5422: Archief van het Bevolkingsregister: gezinskaarten

Algemene kenmerken

Toegangsnummer:

5422

Periode:

1893 - 1946

Inleiding

VOORGESCHIEDENIS: DE VOLKSTELLINGEN

Het bevolkingsregister in Nederland is ontstaan uit de volkstellingen, die in de eerste helft van de negentiende eeuw werden gehouden.

Een overheid, die zich op de hoogte wil stellen van de getalssterkte en samenstelling van de bevolking, is een oud fenomeen: velen zullen onmiddellijk denken aan de volkstelling uit de tijd van keizer Augustus. De vroegste volkstellingen in Nederland hadden een lokaal karakter. In 1481 werden bijvoorbeeld in Leiden alle poorters in de leeftijd van 20 tot 60 jaar geteld. In Maastricht kregen de kerspelmeesters (wijkmeesters) in 1584 de opdracht om eens in de veertien dagen een lijst bij te houden van de mutaties in hun kerspel. En in 1622 en 1630 werden in Amsterdam tellingen van de bevolking gehouden, resp. ter voorbereiding van de aanleg van belastingkohieren en uit vrees voor een mogelijke broodschaarste.

De eerste volkstellingen met een nationale inslag dateren uit de jaren 1795/1796 en 1807/1808. Bij de eerste telling stond het aantal inwoners centraal, bij de tweede de sociaal-economische positie. De tellingen hadden haar beperkingen en waren niet altijd nauwkeurig. De rapporteurs, die in 1795 verslag deden van de telling van de joodse bevolking van Amsterdam op Marken en Uilenburg, merkten op: De volkrijkheid in de Joodenbuurt is op zommige plaatsen zo groot, ieder plekje, tot op de vliering toe, met zoo veele menschen bezet, de onbescheidenheid van veelen dier natie in dergelyke huizen, was van dien aart, dat alle de wijkmeesters niet hebben durven instaan, dat er aldaar ook niet enkele menschen, kinders vooral, over het hoofd zyn gezien geworden. (Rapport betreffende de telling van het aantal Joden en Christenen in Amsterdam, 1795, toegangsnr. 5053, invnr. 166) .

De provinciale besturen van Zeeland en Utrecht gaven als eerste, in resp. 1825 en 1826, voorschriften uit om te komen tot de instelling van gemeentelijke bevolkingsregisters. De provinciale initiatieven werden overgenomen door de Staat. Bij Koninklijk Besluit van 29 september 1828 werd bepaald dat de komende telling tot doel had dat in elke plaats uitvoerige 'Volksregisters' werden aangelegd. In de registers zouden gegevens, die nuttig en noodzakelijk werden geacht, worden ingevuld volgens een vast, goedgekeurd model. Aan het eind van het jaar 1828 werd de eerste algemene volkstelling gehouden.

Omdat in het Koninklijk Besluit de bepaling ontbrak, dat de gegevens moesten worden bijgehouden, waren de uitkomsten van de telling snel verouderd. In 1839 vond de tweede algemene volkstelling plaats. Ook de gegevens die deze volkstelling opleverde waren al snel achterhaald. In sommige plaatsen zijn de registers van de volkstellingen in 1828 en 1839 bewaard gebleven. In Amsterdam zijn de registers bij de wijkmeesters gebleven en vervolgens helaas zoekgeraakt. De gegevens betreffende individuele personen van de volkstellingen van 1828, 1839, 1869 etc zijn evenmin bewaard.

HET BEVOLKINGSREGISTER - ALGEMEEN

Het initiatief voor verbetering van het systeem van de registers door het bijhouden van gegevens kwam ook ditmaal uit de provincie. De Staten van Zuid-Holland ontwierpen in 1845 voorschriften om de huizen van nummers te voorzien en zonodig de plaatsen in wijken te verdelen. De aangifte van verhuizing en vertrek werd verplicht gesteld. De Staat volgde dit goede voorbeeld. Bij de derde volkstelling, die op 19 oktober 1849 bij Koninklijk Besluit werd voorgeschreven, werd bij Koninklijk Besluit een maand later, op 22 december 1849, voorgeschreven dat de verkregen gegevens vanaf 1 januari 1850 bijgehouden moesten worden. Met deze bepaling was de instelling van de bevolkingsregisters in Nederland vanaf die datum een feit.

In het algemeen werden ambtenaren van de burgerlijke stand belast met het bijhouden van de bevolkingsregisters. De bevolkingsregisters werden bijgehouden in vastbladige registers. De registers waren niet alfabetisch, maar buurtgewijs ingericht. Daarna volgde de indeling op straat- en huisnummers. De namen van de gezinnen en individuele personen werden op het betreffende adres ingeschreven. Bij verhuizing of vertrek streepte men de gegevens door, op een dusdanige manier dat de oorspronkelijke gegevens leesbaar bleven. De gegevens van de verhuisde gezinnen of personen moesten bij een verhuizing overgeschreven worden op de nieuwe adressen. Naast de registers waren verwijzingsregisters of klappers aanwezig.

In 1861 werden enkele veranderingen geïntroduceerd. Bij Koninklijk Besluit van 3 november werd bepaald dat de ambtenaren van de burgerlijke stand niet langer de taak hadden het bevolkingsregister bij te houden. Dit viel voortaan onder de verantwoordelijkheid van de gemeentebesturen. Een tweede verandering betrof de aanduiding van de woonplaats van de geregistreerde. Tot dan hanteerde men het begrip `wettelijk woonplaats'; dit werd gewijzigd in 'werkelijke woonplaats'.

Een derde wijziging was de bepaling dat de bevolking voortaan de verplichting had om aangifte te doen van feiten, die voor het bijhouden van de bevolkingsregisters van belang waren. Tot dan toe waren deze verplichtingen in plaatselijke verordeningen vastgelegd. Tenslotte gaf het Koninklijk Besluit de mogelijkheid aparte registers voor dienstboden en tijdelijke bewoners (verblijfregisters) in te stellen.

De totstandkoming en inrichting van de bevolkingsregisters berustten niet op een wet, maar op Koninklijke Besluiten, oftewel algemene maatregelen van bestuur. Bij overtredingen bleek daardoor het niet mogelijk sancties op te leggen omdat in feite geen strafbaar feit werd gepleegd. Toen het bestuur van de krankzinnigeninrichting 'Meerenberg' in Santpoort bijvoorbeeld in 1879 weigerde een register van de bewoners bij te houden, werd het door de Hoge Raad in het gelijk gesteld.

Om aan deze situatie een eind te maken kwam op 17 april 1887 de Wet Bevolkings- en Verblijfregisters tot stand. De korte wet schreef voor dat de regeling van de bevolkingsregisters in Koninklijke Besluiten moest worden vastgelegd. Inmiddels was in 1879 ook de wet tot regeling van de tienjarige volkstellingen tot stand gekomen.

HET BEVOLKINGSREGISTER IN AMSTERDAM - tot 1893

Voor we de algemene geschiedenis van de bevolkingsregisters aan het einde van de negentiende eeuw en in de twintigste eeuw vervolgen, richten we onze aandacht op de situatie in Amsterdam.

In Amsterdam had men, net als in andere grote steden, al eerder dan 1850 de noodzaak en de wenselijkheid ingezien om registers van verschillende categorieën inwoners aan te leggen. De registers werden ook na de feitelijke invoering van het bevolkingsregister bijgehouden. Om te beginnen de vestigingsregisters: registers van personen, die zich in de perioden tussen 1821 en 1890 en tussen 1895 en 1922 in de stad vestigden. Op de eerste acht registers, die lopen van 1821 tot 1850, is een alfabetische index op achternaam aanwezig. Dan zijn er de vertrekregisters, die de perioden beslaan van 1821- 1890 en 1895 - 1923. Deze registers zijn, samen met de later aangelegde hulpregisters, die nog aan de orde komen, te vinden onder toegangsnr. 5007.

Zoals gezegd werden aanvankelijk ambtenaren van de burgerlijke stand belast met het bijhouden van de bevolkingsregisters. In Amsterdam werd het register (toegangsnr. 5000) echter vanaf 1850 bijgehouden door 263 onbezoldigde buurtmeesters, bijgestaan door evenveel buurtcommissarissen. Vijf jaar later verving de stedelijke overheid deze buurtmeesters door twaalf (later vijf) gesalarieerde buurtsecretarissen. Zij hielden de bevolkingsregistratie bij in de voorgeschreven vastbladige registers, die zoals gezegd op adres waren ingericht. Dit systeem van registratie op adres werd gevolgd tot 1893.

De registers werden vanaf 1850 aanvankelijk bijgehouden op 263 verspreid liggende buurtmeesterkantoortjes. Het aantal kantoren is in de loop der tijd afgenomen; in 1857 werkten de buurtsecretarissen op twaalf kantoortjes, die verspreid in de stad lagen. Een duplicaat van de registers werd vervaardigd bij het zogenaamde Volksregister (later: Bevolking-register), sinds 1857 een onderafdeling van de afdeling Burgerlijke stand.

In de registers is voor elke wooneenheid (huis, etage, kamer etc) één blad, met twee tegenover elkaar liggende bladzijden, beschikbaar. Op de linkerbladzijde staan de namen van de hoofdbewoner: familienaam, voornaam, geslacht; vervolgens van diens vrouw, kinderen, inwonend huispersoneel, eventuele inwonende familieleden en andere bewoners. Van alle bewoners is de betrekking tot de hoofdbewoner genoteerd, met geboortedatum en geboorteplaats. Op deze bladzijde staat verder de burgerlijke staat en het kerkgenootschap. Op de rechterbladzijde (aanvankelijk ook op de linkerbladzijde) staat het ambt, beroep of bedrijf. Voor de mutaties zijn enkele kolommen gereserveerd: dagtekening en jaar van vestiging in de gemeente óf op dit adres, vorige woonplaats, datum (en plaats) van huwelijk, dagtekening en jaar van vertrek, de nieuwe woonplaats, en dagtekening en jaar van overlijden (als dat gebeurde in de periode dat men op dat adres ingeschreven stond).

Van 1851 tot 1893 zijn drie grote series te onderscheiden (alle volgende inventarisnummers betreffen toegangsnr. 5000).

De eerste serie, 1851 - 1863 (inv.nrs. 258 - 1021), bestaat uit drie afdelingen: de delen 1 lopend van 1851 tot 1853, de delen 2 lopend van 1853 tot 1855 en de delen 3 (met supplementen) lopend van 1853 tot 1863. De delen 2 worden zelden gebruikt omdat alle informatie die hierin te vinden is ook in de delen 3 staat. Zoals hierboven reeds vermeld waren naast de registers verwijzingsregisters of klappers ingesteld. In Amsterdam werd in 1851 een persoonsnamenindex opgezet, die werd bijgewerkt tot 1864. De huisnummering was in die periode niet identiek aan de huidige. Via de omnummeringregisters van 1874 kunnen de toen gangbare huisnummers opgezocht worden. De tweede serie, 1864 - 1874/75 (inv.nrs. 1023 - 1507) is wat betreft opzet en huisnummering gelijk aan de vorige serie. De nieuwe en huidige nummering van 1874 is bijgeschreven. Twee persoonsnamenindices zijn op deze serie gemaakt, de eerste over de periode 1864-1868 en de tweede over de periode 1869 - 1874. De indices zijn met behulp van microfiches te raadplegen.

Een groot aantal mensen woonde niet op 'reguliere' adressen, maar bijvoorbeeld in inrichtingen of in logementen. Ook deze mensen moesten opgenomen worden in het bevolkingsregister. Hiervoor werden in 1869 speciale instellingenregisters aangelegd (inv.nrs. 1423 - 1429). Het betreft registers voor Gestichten ( ziekenhuizen, wees- en bejaardenhuizen), Logementen, Schippers en Keten (waaronder bewoners van woonwagens). Zowel de indices als de registers zijn met behulp van microfiches te raadplegen; ze zijn alleen opgenomen in de index van 1869.

De derde serie, 1874/75 - 1892 heeft nog steeds dezelfde opzet, maar de huisnummering is nu identiek aan de huidige. Hierbij moet opgemerkt worden dat allerlei nummerwijzigingen zijn doorgevoerd, dus voorzichtigheid blijft geboden bij het bepalen van het juiste adres. Historisch-topografische kaarten kunnen een goed hulpmiddel hierbij zijn. In deze periode zijn de speciale instellingenregisters uitgebreid met Brandweer (bewoners van een brandweerkazerne) en Hofjes. Voor het register van de schippers is een aparte persoonsnamenindex aanwezig (inv.nr. 2547).

Amsterdam was onderverdeeld in 50 buurten, van A tot ZZ. Deze indeling in buurten werd opgetekend in ringregisters. In deze buurtringregisters (toegangsnr. 5006), die lopen tot 1897, staan verwijzingen opgenomen naar het bevolkingsregister; de ringregisters zijn in feite een dubbele van het bevolkingsregister. Een topografische index op straatnaam is aanwezig. Ook hebben de registers een concordans op de nummers van de delen van het bevolkingsregister.

Tenslotte moeten we de hulpregisters noemen. Dit zijn registers, die de gemeenten zelf konden instellen - naast het eigenlijke bevolkingsregister - voor afzonderlijke categorieën inwoners. Deze registers waren niet verplicht. In Amsterdam heeft men verblijfregisters aangelegd, over de periode 1854 tot 1861, waarin de personen ingeschreven werden die tijdelijk in de stad verbleven. Ook zijn er de vreemdelingenregisters over de periode 1864 1903 en de militaire registers over de periode 1874-1877. In de laatste registers werden de militairen ingeschreven, die `beroeps' waren en vrijwilligers in tijdelijke dienst, gehuisvest in militaire gebouwen of op schepen. Deze militaire registers zijn zeer onvolledig. Tenslotte de al even genoemde omnummeringregisters. Deze registers zijn, samen met de eerder genoemde vestigings- en vertrekregisters, te vinden onder toegangsnr. 5007.

HET BEVOLKINGSREGISTER - ALGEMEEN vanaf 1890

Op particuliere kantoren kwam in de jaren tachtig van de negentiende eeuw het gebruik van kaartsystemen in zwang. Het losbladige systeem van kaarten had veel voordelen boven vastbladige registers. De chef van het bevolkingsregister in Rotterdam, N.J.E. de Voogt, pleitte in een publicatie in 1890 voor de invoering van de kaarten bij het bijhouden van de bevolkingsregisters. Hoewel verschillende gemeenten kaarten gingen gebruiken, duurde het tot 1920 voor een Koninklijk Besluit het gebruik van losbladige gezinskaarten verplicht stelde. Op de kaarten werden de gezinnen alfabetisch gerangschikt. Om te zien wie achtereenvolgend en gelijktijdig op een adres woonden, was het noodzakelijk naast de gezinskaarten woningregisters aan te leggen.

Onder invloed van maatschappelijke veranderingen begon in de jaren dertig van de twintigste eeuw het accent in de registratie te verschuiven van gezinnen naar individuele personen.

In 1930 begon men in Leiden met proefnemingen voor het gebruik van één kaart per persoon. Het experiment verliep naar tevredenheid, zodat in 1936 het gebruik van de persoonskaart, ook wel de gezinspersoonskaart genoemd, verplicht werd gesteld. Vanaf 1 januari 1940 moest van ieder in Nederland woonachtig persoon, ook van personen met een vreemde nationaliteit, een kaart in het bevolkingsregister aanwezig zijn. Vastbladige registers waren tot 1 januari 1941 toegestaan. Woningregisters waren in het nieuwe systeem noodzakelijk gebleven.

De persoonskaarten, lichtgele voor mannen en lichtgrijze voor vrouwen, zijn aan de voor- en achterkant in een groot aantal vakken verdeeld. In deze vakken staan de gegevens over de betreffende persoon geregistreerd.

Bij overlijden of verhuizen naar een andere gemeente was het niet meer nodig de gegevens van een persoon door te strepen en elders opnieuw te noteren. De persoonskaart verhuisde gewoon mee naar de nieuwe woonplaats en daar werd het nieuwe woonadres op de kaart genoteerd. Bij overlijden werd de kaart opgestuurd naar het landelijk bureau voor statistiek in Den Haag en na verwerking van de gegevens werd de kaart doorgestuurd naar het Centraal Bureau voor Genealogie. Voor wetenschappelijk en historisch onderzoek wordt door het CBG informatie van de kaarten verstrekt. Privacygevoelige gegevens worden daarbij afgeschermd.

Om de informatie over het bevolkingsbestand van een gemeente compleet te houden werd, voordat de persoonskaart bij verhuizen of overlijden werd doorgestuurd gekopieerd voor het archief van betreffende gemeente. In eerste instantie werden de kaarten overgetypt, daarna kwamen fotokopieën. Deze kaarten worden archiefkaarten genoemd.

Oktober 1994 is van de registratie met behulp van kaartsystemen overstapt op een landelijk geautomatiseerd systeem. Dit systeem heet de Gemeentelijke Basisadministratie Persoonsgegevens, kortweg GBA. Inrichting, beheer en gegevensverstrekking zijn geregeld in de Wet GBA.

HET BEVOLKINGSREGISTER IN AMSTERDAM vanaf 1893

Amsterdam was een van de eerste steden, die het losbladige gezinskaartsysteem invoerde. Al in 1894 schreef burgemeester Meinesz aan de gemeenteraad: In de jaren 1891, '92 en '93 zijn de registers, in gebruik bij de onderafdeling 'Bevolkingsregister', dusdanig omgewerkt, dat het bijhouden der mutatiën zeer is vereenvoudigd’. (Gemeenteblad 1894, 1ste afdeling, 345). Hij meldde verder: 'de gezinnen, alleen wonende personen, niet verwante inwonende personen en dienstboden zijn op kaarten overgeschreven, die naar de alphabetische orde der familienamen zijn gerangschikt'.

De ambtenaren van het bevolkingsregister waren aanvankelijk gehuisvest in enkele kamers in het raadhuis aan de Oudezijds Voorburgwal. In 1895 werd besloten om de afdeling burgerlijke stand met de onderafdeling bevolkingsregister in één gebouw onder te brengen: de buurtbureaus werden afgeschaft. In 1897 werd een pand aan het Singel 451, bij de Munt, betrokken.

De gezinskaarten waren dus niet meer als voorheen ingericht op adres, maar op hoofdbewoner. De gegevens op de kaart zijn nagenoeg identiek aan die in de vastbladige registers. Ze bevat de namen van de hoofdbewoner: familienaam, voornaam, geslacht; vervolgens van diens vrouw, kinderen en eventuele inwonende familieleden. Van alle bewoners is de betrekking tot de hoofdbewoner genoteerd, met geboortedatum en geboorteplaats. Verder de burgerlijke staat, het kerkgenootschap en het ambt, beroep of bedrijf. Ook de mutaties staan vermeld: dagtekening en jaar van vestiging in de gemeente óf op dit adres, vorige woonplaats, dagtekening en jaar van vertrek, de nieuwe woonplaats en dagtekening en jaar van overlijden.

Ook bij dit systeem van losbladige kaarten op naam van hoofdbewoner bleek een corresponderend woningregister noodzakelijk en onmisbaar. In 1897 werden de 'Woningboeken' aangelegd, met een aparte serie voor gestichten en hofjes etc. De Woningboeken (toegangsnr. 5417), die lopen tot 1922, bevatten verwijzingen naar de losbladige registers. Ook voor dit verwijssysteem is overgestapt op een losbladig kaartsysteem: de woningkaarten (toegangsnrs. 5445 en 30461) Het betreft twee series die lopen van respectievelijk 1924 tot 1953 en van 1954 tot 1989. De woningkaarten zijn gescand en geïndexeerd en raadpleegbaar bij de Genealogische Zoeksystemen.

Alle gezinskaarten, die voor 1921 uit het bestand zijn verdwenen vanwege vertrek uit de gemeente of overlijden van de hoofdbewoner, zijn overgeschreven in registers, de zogenoemde Afgedane Collectie of Overgenomen Delen (toegangsnr. 5416); deze registers zijn ook met behulp van microfiches te raadplegen.

Het systeem van gezinskaarten was in gebruik tot 1939. De originele kaarten zijn in 1939 verfilmd en in de oorlog vernietigd. De films zijn in het jaar 2000 overgedragen aan het Stadsarchief (toegangsnr. 5421 en 5422) De films zijn gedigitaliseerd en er is een index op naam van de hoofdbewoners. De index en de scans zijn raadpleegbaar bij de Genealogische Zoeksystemen.

Het bestand archiefkaarten bestaat in Amsterdam uit drie series.Van 1939 tot 1960 werden de kaarten overgetypt op tweezijdig voorbedrukte formuliertjes van heel dun papier. Deze formuliertjes werden bewaard in speciaal daarvoor vervaardigde metalen kistjes die vanwege de vorm 'broodjes' werden genoemd.Van 1960 tot 1964 werden de reproducties gemaakt door middel van een fotografisch procédé. Een deel van de reproducties is positief afgedrukt, een deel is negatief afgedrukt. De reproductie is ten opzichte van de originele kaart verkleind. Reproducties van voor- en achterzijde van de persoonskaarten zijn naast elkaar afgedrukt met er om heen een grote rand waarin de naam van de houder van de persoonskaart staat weergegeven. Deze kaarten werden de 'fotokaarten' genoemd. Van 1964 tot 1991/94 werden dubbelzijdige fotokopieën gemaakt. Een aantal kaarten is enkelzijdig gekopieerd en heeft een blanco achterkant. Dit betreft vermoedelijk Persoonskaarten waar op de achterkant geen informatie stond en die om die reden niet dubbelzijdig zijn gekopieerd. De archiefkaarten (zie toegangsnr. 30238) zijn gescand en geïndexeerd en raadpleegbaar bij de Genealogische Zoeksystemen.

De persoonskaarten van de Amsterdammers die die bij de overgang naar het geautomatiseerde systeem in 1994 nog in Amsterdam woonden, zijn evenals de Archiefkaarten overgedragen aan het Stadsarchief (zie toegangsnr. 30408) en zijn gescand en geindexeerd en raadpleegbaar bij de Genealogische Zoeksystemen.

In Amsterdam was al voor 1994 geëxperimenteerd met een geautomatiseerd systeem. Dit systeem heette het Gemeentelijk Bevolkingsadministratie Systeem, kortweg GBS, en was in gebruik tussen 21 februari 1991 en 1 oktober 1994. De bevolkingsmutaties die zijn ingevoerd in dit bestand zijn bij de overgang naar versie 2 van het GBA in 2010 overgedragen aan het Stadsarchief (toegangsnr. 30432). Het digitale bestand is geïndexeerd en de gegevens zijn in tiffformaat per persoon opgenomen in de index op de persoonskaarten. Op deze gegevens is echter een openbaarheidsbeperking van kracht omdat het niet mogelijk is de privacygevoelige gegevens in dit bestand af te schermen.

DE AANSLAG OP HET BEVOLKINGSREGISTER IN 1943

In de nacht van 27 maart 1943 vond een aanslag plaats door het verzet, onder leiding van Gerrit-Jan van der Veen en Willem Arondéus, op het Bevolkingsregister. Die dienst was toen gevestigd aan de Plantage Kerklaan.

De opzet van de aanslag mislukte. De bedoeling was de actuele bevolkingsboekhouding van dat moment, begin 1943, te verstoren. Uiteindelijk was het resultaat van de aanslag dat alleen de gezinskaarten werden verbrand. De gezinskaarten bevatten de gegevens van de Amsterdamse inwoners van 1893 tot 1939. Dat waren dus historische gegevens en voor de autoriteiten (Duits-gezind of niet) van minder belang. Er werd in de oorlog door de dienst Bevolkingsregister dan ook geen enkele moeite gedaan om de oude gezinskaarten te herstellen. Iedereen wist trouwens dat die gezinskaarten in 1939 verfilmd waren en dat dus de inhoud van die kaarten niet verloren was gegaan.

Originele gezinskaarten:

In mei 2011 zijn 28 originele gezinskaarten overgebracht naar het Stadsarchief (zie toegangsnr. 5422, inv.nrs. 1746-1774). De gezinskaarten bevonden zich in een zuurvrije doos, in een kast in een kantoorruimte van het Bevolkingsregister. De medewerkers aldaar wisten verder niet hoe die kaarten daar zijn gekomen.

Op drie na (te weten de inv.nrs. 1747, 1750 en 1763, zie verderop) komen de originele gezinskaarten ook voor in het bestand/index met de verfilmde gezinskaarten. Het lijkt erop dat een deel van de kaarten volledig identiek is aan de kaart zoals die voorkomt in het verfilmde bestand. Een ander deel van de originele kaarten verschilt enigszins met de verfilmde kaart, bijvoorbeeld omdat er één of meerdere toevoegingen op vermeld worden (bijv. de inv.nrs. 1751 en 1758). Verder zijn er kaarten die op de film heel slecht leesbaar zijn, bijvoorbeeld omdat er plakband gebruikt is, en die in het origineel wel leesbaar zijn of zijn gemaakt (zie inv.nrs. 1762 en 1764). Bij een tweetal kaarten (inv.nrs. 1753 en 1759) is op de originele kaart, op de achterkant, een brief geplakt uit resp. 1940 en 1941. Deze komen uiteraard niet voor op de verfilmde kaart. Inv.nr. 1757 heeft een grote inktvlek op de kaart, waardoor een deel van de informatie niet leesbaar meer is. Op de verfilmde kaart is die inktvlek goed te zien; op het origineel is op de inktvlek een papiertje geplakt, met daarop de vermoedelijke onderliggende informatie hernieuwd opgeschreven.

Over de drie “originele” gezinskaarten die niet in het verfilmde bestand zijn opgenomen (inv.nrs. 1747, 1750 en 1763), is het volgende te melden.

Van de persoon op inv.nr. 1747 is geen verfilmde gezinskaart gevonden (maar met die persoon is ook iets vreemds aan de hand want hij zou eigenlijk anders heten, maar ook onder die andere naam komt hij niet voor.) Er is een verfilmde gezinskaart van de persoon/gezin van inv.nr. 1750, maar die (oorspronkelijke) kaart ziet er anders uit dan de nu opgenomen originele. De verfilmde kaart is zeer slecht leesbaar en de achterkant is niet verfilmd, waardoor het lastig is om te bepalen of de informatie op beide kaarten identiek is, maar duidelijk is wel dat de nu opgenomen “originele” een reconstructie is van de oorspronkelijke kaart (en dus opgemaakt na 1939). Dat geldt ook voor inv.nr. 1763. Dit is de gezinskaart van burgemeester De Vlugt. Ook in dit geval is er een verfilmde gezinskaart, en ook in dit geval ziet die er anders uit dan de overigens al eerder naar het Stadsarchief overgebrachte “originele” kaart. Die “originele” gezinskaart is een reconstructie uit 1946 (zoals op de kaart rechtsboven is geschreven). Verbrande persoonskaarten:

In 2012 werd een envelop met daarin de restanten van 35 persoonskaarten door het Bevolkingsregister overgebracht naar het Stadsarchief (zie toegangsnr. 30408, inv.nrs. 568-602). De envelop was teruggevonden in een la bij een medewerker van het Bevolkingsregister die deze vondst deed vanwege de verhuizing van het Bevolkingsregister van de Stadhouderskade naar de Jodenbreestraat. In de envelop zaten de resten van 35 persoonskaarten uit de Tweede Wereldoorlog, alle met (behoorlijke) brandschade.

De deels verbrande, maar desondanks bewaard gebleven restanten van de originele, persoonskaarten, bieden misschien wel een heel bijzonder inkijkje in het wel en wee van het Bevolkingsregister.

In het najaar van 1943, vanaf oktober, werd de laatste hand gelegd aan de reconstructie van deze teruggevonden persoonskaarten. Dat blijkt uit een schrijven naar de bevolkingsregisters van Rotterdam en Haarlem om hulp voor de bevolkingsreconstructie. Dit schrijven was tussen de verbrande PK’s gevoegd. Op één van de snippers staat de aantekening ‘onvoldoende gegevens 25-10-1943’.

De leiding over dit project had de hoofdcommies Hendricus Roelof Keijser. Op alle verbrande PK’s staat ‘na beh(andeling) retour Hr. Keijser’. Het ligt voor de hand dat de restanten van deze PK’s bij hem in de la zijn beland. En dat die envelop in zijn la is achtergebleven na zijn ontslag op 31 oktober 1946. Eenmaal heeft Keijser een opmerking bijgeschreven. Op de gereconstrueerde kaart van Willem Hendrik Smit schreef hij ‘Knap staaltje reconstructiewerk. Het XVe kind heeft het zeker gedaan’. Het betreffende snippertje gaf namelijk prijs dat Smit 15 kinderen had, genoeg aanwijzing voor het bewijs dat het de PK van W.H. Smit betrof.

Aan de verbrande snippers werden door middel van nietjes en paperclips papieren bevestigd met aantekeningen betreffende de reconstructie. Meestal gebruikte men daarvoor kladpapier, overgebleven documenten die te maken hadden met evacuatie en persoonsbewijzen. Op de achterkant werden dan aantekeningen gemaakt. Soms werd ook een lege PK gebruikt om de gegevens met de hand in te vullen. Op de snippers zelf zijn ook aantekeningen gemaakt. Over de PK’s valt het volgende op te merken.

Het betreft hier een doorsnede van de Amsterdamse bevolking. Het gaat om 23 mannen en 12 vrouwen. Daaronder 4 kinderen onder de 18 jaar. De oudste persoon was geboren in 1850 en overleden in 1940, de jongste was geboren in 1934. Drie PK’s betreffen personen die voor 1943 al waren overleden, vier personen waren voor 1943 al vertrokken uit Amsterdam. Er zijn zes PK’s van Joden, die op het moment van reconstructie al waren vermoord in Auschwitz en Sobibor. Twee PK’s betreffen Joden die de oorlog overleefden. Sommige PK’s betreffen familieleden. Zo is er de kaart van een in 1940 overleden grootvader en van diens in 1934 geboren kleinzoon. Een van de PK’s betrof een SS-er.

Op geen enkele van de door het bevolkingsregister herstelde PK’s is te herleiden, bv. door de toevoeging tweede kaart, dat de oorspronkelijke PK is verbrand en hersteld.

Op vier PK’s zijn adresmutaties aangebracht die dateren van de periode mei-november 1943.

Het is absoluut onduidelijk waarom speciaal deze PK’s brandschade hebben. In feite mislukte de aanslag omdat juist de PK’s, dat was immers het actuele bestand, hadden moeten worden vernietigd. In plaats daarvan stichtte het verzet brand bij de gezinskaarten. Dat de PK’s die het hier betreft de brandschade opliepen bij dezelfde aanslag ligt voor de hand. Lagen deze PK’s toevallig in dezelfde ruimte waar de gezinskaarten lagen opgeslagen? Een vreemde gedachte, aangezien de gezinskaarten op zolder lagen en de PK’s tot het actuele bestand behoorden. Hoewel dat voor een paar verbrande PK’s niet helemaal op gaat. Van twee personen, die waren overleden in Amsterdam op 8 mei 1940 en 8 november 1940, had de kaart al lang in de serie archiefkaarten (de afgehandelde serie PK’s) moeten worden ingevoegd. Datzelfde geldt voor vier PK’s waarvan de betrokkenen in 1940, 1941 en 1942 waren uitgeschreven naar een andere gemeente in Nederland. Ook die kaarten hadden uit het lopende bestand moeten worden verwijderd en overgebracht naar de serie archiefkaarten.

De meeste PK’s betreffen echter personen die in het actuele bestand thuishoorden en dus niet ‘op zolder’ hoorden te liggen. Of zijn er nog veel meer PK’s verbrand en weten wij daar niets van af? Gezien de mate van brandschade, soms is een snipper over, soms een halve kaart of een hoekje etc, is het niet logisch dat de kaarten in een ladebak waren opgeborgen. Dan had de schade voor de meeste PK’s er ongeveer gelijk uit gezien. Bijvoorbeeld allemaal brandschade aan de bovenrand of in de linkerbovenhoek. Aangezien dat niet het geval is, lijkt het logisch dat de verbrande PK’s ergens apart op een stapeltje lagen. De reden daarvoor blijft dus onduidelijk.

Helaas geeft het archief van het bevolkingsregister hierover geen enkele informatie.

DE BETROUWBAARHEID VAN HET BEVOLKINGSREGISTER ALS BRON

Vanaf 1851 werden bijna jaarlijks door de burgemeester en de wethouders klachten geuit over de moeilijkheden bij de registratie van de bevolking. Vooral de registratie van de vreemdelingen leverde veel problemen op. Dit kwam voor een deel door het uitblijven van uniforme, landelijke richtlijnen.

Een ander probleem vormde de soms geringe bereidheid tot medewerking van de bevolking. Vooral verhuizingen werden vaak niet aangegeven. Omdat de aangifte van de personele belasting met behulp van de gegevens in het bevolkingsregister werden gecontroleerd, was het soms aantrekkelijk bepaalde gegevens achter te houden, bijvoorbeeld het aantal dienstboden. Ook vervalsingen kwamen voor, bijvoorbeeld in 1870. In dat jaar werden in registers geboortejaren gewijzigd om aan de schutterijverplichtingen te ontkomen.

Ook het overschrijven van de gegevens van de oude in de nieuwe registers en naar het duplicaat leverde fouten en onnauwkeurigheden op. Deze factoren hebben de betrouwbaarheid van de registers als bron uiteraard nadelig beïnvloed. In 1872 verklaarden de burgemeester en wethouders dat zij - eindelijk - tevreden waren over de kwaliteit van de registratie. De verhoging van het niveau kwam door de in 1871 aangestelde controleurs: de buurtsecretarissen waren door de geringe betaling en vooruitzichten allengs minder gemotiveerd gebleken. Met de komst van de controleurs waaide er een frisse wind. Zij bezochten in het eerste jaar van hun dienst al de helft van het Amsterdamse woningbestand.

Als historische bron is het bevolkingsregister na 1872 dus redelijk betrouwbaar. Voor de twee decennia daarvoor moet voor wat betreft de betrouwbaarheid van de registratie de nodige reserve in acht genomen worden. Het raadplegen van aanvullende bronnen (bijvoorbeeld de registers van de burgerlijke stand (toegangsnr. 5009), de registers in het archief van de secretarieafdeling Militaire Zaken (toegangsnr. 5182) en de hulpregisters (toegangsnr. 5007) verdient aanbeveling.

DE GEANNEXEERDE GEMEENTEN

Op 1 januari 1921 breidde Amsterdam zich uit door een groot aantal omliggende gemeenten te annexeren. De geannexeerde gemeenten waren Buiksloot, Nieuwendam (met Zunderdorp), Ransdorp (met Durgerdam, Holysloot en Schellingwoude), Sloten (met Sloterdijk, Osdorp en de Vrije Geer), Watergraafsmeer (ook wel Diemermeer genoemd) en Weesperkarspel (met Hoogbijlmer en Bijlmermeer). Hiermee kreeg de stad ook de bevolkingsregisters van deze geannexeerde gemeenten onder haar hoede (toegangsnr. 5008). In tegenstelling tot de registers in Amsterdam zijn deze registers niet op adres ingericht. Elke gemeente had bovendien een eigen manier van klapperen.

Literatuur

R.F. Vulsma, Burgerlijke Stand en bevolkingsregister ('s-Gravenhage 1988).

(uitgave van het Centraal Bureau voor Genealogie)

Th.F. Wijsenbeek-Olthuis, 'Boedelinventarissen' en A. Knotter en A.C. Meijer (red.), 'De gemeentelijke bevolkingsregisters 1850 1920', Broncommentaren dl 2 ('s-Gravenhage 1995).

(uitgave van het Instituut voor Nederlandse Geschiedenis)

A.C. Meijer, 'De negentiende-eeuwse 'papieren mensch'. Een onderzoek naar het Amsterdams bevolkingsregister als bron voor historici', Nederlands Archievenblad 87 (1983) 371 - 395.

P. Schraa, 'Onderzoekingen naar de bevolkingsomvang van Amsterdam tussen 1550 en 1650', Jaarboek Amstelodamum 46 (1954) 1 - 33.

Dienst voor het Bevolkingsregister Amsterdam, Wijzigen van verantwoordelijkheden. Beleidsplan DBR (Amsterdam 1994).

Archiefvormer

Bevolkingsregister
© Stadsarchief
Disclaimer / Colofon
<

Gegevens over mogelijk nog levende personen mogen alleen worden gebruikt voor historisch (waaronder genealogisch), wetenschappelijk of statistisch onderzoek.

Door het aanklikken van onderstaande button verklaart u zich te houden aan het Reglement voor raadpleging en gebruik van het Stadsarchief.