tot haar taak; voorts diverse boeken voor aan armen en wezen uitgereikte kleding en kasboeken hiervoor.

Het college van diakenen heeft ingaande 1850 een register met persoonlijke gegevens van bedeelden en daarnaast staten met dergelijke gegevens bijgehouden. De boekhouder van het college heeft de financiële administratie van de armenzorg gevoerd; aanwezig zijn kladkasaantekeningen, kasboeken, waarin een hiaat is van 1870 tot 1882, en tabellen met gegevens ten behoeve van enige overheidscolleges (1898-1915) ter voldoening aan de voorschriften van de Armenwet.

BEWARING EN ORDENING VAN DE ARCHIEVEN

Verschillende bronnen bevatten enige aanwijzingen over de bewaring en globale ordening van het archiefmateriaal in vroeger tijd. Van de oudste bewaring is een spoor zichtbaar in het opschrift van een klein register, aangelegd in het begin van de 18e eeuw, met extrakten uit testamenten 'leggende in de ijsere kist' (34). In 1796 stelde de kerkeraad een commissie in, bestaande uit dienende opzieners en een van de predikanten, om de 'papieren der kerk', welke op vele plaatsen verstrooid lagen, te ordenen opdat men, daaruit iets nodig hebbende, het gewenste gemakkelijker zou kunnen vinden (35). Een aantal jaren later, in 1804, richtte de kerkeraad een gelijkluidend verzoek tot alleen het dienend college (36).

De hoogleraar Tideman heeft in 1863, als secretaris van de Commissie tot de zaken der Remonstrantsche Broederschap, een circulaire gericht aan de kerkeraden in den lande, met het verzoek om stukken die behoorden tot het archief der Broederschap aan de commissie in te zenden en voorts een afschrift van het 'register' van het eigen kerkarchief bij te voegen. De Amsterdamse kerkeraad was bereid om aan dit verzoek te voldoen en achtte het wenselijk dat bij de nasporing der verlangde stukken tevens het archief van de eigen kerk werd geregistreerd, welke taak werd opgedragen aan twee opzieners en Tideman (37). De stukken welke betrekking hadden op de eigen gemeente zijn toen gerangschikt onder een aantal rubrieken en bewaard in gesloten kasten in de bibliotheek (38). Een 'schriftelijk register' is vervaardigd en de jongste der predikanten belast met het beheer van het archief. Men heeft te zelfder tijd etiketten laten drukken met de opschriften van de rubrieken: Finantiën, Broederschap, Kerken der Broederschap, Zaken van kerk en kerkeraad, Diakonie, Boedels en legaten, en deze op de stukken geplakt. Heden, na ruim een eeuw derhalve, zijn deze etiketten nog slechts ten dele op de stukken te vinden, temeer ook daar men dit systeem van indeling niet heeft voortgezet.

Aan de schenking van de boekerij aan de Universiteits Bibliotheek te Amsterdam in 1878 zal een vorm van inventarisatie zijn voorafgegaan; bij het nazien van de catalogi van de bibliotheek, bij de boeken, handschriften en pamfletten in de Universiteits-Bibliotheek aanwezig, bleek dat men zorgvuldig de archieven en de bibliotheek uiteen heeft gehouden. Slechts een enkel stuk is niet goed terechtgekomen.

In 1903 blijkt er een afzonderlijke vaste bestuurscommissie te zijn voor de archieven, bestaande uit slechts één 'archivaris' (39).

De wetten van 1907 geven aan dat alle waardepapieren, met name eigendomsbewijzen, bewaard werden in een brandkast in het kerkgebouw; deze was slechts toegankelijk voor beide administrateurs gezamenlijk (wet gemeente, art. 58; wet diakonie, art. 14). Er is dan een bestuurscommissie van twee man voor de bibliotheek en de archieven (wet gemeente, artt. 49, 75). Voor de bewaring werd in dat jaar in de tuin achter de kerk een brandvrij vertrek van ijzer en beton gebouwd, dat zowel het archief van de Amsterdamse gemeente als de archieven van de Broederschap en die van de nog bestaande en opgeheven gemeenten ging bevatten (40).

Na 1922 heeft dr. H.C. Diferee de archieven 'technisch geïnventariseerd' (41). Waarschijnlijk in deze periode is men het archief drastisch gaan herordenen. De registers, omslagen en dozen kregen nu een etiketje met een nummer dat correspondeerde met hun plaats in kasten. De archieven die betrekking hadden op de Amsterdamse gemeente vonden in hoofdzaak een plaats in de kasten 5-8; ieder stuk kreeg voorts een letter (van de plank?) en een volgnummer. De verdeling over de kasten en planken is niet vastgelegd en niet volgens een herkenbare of archivistisch bruikbare systematiek geschied.

Een oude orde was, hetzij door onvolledigheid van het systeem, hetzij door het ontbreken van helderheid hierin, niet te herstellen. De inventaris uit 1864 leverde vele vragen op en was reeds bij ordeningen in de eerste helft van de twintigste eeuw niet voldoende bruikbaar bevonden, blijkens aantekeningen erin. Wel bleek hieruit, dat de registers die in 1864 aanwezig waren ook nu veelal nog voorhanden zijn.

Vanuit de stukken zelf moest derhalve een ordening grotendeels worden opgebouwd. Grondig onderzoek bracht aan het licht, dat een aantal stukken ten onrechte in de archieven zat en behoorde bij het, niet naar de archiefbewaarplaats van de Gemeentelijke Archiefdienst alhier overgebrachte, archief van de Broederschap resp. dat van de andere gemeenten.

Er konden enige series notulen, veelal met bijlagen, onderscheiden worden van verschillende bestuurscolleges. Voorts enige series betreffende afzonderlijke taakonderdelen van de besturen, met name inzake lidmaten, financiën, eigendommen, armen en wezen.

De lidmatenadministratie, die voor de doopboeken werd gevoerd door de opzieners en voor het overige door de kleine kerkeraad, werd bijeengehouden.

Het was niet mogelijk om te onderscheiden tussen afzonderlijke afdelingen voor de kerkeraad en voor opzieners. De zorg voor financiën en eigendommen berustte eerst bij opzieners en van 1775 af bij commissies van de kerkeraad, die wel bleven samengesteld uit opzieners. Een cesuur is dan ook niet te bespeuren in 1775, de registers werden ongewijzigd voortgezet. Ook in 1779, toen financiële aangelegenheden theoretisch aan de kerkeraad kwamen, is geen wijziging in de administratie zichtbaar. Deze voortlopende financiële registers, die een vrij groot gedeelte van het archief beslaan, vormen wel de voornaamste reden om geen afdelingen voor enerzijds kerkeraad, anderzijds opzieners te creëren. Een en ander in afwijking van het organisatiebeginsel, dat voor het overige waar mogelijk is toegepast bij de ordening. In 1855 eerst werd reglementair vastgelegd, dat de diakonale zorg zou ressorteren onder een bestuur (diakenen) dat daarnaast geen andere taken kreeg. De administratie voortkomende uit deze taak was reeds van 1631 af gevoerd, door in wezen ditzelfde bestuur (dienende opzieners) dat toen echter meer taken had. Er is geen cesuur te zien in 1855, daar de meeste registers op de oude wijze werden voortgezet. De stukken uit de tijd van vóór 1855 zijn nu ondergebracht bij het archief van diakenen, daar op laatstgenoemd college de rechten en funkties van dienende opzieners zijn overgegaan voor zover het de diakonale zorg betrof.

De losse stukken die behoren bij het archief van het weescollege, maar die verspreid zitten tussen de stukken behorende bij het archief van diakenen, zijn op hun historisch bepaalde plaats gelaten. Gezien de samenstelling en de bestaansduur van het weescollege is deze vermenging verklaarbaar.

De legaten, die soms uitdrukkelijk aan hetzij de kerk hetzij de armen waren geschonken, zijn van oudsher bijeen opgeborgen. Een splitsing zou slechts voorstukken na 1855 mogelijk zijn, toen de fondsen van kerk en diakonie gescheiden werden, hetgeen echter is nagelaten omdat dit strijdig zou zijn met het struktuurbeginsel.

Het boekjaar liep, zoals reeds aangestipt, tot 1811 van 1 mei tot 30 april en van 1812 van 1 januari tot 31 december. In de inventaris zijn alleen afwijkingen op deze regel vermeld; in series tot 1811 kan derhalve het ene boek in hetzelfde jaar beginnen als het voorgaande eindigt. Bijlagen bij series waren volgens het kalenderjaar bijeengehouden, hetgeen zo gelaten is.

Alle losse stukken waren zaaksgewijze bewaard in omslagen, soms in dozen verzameld. Bij vroegere ordeningen (door latere beheerders!) heeft men bij samenvoeging van stukken herhaaldelijk vergissingen gemaakt. Men heeft dan met name retroacta van akten betreffende legaten of erfstellingen, maar vooral van eigendomsbewijzen van effecten, aangezien voor de stukken waarmee het bezit aan de gemeente kwam. Dergelijke stukken zijn volgens het restauratiebeginsel teruggebracht tot de zaak waarbij ze behoorden.

Er bleef een aantal stukken over, die men reeds bij vroegere ordeningen niet had kunnen onderbrengen; deze zijn onder 'varia' opgenomen, daar het verband van deze stukken met de archieven niet is gebleken; vermoedelijk zijn het retroacta van testamenten of eigendomsbewijzen die uit hun oude verband zijn geraakt.

De rubriek 'diversen' bevat bescheiden die wegens hun gering belang niet onder afzonderlijke rubrieken gebracht konden worden. Opgenomen zijn tot de archieven behorende bestanddelen die elders berusten, met name in de Universiteits-Bibliotheek en in de serie doopregisters in de Gemeentelijke Archiefdienst te Amsterdam. Dergelijke stukken, die in hun eigen verband reeds een nummer dragen, zijn in deze inventaris zonder nummer opgenomen op de plaats waar men ze zou verwachten, met vermelding van vindplaats.

De archiefstukken van de Remonstrantse Gemeente te Amsterdam die ouder zijn dan 50 jaar, waarbij voor zover mogelijk als einddatum 1925, toen het Vertegenwoordigend college werd ingesteld, is aangehouden, zijn in de jaren 1970 tot 1973 overgebracht naar de Archiefdienst. De omvang van de overgebrachte archieven bedraagt ongeveer 15 meter. In een enkel oud register zijn sporen van zogenaamde houtmijt. Aan een drietal algemene financiële registers zijn lichte brandsporen te zien, aan de bovenzijde van de banden in de hoofdzaak. Het ongelukje dat dit veroorzaakte heeft plaats gehad nadat men in de series een journaal en een grootboek had verwisseld. De staat waarin de stukken verkeren is voorts redelijk.

LITERATUUR

- AKEN, Lucie J.N.K. van, De Remonstrantsche Broederschap in verleden en heden. Historische schets. Arnhem 1947

- DIFEREE, Hendr. C., Drie eeuwen kerkgeschiedenis, 1630 8 September - 1930. Gedenkboek van het 300-jarig bestaan der Remonstrantsch-Gereformeerde Gemeente te Amsterdam. Amsterdam (1930)

- TIDEMAN, Joannes, 'Bijzonderheden uit de geschiedenis der Amsterdamsche Remonstrantsche Gemeente', in: Studiën en bijdragen op het gebied der historische theologie, verzameld door W. Moll en J.G. de Hoop Scheffer, III, 1876, pp. 495-527

- TIDEMAN, Joannes, De Remonstrantsche Broederschap. Biografische naamlijst van hare professoren, predikanten en proponenten, met historische aanteekeningen omtrent hare Kweekschool en Gemeenten. Haarlem 1847

- TIDEMAN, Joannes, De stichting der Remonstrantsche Broederschap, 1619-1634, uit en met de oorspronkelijke bescheiden. 2 dln., Amsterdam 1871-1872

- WAGENAAR, Jan, Amsterdam in zijne opkomst, aanwas, geschiedenissen, voorregten, koophandel, gebouwen, kerkenstaat, schoolen, schutterije, gilden en regeeringe. 3 dln., Amsterdam 1760-1767 Voetnoten

(1) Uitvoerig in Wagenaar I, p. 496 e.v.; Diferee, passim

(2) Inv.nr. 290

(3) Inv.nrs. 414, 415

(4) Inv.nrs. 334, 340

(5) Res. opzieners, 1 mei 1631, p. 1-5, inv.nr. 2

(6) Van Aken, p. 110, deelt mee dat men sedert de Bataafse Republiek spreekt van de broederschap i.p.v. de Sociëteit.

(7) Tideman, 1871-1872, II, pp. 307-310, 476-487

(8) Res. kerkeraad, 1 mei 1645, p. 71, inv.nr. 2

(9) Res. opzieners, 2 dec. 1640, pp. 46-47, inv.nr. 2

(10) Als in deze inventaris van kerkeraad zonder meer wordt gesproken, wordt dit bestuurscollege bedoeld.

(11) Zie hierna, onder Reglement 1779

(12) Inv.nr. 266

(13) Inv.nr. 267

(14) Reeds in het begin van de 18e eeuw is veelal een van de professoren van het seminarium lid, hetgeen reglementair wordt in 1834.

(15) Volgens Diferee, p. 140 was de kleine kerkeraad in 1775 opgeheven.

(16) Res. kerkeraad, 27 april 1775, inv.nr. 6

(17) Enige aantallen bij Tideman, 1876, p. 497; idem, 1847, p. 266; Diferee, p. 170

(18) Bijl. not. kerkeraad, 17 febr. 1835, inv.nr. 172

(19) Res. kerkeraad en opzieners, jan.-febr. 1779, inv.nr. 6

(20) Res. kerkeraad, 28 april 1768, inv.nr. 6

(21) Kladres. kerkeraad, 2 nov. 1690, inv.nr. 1

(22) Not. weescollege, 26 sept. 1850, inv.nr. 838

(23) Res. kerkeraad, 27 april 1792, inv.nr. 7

(24) Res. kerkeraad, 24 sept. 1801, inv.nr. 9

(25) Not. weescollege, 26 sept. 1850, inv.nr. 838

(26) Bijl. not. kerkeraad, 30 jan. 1855, inv.nr. 192

(27) Inv.nr. 269

(28) Inv.nrs. 13, 229

(29) Inv.nrs. 271, 730

(30) Blijkens aan achterin het register met notulen van de kerkeraad 1821-1853 geplaatst overzicht van de voorhanden notulen waren er toen acht delen beginnend in 1698. Volgens Tideman (1876, p. 497) waren de resoluties nog slechts van 1676 af bestaand. Diferee (p. 9) geeft deze optekening van Tideman weer en voegt toe, dat 1676 een verschrijving is voor 1698! Heeft men het Capitaalboek en het Notaboek niet altijd herkend als registers die (klad)resoluties bevatten?

(31) Ook gedrukt in Diferee, als bijlage, en in Wagenaar, I, pp. 497-498

(32) Vóór 1865 was het boekhouderschap bij de gemeente van Utrecht, cf. Diferee, p. 117.

(33) In not. dien. opzieners, 12 mei 1809, inv.nr. 603, afschaffing tweede exemplaar

(34) Inv.nr. 515

(35) Res. kerkeraad, 11 mei 1796, inv.nr. 8

(36) Res. kerkeraad, 11 mei 1804, inv.nr. 9

(37) Not. kerkeraad, 24 okt. 1863 e.v., inv.nr. 11

(38) Tideman, 1876, p. 524

(39) Bijl. not. bestuur, 29 nov. 1903, inv.nr. 240

(40) Diferee, p. 129; wet gemeente hfd. X

(41) Diferee, p. 130

Archiefvormers

    De nummers achter de archiefvormers verwijzen naar het corresponderende inventarisdeel of het inventarisnummer. Door er op te klikken opent zich de inventaris op dat onderdeel of nummer.
    • Commissie tot oprichting van een gedenkteken voor dr. G. van Gorkom : 5.2
    • Remonstrantse Gemeente
    • Remonstrantse Gemeente; diakenen : 2
    • Remonstrantse Gemeente; diakonessen : 3
    • Remonstrantse Gemeente; kerkenraad : 1
    • Remonstrantse Gemeente; weescollege : 4
    • Vereeniging Het Remonstrantsche Zangkoor : 5.1
© Stadsarchief
Disclaimer / Colofon
<

Gegevens over mogelijk nog levende personen mogen alleen worden gebruikt voor historisch (waaronder genealogisch), wetenschappelijk of statistisch onderzoek.

Door het aanklikken van onderstaande button verklaart u zich te houden aan het Reglement voor raadpleging en gebruik van het Stadsarchief.