533: Archief van de Administrateuren in Nederland van de Goederen van de Familie Trip in Zweden

Algemene kenmerken

Toegangsnummer:

533

Periode:

1629 - 1923

Inleiding

Aard en geschiedenis van de schuldvordering en de goederen.

1. De schuldvordering van Elias Trip en de verwerving van de Hallandse goederen (1).

Sedert de aanvang van de zeventiende eeuw as de Zweedse overheid voor haar financiën steeds afhankelijker geworden van de export van koper. Vanaf 1614 werd deze dan ook rechtstreekt of via een koperkompagnie door de kroon gemonopoliseerd. Omstreeks 1625 leidde een prijsdaling van koper op de wereldmarkt tot ernstige financiële problemen, waarvoor een voorlopige oplossing werd gevonden in het aantrekken van buitenlandse kredieten op onderpand van koper (2).

Mogelijk sinds 1626, zeker sinds 1627, werd koper beleend bij de Amsterdamse kooplieden Elias (1570?-1636) en Pieter (1579-1655) Trip. Vrij spoedig echter gingen de opgenomen bedragen de pandwaarde van het in deposito gegeven koper overtreffen. Na onenigheid over de omvang van zijn schuldvordering trok Pieter zich al in of kort na 1629 uit de beleningen terug. Elias nam zijn schuldvordering en kopervoorraad over. Hierin schuilt een van de oorzaken voor zijn latere moeilijkheden met de Zweden. Pogingen van Elias om met gebruikmaking van de schuldvordering en de kopervoorraden een monopoliepositie in de Zweedse koperexport af te dwingen mislukten (3).

In 1635 troffen Elias Trip en de Zweedse vertegenwoordiger Erich Larsz. Van der Linden een regeling voor de afdoening van de schuldvordering. Arbiters stelden deze vast op f 864.000,-, nog te vermeerderen met f 127.000,- vanwege een onbetaalde wapenrekening uit 1629 met interest. Van het totaal van f 991.000,- werd f 702.000,- afgelost doordat Elias het nog onder hem in deposito berustende koper in eigendom ontving. Het restant zou worden afgelost uit de inkomsten van de Zweedse rijkstol (4).

Deze laatste bepaling is nooit uitgevoerd. De Zweedse rekenkamer weigerde de schuldrekening te erkennen en schoof de zaak op de lange baan. Na mislukte missies van Arnout Huijbertsz. In 1636, Joris Hoeffnagel in de periode 1641-1647 en ambassadeur Bicker in 1644, nam Elias' zoon Adriaan (1620-1648) de zaak ter hand (5). Ter gelegenheid van zijn huwelijk in 1645 met Adriana de Geer, dochter van Louis de Geer, had hij eenzesde van de schuldvordering van zijn vader in eigendom gekregen (6). In verband hiermee vertrok hij naar Zweden, maar de rekenkamer was niet bereid de vordering te erkennen.

Beroepen op koningin Christina (1626-1689, koningin van 1632-1654) hadden meer sukses. Zij beval de rekenkamer de schuld te erkennen. Betaling van het op f 498.000,- gestelde bedrag zou in vier jaarlijkse termijnen uit de middelen van de kroon geschieden (7). In werkelijkheid werd de aflossing anders geregeld. Volgens een in oktober 1650 gesloten koperkontrakt zou Adriaan eenvierde van de waarde van het geleverde koper mogen korten op de schuldvordering. Ten gevolge van ongunstige ontwikkelingen op de wereldmarkt werd deze overeenkomst echter in mei 1652 door Zweden opgezegd. Als klap op de vuurpijl werd bovendien de schulderkenning uit 1649 herroepen, zonder dat een nieuwe regeling werd vastgesteld (8). Op aandringen van Adriaan Trip werd in 1653 de inmiddels weer tot f 592.000,- opgelopen pretentie met een bedrag van f 403.000,- verminderd door de erfgenamen van Elias Trip landgoederen in betaling te geven. Het restant, weer vergroot met nieuwe leningen, zou worden afgelost uit de opbrengsten van de Zweedse zeetollen van 1643 en de kopertollen van 1654 (9).

2. De goederen.

De goederen bestonden uit de opbrengsten van bepaalde heerlijke rechten van de kroon op boerderijen. Deze lagen verspreid over Halland, een tegenwoordig nog zo geheten provincie in Zuid-West Zweden. Rechthebbenden op deze rechten werden merkwaardigerwijze ook als eigenaars van de boerderijen beschouwd. Vandaar de betiteling Tripse (land-)goederen. De jaarlijkse opbrengst was in 1653 op drie procent van de kapitaalswaarde gesteld. De overdracht vond plaats onder het voorbehoud van het recht van inlossing door de kroon (10).

Adriaan Trip en zijn mede-erfgenamen waren niet de enigen die met kroongoederen voor diensten of leningen werden betaald. Omstreeks de jaren zeventig van de zeventiende eeuw had de vervreemding van kroongoederen daardoor zodanige vormen aangenomen, dat Karel XI (1655-1697, koning van 1660-1697) zich gedwongen zag dit proces terug te draaien. In Zweden stond deze ontwikkeling bekend als Reduktion. Ook de bezittingen van de erven Trip bleven niet buiten schot. Nadat in 1682 of 1683 de vlek Kongsbacka, een geschenk uit 1653 van koningin Christina aan Adriaan Trip (11), was teruggeëist, moest in 1690 ook nog een gedeelte van de afbetaling van de pretentie worden terug gegeven. Pogingen deze landgoederen terug te krijgen, dan wel het bedrag aan de resterende pretentie toe te voegen, mislukten (12).

De bezittingen bleken zeer moeilijk rendabel te exploiteren. Bovendien breidde het aantal deelgerechtigden zich in de loop der decenniën enorm uit. Dit alles bracht een uiterst moeizame administratie met zich mee en in het eerste kwart van de negentiende eeuw rijpte dan ook het inzicht, dat verkoop uiteindelijk de beste oplossing zou zijn. Een probleem hierbij vormde het door de kroon bedongen inlossingsrecht. Na voorbereidingen van de bijzondere zaakgelastigde Everardus Johannes Potgieter in de jaren 1831-1832, werd in 1833 toestemming van de Zweedse koning verkregen tot verkoop aan de bewoners der boederijen of aan andere Zweedse burgers (13).

De liquidatie verliep langzaam. Het bezit kon slechts bij stukjes en beetjes van de hand gedaan worden (14). Na c. 1870 stagneerde de verkoop totaal. Enerzijds door weigerachtigheid of onvindbaarheid van een beperkt aantal deelgerechtigden, wier aandeel soms niet meer dan enkele centen bedroeg (15), anderijzds door aanspraken van derden op de status van deelgerechtigde, die eerst afgeweerd moesten worden (16). Uiteindelijk werd in de jaren 1903-1909 besloten in te gaan op een aanbod van de Zweedse staat tot inlossing der nog resterende goederen (17). De definitieve liquidatie van het bezit werd uiteindelijk pas in de jaren 1918 tot 1932 gerealiseerd (18).

2. De in 1653 resterende schuldvordering.

Van de in 1653 nog resterende schuldvordering is uiteindelijk maar bitter weinig in handen van de erfgenamen terecht gekomen. Zulks ondanks hun niet aflatende inspanningen, voornamelijk gedurende de tweede helft van de zeventiende eeuw, om de gelden alsnog te innen. Zij schakelden bij verschillende gelegenheden diplomaten van de Staten-Generaal in, benaderden Zweeds diplomaten in Den Haag en riepen de hulp in van Johan de Witt. Dit alles was al evenzeer vergeeft als de stroom rekesten tot de kroon van Adriaan Trip, sedert 1653 Zweeds burger en aldaar in de adelstand verheven, of een poging via de levering van Zweeds geschut tot aflossing te komen (19).

Nadat de Zweedse rekenkamer in 1707 de aanspraken nogmaals had afgewezen, bleek men niet van zins zich verder nog iets aan de affaire gelegen te laten liggen. De vordering, in 1831 berekend op f 5.005.337,-, werd na voorbereidingen van Potgieter in 1832 nogmaals met hulp van de Nederlandse gezant in Stockholm, baron Van Cromburgghe, aanhangig gemaakt. Zonder veel omhaal werd de vordering in 1838 door het Koninklijk Kamergerecht wegens verjaring afgewezen. Het beroep daartegen werd in 1842 verworpen. Door het overlijden van de advokaat der erven, Pher Staaff, kwam dit arrest eerst in 1863 ter kennis van de erven. Sindsdien is de zaak blijven rusten (20).

De deelgerechtigden.

Blijkens een familieovereenkomst van 8 januari 1645, konden de volgende kinderen van Elias Trip aanspraak maken op elke eenzesde deel van de uitstaande Zweedse schuld: Sophia (1614-1679), Maria (1619-1683), Adriaan (1620-1684), Jacoba (1622-1678) en Jacobus (1627-1670). Bij dezelfde gelegenheid kreeg Adriaan eenzesde deel extra toegewezen vanwege zijn huwelijk met Adriana de Geer. De uiteindelijke verdeling werd dus: Adriaan tweezesde en de overigen elke eenzesde deel (21).

Een vonnis van het Hof van Holland van 21 oktober 1664 gelastte het nakomen van een overeenkomst tussen de erven Louis de Geer en de erven Elias Trip van 1 juli 1664, waarbij de erven De Geer 7/84 deel van de goederen en de uitstaande pretentie werd toegewezen. Dit deel zou worden afgestaan door Adriaan (22).

Bij een latere gelegenheid, waarover geen verdere details bekend zijn, moet Adriaan zijn resterende 21/84 deel aan de overige erfgenamen hebben overgedaan. De staken Jacoba, Jacobus, Maria en Sophia bezaten sindsdien elk 17/84 en de erven De Geer 16/84 deel (23). Het deel van de erven De Geer werd in 1765 na verkoop aan de Zweedse edelman baron Von Knorring via loting afgescheiden en aan de administratie onttrokken (24). Door vererving en aankoop van aandelen, kwam op den duur een steeds groter gedeelte van de jaarlijkse opbrengst in handen van de familie Van der Meulen. De administratie werd echter daardoor niet eenvoudiger, omdat de naar verhouding in waarde steeds geringer wordende overige aandelen over steeds meer en meer deelgerechtigden werden uitgesplitst (25).

De administratie.

Het beheer van de goederen, de inning van de resterende pretentie, alsmede de uitdeling van de opbrengsten werden bij prokuratie opgedragen aan de zogeheten administrateurs. De staken wezen ofwel ieder afzonderlijk, ofwel in wisselende kombinaties een mededeelgerechtigde tot hun administrateur aan.

Vanaf het einde van de achttiende eeuw werd de familie Van der Meulen steeds meer de spil waarom de administratie draaide. In 1844 werd Willem Gualtherus van der Meulen administrateur voor de vier staken tesamen. Onder zijn opvolgers Jacob Anne en Willem Theodoor Grothe bleef dez situatie bestaan (26). De koncentratie van de administratie in handen van één persoon is de enige wijziging van betekenis geweest gedurende de 270 jaar van haar bestaan. Voor 1844 traden de administrateurs ten aanzien van het beheer der goederen en de inning van de schuldvordering gezamenlijk op. Samen maakten ze ook een algemene rekening op. Kontakten met de deelgerechtigden werden door de administrateurs afzonderlijk onderhouden. Ieder stelde voor de staak waardoor hij was aangesteld een afzonderlijke rekening op, die ter visie werd gelegd. Deze tweedeling verdween uiteraard na 1844.

De administrateurs hadden de bevoegdheid taken te delegeren. Het dagelijks bestuur in Zweden werd opgedragen aan een rentmeester, inspekteur genoemd. Hij inde de revenuen, die vergezeld van een rekening via een bank naar Nederland moesten worden overgemaakt. Daarnaast inspekteerde hij de materiële staat en de personele bezetting van de goederen en trad hij op bij processen (27). Ad hoc, bijvoorbeeld voor de verkoop (28), de inning van de schulden (29) of de kontrole van de inspekteurs (30) konden afzonderlijk gevolmachtigden worden aangesteld.

In de jaren 1831 en 1832 werd Everardus Johannes Potgieter naar Zweden afgevaardigd. Behalve het saneren van de in de voorafgaande jaren vastgelopen inspektie, bestond zijn taak uit het voorbereiden van de verkoop en het opnieuw aan de orde stellen van de niet betaalde schuldvordering (31). Na zijn terugkeer bleef hij vanweg zijn kennis van zaken en van de Zweedse taal nog geruime tijd, in ieder geval tot in de jaren vijftig, als korrespondent in dienst van Willem Gualtherus van der Meulen (32).

Bewaring en ordening van de archieven.

In 1781 ontving Jan Carel van der Meulen (administrateur voor de staken Sophia en Jacoba Trip van 1760 tot 1801) een kist met archivalia van B.C. Ruysch, de executeur-testamentair van Gualtherus Petrus Boudaan (administrateur voor de staak Maria Trip van 1735 tot 1781) (33). Waarschijnlijk betrof het hier de retroacta sedert 1629 en de stukken betreffende de gezamenlijk gevoerde administratie. De stukken betreffende de kontakten met deelgerechtigden voor 1844 werden waarschijnlijk door de administrateurs afzonderlijk bewaard. Hiervan zijn alleen stukken betreffende de uitdeling aan de staken Maria en Sophia Trip (inv. Nrs. 123-130) in enige omvang bewaard gebleven, wellicht omdat juist de administrateurs van deze staken ook de bovengenomede archivalia beheerden.

In 1831 werd het archief beheerd door Willem Gualtherus van der Meulen. Potgieter heeft toen, met het oog op zijn taakuitoefening in Zweden, vele stukken gelicht. Deze stukken zijn pas na zijn dood in 1875 tegelijk met zijn archief als zaakgelastigde, door zijn zuster aan Jacob Anne Grothe terug gegeven (34). Voor zover ze niet als retroacta in het archief van Potgieter waren opgenomen, heeft Grothe de stukken, gekenmerkt met de letter P., weer in het archief van de administrateurs geplaatst. Via Willem Theodoor Grothe is een aantal uit het archief van de administrateurs afkomstige stukken terecht gekomen in het familiearchief Grothe, dat thans bij de Gemeentelijke Archiefdienst van Utrecht berust (35). Deze stukken dateren uit de jaren 1874-1923, terwijl het meest recente stuk van het in Amsterdam berustende gedeelte uit 1919 dateert.

De archivalia zijn vervolgens in het bezit gekomen van Jhr. Ir. R.E. Laman Trip, die ze in 1971 aan de Gemeentelijke Archiefdienst van Amsterdam in bewaring heeft gegeven. De archieven werden niet eerder geïnventariseerd en verkeerden grotendeels in chaotische toestand. Tijdens de inventarisatie zijn sporen van oude ordening aangetroffen, maar een alomvattende archivistisch bruikbare systematiek kon niet worden achterhaald.

Het archief van de administrateurs was vroeger waarschijnlijk zoveel mogelijk in series geordend, gevolgd door enkele dossiers en vele losse stukken. Voor zover mogelijk met inachtneming hiervan, is bij de huidige ordening de taakuitoefening van de administrateurs als richtpunt genomen.

De stukken betreffende de schuldvordering van Elias Trip, de verwerving van de goederen en het ontstaan van de resterende pretentie (inv. Nrs. 26-43) zijn door de administrateurs tesamen als retroacta bij hun taakuitoefening gebruikt. Ze zijn daarom als eerste rubriek in de afdeling stukken betreffende bijzondere onderwerpen geplaatst.

In de rubriek uitdeling en verantwoording vergt de subrubriek financiën (inv. Nrs. 115-139) enige toelichting. De tweedeling voor en na 1844 hangt samen met de koncentratie van de administratie in handen van één persoon (36). De rekeningen omvatten niet alleen de verantwoording voor de uitdeling, maar tegelijkertijd de gehele boekhouding van de administrateurs. Omdat Willem Gualtherus van der Meulen zijn partikuliere financiën niet gescheiden hield van die van de Tripse goederen, komen deze ook als post voor in zijn grootboeken (inv. Nrs. 176-177). Deze kunnen echter niet als onderdeel van de administratie van de Tripse goederen beschouwd worden. De administrateurs Grothe handhaafden de opzet van de rekeningen, maar hielden daarnaast gedurende de periode 1874-1913 een kasboek bij (inv. Nrs. 138-139), waarmee kwitanties, die om onduidelijke redenen niet in de rekeningen verantwoord zijn, samenhangen (inv. Nrs. 136-137).

Het boekjaar in Zweden liep van 1 januari tot 31 december. Het overmaken van de opbrengsten verliep echter in het bijzonder gedurende het einde van de achttiende eeuw en het begin van de negentiende eeuw nogal onregelmatig. Dit had tot gevolg dat revenuen van bepaalde boekjaren door de administrateurs in gedeelten in opeenvolgende rekeningen werden verantwoord. In voorkomende gevallen is dit in de beschrijvingen aangegeven door tussen haakjes het woord 'gedeeltelijk' achter de dateringen te plaatsen.

De verantwoording die Willem Gualtherus van der Meulen in 1862 voor de gevoerde administratie moest afleggen, had een uitzonderlijk karakter, hetgeen door diens afzonderlijke ordening van de stukken (inv. Nrs. 140-143) werd bevestigd.

De bescheiden door Potgieter ontvangen of opgemaakt in zijn hoedanigheid van zaakgelastigde in Zweden, zijn als gedeponeerd archief beschouwd. De indeling hiervan is ontleend aan de in de akte van prokuratie gespecificeerde onderdelen van zijn taak (37). Resten van oude ordening wezen ook in deze richting. Behalve het retroactum bij inv. Nr. 156 zijn de retroacta afkomstig uit de serie ingekomen stukken van het archief van de administrateurs (inv. Nrs. 2-5).

Archivalia, afkomstig van de administrateurs, maar niet behorend tot de voornoemde archieven, zijn samen met de verzamelde stukken in een aanhangsel beschreven.

De gezamenlijke omvang van de beschreven stukken bedraagt 2.50 m.

Bij de archieven bevonden zich door prof. Dr. P.W. Klein voor zijn dissertatie over de Trippen in de zeventiende eeuw gebruikte kopieën van in Zweden berustende archivalia. Deze zijn voorlopig zonder nummer geplaatst in de in het Gemeentearchief van Amsterdam aanwezige verzameling kopieën van elders berustende archivalia.

GEBRUIKTE LITERATUUR

Burgh, A.H.H. van der, Gezantschappen door Nederland en Zweden wederzijds afgevaardigd gedurende de jaren 1592-1795. 's-Gravenhage, 1886.

Kernkamp, G.W., Verslag van een onderzoek in Zweden, Noorwegen en Denemarken naar archivalia belangrijk voor de geschiedenis van Nederland.

's-Gravenhage, 1903.

Klein, P.W., De Trippen in de 17e eeuw. Een studie over het ondernemersgedrag op de Hollandse stapelmarkt. Assen, 1965.

Smit, J., E.J. Potgieter. 's-Gravenhage, 1950.

Trip, H.J., De familie Trip. Groningen, 1883.NOTEN

  1. Inv. Nrs. 26-43. Klein, p. 323-405
  2. Klein, p. 323-346
  3. Klein, p. 346-395
  4. Inv. Nrs. 26,33. Klein, p. 395-397
  5. Inv. Nrs. 33, 36-37. Klein, p. 397-400
  6. Trip, p. 282-283. Zie hierna p. 4
  7. Inv. Nrs. 38-39. Klein, p. 400-401
  8. Inv. Nr. 40. Klein, p. 401-404
  9. Inv. Nrs. 41-43, 89: rekening 1653, 185. Klein, p. 404-405, Trip, p. 271-277
  10. Inv. Nr. 48. Zie noot 9
  11. Trip, p. 280-281
  12. Inv. Nrs. 82, 89: rekeningen 1698, 1707, 1831. Klein, p. 409-413
  13. Inv. Nrs. 162-164. Klein, p. 406-409, 413, Trip, p. 70-72, 74-75
  14. Inv. Nr. 133
  15. Inv. Nr. 87
  16. Inv. Nr. 114
  17. Inv. Nr. 88
  18. Gemeentearchief Utrecht, Familiearchief Grothe, inv. Nr. 613, Zie hierna p. 7
  19. Inv. Nrs. 89-102. Klein, p. 415-416
  20. Inv. Nrs. 89, 104-105, 166, 167. Trip, p. 59-60
  21. Trip, p. 282-283
  22. Inv. Nr. 114: authentiek afschrift, d.d. 9-5-1889
  23. Trip, p. 68
  24. Inv. Nr. 83
  25. Vgl. bijvoorbeeld inv. Nrs. 141-142
  26. Inv. Nr. 44
  27. Inv. Nr. 65
  28. Inv. Nr. 85
  29. Inv. Nr. 103
  30. Inv. Nrs. 63-64, 67
  31. Inv. Nr. 145
  32. Inv. Nrs. 7, 15
  33. Inv. Nr. 3: brief, d.d. 4-6-1781
  34. Gemeentearchief Utrecht,Familiearchief Grothe, inv. Nr. 613, p. 33, 37, 39
  35. Familiearchief Grothe, inv. Nr. 613
  36. Zie p. 5-6
  37. Inv. Nr. 145

Archiefvormer

Administrateurs in Nederland van de Tripse goederen in Zweden
© Stadsarchief
Disclaimer / Colofon
<

Gegevens over mogelijk nog levende personen mogen alleen worden gebruikt voor historisch (waaronder genealogisch), wetenschappelijk of statistisch onderzoek.

Door het aanklikken van onderstaande button verklaart u zich te houden aan het Reglement voor raadpleging en gebruik van het Stadsarchief.