600: Archief van de Firma Ketwich & Voomberg en Wed. W. Borski

Algemene kenmerken

Toegangsnummer:

600

Periode:

1703 - 1945

Inleiding

De beheerders van de firma

Bij de inventarisatie van het archief van een firma kan een overzicht van de beheerders niet ontbreken. Zij vormden immers het archief en niet de firma. Gedurende de gehele periode van het bestaan van de firma stonden bijna alle firmanten, hoezeer hun namen ook verschilden, in familierelatie tot elkaar, de een direct, de ander indirect.

De firma Ketwich & Voombergh is voortgekomen uit de bundeling van de activiteiten van de zelfstandig optredende Abraham van Ketwich en Dirk Jan Voombergh. Zij stonden beiden ingeschreven als makelaars in beleningen, obligaties, vaste goederen, inboedels enzovoort, respectievelijk van 1762 en 1789 tot 1795. Van Ketwich was rond 1790 gevestigd aan de Herengracht bij de Bergstraat en Voombergh aan de Keizersgracht bij de Herenstraat (1). Reeds vanaf het jaar waarin zij beiden als makelaar optraden, werden zij gezamenlijk genoemd (2). Daarnaast blijven zij beiden als zelfstandig tussenpersoon optreden.

Een formele overeenkomst tussen de beide heren, onderhands of notarieel, werd in het archief niet aangetroffen zodat het onduidelijk blijft welk aandeel beiden in de firma hadden, in de werkzaamheden en in de opbrengsten. Mogelijk bestond er in het geheel geen formele schriftelijke overeenkomst omdat zij in de voorkomende gevallen steeds afzonderlijke akten opmaakten voor de uitvoering van specifieke opdrachten en handelingen. De term firma moet in de eerste periode voor 1802 dan ook met omzichtigheid gebruikt worden. Dit gebeurde tevens met andere tussenpersonen waarmee zij incidenteel samen optraden, bijvoorbeeld Abraham Voombergh en Cornelis van Ketwich (3).

In de periode vanaf de oprichting van het eerste administratiekantoor (1802) trad Dirk Jan Voombergh steeds als enige op namens de firma Ketwich & Voombergh. Kennelijk heeft hij de leiding van de zaak alleen op zich genomen en maakte hij dankbaar gebruik van de goede naam die Abraham van Ketwich aan het eind van de achttiende eeuw had verworven. Zijn goede naam vormde voor het publiek een basis van vertrouwen voor de werkzaamheden van de firma. In de bewaard gebleven archivalia van de administratiekantoren is niet meer te achterhalen of Abraham van Ketwich ook werkelijk heeft bijgedragen aan de werkzaamheden van de firma. Dit is niet zo verwonderlijk gezien zijn vergevorderde leeftijd, tegen de zestig. Er is dan ook geen aanleiding om hem initiator te beschouwen (4). Wel bleef Van Ketwich tot zijn overlijden in 1809 buiten de administratiekantoren incidenteel activiteiten ontplooien, zoals diverse commissariaten en het beheer van boedels. Abraham van Ketwich (1743-1809) en Dirk Jan Voombergh (1768-1824) zijn beiden te Amsterdam geboren als zonen van kooplieden. Hun vaders vestigden zich reeds voor hun huwelijken te Amsterdam vanuit Wijhe en Raalte in Overijssel en werden poorters van de stad. Hun voorouders waren niet alleen uit dezelfde streek afkomstig maar stonden zelfs in familiebetrekking tot elkaar. De overgrootvader van Dirk Jan Voombergh, Jacob, was een broer van de grootmoeder van Abraham van Ketwich (5).

Een indicatie voor de hoogte van hun inkomen of vermogen geeft het bedrag dat zij moesten betalen vanwege het Middel op het Trouwen. Reeds bij hun eerste huwelijken, respectievelijk in 1768 en 1791, vielen zij beiden in de

categorie met het hoogste tarief. Voor de verdere ontwikkeling van de vermogenspositie Van Ketwich zijn weinig directe bronnen voorhanden, behalve dan het bezit van huizen aan de Herengracht en zijn buitenverblijf Rusthof te Baambrugge (6).

Dirk Jan Voombergh behoorde in 1813 tot de honderd hoogstaangeslagenen van Amsterdam. Met zijn inkomen van f 50.000 zit hij net onder de top van f 60.000 van bijvoorbeeld Willem Borski, Jan Willink en Adriaan Hope. Hij was eigenaar van het Huis aan de Drie Grachten, een kapitaal pand aan de Nieuwe Doelenstraat 6 en de buitenplaats Slotzicht onder Vreeland. Van 1814-1824 was hij commissaris van de Associatie Cassa en van 1814-1824 had hij zitting in de Raad (7). Na het overlijden van Dirk Jan Voombergh bleef de leiding van de firma in handen van zijn nazaten, eerst zijn enige zoon Albert tot 1851, dan een verdere verwant Frederik van Taack Trakranen tot 1881 en nadien verschillende Laboucheres, te beginnen met Ernest, een kleinzoon van Albert Voombergh.

In 1880 vonden ingrijpende wijzigingen plaats in de directie van de firma Ketwich & Voombergh. De oudgedienden maakten ruimte voor de jongere generatie. De 70 jarige Henry Plate verliet de firma evenals Frederik van Taack Trakranen die er sedert 1842 werkzaam was geweest. De 24 jarige Ernest Samuel Labouchere, kleinzoon van Albert Voombergh en commissionair in effecten, deed zijn intrede en vestigde zich in het pand van de firma in de Nieuwe Doelenstraat. Naast hem trad zijn aangehuwde neef Adriaan Deodatus de Marez Oyens op als mede firmant, waarbij zich in 1897 nog eens voegde zijn zoon Gerard Hendrik de Marez Oyens (8). Onder hun gezamenlijke directie zetten zij de firma Ketwich & Voombergh onder dezelfde naam voort voor wat betreft de mede hoofd of mede directie van de administratiekantoren onder de firma's Ketwich & Voombergh en Weduwe W. Borski en Hope & Co., Ketwich & Voombergh en Weduwe W. Borski. De overige zaken van de firma Ketwich & Voombergh zetten zij eveneens voort maar dan onder de firmanaam Labouchere, Oyens & Co., welke beiden op hetzelfde adres in de Nieuwe Doelenstraat gevestigd waren (9). Voor gegevens over de directie van 1881 tot 1905 zijn we aangewezen op de winst en verliesrekeningen van de firma Labouchere, Oyens en Co., die bij de archieven van Ketwich & Voombergh bewaard zijn gebleven. De inkomsten uit de administratiekantoren zijn alleen voor het aandeel van de firma Ketwich & Voombergh afzonderlijk opgenomen, de administratie van de Franse Fondsen tot 1888, de Buitenlandse Fondsen en de Nationale Fondsen tot 1900. In 1901 en 1902 werden deze niet meer afzonderlijk opgenomen, maar kwamen zij vermoedelijk op een nieuwe algemene arbitrage rekening. Na de omzetting van de firma Labouchere, Oyens en Co. in een naamloze vennootschap in 1905 bleef de directie van het zelfstandig voortbestaande administratiekantoor van Nationale Fondsen wel in handen van Ernest Labouchere en de heren De Marez Oyens, maar al verhuisde het administratiekantoor in 1908/9 wel mee naar het nieuwe kantoor van de Labouchere, Oyens Bank aan het Singel 209-227, waarvan de Labouchere commissaris was en de heren De Marez Oyens tot de directie behoorden. Het administratiekantoor betrok pas een eigen kantoor na de overname van de Labouchere, Oyens Bank N.V. door de Rotterdamse Bankvereniging in 1913. Tot de opheffing van het administratiekantoor bleef de directie gevestigd op Singel 194-196. Inmiddels had de hoofddirectie enkele kleine administratiekantoren overgenomen, waarvan de inkomsten zodanig waren afgenomen dat een zelfstandig voortbestaan niet meer rendabel was (10).

Over de laatste decennia voor de opheffing van de firma Ketwich & Voombergh zijn geen archivalia voorhanden zodat de ontwikkeling aan de hand van indirecte bronnen vastgesteld moet worden. Na 1921 kan uit de inschrijvingen in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel te Amsterdam op de voet gevolgd worden wie in de loop van de jaren de firmanten waren en de directie van het administratiekantoor voerden en wel afzonderlijk voor de firma Ketwich & Voombergh en voor de hoofddirectie van het administratiekantoor. Zie hiervoor de bijlage. Na 1933 mochten de administratiekantoren alleen nog certificaten uitgeven; andere activiteiten waren niet meer toegestaan. In 1958 besloten alle nog bestaande administratiekantoren van Nationale Fondsen zichzelf op te heffen omdat de onkosten van het voeren van de administratie toenamen, terwijl de baten steeds meer verminderden. De liquidatie van het administratiekantoor onder hoofddirectie van de firma's Ketwich & Voombergh en Weduwe W. Borski werd uitgevoerd door de laatste firmant van de firma Borski, mr. H. ter Meulen, mede firmant van de bankiersfirma Hope & Co. te Amsterdam. Daarmee hield ook de firma Ketwich & Voombergh op te bestaan.

Aard van de activiteiten van de firma

Administratiekantoren

Het grootste deel van de archieven van de firma Ketwich & Voombergh heeft betrekking op de activiteiten van de firma als administratiekantoor. Hierna komt aan de orde wat voor soort bedrijf het is en wat het niet is en de bijzondere relatie met de firma Borski. Vervolgens geef ik de specifieke verschillen tussen de afzonderlijke kantoren.

Administratiekantoren treden op als dienstverlenende bedrijven, als tussenpersonen in de effectenhandel. Zij geven certificaten uit tegenover allerlei fondsen zonder dat deze haar kapitaal vormen. De activiteiten van deze kantoren dienen onderscheiden te worden van effectensubstitutie-ondernemingen en van beleggingsfondsen. De eerste, ook wel aangeduid als participatie, of holdingmaatschappijen, geven niet alleen eigen effecten uit maar streven tevens naar zeggenschap in de onderneming waarin zij haar effecten belegt. De beleggingsfondsen streven juist niet naar zeggenschap maar kenmerkend is het beheren van het aan de collectiviteit van beleggers behorend vermogen. Administratiekantoren zijn er voornamelijk op gericht de courantheid van effecten te bevorderen, bijvoorbeeld in geval van opnaamstelling, te grote coupures, buitenlandse effecten, grootboekinschrijvingen. Een algemene aanduiding voor effecten, schuldbrieven, staatspapieren, obligaties en aandelen is de term fondsen (11).

De heren Van Ketwich en Voombergh behoorden tot de eerste oprichters van dergelijke administratiekantoren in Nederland. Beide heren konden daarbij terugzien op jarenlange ervaring die zij als makelaars in beleningen, in het administreren ervan, hadden opgedaan. Berghuis beschouwde Abraham van Ketwich in zijn studie zelfs als de vader van de beleggingsfondsen vanwege zijn bijdragen, na de financiële crisis van 1772-1773, aan de oprichting van de eerste fondsen onder de namen: 'Eendragt maakt magt' (1774), 'Voordeelig en voorsigtig' (1776) en 'Concordia res parvae Crescunt' (1779) (12). Bij deze fondsen vormden de obligaties, ten laste van diverse geldleners, het gemeenschappelijk bezit van de deelnemers die op deze wijze de eventuele risico's konden spreiden. Ook latere onderzoekers roemen Abraham van Ketwich vanwege zijn innoverend financieel ondernemerschap (13). Daarnaast bemiddelden de heren bij vele andere, meer incidentele, geldleningen ten behoeve van afzonderlijke steden, plantages, infra structurele projecten. Administratiekantoren werden door verenigingen van particuliere personen opgericht, vaak uit naam van de firma's waarvoor zij optreden met het doel het publiek diensten aan te bieden bij de belegging van haar bezittingen. Inschrijvingen op het Grootboek van Nationale Schuld, van de Publieke Schuld van Rusland, Frankrijk, of originele aandelen of obligaties van banken, spoorwegondernemingen en dergelijke werden zo nodig op naam van het kantoor gesteld. Waar geen opnaamstelling plaats had, werden fondsen bij het kantoor gedeponeerd en in een brandkast bewaard. Het kantoor gaf certificaten uit die gezamenlijk niet het bedrag van de ingeschreven of gedeponeerde kapitalen mochten overtreffen.

Voor het publiek brengt de bemiddeling heel wat voordelen en gemakken met zich mee. Zo verricht het kantoor de formaliteiten die aan de inschrijvingen in Grootboeken verbonden zijn en geeft daar tegenover certificaten in blanco, aan toonder, uit die gemakkelijk verhandelbaar zijn. Terwijl van de Inschrijvingen in het Grootboek kennisgevingen verstrekt werden, waren de certificaten bewijzen die een reële waarde vertegenwoordigden.

De bemiddeling bij de buitenlandse fondsen had tot voordeel dat het kantoor de interest of het dividend in de vreemde muntsoort ontving en in Nederlands geld uitbetaalde. Daarbij kwam dat het kantoor in bijzondere omstandigheden eerder en beter dan particuliere personen in de gelegenheid was om de belangen van het publiek te behartigen en de rechten van de beleggers te beschermen. Het tarief voor de bemiddeling bestond uit de vergoeding der onkosten en meestal 1% provisie van de uit te keren rentebedragen (14).

Tot de medeoprichters en latere directies van de administratiekantoren, waarin de firma Ketwich & Voombergh betrokken was, behoorden ook steeds Willem Borski of zijn opvolgers, te beginnen met zijn weduwe en dat duurde zo voort tot de opheffing. Hoewel de firma Borski mede tot de hoofddirectie behoorde van het kantoor voor Nationale Schulden, bleef zij toch een zelfstandige onderneming naast de firma Ketwich & Voombergh met een eigen administratie en een eigen, vaak gelijk, aandeel in de winsten. Na 1921 stond zij dan ook als zodanig afzonderlijk ingeschreven in het Handelsregister. De firma hield lange tijd kantoor aan de Keizersgracht en is na het overlijden van Willem Borski junior in 1884 voortgezet door jonkheer Willem Hendrik van Loon (1855-1935) en ging na zijn overlijden op in het bankiershuis Hope & Co. (15). Een van de firmanten van dit huis verzorgde de uiteindelijke liquidatie van het administratiekantoor. Andere Amsterdamse commissionairs of makelaars waarmee Ketwich & Voombergh al vroeg samenwerkte waren Hope & Co., Van Staphorst, Van Halmael en Hagedoorn. De namen van de gezamenlijke oprichters en leden van de administratiekantoren voor diverse fondsen staan allemaal vermeld in de uitgegeven prospectussen.

Buitenlandse fondsen

Franse Fondsen

Het eerste in Nederland opgerichte 'Comptoir van Administratie' (1802) was dat 'van Fransche Geconsolideerde Inscriptiën, rentende 5pCt'. Deze werden ingeschreven in het Grootboek der Franse Republiek. In de gedrukte prospectus werd expliciet gerefereerd aan de algemene behoefte van het beleggende publiek aan schuldbekentenissen aan toonder, '(..) dewyl elk houder van effecten in blanco de faculteit bezit, niet alleen, om bij verkoop dezelven dadelyk tegens gerede penningen te reäliseren, zonder zich bloot gesteld te zien aan de inconveniënten en moeiëlykheden, die anders de realisatie vertragen en bezwaarlyk maken, maar ook, om bij geldbenodigdheid, voor enen zekeren tijd daar op penningen te kunnen negotiëren, als zijnde een beleenbaar onderpand' (16). Uitgebreid werden de voordelen van de effecten aan toonder uitgemeten tegenover de vele nadelen die kleven aan de rechtstreekse belegging in de Franse publieke schuld te Parijs.

Op vaste tijden werd kantoor gehouden ten huize van de administrateuren Ketwich & Voombergh te Amsterdam om beleggers de gelegenheid te geven hun waardepapieren om te laten zetten in certificaten van ieder 1.000 francs, op naam van Dirk Jan Voombergh, Arent van Halmael en Willem Borski, die hen slechts toekwamen als bewaarders. De heren verbonden zich daartoe de nodige akten te laten passeren om te allen tijde het belang der houders van de certificaten te kunnen dienen. De dienstverlening bestond uit de vaste halfjaarlijkse uitbetaling van de renten, en de verzorging van de correspondentie met een bank in Parijs, procuraties, wisselverkeer en dergelijke.

Amerikaanse fondsen

Nog geen drie jaren later (1805) richtten Ketwich & Voombergh, Willem Borski en de gebroeders Van Staphorst zich tot de beleggers die hun kapitalen in de Verenigde Staten van Amerika belegd hadden. Door de voorspoedige aflossing van de leningen ontstond een nieuwe situatie 'waardoor veele geldbeleggers zich gepriveert vinden van de gelegenheid ter plaatsing hunner capitaalen in fondsen, die wegens derzelver regulieren afloop en de getrouwe vervulling der grondvoorwaarden hunner creatie, zoo zeer gezogt zijn, als zy uit hoofde van den steeds toenemenden bloey en den bekende welvaart van America een gegrond vertrouwen inboesemen, en in de onrustige situatie van Europa voor het tegenwoordige althans eenigen voorrang schynen te verdienen'. Met name op de eigenaars van de volgende originele of binnenlandse fondsen van America werd een beroep gedaan: de zogenoemde 6% Oude Fondsen, 6% Deferred Debt, 6% Navy Debt, 3, 5.5 en 8% Fondsen, 6% Louisiana Stock en Bank Actiën (17).

De directie bood haar diensten aan om de beleggers te ontlasten van de moeilijkheden met de incassering van de renten in dollars en om nieuwe beleggers de kans te geven geld in de Verenigde Staten te beleggen. Certificaten werden uitgegeven in eenheden van 400 dollars en ongeveer op dezelfde voorwaarden als het kantoor voor Franse Inscriptiën. De administratie van dit kantoor werd niet gevoerd door Ketwich & Voombergh maar door de gebroeders Van Staphorst. De laatsten hadden reeds jaren lang ervaring met geldleningen in America. Na de uitloting en aflossing van de fondsen in het jaar 1832 had het doel van het compagnieschap opgehouden te bestaan en werd het kantoor opgeheven. De nog niet afgehaalde coupons werd gedeponeerd bij de Associatie Cassa (18).

Diverse buitenlandse fondsen

Na de opheffing in 1824 door koning Willem I van het verbod van 1816 om zonder toestemming buitenlandse leningen te sluiten werd de Nederlandse belegger opnieuw de gelegenheid geboden via het bekende Amsterdamse kantoor van Hope & Co. in het buitenland te beleggen. Ondertussen hadden Nederlandse beleggers hun weg reeds gevonden naar het buitenland door middel van buitenlandse kantoren. Onder de directie van Hope & Co., Ketwich & Voombergh, en Weduwe W. Borski werd een nieuw 'kantoor van administratie voor buitenlandsche fondsen' opgericht. Dit kantoor gaf diverse certificaten uit tegenover fondsen op buitenlandse grootboeken ingeschreven en tegenover obligaties aan toonder van buitenlandse geldleningen, waarvan de interest niet in Nederland betaalbaar was. Welke dat allemaal waren werd niet in de prospectus vermeld. Het betroffen naast enkele Franse en Amerikaanse fondsen, die ook gedeeltelijk bij bovengenoemde kantoren werden geadministreerd, eigenlijk voornamelijk Russische fondsen. In de loop van de jaren traden wel verschuivingen op in de verhoudingen van de leningen aan de genoemde landen. De sommen van de certificaten werden voor ieder soort van fondsen afzonderlijk bepaald. De berekende provisie was voor de obligaties aan toonder lager dan voor de Grootboekinschrijvingen. Voor de uitbetaling der coupons stonden tevens kantoren in het buitenland ter beschikking: in Londen, Parijs, Hamburg, Frankfurt en Berlijn, al naar gelang de behoefte van de houders der certificaten. Bovendien werd voor de houders der certificaten de mogelijkheid opengehouden om de originele fondsen terug te nemen, uiteraard tegen betaling van de onkosten. Omdat maar een deel van de archivalia van dit kantoor voorhanden is, is het verloop van de activiteiten na 1905 niet te achterhalen. Aan de hand van de cijfers van de winstdeling valt na 1870 een duidelijke neergaande tendens waar te nemen.

Nationale fondsen

De Grootboeken der Nederlandse Staatsschuld

De oprichting van administratiekantoren voor Nationale Fondsen, mede door Ketwich & Voombergh, liet langer op zich wachten omdat in Nederland, Holland, de wetgeving betreffende de Grootboeken der Publieke Schuld pas in 1809 tot stand kwam. Zonder deze wetgeving kon dit kantoor niet bestaan en de wetgever bepaalde de speelruimte van de kantoren.

Eerst in 1798 werden de schulden van de generaliteit en de afzonderlijke gewesten van voor die tijd tot nationale schuld verklaard. Ter vereenvoudiging van de administratie van allerlei soorten schulden maakte koning Lodewijk in 1809 een begin met de inschrijving in een zogenoemd Grootboek der Publieke Schuld van het koninkrijk Holland. Een nieuwe wet van 14 mei 1814 van koning Willem I zorgde voor een aanpassing aan de gewijzigde omstandigheden. De oude schuld werd vervangen door een nieuwe, deels verenigd in 2.5% Werkelijke Rentegevende Schuld en voor een ander deel in Uitgestelde Schuld die geleidelijk zou worden omgezet in werkelijke rentegevende schuld. De wetgeving werd nadien nog wel eens aangepast, bijvoorbeeld uitgebreid met Grootboeken met andere rentepercentages. Anno 1987 bestaan er nog steeds drie, rentende: 2.5%, 3% en 5%.

In de zogenoemde Grootboeken werd voor iedere geldgever een rekening geopend waarop deze gecrediteerd werd voor het aan de Staat geleende bedrag, de zogenaamde Inschrijving. De leningen kennen geen aflossing en heten daarom ook wel eeuwigdurende op perpetuele leningen. Het beheer was in handen van de directie, van de Grootboeken, tevens Agent van het Ministerie van Financiën, gevestigd te Amsterdam. Een dubbel van de Grootboeken werd gehouden bij de Algemene Rekenkamer te 's Gravenhage (19).

De Certificaten

De overheid verbond veel formaliteiten en omslachtige handelingen aan de administratie van de in, en overschrijvingen in de Grootboeken en aan de incassering der rente. Als gevolg daarvan bood de wetgever de mogelijkheid kantoren van administratie op te richten. De activiteiten van deze kantoren lagen daarmee in het verlengde van de wet. Op hun naam schreven zij bedragen in en gaven daar tegenover certificaten met couponbladen uit ter waarde van 100, 200, 400, 600, 800 en 1000 gulden. Dit kon alleen na exhibitie ervan door de Directie van de Grootboeken, voor rekening van de belanghebbenden.

In het Besluit houdende het Reglement op de inschrijving in het Grootboek van 1814 werden uitgebreide bepalingen opgenomen voor de opnaamstelling van de certificaten. Deze mochten ten hoogste op naam van twee personen gesteld worden en in het geval er meer personen tot de directie behoorden, moesten de inschrijvingen op naam staan van het kantoor onder directie van een tweetal personen. De opnaamstelling moest steeds van dezelfde inhoud blijven, ook na het overlijden van leden van de directie. Zo formeerden een groot aantal Amsterdamse makelaars en commissionairs het gemeenschappelijk kantoor onder de hoofddirectie van de firma's Ketwich & Voombergh en Weduwe W. Borski. Zij legden daarmee de basis van een van de bekendste kantoren van administratie van Nationale Fondsen te Amsterdam. Zo werden ook de kantoren van Saportas te Amsterdam, De Kat te Dordrecht en De Hoop te Rotterdam opgericht, die later door de hoofddirectie van Ketwich & Voombergh en Weduwe Borski werd overgenomen.

Voor de uitvoering van de administratie zorgde de hoofddirectie, die uitsluitend ondertekeningsbevoegdheid had. Zij verschafte de nodige lokalen in Amsterdam en andere voorzieningen, stelde bedienden aan en regelde de salariëring. Zoals gezegd was het kantoor van de hoofddirectie op hetzelfde adres als de firma Ketwich & Voombergh gevestigd. De onkosten werden op een algemene rekening gebracht, waarvoor zij geen verantwoording schuldig was aan de gezamenlijke leden; wel mochten gecommitteerden namens hen inzage in de specificatie verlangen. De totale onkosten werden over een drietal provisie rekeningen verdeeld alvorens de winsten uitgekeerd werden.

Buiten Amsterdam kon het geïnteresseerde publiek ook gebruik maken van de diensten van het Amsterdamse kantoor. Daarvoor werd een groot aantal correspondenten ingeschakeld in de grote steden in het land, in 1814 totaal 44. Deze correspondenten bemiddelden op hun beurt ten behoeve van de beleggers in de provincie bij het doorgeven van de mutaties en bij de ontvangsten der renten. In Amsterdam werd de uitbetaling der renten, tegen intrekking der coupons, na aankondiging in Amsterdamse en Haarlemse kranten, verricht door de Associatie Cassa. Alle schade en verliezen die buiten toedoen van de leden van het kantoor ontstonden werden door de gezamenlijke leden gedragen overeenkomstig hun aandelen in de winstdeling. Voorbeelden van schaden waren: faillissementen van correspondenten en kassiers, ontrouw of onnauwkeurigheid van bedienden, diefstal, ontvreemding, vermissing, brand of andere rampen of gebeurtenissen. Omdat er bij het kantoor zeer grote bedragen omgingen was een spreiding van de risico's wel noodzakelijk.

In de tien bladzijden tellende onderhandse overeenkomst van 1814, die pas een volle eeuw later gewijzigd werd, stonden uitgebreide bepalingen ten aanzien van de samenstelling van de associatie in gevallen van uittreding, opvolging, eindiging en uitsluiting. Verschillen van interpretatie van de overeenkomst zullen aan de arbitrage van de hoofddirectie, eventueel met gecommitteerden en een externe deskundige, overgelaten moeten worden. Er is geen hoger beroep mogelijk (20).

Aard van de activiteiten van de firma Labouchere, Oyens & Co.

Volgens de statuten van de N.V. van 1915 lag het doel van de N.V. in het verlengde van de activiteiten van voor die tijd, onder anderen het afwikkelen van zaken van voor 1913. 'Het doel der vennootschap, aanvankelijk bestaan hebbende in het uitoefenen van het bankiersbedrijf in den ruimsten zin, den handel in effecten en openbare fondsen, zoowel voor eigen rekening als in commissie, het voeren van administraties, het koopen en verkoopen van wissels en ander handelspapier en van edele metalen, en al wat met het bovenstaande in verband staat, (...)'. Dat de firma deze activiteiten ook verrichtte, maar dan op een andere juridische grondslag, blijkt uit de posten op de balans van de firma. Het aandeel van het kantoor van Ketwich & Voombergh was bijvoorbeeld in 1894 nog geen tiende deel van de totale winst van ca. f 100.000. (21).

Geschiedenis van het archief en verantwoording van de inventarisatie

De administratie

Reeds voor de wettelijke verplichting tot het voeren van een boekhouding volgens de Code de Commerce, ingevoerd in 1811, werd door de heren van Ketwich en Voombergh nauwkeurig verslag gedaan van de financiële gevolgen van hun handelingen als makelaars in effecten en boedels. Dit was nodig om de opdrachtgevers inzicht te geven in de door de heren verrichtte activiteiten. Zij hadden er zelf ook alle baat bij omdat zij pas dan gekwiteerd werden als zij hun taak goed hadden volbracht.

Bij de administratiekantoren was de boekhouding een conditio sine qua non en wel vanwege de verantwoording naar de medefirmanten en naar de houders van de certificaten. Alleen de geïnteresseerden of afgevaardigden van hen met een kapitaal van bijvoorbeeld 50.000 francs of 20.000 dollars aan certificaten werd inzage gegeven in de 'boeken en correspondentie deze administratie; ten einde, zich te kunnen verzekeren, dat het montant der uitgegeven certificaten, volkomen overeenstemt, met dat der fondsen, op namen van bewaarderen staande'. Nadere richtlijnen voor de administratie ontbreken meestal in de prospectussen. In de overeenkomsten tussen de administrateuren of firmanten zijn ze soms zeer beknopt uitgewerkt.

Bij de meeste administratiekantoren werd een regeling getroffen voor de jaarlijkse opstelling van de rekening, de verdeling van de gemaakte kosten en die van de winsten. Dit werd uitgevoerd door degenen bij wie de administratie gevestigd was. De jaarlijkse verantwoording stelde de medefirmanten in staat controle uit te oefenen op de gevoerde administratie. In het geval van de Amerikaanse en Buitenlandse fondsen was dat niet bij Ketwich & Voombergh zodat zij dan ook niet over de oorspronkelijke administratie beschikken. Hoewel de administratie van Franse fondsen wel in handen was van Ketwich & Voombergh is niet alles bewaard gebleven. Het is vanzelfsprekend dat een belangrijk deel van de stukken van het internationaal opererende bedrijf in andere talen, zoals het Frans en het Engels, gesteld is. Daarom werd in de beschrijvingen niet steeds vermeld in welke taal de stukken gesteld zijn.

Blijkens de prospectussen van de verschillende kantoren was er een omvangrijke administratie voor het beheer van de originele fondsen, voor het passeren van de nodige notariële akten, voor het berekenen van renten, provisies en onkosten en voor de aankondigingen in nieuwspapieren. Van dit alles is maar een deel in handen gekomen en gebleven van de firma Ketwich & Voombergh. Het is niet bekend of het archief van de firma Van Staphorst en van het administratiekantoor van Hope & Co. bewaard is gebleven.

Over de gang van zaken bij de administratie van het kantoor van Nationale Fondsen is meer bekend, omdat er meer afspraken gemaakt werden. Zoals gezegd verschafte de hoofddirectie lokalen; dat was altijd ten kantore van Ketwich & Voombergh. Jaarlijks werd een balans opgemaakt en met de boeken, niet nader omschreven, gedurende veertien dagen ter visie en examinatie aan de leden voorgelegd op basis waarvan zij vervolgens schriftelijke aanmerkingen konden maken. De te volgen procedure bij verschillen van mening werd uitgebreid vastgelegd. Specifieke opdrachten voor de uitvoering van de administratie werden niet gevonden, terwijl toch al vanaf het begin de zaak op een zeer degelijke wijze werd aangepakt. De meeste onderdelen van de dubbele boekhouding en de afschriften van de uitgaande brieven werden direct in volumineuze registers ingeschreven. Ditzelfde geldt voor de administratie van het overgenomen kantoor van Saportas. De bewaard gebleven archivalia bestaan voornamelijk uit series; daarin zitten ook vele hiaten. Mogelijk waren de niet-overgebleven delen en stukken in een nog veel slechtere materiële staat dan die waarin bijvoorbeeld een deel van de journalen en grootboeken zich bevinden. De door vocht aangetaste delen zijn op vele plaatsen niet meer leesbaar. Belangrijke archivalia betreffende de directie en de jaarrekeningen zijn niet aanwezig; in het geheel niet meer na 1880. Waar deze gebleven zijn kon niet achterhaald worden. Volgens de wettelijke bepalingen (Burgerlijk Wetboek, Wetboek van Koophandel en Wet Rijksbelastingen) is de wettelijke termijn van bewaring uiterlijk 30 jaar. Deze termijn, die ook voor de liquidator geldt, is bijna verstreken.

Zoals uit de beschrijving van de activiteiten van het kantoor voor Nationale Fondsen bleek, trad de hoofddirectie op voor Amsterdammers en niet-Amsterdammers. Deze scheiding komt ook terug in de archivalia. Van de handelingen van de niet-Amsterdammers werd meer schriftelijk vastgelegd dan van de Amsterdammers, omdat de opdrachten allemaal via de correspondenten liepen. De uitgaande brieven zijn voornamelijk aan hen gericht en de rekeningen in het grootboek en rekening-courantboek staan op hun naam. De financiële handelingen van de Amsterdammers werden slechts in de dagboeken opgetekend en liepen voor het grootste deel via de Associatie Cassa. In de administratie treft men dan ook geen boekingen op hun naam aan. Ingekomen stukken met de opdrachten van certificaathouders en correspondenten zijn niet bewaard gebleven. Hetzelfde geldt voor een deel van de mutaties in het Grootboek van Nationale Fondsen, bij het Agentschap. Als gevolg van een bijzondere positie van de firma Wendelaar, alhier, werd jaarlijks aan deze firma per brief de hoogte van het bedrag van inschrijvingen en de rente op naam van het administratiekantoor medegedeeld. De administraties van de overgenomen kantoren zijn op dezelfde wijze opgebouwd. Na de overname werden de administraties aanvankelijk gescheiden voortgezet, na verloop van tijd werden ze samengevoegd (23).

De inventarisatie

Na het intreden van de liquidatie van het kantoor van administratie van Nationale Fondsen in 1958, maar nog voor de opheffing op 31 december 1966 werden archivalia van de firma Ketwich & Voombergh door de eerdergenoemde liquidateur H. ter Meulen aan het N.E.H.A. Nederlands Economische Historisch Archief toen nog in Den Haag gevestigd, geschonken. Dit was in 1960, het jaar waarin het kantoor aan het Singel werd opgeheven. Ten onrechte werden de archivalia steeds beschouwd als tevens afkomstig te zijn van de firma Borski. Waarom slechts sprake is van de archieven van de firma Ketwich & Voombergh heb ik hierboven uitgelegd.

In het Jaarboek van het bovengenoemd instituut van 1960 werden de bestanddelen van de schenking als volgt omschreven: 'Dit omvangrijke en zeer belangrijke archief, waarvan de oudste stukken uit het jaar 1772 stammen en de jongste tot het midden van de 19de eeuw reiken, omvat boedeladministraties, emissies van leningen en negotiaties voor plantages in Suriname als hoofdbestanddeel' (24). Juist op deze onderdelen, die buiten de specifieke administratiekantoren vielen, participeerde de firma Borski niet, evenmin als andere firma's waar Ketwich & Voombergh later mee samenwerkte.

Een eerste poging tot inventarisatie werd door het N.E.H.A. ondernomen. Het betrof alleen de losse stukken, series en losse delen werden in het algemeen buiten beschouwing gelaten. Wel werd er een korte nota gemaakt, gedateerd mei 1961, over de administratiekantoren van Nationale Fondsen. De Losse stukken werden onder uiteenlopende rubrieken op onderwerpen gegroepeerd en in omslagen gedaan. Deze werden van zeer globale beschrijvingen voorzien. De genummerde rubrieken werden vervolgens in een vijftal categorieën ondergebracht: boedels, zaken, leningen, plantageleningen en diversen. Op basis van deze indelingen werden enkele onderzoeken uitgevoerd. Voor een deel werden de archivalia nog in deze toestand aangetroffen (25).

Bij de losse stukken vond ten onrechte vermenging plaats van stukken die afkomstig waren van Paul Iwan Hogguer, van de firma Hogguer & Co., eerste directeur van de Nederlandsche Bank en een van de eerste vier burgemeesters van Amsterdam in 1814. Deze archivalia, voornamelijk van vóór 1816, waren in het bezit van Voombergh gekomen, als mede-executeur van zijn boedel na het overlijden in 1816 van genoemde Hogguer. Als zodanig dienen deze archivalia onder een afzonderlijke titel opgenomen te worden. Eigenlijk is het een restant van een archief van een zelfstandige firma. Deze firma had bijvoorbeeld een belangrijk aandeel in leningen aan Zweden. Na de opheffing van de vestiging van het N.E.H.A. te Den Haag werden de aldaar verzamelde bedrijfsarchieven in bruikleen gegeven aan de archiefdiensten in de plaatsen waar de bedrijven oorspronkelijk gevestigd waren. Zo kreeg de Gemeentelijke Archiefdienst te Amsterdam onder andere de archivalia van de firma Ketwich & Voombergh in bruikleen, waarbij wederom ten onrechte de naam van de firma Borski vermeld werd. Volgens het jaarverslag van 1972 hadden de archivalia een omvang van 24 meter over de jaren 1772-1916 en in 1973 vond nog een aanvulling plaats van twee meter.

Korte tijd erna is een stagiair van de hogere archiefopleiding begonnen met de inventarisatie van de archieven, maar is daar vroegtijdig mee gestopt. Een deel van de series werd genummerd en beschreven en vervolgens werd begonnen om de losse stukken allemaal in afzonderlijke omslagen te doen, ook de kladjes en voorzien van voorlopige en onvolledige beschrijvingen. Door deze niet-afgeronde werkzaamheden ontstonden twee naast elkaar staande ordeningen. De niet afzonderlijk genummerde en beschreven archivalia bevonden zich nog in de orde die door het N.E.H.A. werd aangebracht.

Als gevolg van de eerste twee inventarisatiepogingen is het onderdeel betreffende de plantageleningen (ca. 1,5 meter) als een eenheid beschouwd en door een vrijwilliger, Joop Leferink, historicus, beschreven en geordend. Hiermee was al een begin gemaakt voor ik met de rest van de archieven begon (ca. 30 meter). Tijdens het beschrijven van de overige stukken werden nog stukken aangetroffen die betrekking hadden op de plantageleningen en nog bij dat onderdeel gevoegd. En tussen de stukken betreffende de plantageleningen kwamen er nog wat te voorschijn die niet op plantages betrekking hadden en daarom bij de rest werden opgenomen.

De door ondergetekende uitgevoerde inventarisatie bestond uit het maken van geheel nieuwe beschrijvingen omdat met verbeteringen niet volstaan kon worden. Vervolgens werden de overige archivalia genummerd en beschreven. Voor de ordening was de indeling van het N.E.H.A. niet geschikt omdat daarin niet alle stukken opgenomen waren en de stukken van Hogguer er niet in thuis hoorden. Alleen de rubrieken betreffende de boedels en de plantages boden aanknopingspunten voor een acceptabele indeling der stukken. De onderdelen zaken, leningen en diversen waren eigenlijk niet meer dan vrij willekeurige samenvoegingen van uiteenlopende onderwerpen onder onduidelijke hoofden.

De stukken van de firma Ketwich & Voombergh hebben op zeer uiteenlopende zaken betrekking; er zijn grote verschillen in de omvang van de onderdelen. Gezien de veelheid van functies laten de stukken zich dan ook niet volgens één criterium indelen. Duidelijk te onderscheiden zijn de afzonderlijk georganiseerde administratiekantoren omdat die onder verschillende directies stonden. De losse stukken die op de overige zaken betrekking hebben vormen eigenlijk allemaal min of meer gesloten eenheden, variërend van één stuk tot vele pakken. Naar de aard van de activiteiten kunnen een drietal hoofdgroepen samengesteld worden. Dit zijn de onderdelen boedels, plantageleningen en een restcategorie van overige leningen en negotiaties die niet onder de andere onderdelen vallen. Slechts in één enkel geval is een chronologisch gerangschikte serie ingekomen stukken betreffende plantageleningen en buitenlandse fondsen (1801-1835) niet als zodanig gehandhaafd, maar uitgesplitst over de twee gescheiden afdelingen. Er was geen reden om slechts een deel van de archivalia van de plantageleningen en van de Buitenlandse Fondsen door elkaar te bewaren en de rest als afzonderlijke onderdelen te beschouwen (26).

De indeling van de inventaris werd grotendeels bepaald door de aard van de stukken op naam van de afzonderlijk georganiseerde administratiekantoren die door de firma Ketwich & Voombergh zelf geadministreerd werden. Vanwege de algemene strekking van de registers van uitgaande brieven, o.a. betreffende de organisatie, is de indeling naar stukken betreffende de organisatie en taakuitvoering niet geschikt. Daarom zijn de stukken per administratiekantoor, door de firma Ketwich & Voombergh geadministreerd of overgenomen, ingedeeld naar stukken van algemene aard en betreffende bijzondere onderwerpen. De administratie van de fondsen op naam van de oprichters van de overgenomen kantoren werd in de loop van de tijd gedeeltelijk in de overgenomen registers voortgezet en gedeeltelijk in de administratie van de hoofddirectie. Van het kantoor Van der Hoop werden in het geheel geen afzonderlijke archivalia aangetroffen.

Bij de stukken betreffende de administratiekantoren die niet door de firma Ketwich & Voombergh geadministreerd werden speelde de kwestie van de indeling nauwelijks omdat het allemaal ingekomen stukken zijn.

Aan deze stukken betreffende de administratiekantoren, waarin de firma Ketwich & Voombergh een van de deelgenoten was, gaat een onderdeel vooraf met stukken - ca. 3,5 m - die geen betrekking hebben op deze activiteiten. Soms werden de activiteiten buiten de administratiekantoren wel met andere kooplieden uitgevoerd. Een van die activiteiten was het beheer van boedels, bijvoorbeeld de eerdergenoemde boedel van wijlen P.I. Hogguer, met stukken ontvangen of opgemaakt door de firma Hogguer, die teruggaan tot ver voor de oprichting van de firma Ketwich & Voombergh.

Geheel afzonderlijk staan de stukken betreffende het personeel. Deze vormen een onderwerp op zichzelf dat niet onder de andere onderdelen geplaatst kon worden.

Het spreekt voor zich dat de stukken betreffende de boekhouding van de firma Labouchere, Oyens & Co. slechts een restant een afzonderlijk archief vormen, ontvangen of opgemaakt door een administratief zelfstandige instelling. Volgens de bepalingen van de bruikleenovereenkomst kunnen, na verleende toestemming door het N.E.H.A., archivalia vernietigd worden. Hoewel bijvoorbeeld de boekhouding grotendeels voor vernietiging in aanmerking komt, is dit beslist af te raden. In de eerste plaats ontbreken de jaarstukken van de boekhouding en vele andere archivalia van de administratiekantoren. De boekhouding is eigenlijk het belangrijkste restant. Bovendien zijn nauwelijks archivalia van soortgelijke kantoren bewaard gebleven waardoor het een unieke bron is voor historisch onderzoek naar de herkomst van de financiële middelen van het nog jonge Koninkrijk der Nederlanden en wel voornamelijk van de kleinere schuldeisers.

Ook de andere onderdelen van het archief van Ketwich & Voombergh, grotendeels van voor 1851, dienen bewaard te blijven. Ze bevatten belangrijk historisch materiaal dat inzicht kan geven in nieuwe ontwikkelingen in de financiële sector van de Nederlandse economie en daarbuiten in een periode waarin in andere sectoren van de volkshuishouding eerder sprake is van stagnatie dan van groei. Bovendien is van particuliere archieven, bedrijfsarchieven, al veel te veel vernietigd wat niet direct meer noodzakelijk was voor de administratie (27).

Stukken betreffende negotiaties, effectenhandel en bankzaken

Negotiatie 'De Moeren'

Het betreft een negotiatie gevestigd op grondgebied (6864 morgen) van de Graaf d'Herouville tussen de Belgische steden Duinkerken en Oostende. Op 30 november 1771 werd hij opgericht als een hypothecaire lening van totaal fl. 400.000,- en in 1773 van fl. 200.000,- door G. Bourcourd en A. Valckenier (28). Doel was de definitieve droogmaking van dit moerassige gebied en de economische exploitatie ervan. In 1774 werden A. van Ketwich, P. Kok, Beerenbroek en Co, H. van Vloten, C. Mastrigt, J. Heijghens en J. Menkema en Zn door de obligatiehouders met de procuratie belast (29). In 1774 kwam het eigendomsrecht en de directie in handen van H. van der Mey, schoonzoon van G. van Bourcourd. Van meet af aan zat de klad erin: reeds in 1775 verscheen er een door H. van der Mey ondertekende advertentie met de mededeling dat de rente aangekondigd voor 16 december 1775 niet betaald zou kunnen worden (30). Wijzigingen in beheer, plannen voor nieuwe projecten en financiële saneringsvoorstellen van Van der Mey (31) en van de procuratiehouders bleken een fiasco. Zo ook het initiatief (20-02-1779) om de negotiatie onder te brengen bij de reeds bestaande 'Hollandsche Compagnie', in de vorm van een nieuw te formeren samenwerkingsverband (32). Op 1 november 1780 is er dan toch daadwerkelijk sprake van de oprichting van een nieuwe associatie, op basis van een nieuwe lening bij de firma Menkema op 1800 amortisatiebiljetten (33). Reeds in 1782 wordt er echter weer surséance van betaling aangevraagd en ook nadien bleven er problemen. Menkema, Ketwich, Kok en M. van Son Pz. werden door de aandeelhouders, nadat zij Van der Mey van wanbeleid beschuldigd hadden (5 maart 1788), gemachtigd om samen met de andere schuldeisers strenger op te treden (34). Zo werd er op 14 maart 1788 op verzoek van bewoners van de Moeren een akte van inbeslagname van Van der Mey's goederen in de Moeren opgemaakt (35). Maar ook de aanstelling van J. Menkema en A. van Ketwich als commissarissen (19 juni 1788) kon de zaak niet redden (36). Van der Mey bleef eigengereid optreden. Zo schreef hij voor 24 juni 1790 geheel op eigen initiatief te Den Haag een vergadering uit met de mededeling dat opnieuw niet tot betaling van rente- en aflossing van de hypotheek over zal worden gegaan. Ketwich cs. gaan over tot de aanstelling van P. van Bussche als toezichthouder over de negotiatie naast Van der Mey. De briefwisseling die hier op volgt, en andere archiefstukken uit de periode tussen januari en oktober 1790, geven een helder inzicht in het complete financiële debâcle (37). Een nota over de situatie in de Moeren uit 1801 en memories over de verslechterende financiële toestand van de onderneming in de Moeren in de jaren tussen 1771-1780 typeren de situatie als 'in zeer slechte toestand verkerende' (38). Nog steeds blijkt er volgens de aanwezige 'notities met een overzicht over de nog steeds openstaande jaarrenten van 1781-1820' jarenlang geen cent aan aflossing en interest te zijn betaald (39). Vervolgens blijkt ook de inval van de Franse legers en de overstroming met zilt water hun sporen te hebben nagelaten. In de periode tussen 24 december 1811 tot 5 april 1812 vindt er tenslotte een officieel gerechtelijk onderzoek plaats (in de commissie heeft o.a. D.J. Voomberg zitting), ter verklaring van het hoe en waarom van het debâcle, maar een eenduidig antwoord blijkt verder nergens uit (40). Op 17 september 1820 schrijft J. Bourcourd te Mainz nog een brief betreffende eventuele mogelijkheden om de negotiatie nieuw leven in te blazen, maar daar blijft het bij (41). Tenslotte volgt er een briefwisseling (17 september 1820 - 16 maart 1821) tussen de heren Voomberg en Le Jolle en Van de Wijndel uit Duinkerken en hun advocaten om de rechten op de schulden inzake de negotiatie (42).

Overigens heeft de latere kleine Belgische grensgemeente ook nadien nooit enige vorm van economische bloei gekend. In 1970 is het met zijn luttele 168 inwoners bij de gemeente Houtem gevoegd.

Bijlagen

Namen der vennoten van de firma Ketwich & Voombergh, 1762-1966

1762-1809 Abraham van Ketwich (1743 1809)

1789-1824 Dirk Jan Voombergh (1768 1824)

1815-1851 Albert Voombergh (1793 1851)

1842-1880 Frederik van Taack Trakranen (1815 )

1858-1879 Henry Plate (1809 1893)

1880-1932 Ernest Samuel Labouchere

1880-1924 Adriaan Deodatus de Marez Oyens (1847 1924)

1897-1924 Gerard Hendrik de Marez Oyens (1873 )

1924-1937 Henry Louis Labouchere (1887 1954)

1932-1941 Albert Everard Labouchere (1882 1941)

1932-1953 Marguerite Emilie Labouchere (1892 1953)

1937-1964 mr. J.C.W.N. de Bruyn van Melis en Mariakerke (1882 1964)

1955-1966 Pierre Cesar Guillaume Labouchere (1909 1972), enige vennoot 1964-1966

1958-1966 liquidatie door mr. H. ter Meulen, vennoot Hope & Co.

Namen van deelnemers in het gemeenschappelijke kantoor van administratie van Nationale fondsen onder hoofddirectie van Ketwich & Voombergh en wed. W. Borski in 1814

Gerardus Blancke

de wed. W. Borski

Albert Brinkman

A.J. Broes

E.M. Engelberts

Constantinus van Goor

Jacobus Jarman

Joukes & Oyens

Ketwich & Voombergh

Lamaison & Bouwer

Jan Daniel Mercker

Mynard & Martini Buys

G.W. & H. van Ophoven

W. Rebel

B. Roelofs

Strockel & Van Dyk

Joost Tebbetman

Visser & Hoogenhuysen

Van Vloten & De Gijselaar

D.W. van Vloten, Abz.

F. & G. Wendelaar

B.J. Weymar

Namen van de correspondenten van het administratiekantoor van Nationale Fondsen in 1814

Alkmaar, J. Stroo

Arnhem, J.B. Thomas & Zoon

E.C. Engelberts

Den Bosch, J. Mollerus

Brielle, Fr. Beudt

Delft, J. van der Mandele

Deventer, W. Bannier

Dordrecht, Justus de Bruyn & Co.

O. de Kat & Zoon

Edam, Kerk & Rouff

Enkhuizen, A.R. Blok

Gorinchem, J.C. van Meerten

Gouda, P. Knox

Groningen, J.C. van Hasselt

Den Haag, W.J. Huygens

W.Jochems & Zoon

W. Scheurleer

Haarlem, A. de Waal Malefyt Jr.

Harderwijk, A. Bade

Hoorn, Baert & Co.

C. Breevilt

W. Tasman

Leeuwarden, P. van Wicheren

Leiden, P.G. Lezwijn

Middelburg, H. van den Broecke

Abr. Luteyn

Joh. Schouten

Nijmegen, H.J. Weenick

Rotterdam, D.A. Bisschop

W.H. Dreux

Joh. Eck & Zoon

Jan van der Hoop

M.M. van der Loeff

Schiedam, J. Loopuyt

H. Buttelman

Utrecht, J. Blydesteyn

mr. P.W. Bosch

Vlaer & Kol

W. Voorsteegh

Wijk bij Duurstede, J.H. Noordbeek

Zaandijk, P.J. Groen

Zierikzee, C. van de Polder

Zutphen, H.W. Nieuwenhuys

Zwolle, L. Haeck Geraadpleegde literatuur

- Balansreeksen van financiële instellingen in Nederland 1900-1975 (Amsterdam, 1980)

- Berghuis, W.H. 'Ontstaan en ontwikkeling van de Nederlandse beleggingsfondsen tot 1914' (Assen, z.j. Dissertatie Rotterdam, 1967)

- Goppel, W. 'Ontwikkeling en betekenis van de administratiekantoren', in: 'Dagelijkse Beurscourant' 1939

- Grootboekwet 1913 (Zwolle, 1984. Schuurmans & Jordens 143)

- Houben, F.J.M.A.H. 'Het certificaat' (Roermond, 1942. Dissertatie Utrecht)

- Jansen, C.F.M. 'Uitdunning van bedrijfsarchieven', in: 'Open 7' (1975), pp. 131-142

- Lennep, F.J.E. van, 'Een weduwe aan de Amsterdamse beurs. Borski-sage 1765-1960' (Groningen, 1973)

- Lennep, F.K. 'Verzameling van oorkonden betrekking hebbende op het geslacht Voombergh' (Amsterdam, 1918)

- Luysterbergh, J.A. 'Het grootboek der nationale schuld in de praktijk' (Amsterdam, 1905)

- Nierop, L. van `De honderd hoogst aangeslagenen te Amsterdam in 1813', in: 'Economisch Historisch Jaarboek' 1925

- Nederlands Patriciaat: 1963 Labouchere, 1917 De Marez Oyens

- Riley, James C. 'International government finance and the Amsterdam capital market 1740-1815' (Cambridge, 1980()

- Verslag van de stand der staatsschuld op 31 december 1960, zomede van de verschillende verrichtingen bij het Agentschap van het Ministerie van financiën en de Grootboeken der nationale schuld gedurende het jaar 1960, Algemeen ('s Gravenhage, 1961)

- Voort, J.P. van der 'De Westindische plantages van 1720 tot 1795. Financiën en handel' (Eindhoven, z.j. Dissertatie Nijmegen, 1973)

- Vries, Joh. de 'Een eeuw vol effecten. Historische schets van de Vereniging voor de Effectenhandel en de Amsterdamse Effectenbeurs 1876-1976' (Z.pl., z.j.)

- Wapenheraut (1899-1900) betreffende Van Ketwich

- Weeveringh, J.J. 'Handleiding tot de geschiedenis der staatsschulden' (Amsterdam, 1852) Noten

(1) Arch. 366 gilden, makelaars, nr. 1072, en Herenboekje 1790.

(2) Voorlopig nr. 1065.

(3) Opmerkingen als 'Voombergh had zich met Van Ketwich geassocieerd onder de firma Ketwich & Voombergh' van Van Nierop en 'Tezamen met Dirk Jan Voombergh en zijn neef Gerrit van Ketwich stichtte hij (Abraham van Ketwich, JB) omstreeks 1800 het Huys van Negotie Ketwich & Voombergh' door Berghuis mogen daarom niet te strikt opgevat worden. Zie ook Balansreeksen, onder Labouchere.

(4) Riley, pp. 57 - 58, doet dit ten onrechte wel.

(5) Wapenheraut 1900, pp. 161 - 164 en 193 - 196. Het daarin vermelde familiearchief Van Ketwich kon niet achterhaald worden. De vader van Dirk Jan, Albert Voombergh, werd in 1768 poorter, maar trouwde reeds in 1760 in klasse 1 en Abraham van Ketwich werd poorter in 1762 als zoon van een poorter, die in 1742 trouwde in klasse 3.

(6) De ondertrouw van Abraham van Ketwich vond plaats op 28 augustus 1768 en van Dirk Jan Voombergh op 8 april 1791, arch. 5048 Middel op Trouwen, respectievelijk 10 augustus 1768 en 6 april 1791.

(7) Van Nierop, pp. 71 - 72.

(8) Nederlands Patriciaat 1917. Adriaan de Marez Oyens was zoon van een lid van de bankiersfirma H. Oyens en Zoon en trouwde in 1871 met Maria S.H. van Eeghen, dochter van Jan van Eeghen en Henriëtte Labouchere en nicht van Ernest Labouchere. Gerard Hendrik was ook directeur van de Nederlandsch Indische Handelsbank.

(9) Circulaire Ketwich & Voombergh van 31 december 1880 (archiefbibliotheek N 21.01.22) en publikatie in de Nederlandsche Staatscourant en Algemeen Handelsblad. Ernest Labouchere was bovendien kleinzoon van Samuel Pierre Labouchere (1778 - 1867), chef van de firma Labouchere & Co. te Rotterdam en daarna lid van Hope & Co. te Amsterdam, die weer een broer was van de bekende bankier Pierre Cesar Labouchere (1771 - 1859). Tot 1897 verdeelden Ernest Labouchere en Adriaan de Marez Oyens de winst evenredig, nadien kreeg Gerard Hendrik eerst 8 % en na 1901 15 % en de beide anderen de helft van de rest. Voor het adres zie het Algemeen Adresboek 1881/2.

Van de familie Labouchere berust een archief bij een familielid. Een inventaris daarvan bevindt zich bij het Centraal register van Particuliere Archieven. Van Ernest Labouchere is weinig opgenomen. Wel bevat het een pak betreffende de firma Ketwich & Voombergh.

(10) Handelsregister, dossier 8500, akte ff. Over de overname zelf bleef in het geheel niets bewaard. Voor persberichten over de opheffing raadplege men Financieel Weekblad van de Fondsenhandel van 9 januari 1959 en Algemeen Handelsblad van 24 januari 1959.

(11) Berghuis, pp. 4 - 8 en Goppel, p. 31.

(12) Berghuis, pp. 47 - 48, verrichtte zijn studie voornamelijk op grond van gepubliceerde bekendmakingen in effectenbladen. In het archief van de firma komen slechts enkele stukken voor over deze fondsen.

(13) Riley, p. 57 en Van der Voort.

(14) J. Weeveringh, Woordenboek voor den effecten-, wissel- en speciehandel, het assurantiewezen en het boekhouden (Amsterdam, 1888), p. 12.

(15) Van Lennep, 1973, veronderstelde dat het archief van de firma Borski, als het bewaard gebleven is, bij Hope zou berusten. Dit is nog niet gebleken. Wel hing het portret van de weduwe Borski nog in het bankgebouw van Mees & Hope, zie het jaarverslag 1973.

(16) Prospectus Franse fondsen, inv.nr. 38.

(17) Prospectus Amerikaanse fondsen, inv.nr. 4.

(18) Inv.nr. 2. (19) Reeds in 1800 verscheen in Amsterdam een brochure in druk over de voordelen van de oprichting van een grootboek van nationale schuld van de hand van Tobias Vissering. Vgl. het Economisch-Historisch Jaarboek 17, pp. 148 - 162. Van de mededeling dat zijn zoon chef van Ketwich & Voombergh geweest zou zijn vond ik geen bevestiging.

(20) Stukken betreffende de oprichting bevinden zich in een procesdossier, inv.nr. 1594. Ook het Agentschap beschikt niet meer over gegevens betreffende de administratiekantoren. Alle ingeleverde certificaten op naam van het kantoor van Ketwich & Voombergh werden vernietigd. De winst van de firma Saportas ging tot de overname voor elk 1/3 naar de firma's Van Maarseveen & Le Jolle, Buys-Kerkhoven en Van Hall-Saportas.

(21) Zie inv.nr. 566 en de Inschrijvingen bij de Kamer van Koophandel.

(22) Wetboek van Koophandel, editie 1984, artikel 6 en 35; Jansen, p. 135. Minuten van notariële akten betreffende Amerikaanse en Franse fondsen treft men bijvoorbeeld aan bij de Amsterdamse notarissen Zilver (nr. 17.303) en Bondt (nr. 18.777). Notulen van vergaderingen van de hoofddirectie met de gecommitteerden ontbreken. Een afschrift bevindt zich in het dossier Ketwich & Voombergh en Borski, 1807 - 1946, in het archief van de firma Beels & Co. te Amsterdam, op film 1041.

(23) De onkosten voor de uitvoering van de administratie staan als een niet-gespecificeerd totaalbedrag in het grootboek op de rekening 'Ordinaire onkosten'. In het journaal werd wel een specificatie vermeld van salarissen, kantoorbehoeften en huishoudelijke onkosten. Het kasboek verwijst naar een niet-bewaard gebleven onkostenboek.

(24) Economisch Historisch Jaarboek 1960, p. XLVI.

(25) Fotokopie van de lijst van het N.E.H.A. Studies van Berghuis, Van der Voort en Riley.

(26) Zie inv.nr. 13.

(27) Klein, in: N.A.G.N. deel 8, 1979, p. 184 en zie ook Th.P.M. Huijs, 'Bewaring en vernietiging van boekhoudkundige bescheiden in bedrijfsarchieven', in: N.A.B. 1975.

(28) Zie inv.nrs. 770, 772, 846, 881.

(29) Zie inv.nr. 771.

(30) Zie inv.nr. 773.

(31) Zie inv.nr. 790.

(32) Zie inv.nr. 777.

(33) Zie inv.nrs. 790-791.

(34) Zie inv.nrs. 856 en 863.

(35) Zie inv.nr. 853.

(36) Zie inv.nr. 862.

(37) Zie inv.nr. 869.

(38) Zie inv.nr. 879.

(39) Zie inv.nr. 884.

(40) Zie inv.nr. 858.

(41) Zie inv.nr. 885.

(42) Zie inv.nr. 886.

Lijst van illustraties

(1) Circulaire betreffende de reorganisatie van de firma Ketwich & Voombergh op 1 januari 1881 (archiefbibiliotheek N 21.01.22)

(2) Specimen van een certificaat, coupon en talon zoals dat uitgegeven werd door het Kantoor van Buitenlandse fondsen, mede op naam van de firma Ketwich & Voombergh (arch. 600 nr. 17)

(3) Specimen van een bewijs van inschrijving in het Grootboek der Nationale Schuld (2,5%) zoals ook op naam van de hoofddirectie van het administratiekantoor bestaan moet hebben (Weeskamer, arch. 5073 nr. 498)

(4) Specimen van een certificaat (niet-uitgegeven) van 2,5% Inschrijvingen in het Grootboek van Nationale Schuld, met coupons (3,5%) zoals ook door het kantoor van Ketwich & Voombergh en wed. W. Borski werd uitgegeven (Wed. Tjeenk, arch. 616 nr. 56; en Van Harpen, arch. 617 nr. 46)

Archiefvormers

    De nummers achter de archiefvormers verwijzen naar het corresponderende inventarisdeel of het inventarisnummer. Door er op te klikken opent zich de inventaris op dat onderdeel of nummer.
    • Firma Hogguer en co. : 12.1
    • Firma Ketwich en Voombergh : 1, 10, 11, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9
    • Firma Labouchere, Oyens en co. : 2
    • Hogguer, familie : 12.2
    • Weduwe W. Borski Ketwich & Voombergh
© Stadsarchief
Disclaimer / Colofon
<

Gegevens over mogelijk nog levende personen mogen alleen worden gebruikt voor historisch (waaronder genealogisch), wetenschappelijk of statistisch onderzoek.

Door het aanklikken van onderstaande button verklaart u zich te houden aan het Reglement voor raadpleging en gebruik van het Stadsarchief.