5470: Archief van de Gemeentelijke Dienst Herhuisvesting

Algemene kenmerken

Toegangsnummer:

5470

Periode:

1953 - 1997

Inleiding

OPRICHTING

Voor de verdeling van de schaarse woonruimte na de tweede wereldoorlog is een wettelijke basis gelegd met de Woonruimtewet uit 1947. Aanvankelijk berustte de handhaving van deze woonruimtewet geheel onder de Gemeentelijke Dienst Volkshuisvesting. Deze dienst hield zich bezig met de productie, het beheer en de distributie van woningen in Amsterdam. De hoofdafdeling Woonruimte van deze dienst was belast met de distributie van woningen en de hulp bij herhuisvesting; onder meer van degene die door stadsvernieuwing hun woning moesten verlaten.

Tijdens een reorganisatie van deze afdeling ontstond het idee om een zelfstandige Gemeentelijke Dienst Herhuisvesting (GDH) op te richten. Op 4 februari 1970 werd de instelling hiervan voor het eerst in de Gemeenteraad besproken. Een krappe meerderheid van het gemeentebestuur was van mening dat met name de uitplaatsing en begeleiding van bewoners in stadsvernieuwingsgebieden in goede handen zou zijn bij een aparte dienst. De GDH werd met ingang van 1 januari 1972 ingesteld (Gemeenteblad 1972 afd. 3 nr. 22) .

De "Hoofdafdeling Woonruimte" werd van de Dienst Volkshuisvesting losgemaakt en vormde de administratieve basis van deze nieuwe dienst. Een goede en zo omvangrijk mogelijke distributie van woonruimte als voorwaarde voor het slagen van de sanering en stadsvernieuwing was de achterliggende gedachte. Al vanaf het ontstaan werd gesproken over het tijdelijk karakter van de dienst. Het herhuisvesten van mensen die vanwege stadsvernieuwing hun woningen moesten verlaten was dan ook het enige aspect waarop het begrip herhuisvesting als zodanig van toepassing was. De GDH hield zich echter ook bezig met de distributie van woningen in bredere zin.

ONTWIKKELINGEN

Aan het einde van de jaren zeventig, begin jaren tachtig van de 20e eeuw stagneerde de bouwproductie en steeg de woningnood. De GDH had steeds meer moeite de regels te handhaven en kon haar centrale rol op het gebied van woningdistributie niet meer waarmaken. Dit leidde in 1980 zelfs tot een demonstratieve werkonderbreking door medewerkers van de dienst. Men begon met de reorganisatie van de woningdistributie, cumulerend in 1985 in een nieuwe woonruimteverordening, waarin een nieuw beleid werd geformuleerd op basis van het zogenaamde gemengde model. De essentie van dit beleid was woningdistributie in samenwerking met de woningcorporaties en huiseigenaren. (zie paragraaf taken in deze inleiding)

In 1986 werd er in dit kader tussen de gemeente en de woningbouwcorporaties een convenant gesloten. De strekking hiervan was dat de corporaties een grotere zelfstandigheid zouden krijgen bij het toewijzen van woningen. Dit had niet alleen betrekking op de uitvoeringstechnische maar ook op de beleidsmatige inbreng van de corporaties. De GDH zou meer een toezichthoudende dan een actieve rol krijgen bij woningtoewijzing.

Een Werkgroep Convenant werd ingesteld waarin gemeente en corporaties deelnamen om bovengenoemde doelstellingen gestalte te kunnen geven in een nieuw convenant.

In 1990 stagneerde dit overleg omdat de woningcorporaties tegen een door de gemeente voorgestaan centraal inschrijvingsregister voor woningzoekenden waren. Doel van dit register zou zijn, het inzichtelijker maken van de versnipperde Amsterdamse woningmarkt.

In 1993 werd de Huisvestingswet ingevoerd. De positie van sociale verhuurders en woonconsumenten werd daarin zelfstandiger. Men streefde tevens naar integratie van de beleidsterreinen bouwen, beheren en distribueren van woningen.

Het college van Burgemeesters en Wethouders besloot in dit kader om op 5 januari 1994 opdracht te geven tot een fusie tussen de GDH en de Bouw- en Woningdienst Amsterdam.

Het resultaat van deze fusie was de Stedelijke Woningdienst Amsterdam die op 1 maart formeel ontstond en in september 1994 met haar werkzaamheden begon.

Aanvankelijk was de GDH gevestigd aan de Passeerdersgracht. Eind 1973 verhuisde men naar de Van Reigersbergenstraat nummer 2. Tot 1991 bleef de dienst in dit gebouw, waarna de centrale afdelingen naar de voormalige Diamantbeurs op het Weesperplein nummer 4 verhuisden.

DE ORGANISATIESTRUCTUUR

De nieuwe dienst bleef de oorspronkelijke structuur van de hoofdafdeling Woonruimte van de Dienst Volkshuisvesting behouden. De volgende afdelingen maakten deel uit van de structuur, te weten: Inschrijving, Woningtoewijzing, Centrale Registratie en Algemeen Beheer.

Deze afdelingen waren weer verdeeld in onderafdelingen.

Men gaf echter de voorkeur aan een organisatiestructuur waarin de hoofdtaken van de dienst herkenbaar waren. Het doel hiervan was om de dienst zowel voor personeel als woningzoekenden doorzichtig te maken. Een extern bureau, "Bureau Ydo", ontwierp een nieuwe organisatiestructuur, die op 1 november 1974 werd ingevoerd.

Men onderscheidde een vraagkant, waarmee de hoofdafdeling Woningzoekenden zich bezig hield en een aanbodskant, het werkterrein van de hoofdafdeling Lege Woningen.

Op de hoofdafdeling "Woonvergunningen" kwamen vraag en aanbod als het ware samen. De administratie ten aanzien van de woningzoekenden werd gevoerd door de hoofdafdeling "Administratief Centrum".

De GDH werd geleid door een Directie en de vier Hoofdafdelingschefs, die ondersteund werden door de stafafdelingen Onderzoek en Bedrijfsgegevens, Personeelszaken en Bureau Directeur. Onder de hoofdafdelingen functioneerden de gewone afdelingen. Het belang van de afdeling "Stadsvernieuwing" werd zo groot dat deze steeds meer als een aparte hoofdafdeling ging functioneren, hoewel deze formeel onder de hoofdafdeling Woningzoekenden viel.

De taken van de GDH werden qua omvang en bevoegdheden in de loop der jaren steeds meer uitgebreid, wat ook bleek uit de toename van het aantal formatieplaatsen van 200 in 1972 tot 345 in 1982.

Het aantal formatieplaatsen nam in 1985, onder meer wegens bezuinigingen, weer af tot beneden de 300.

In 1982 werd na jarenlange voorbereiding een begin gemaakt met de rayonering van de dienst. Het eerste bijkantoor werd in dat jaar gevestigd in het Stadsdeelkantoor van Amsterdam Noord. In 1987 en 1988 kwamen er respectievelijk de rayonkantoren Zuid, West en Centrum bij, het totale aantal rayonkantoren bedroeg toen vijf. Deze kantoren gingen bovendien spreekuren in de wijken houden. In 1991 waren er naast het hoofdkantoor, 5 rayonkantoren en 9 spreekuren. In 1984 voldeed de interne organisatiestructuur niet meer, omdat de taken van de hoofdafdelingen niet goed op elkaar waren afgestemd en vanwege nieuwe ontwikkelingen.

Een structuur die beter afgestemd was op processen die samenhingen met woningdistributie en waarin taken die tot hetzelfde proces behoorden zouden zijn geïntegreerd, werd het uitgangspunt voor een reorganisatie.

De top van de dienst werd daartoe verkleind door het terugbrengen van het aantal hoofdafdelingen van vier naar drie, namelijk Stadsvernieuwing & Nieuwbouw, Woningzoekenden en Woningen. Ondersteuning van stafafdelingen aan de hoofdafdelingen maakte de daaruit voortvloeiende samenvoeging van taken mogelijk. Administratieve taken werden toebedeeld aan de hoofdafdelingen zelf. Automatiseringsontwikkeling werd een staftaak.

De bijkantoren, die in de oude organisatie op gelijk niveau stonden met de hoofdafdelingen, vielen nu onder de hoofdafdeling Woningzoekenden.

DE TAKEN

De taken van de GDH werden geformuleerd conform artikel 1 van de "Verordening op de Gemeentelijke Dienst Herhuisvesting" en behelsden:

- De uitvoering van een algemeen huisvestingsbeleid zoals door het gemeentebestuur is vastgesteld met speciale zorg voor al die groeperingen in de maatschappij, die niet of niet voldoende in staat zijn zelfstandig op adequate wijze in hun huisvestingsbehoefte te voorzien;

- De uitvoering van de Woonruimtewet 1947;

- De zorg voor de herhuisvesting van hen die hun woning, in verband met maatregelen van het gemeentebestuur ten behoeve van de stadsvernieuwing of in geval van bouwvalligheid van hun woning moeten verlaten.

In de praktijk betekende dit dat de GDH zich bezig hield met:

- Informatievoorziening;

- Toezien op een rechtvaardige verdeling van woonruimte door de verstrekking van woonvergunningen, die voor woningen beneden een bepaalde huurprijs verplicht waren;

- Zorg voor de zwakkeren op de woningmarkt. Woningzoekenden konden zich laten inschrijven bij de GDH en dus "urgent" worden als zij aan bepaalde voorwaarden voldeden;

- De dienst kon sancties stellen bij overtreding van de Woonruimtewet bijvoorbeeld bij illegale bezetting of verhuur, processen-verbaal opmaken bij strafbare feiten en woningen ontruimen en vorderen. Om deze taken uit te kunnen oefenen was leegstandscontrole cruciaal. In 1974 werd, in overleg met het Gemeentelijk Centrum voor Elektronische Informatieverwerking, een start gemaakt met de geautomatiseerde leegstandscontrole op basis van mutaties in het bevolkingsregister. Dit om greep te krijgen op leegkomende en leegstaande woningen, maar ook om nieuwe bewoning zonder woonvergunning te signaleren.

Daarnaast was er, onder gezamenlijk beheer met de Gemeentelijke Dienst Volkshuisvesting, een woningcartotheek en eigenarencartotheek, na 1976 geautomatiseerd en gekoppeld met de geautomatiseerde leegstandscontrole.

De Dienst Herhuisvesting richtte zich dus op de minder zelfredzame groepen. Als men een bepaalde leeftijd had bereikt (in 1978 was dit 18 jaar), twee jaar in Amsterdam woonde, werkte, of studeerde, een inkomen beneden een bepaald minimum en geen zelfstandige woonruimte had of te klein woonde, kon men zich inschrijven bij de dienst.

Verder kon men ook op medische en/of sociale gronden of omdat men door calamiteiten zijn woning kwijt was, binnen het bestand van ingeschreven urgenten, voorrang krijgen bij de toewijzing van een woning. Dit gold ook voor Stadsvernieuwingsurgenten, mensen die wegens stadsvernieuwing hun woning moesten verlaten.

Op 1 oktober 1978 werd, met de Woonruimteverordening 1978, de zogenaamde claimregeling van kracht.

De dienst kon 50% van alle vrijkomende woningen, met een huurprijs tussen een bepaalde ondergrens en bovengrens, voor haar cliënten claimen. De ondergrens en bovengrens die aan de huur werd gesteld noemde men de claimgrens. De dienst koppelde zelf de kandidaten aan de woningen, waarbij uiteraard huurder met de woning en verhuurder met de kandidaat akkoord moesten gaan. Deze claimregeling gold voor alle woningeigenaren, zowel voor particulieren als voor woningbouwverenigingen.

Het systeem van woningdistributie liep echter vast, was ondoorzichtig en te ingewikkeld en hield weinig rekening met veranderde omstandigheden. Het aantal overtredingen was groot en de pakkans gering. Men ging dan ook aan een nieuw woningdistributiesysteem werken. Dit nieuwe systeem werd vastgelegd in de Woonruimteverordening 1985. De basis hiervan werd in 1978 gelegd. Bij wijze van proef wezen toen drie woningbouwverenigingen zelf woningen toe aan urgente woningzoekenden, waarvan de namen door de GDH werden geleverd.

In 1982 ontwikkelde zich hieruit het zogenaamde TOCO-systeem. TOCO staat hier voor Toewijzing via Corporaties. Voor 50% van de leeggekomen woningen werden namen van woningzoekenden, die ingeschreven stonden bij de GDH en die in aanmerking kwamen voor een woning, doorgegeven aan de woningbouwcorporaties. Deze corporaties waren verplicht binnen een vastgestelde termijn woningen toe te wijzen aan de doorgegeven kandidaten. In overleg met deze kandidaten waren het de woningbouwcorporaties die deze toewijzingen realiseerden. Op de particuliere markt hield herhuisvesting een deel van de toewijzing in eigen hand. Hier gold de 50%-50% afspraak. De dienst kon hier 50 % van de vrijkomende woningen claimen en toewijzen aan eigen kandidaten. Hier werden kandidaten per woning voorgedragen. De andere helft mocht de verhuurder zelf toewijzen.

Nieuw was de autoclaim-en autokeuzeregeling, die op 1 juni 1985 van kracht werd. Een particuliere eigenaar mocht altijd eigen kandidaten voor een woning aanbieden, zolang dat maar langdurig urgenten waren. Woningzoekenden werden aldus gestimuleerd om zelf actie te ondernemen en eigenaren om aan urgenten vrijkomende woningen aan te bieden. In 1989 wezen particuliere verhuurders 85% van alle vrijkomende woningen toe aan woningzoekenden met een urgentiebewijs.

Wat betreft nieuwbouwwoningen, beneden een bepaalde huurgrens werden deze grotendeels door de GDH toegewezen. In de eerste plaats aan mensen die vanwege stadsvernieuwing hun woning moesten verlaten en aan doorstromers, mensen die al een woning hadden via de dienst en een meer geschikte woning wilden, die dus een schaarse woning achterlieten.

Voor de stadsuitbreidingsplannen Banne Buiksloot en Holendrecht gold vanaf 1975 een speciaal aangepaste regeling woningtoewijzing. Voor deze nieuwbouwwijken werd 85% van deze woningen rechtstreeks toegewezen door de gemeente, 10% op voordracht van corporaties en 5% via de Rijksvoorkeursregeling, met als doel deze woningen een optimale bijdrage te laten leveren aan de herhuisvesting in het kader van de stadsvernieuwing.

Een aparte groep vormde ten slotte de woningen in de groeikernen van het Noordelijk deel van de Randstad, de zogenaamde overloopgemeenten. In deze gemeenten kon de GDH beschikken over contigenten woningen voor haar woningzoekenden. Deze gemeenten waren Hoorn, Alkmaar, Purmerend, Lelystad en Almere. De toewijzing van deze woningen geschiedde in nauwe samenwerking met de overloopgemeenten.

OVERLEG EN JAARVERSLAGEN

Het hoogste overleg vond plaats in de Directie- en Stafvergaderingen (DSV), vanaf 8 augustus 1990 Managementoverleg genoemd. De standpunten van de DV en SV werden er met elkaar geconfronteerd. Uit deze confrontatie werd een besluit geboren.

Voor de jaarverslagen geldt dat de dienst in 1985 besloot geen uitgebreide jaarverslagen meer te maken; het laatste jaarverslag gaat over 1982. Wel verschenen er vanaf 1983 beperktere jaaroverzichten met woningmarktgegevens. In 1988 beschouwde men het ontbreken van uitgebreide jaarverslagen als een gemis en besloot men ze weer te gaan maken.

De jaren 1983 t/m 1987, waarover geen uitgebreid jaarverslag was verschenen (wel jaaroverzichten dus), besloot men toen in compilatie jaarverslagen samen te vatten, die in 1989 uitkwamen, zie inventarisnummers 1 en 2.

Het laatste jaarverslag dat betrekking heeft op de GDH gaat over 1993 en is uitgebracht door de Stedelijke Woningdienst Amsterdam maar is wel opgenomen in deze inventaris.

Bij de GDH bestonden twee besluitvoorbereidende vergaderingen, namelijk de Directievergadering (DV) en de Stafvergadering (SV). In het DV zaten de leden van de directie, in de SV zaten de Afdelingschefs. In afzonderlijke besprekingen werden zowel in de SV als de DV een standpunt bepaald.

VERANTWOORDING VAN DE INVENTARISATIE

Voor wat betreft archiefmateriaal tot 1982 was het archief geordend volgens een genummerde rubriekscode waarvan geen overzicht is aangetroffen.

Vanaf 1982 werd het archief geordend volgens een eigen Registratuurplan van de GDH. Dit registratuurplan was afgeleid van de basisarchiefcode van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Rubrieken van de Basisarchiefcode waaronder de dienst veel stukken opborg, bijvoorbeeld de rubriek "toewijzing van woonruimte", werden in dit afgeleid registratuurplan verder uitgesplitste door middel van hulpgetallen. Besloten is om de gehele inventaris op de grondslag van dit registratuurplan in te delen, omdat een groot deel van het archief volgens dit plan was geordend en omdat er een duidelijk overzicht van bewaard is gebleven. Wel is gekozen, in afwijking van dit registratuurplan, voor een indeling in "Stukken van algemene aard" en "Stukken betreffende bijzondere onderwerpen" om stukken aangaande de algemene beleidsbepaling bijeen te kunnen plaatsen. In het archief bevinden zich ook stukken die opgesteld zijn in het kader van de taakvervulling van de GDH en die nauw verbonden zijn met het algemene gemeentelijk en landelijk beleid. Om ook deze stukken bijeen te plaatsen is een extra rubriek "Beleidsbepaling in relatie tot het gemeentelijk en landelijk volkshuisvestingsbeleid" ingelast.

Verder werd het onjuist bevonden om in navolging van het registratuurplan van de dienst de splitsing tussen stukken betreffende aanbod van woonruimte en stukken betreffende de toewijzing ervan in afzonderlijke rubrieken te handhaven. Sommige stukken en dossiers bevatten beide elementen. Daarom is er voor gekozen om deze stukken bijeen te plaatsen in een rubriek "Aanbod en toewijzing van woonruimte".

Het archief zoals in de inventaris is opgenomen is niet volledig omdat de begrotingen en jaarrekeningen van inkomsten en uitgaven ontbreken. Alleen enige kopieën van de jaarrekeningen van inkomsten en uitgaven van de periode 1989 tot en met 1993 zijn aangetroffen.

Het archief besloeg vóór bewerking ongeveer 35 strekkende meter.

Hiervan kwam 14 meter voor permanente bewaring in aanmerking. Het vernietigde materiaal is geselecteerd op basis van de lijst van voor vernietiging in aanmerking komende stukken in gemeentearchieven uit 1983.

TOELICHTING OP DE INVENTARIS

Deze inventaris bevat een opsomming van beschrijvingen van de aanwezige archiefbescheiden (stukken, series, dossiers) volgens rubriek, daarbinnen volgens subrubriek en vervolgens chronologisch. Elke beschrijving verwijst naar het archiefnummer, waar het stuk of de stukken in dozen opgeborgen zijn.

Nadere toelichting verdient de serie "Bijlagen bij de Directie en Stafvergaderingen (DSV) en het managementoverleg (MAO)" die op stuknummer geordend zijn.

Deze stuknummers staan op de agendaformulieren, formulieren binnen de serie bijlagen. Deze agendaformulieren zijn vóór elke bijlage gevoegd. Ze bevatten informatie aangaande de behandeling van de betreffende bijlage.

Deze behandelingsgegevens omvatten het onderwerp van de bijlage, de behandelingsdata in de vergadering van de Directie en Staf Herhuisvesting dan wel het Managementoverleg, de gewenste datum van de eindbeslissing en met wie het een en ander eventueel besproken is.

In de agenda's en de vergadernotulen, ook als aparte series in het archief opgenomen, wordt bij een agendapunt waarin een bepaalde bijlage aan bod komt verwezen naar bovengenoemd stuknummer in de serie bijlagen. Deze stuknummers worden tussen haakjes geplaatst.

Bijvoorbeeld; agendapunt 5 -gedragslijn tijdens reorganisaties (1103). Bijlage 1103 komt dus in dit agendapunt aan bod.

Voor zowel de vergadernotulen als de vergaderagenda's geldt dus dat de bijlagen aan de agendapunten zijn gekoppeld door middel van het stuknummer dat tussen haakjes vermeld staat.

Archiefvormer

Dienst Herhuisvesting
© Stadsarchief
Disclaimer / Colofon
<

Gegevens over mogelijk nog levende personen mogen alleen worden gebruikt voor historisch (waaronder genealogisch), wetenschappelijk of statistisch onderzoek.

Door het aanklikken van onderstaande button verklaart u zich te houden aan het Reglement voor raadpleging en gebruik van het Stadsarchief.