5236: Archief van de Gemeente Arbeidsbeurs

Algemene kenmerken

Toegangsnummer:

5236

Periode:

1891 - 1945

Inleiding

GESCHIEDENIS VAN DE GEMEENTE-ARBEIDSBEURS (1)

Voorgeschiedenis (1886-1908): `particulier' of `overheid'?

Voordat de Arbeidsbeurs onder gemeentebeheer werd gebracht was zij meer dan twintig jaar in particuliere handen. In 1886 bracht de Maatschappij voor de Werkende Stand de eerste openbare arbeidsbemiddeling in Nederland tot stand. Het doel was: `.. den werkgever en den werkzoekende in te lichten omtrent de vraag naar en het aanbod van werk' (2). Van een roep om een openbare arbeidsbeurs is ook al voor 1884 sprake geweest (3). Verder hebben perspublikaties een duidelijke rol gespeeld in de totstandkoming van een algemene arbeidsbeurs, waarbij men vooral verwees naar buitenlandse voorbeelden (4). De Maatschappij voor de Werkende Stand stelde hierop een commissie in en na een positieve aanbeveling kwam het tot de oprichting van een openbare arbeidsbeurs. Deze was gericht op alle bedrijfstakken, in tegenstelling tot de particuliere plaatsingsbureaus die gericht waren op specifieke vakken. De werkkring van deze arbeidsbeurs zou zelfs `internationaal' van aard moeten zijn, met een plaatselijke werking als beginpunt. De medewerking van de gemeente was van praktische aard en bestond uit het beschikbaar stellen van kantoorruimte in de Koopmansbeurs.

In de jaren daarna ontving de gemeenteraad verschillende adressen van Amsterdamse werkliedenverenigingen met het verzoek de instelling onder gemeentebeheer te brengen, omdat ze op de bestaande arbeidsbeurs van de Maatschappij hoegenaamd geen invloed hadden. Zij richtten daartoe een `Comité ter verkrijging van een Gemeentelijke Arbeidsbeurs' op. In februari 1893 werd een adres van dit comité door de gemeentelijke commissie inzake `Loon en Arbeidsduur' behandeld. De leden van de commissie bleken weinig in te stemmen met de organisatie van de arbeidsbeurs van de Maatschappij, aangezien `noch de patroons noch de werklieden-verenigingen bij de op- en inrichting zijn gekend' (5).

In 1896 werd een comité opgericht dat ijverde voor een onafhankelijke arbeidsbeurs, los van de Maatschappij voor de Werkende Stand. Het comité diende een verzoek in bij B & W om subsidie voor een tweede, zelfstandige, arbeidsbeurs. Dit verzoek werd verworpen door het gemeentebestuur en de beurs bleef een afdeling van de Maatschappij. Wel zou in het bestuur van de arbeidsbeurs een gelijke vertegenwoordiging komen van werkgevers en werknemers. De bemiddeling was voortaan kosteloos. De nieuwe `Centrale Arbeidsbeurs' (zoals zij genoemd werd) kreeg subsidie van zowel de Maatschappij als van de gemeente Amsterdam.

De Gemeente-arbeidsbeurs (1908-1941)

Overname

Vanaf de oprichting van de Arbeidsbeurs was haar financiële situatie allerminst rooskleurig en in 1907 zag de Maatschappij voor de Werkende Stand zich zelfs genoodzaakt de subsidie van f 500,- per jaar in te trekken (6). De gemeentelijke bijdrage aan de Arbeidsbeurs was vanaf 1903 aangegroeid tot f 850,- per jaar. Hiermee droeg de gemeente tweederde van de totale kosten, echter `zonder eenigen invloed op het beheer en de leiding der instelling te kunnen uitoefenen en zonder een zekerheid te bezitten dat het voortbestaan en de verdere ontwikkeling dezer steeds belangrijker plaats innemende gelegenheid voor arbeidsbemiddeling is gewaarborgd' (7). In 1907 kwam het bestuur van de Maatschappij met het verzoek bij het gemeentebestuur om de Arbeidsbeurs over te nemen. De toegenomen betrokkenheid van de gemeente speelde een rol in de overweging om de Arbeidsbeurs onder gemeentebeheer te brengen. Ook door vakverenigingen was daar al langer op aangedrongen. De gemeente vond het tevens van belang dat er een instelling was waar kennis van de situatie op de arbeidsmarkt voorhanden was en tenslotte was er ook het voorbeeld van andere gemeentelijke arbeidsbeurzen die inmiddels waren opgericht. Het college van B & W, hiertoe verzocht door de gemeenteraad, gaf een positief preadvies. De Arbeidsbeurs werd met ingang van 1 juli 1908 een gemeentelijke instelling.

Bestuur en beheer

Een verordening voor de Gemeente-arbeidsbeurs werd in april 1908 door de gemeenteraad goedgekeurd. Het eerste artikel omschreef de doelstelling van de Arbeidsbeurs: `het verleenen van bemiddeling bij het zoeken van arbeidsgelegenheid en van arbeidskrachten. Ter bevordering van dit doel geeft zij gelegenheid tot kostelooze inschrijving van arbeidsvragen en arbeidsaanbiedingen, stelt zij zich in verbinding met instellingen van gelijksoortigen aard, houdt zij zich op de hoogte van de arbeidsmarkt zoowel hier als elders en verzamelt zij de statistische gegevens omtrent de arbeidsvraag en het arbeidsaanbod, die ter harer kennis komen' (8).

Het beheer van de Gemeente-arbeidsbeurs werd toegewezen aan een Commissie van Bestuur, bestaande uit zeven leden, onder toezicht van

B & W. De commissie werd in september 1908 door de wethouder voor de Statistiek geïnstalleerd. De voorzitter - de eerste was J. van Hasselt - werd benoemd door de gemeenteraad, op voordracht van B & W. Hij mocht noch werkgever noch werknemer zijn, om zo een neutrale positie in te kunnen nemen. De overige leden, samengesteld uit drie werkgevers en drie werknemers werden benoemd door B & W. De Kamers van Arbeid werden uitgenodigd om een aanbeveling van twee personen in te zenden (9). In 1910 werd J. van Hettinga Tromp, chef van het Gemeentelijke Arbeidsbureau, tot secretaris van de Commissie van Bestuur aangesteld, waarmee hij een centrale rol kreeg op het terrein van de arbeidsbemiddeling. De commissie werd, door een nieuwe verordening op de Arbeidsbeurs van 1911, een Commissie van Toezicht. Zij werd ontlast van het beheer over de Arbeidsbeurs; dit werd de taak van een nieuw benoemde directeur, onder toezicht van burgemeester en wethouders (10). De Commissie werd belast met het toezicht op de werking van de Arbeidsbeurs, vooral in verband met de verhouding van werkgevers en werknemers onderling. In 1917, na een reorganisatie, werd de Commissie van Toezicht opnieuw samengesteld uit vertegenwoordigers van de vakorganisaties en van werkgeversverenigingen. Besturen van het betrokken vak wezen de leden voor deze commissies aan. B & W benoemden de secretaris (11). Naast deze vernieuwing in de samenstelling van de Commissie van Toezicht werd ook besloten afzonderlijke vakcommissies van toezicht in te stellen om meer professionele arbeidsbemiddeling te verlenen. Dit zou de opheffing van particuliere plaatsingsbureaus versnellen, wat meer bemiddelingswerkzaamheden en contacten met organisaties voor de beurs betekende (12). Aan werkgevers en werknemers die beneden de algemeen geldende of al dan niet bij contract overeengekomen arbeidsvoorwaarden werk aanboden of aanvaardden werd geen arbeidsbemiddeling verleend. Dit gold ook bij werkstaking of uitsluiting.

De verordening op de Arbeidsbeurs werd in 1932 opnieuw gewijzigd. Dit had met name te maken met de inwerkingtreding van de Arbeidsbemiddelingswet per 1 januari 1932. De bepalingen die de Wet voorschreef werden voortaan niet meer in de Verordening opgenomen (13).

Personeel

De eerste directeur, Aalderink, was ook voorheen al in die positie werkzaam geweest bij de Centrale Arbeidsbeurs. In 1909 werd een onder-directrice aangesteld en vier klerken. Er kwam een Afdeeling voor Mannen en een Afdeeling voor Vrouwen. Instructies voor de directeur en voor het overige personeel werd in juni door B & W vastgesteld. Met ingang van 1917 werd bij de bemiddeling gekeken naar de aard van de beroepen: de Afdeeling voor mannelijke beroepen en de Afdeeling voor vrouwelijke beroepen. Hieraan konden B & W vakafdelingen verbinden (14). De in 1911 nieuw aangestelde directeur werd verantwoording schuldig aan B & W en niet meer aan de Commissie van Bestuur zoals voorheen. Verder waren er een onder-directeur en een onder-directrice voor de twee afdelingen. De nieuwe directeur, de latere SDAP-voorman Albarda, toen nog werktuigkundig ingenieur en leraar aan een H.B.S., verving Aalderink, die onder-directeur en plaatsvervanger werd (15).

In 1912 waren er naast de directeur en twee onderdirecteuren twaalf klerken werkzaam op de Arbeidsbeurs (16). Albarda kreeg eervol ontslag in 1913 na zijn benoeming tot lid van de Tweede Kamer, maar bleef als adviseur van de Arbeidsbeurs tot november 1914 werkzaam. Tot nieuwe directeur werd W.F. Detiger benoemd (17). Detiger, een oud-onderwijzer, had als bureauchef onder Van Hettinga Tromp op het Arbeidsbureau gewerkt (18).

In 1918 bestond het vaste personeel uit: `commiezen, adjunct-commiezen, hoofd-klerken, bemiddelaars, klerken, schrijvers, concierges, portiers, zaalwachters, boden, kantoorlopers en schoonmaaksters'. Voor tijdelijke en/of vaste dienst kon B & W adspirant-klerken in dienst nemen (19).

In 1920 waren er 60 vaste en 40 tijdelijke ambtenaren en 8 werklieden werkzaam (20).

Taak en samenwerking

In de eerder aangehaalde verordening voor de Arbeidsbeurs was de taak duidelijk omschreven. Het gemeentebestuur bepaalde verder nog dat sollicitaties naar een gemeentelijke betrekking via de beurs zouden lopen en dat de hoofden van de diensttakken gebruik moesten maken van deze bemiddeling. Dat de gemeente gebruik zou maken van haar eigen instelling veroorzaakte niet alleen een toename in werkzaamheden, maar moest het vertrouwen wekken bij vakverenigingen en werkgevers. Op het stadhuis werd een apart bureau ingesteld, het zogenaamde Arbeidsbureau, belast met het toezicht op de uitvoering van het werkliedenreglement en andere arbeidsvoorwaarden van het gemeentepersoneel. Daarnaast kreeg dit Arbeidsbureau als taak de controle op de uitvoering van de arbeidsbemiddeling voor gemeentebetrekkingen door de Arbeidsbeurs. Eind 1911 werd besloten deze controle af te schaffen (21).

Na overleg met werkgevers- en werknemersorganisaties werd in 1915 de bemiddeling voor verschillende bedrijfstakken overgebracht naar de Arbeidsbeurs en werd deze uitgebreid met vakafdelingen (22). De beurs wilde zoveel mogelijk particuliere plaatsingsbureaus en beroepsorganisaties overtuigen dat de gemeente een professionele bemiddelingsapparaat bezat voor de hele stad (23).

De inschrijvingen, en daarmee de werkzaamheden van de Arbeidsbeurs, namen sterk toe door de inschrijvings- en controleplicht die de gemeente instelde voor de ontvangers van werkloosheidsuitkeringen (24). Deze plicht zou later landelijk in gebruik komen (25).

Alle gemeentelijke arbeidsbeurzen werden vanaf 1915 belast met grotere districten. De Vereniging van Nederlandsche Arbeidsbeurzen streefde daarmee naar de verbetering van de intercommunale arbeidsbemiddeling en uitbreiding van de bemiddeling op het platteland. Het doel was om goed georganiseerde en geoutilleerde arbeidsbeurzen te krijgen in de grotere gemeenten. Bij de Arbeidsbeurs in Amsterdam werd een nieuwe afdeling voor de intercommunale arbeidsbemiddeling in het leven geroepen (26). Er werd een Centrale Arbeidsbeurs opgericht te Den Haag die toezichthoudend lichaam voor de arbeidsbemiddeling en werkloosheidsverzekering voor geheel Nederland werd (27). Op 26 april 1918 werd het nieuwe gebouw aan de Passeerdersgracht geopend; de afdeling vrouwenbemiddeling en de mannenafdelingen die tot dan toe op verschillende lokaties verspreid lagen in de stad werden nu onder één dak bijeen gebracht (28). Een afdeling voor jeugdige werklieden werd opgericht in 1920. De afdeling was nauw verbonden met de eveneens nieuwe afdeling beroepskeuze, die samen met het Bureau voor Beroepskeuze op de Keizersgracht gevestigd was (29). De Gemeentelijke Arbeidsreserve werd een afdeling van de Arbeidsbeurs, waar deze eerder had gefunctioneerd als afzonderlijke dienst. De crisistijd in de eerste helft van de jaren twintig was de aanleiding voor een aantal bezuinigingen binnen de Arbeidsbeurs. Onderafdelingen werden opgeheven, dan wel gecombineerd met anderen. De bemiddelingsadministratie werd tot het hoognodige beperkt.

In 1920 was de administratie van de Arbeidsbeurs als volgt samengesteld:

Algemene Zaken

Boekhouding en loonadministratie

Bemiddelingsafdeling voor mannen

Bemiddelingsafdeling voor vrouwen

Bemiddelingsafdeling voor jongelieden

Arbeidersreserve en bemiddeling voor gemeentediensten (30).

In 1938 werden de werkzaamheden van de Arbeidsbeurs in de volgende categoriën verdeeld: algemene bemiddeling, afzonderlijke groepen, jeugdige personen, maatschappelijk minder geschikten, specifieke bedrijfstakken, intercommunale en internationale arbeidsbemiddeling, herscholing, werkverschaffing en de Arbeidersreserve (31).

De Amsterdamse Beurs werd in 1909 lid van de Vereniging van Nederlandsche Arbeidsbeurzen. Een vertegenwoordiger van de Beurs werd door de Commissie van Bestuur aangewezen. De Arbeidsbeurs werkte samen met de Nederlandse Arbeidsbeurs in Oberhausen. Hierdoor werd plaatsing van Amsterdamse werklozen in Oberhausen (en omgekeerd) mogelijk. In de jaren van de Eerste Wereldoorlog verleende de Arbeidsbeurs tevens haar medewerking aan het Algemeen Steuncomité en het Werkloosheidsfonds, instellingen die belast waren met de steun aan werklozen (32).

Werklozenzorg en werkverschaffing

Op voorstel van Detiger werd in 1926 een gemeentelijke Commissie van onderzoek naar den omvang en de feitelijke betekenis der werkloosheid in Amsterdam ingesteld. Belangrijkste conclusie van de commissie was dat de onevenwichtigheid van de arbeidsmarkt `.. vooral gezocht moest worden in onvoldoende ontwikkeling van de industriële bedrijvigheid' (33). Door het grote overschot op de arbeidsmarkt tijdens de crisisjaren dreigde de Arbeidsbeurs een `werklozenbeurs' te worden. Voorgesteld werd een werkverschaffingsproject op te richten waardoor werklozen weer aan arbeid konden 'wennen' en om ze zo te toetsen op werkwilligheid. Ook kreeg de Arbeidsbeurs er opnieuw een aantal vakcommissies bij, gericht op bemiddeling bij bedrijfstakken met de hoogste aantallen werklozen (34). Het rapport over dit project werd de basis voor het werkloosheidsbeleid in de latere jaren twintig en de eerste jaren dertig.

Vanaf 1928 werden door het Rijk werkverschaffingsprojecten opgericht in de provincies Friesland, Drenthe, Overijssel en Utrecht waarmee de Arbeidsbeurs intensief mee te maken kreeg. Werklozen zouden voor een periode van ongeveer drie maanden tewerkgesteld worden. Als een arbeider werd ontslagen, kwam hij niet meer in aanmerking voor steun. De werkverschaffing zou vooral dienen voor werklozen in bedrijfstakken waar overschotten bestonden en voor ongeschoolde werklozen. De eerste groep Amsterdammers ging naar de werkverschaffing in Wilnis. Kort daarna volgde plaatsing bij de werkverschaffing in Overijssel en Friesland (35). De levensomstandigheden en de lonen in de werkverschaffing bleken sterk omstreden. In 1931 werd een vaste vertegenwoordiger van de vakcentrales voor de werkverschaffingen aangesteld. Deze zou dreigende stakingen en klachten in behandeling nemen (36). De Arbeidsbeurs stuurde tot mei 1940 geen werklozen gedwongen naar Duitsland, hoewel velen naar de Arbeidsbeurs kwamen vragen om werk in verband met de hoge lonen aldaar. Vanaf mei 1940 verliep het anders. In juli 1940 deelde Detiger mee dat 1600 arbeiders naar Duitsland zouden worden `bemiddeld' (37). In oktober van hetzelfde jaar werd de openbare arbeidsbemiddeling door de Duitse bezetter tot rijkszaak verklaard en werd de Arbeidsbeurs van een gemeentelijke instelling een rijksaangelegenheid (38).

ORGANISATIE VAN HET ARCHIEF

Het archief van de Gemeente-arbeidsbeurs loopt over de periode

1908 - 1941. Er zijn slechts weinig stukken aanwezig over de periode

1908 - 1910. Ook de toegangen beginnen in 1910. De oorspronkelijke ordening van het archief is - zoals bij de gehele gemeentelijke administratie van Amsterdam - gebaseerd op het indicateurstelsel (39). Een groot deel van het archief is echter herordend op onderwerp (40). Deze twee systemen van ordening lopen thans door elkaar heen. Oorspronkelijk was de indicateur de toegang tot de stukken; nu is slechts een gedeelte van de stukken op indicateurnummer terug te vinden. Een soort afsplitsing van de indicateurs zijn de zogenaamde `Engelse hoofdenregisters' over de jaren 1930 - 1941. Ieder onderwerp kreeg een vast nummer met sub-nummers voor de stukken. Ook werden vaste indicateurnummers soms opgeborgen als `stempelstukken': een vast nummer (onderwerp) werd gesplitst in sub-rubrieken aangegeven met een letter. Stukken werden dus opgeborgen onder indicateurnummer en sub-rubriek en werden tevens voorzien van een doorlopende gestempelde nummering. Men vindt deze nummers met een toelichting in de indicateur. Nadere toegangen op de indicateurs zijn de naam- en trefwoordenindexen over de jaren 1911 1936 (41).

De Maatschappij voor de Werkende Stand gebruikte lijsten voor de inschrijving van werklozen. Met de toename van de inschrijvingen werd in 1912 gekozen voor de invoering van een kaartsysteem bij de inschrijvingen: zogenaamde `stamkaarten' met relevante persoonlijke gegevens van werkzoekenden (42). Deze zijn soms bewaard gebleven bij correspondentie betreffende personen die ingeschreven waren bij de Arbeidsbeurs.

Een nauw verwant archief is dat van de Commissie van Toezicht op de Gemeentelijke Arbeidsbeurs (1908-1940). Dit archief is apart beschreven maar bevind zich in deze inventaris, bij de gedeponeerde archieven. Ook is een klein gedeelte van het archief van het Gewestelijk Arbeidsbureau opgenomen bij de gedeponeerde archieven (43). De stukken hiervan sluiten aan bij stukken van het archief van de Arbeidsbeurs over het transport naar en tewerkstelling van werkzoekenden in Duitsland (44).

VERANTWOORDING VAN DE INVENTARISATIE

Naar goed archivistisch gebruik werd allereerst herstel van de oude orde overwogen. Vanwege de grote omvang van het archief was dit nagenoeg onuitvoerbaar. Bovendien bleek de nieuwe ordening in grote lijnen te voldoen. Daarop werd besloten om de twee ordeningssystemen - op indicateurnummer en op onderwerp - te handhaven. De inventarisatie werd voorbereid met een archiefanalyse (45). Op basis van de uiterlijke kenmerken van de delen en van de aangebrachte rubrieken op de pakken werd allereerst een voorlopige plaatsingslijst gemaakt. Vanwege een eerdere verhuizing stonden de stukken door elkaar heen. Aan de hand van de plaatsingslijst konden de series in het archief duidelijk worden onderscheiden. De pakken met stukken op indicateurnummer, de indicateurs, de indexen en de kopieboeken werden op volgorde gezet.

Vervolgens werd bekeken of de pakken geordend op onderwerp overeen kwamen met de omschreven inhoud (46). Gebleken was, dat in het algemeen de rubrieken overeen kwamen met de inhoud. Er waren echter uitzonderingen. Soms kwam het onderwerp gedeeltelijk overeen met de inhoud. En er zijn pakken die onder een te algemeen onderwerp waren geplaatst en pakken die inhoudelijk zeer divers van onderwerp of zelfs geheel ongeordend waren. Tenslotte werd ook duidelijk dat er stukken in aanmerking zouden komen voor vernietiging. Hiervoor werd een vernietigingslijst samengesteld (47).

De grootste serie geordend op onderwerp (`werkverschaffing', één van de belangrijkste taken van de Arbeidsbeurs) werd beschreven. Het ordenen en beschrijven van de bestanddelen betekende dat het archief tegelijk geschoond kon worden van stukken die in aanmerking kwamen voor vernietiging.

Bij de archiefanalyse en bij het beschrijven werd uitgegaan van het principe van `algemeen naar bijzonder' te werken: de grootste series werden het eerst toegankelijk gemaakt. Een uitzondering hiervoor waren de pakken met het onderwerp `diversen'; deze pakken vormden geen serie en de stukken hieruit werden ondergebracht bij bestaande rubrieken of er werden nieuwe rubrieken gevormd.

Bij het gebruik van de archiefstukken die in rubrieken voorkomen is

aanbevolen ook de stukken op indicateurnummer er naast te leggen van de

jaren waar men in geïnteresseerd is. Hieruit zouden verwante stukken alsnog tot het licht kunnen komen.

Het archief heeft een lengte van 56 meter. 1) Met hartelijk dank aan mijn stagementoren Ad Knotter en Peter Hofland en andere collega's van het Gemeentearchief Amsterdam voor hun aanwijzingen en kritische opmerkingen. Peter Knoessen heeft vrijwillig mij bijzonder geholpen met het beschrijven.

2) Secretarieafdeling Publieke Werken (arch.nr. 5180) 1886/5541, Reglement van de Arbeidsbeurs, art. 1.

3) Rapport der Commissie ten onderzoek en advies omtrent de nuttigheid en wenschelijkheid der oprichting eener Arbeidsbeurs (Amsterdam 1885) 3.

4) Algemeen Handelsblad, 31 oktober 1884; zie ook het Rapport der Commissie.

5) Archief van de Commissie tot het ontwerpen van bepalingen inzake loon en arbeidsduur (inv.nr. 1, arch. 478), notulen, 6 februari 1893.

6) G.F. Fortanier (red.), Gedenkboek Sleutels en Schakels. Gewestelijk Arbeidsbureau 1908-1958 (Amsterdam 1958), 25.

7) Gemeenteblad 1908, I, 162.

8) Gemeenteverslag 1908, bijlage XIII, 16.

9) Ibidem.

10) Gemeenteverslag 1911, hfdst. 3, 115-116.

11) W. Bevaart en S. Veen, Den rechten man op de rechte plaats; de ontwikkeling van de openbare arbeidsbemiddeling in Amsterdam 1886-1940 (Amsterdam 1986) 34.

12) Ibidem. Volgens Fortanier (Sleutels en Schakels, 42) werden in 1919 de eerste vakcommissies geïnstalleerd door de wethouder van Arbeidszaken. Deze waren voor het binnenscheepvaartpersoneel, het bakkersbedrijf en hotelbedrijf, bouwbedrijf en voor de metaalnijverheid. In 1921 kwamen daar de commissies voor vrouwelijke diensten en de voor het handels-, kantoor- en winkelbedrijf bij.

13) Gemeenteblad 1932, I, 1735-1741.

14) Gemeenteblad 1917, III, volgnr. 62; Fortanier, Sleutels en Schakels, 39-40.

15) Gemeenteverslag 1911, hfdst. 3, 115-116.

16) Gemeenteverslag 1912, hfdst. 3, 64.

17) Gemeenteverslag 1913, hfdst. 3, 66.

18) P. de Rooy, Werklozenzorg en werkloosheidsbestrijding 1917-1940 (Amsterdam 1979) 18. Detiger werd later benoemd tot lid van de Commissie voor advies en bijstand bij de maatregelen tot bestrijding van de heersende werkloosheid, van de Commissie voor steunverlening aan crisiswerklozen en van de Commissie van het gemeentelijk bureau voor beroepskeuze.

19) Gemeenteblad 1918, III, volgnr. 50, 1.

20) Fortanier, Sleutels en Schakels, 42.

21) Gemeenteverslag 1911, hfdst. 3, 124.

22) Fortanier, Sleutels en Schakels, 33.

23) Al vanaf 1911 was er samenwerking met het informatiebureau van de Bond van Technici en het plaatsingsbureau van de Algemene Nederlandse Typografenbond aangegaan waardoor de beurs vraag naar arbeidskrachten kon vervullen door een oproep van werkzoekenden te doen bij

deze instellingen (Gemeenteverslag 1911, hfdst. 3, 120).

24) In 1915. Bevaart, Den rechten man, 42.

25) Ibidem: dit besluit staat bekend als het 'Werkloosheidsbesluit' van 1917.

26) Gemeenteverslag 1915, I, hfdst. 3, 71.

27) Idem, 70.

28) Het hoofdkantoor was tot dan toe gevestigd op de Barndesteeg waar, voor de overname, ook de Centrale Arbeidsbeurs werkzaam was geweest. Gemeenteverslag, 1918, II, 3.

29) Fortanier, Sleutels en Schakels, 42.

30) Ibidem.

31) Gemeenteverslag 1938, I, dl. 2, 3-37.

32) Gemeenteverslag 1915, I, hfdst. 3, 68.

33) De Rooy, Werklozenzorg, 44.

34) Idem, 46. In 1927 kwamen de vakcommissies voor de bouw- en bakkersbedrijven tot stand. Verder werd er een overeenkomst gesloten met de N.V. Quenasttegel- en betonwarenfabriek, die haar bedrijf naar Amsterdam verplaatste. De Arbeidsbeurs kreeg toestemming om personeel aan te wijzen, dat vooral uit gesteundenbestand werd gekozen. Deze regeling zou tot 1939 gelden.

35) Idem, 52-53.

36) Idem, 85.

37) Idem, 201.

38) Bevaart, Den rechten man, 73.

39) Lexicon van Nederlandse Archieftermen ('s-Gravenhage 1983), 45: 'Een indicateur is een agenda, die bovendien de plaats van de stukken in het archief aangeeft.' 40) Informatie over de redenen voor de herordening, alsmede door wie en wanneer dit werd uitgevoerd, ontbreekt.

41) Met hiaten. Soms bevinden ze zich voor in de indicateur.

42) Gemeenteverslagen 1911, hfdst 3, 118 en 1912, hfdst. 3, 66.

43) Dit gedeelte zou oorspronkelijk in aanmerking gekomen zijn voor vernietiging, maar hier is destijds bezwaar tegen gemaakt door medewerkers van het Gemeentearchief. Dit verklaard waarom deze stukken al lange tijd in het bezit van het Gemeentearchief zijn.

44) De Arbeidsbeurs, en vanaf de overname het Gewestelijk Arbeidsbureau, was belast met de administratie van de verdiensten van in Duitsland tewerkgestelden om vooruitbetaling ('loonoverschotten') mogelijk te maken aan de in Nederland wonenden families. De stukken geven een overzicht van het soort werk en de verdiensten van Nederlanders in Duitsland tijdens de oorlogsjaren.

45) Een archiefanalyse heeft als hoofddoel de structuur van het archief te leren kennen, waardoor de verdere bewerking overzichtelijk en planmatig kan verlopen. Het artikel van drs. A.G. de Vries, 'Archiefanalyse als onderdeel van het inventarisatieprocess' in het Nederlands Archievenblad (jrg. 96, nr. 4, december 1992) heeft als basis gediend voor mijn archiefanalyse.

46) Hierdoor werd een aantal willekeurig gekozen pakken en de pakken van de drie grootste series op onderwerp globaal beschreven.

47) De vernietigingslijst werd samengesteld op basis van de Leidraad voor de selektie op vernietiging van archiefbescheiden van Gemeentelijke organen (Nederlandse Staatscourant, 20 december 1983, nr. 247).

Archiefvormers

    De nummers achter de archiefvormers verwijzen naar het corresponderende inventarisdeel of het inventarisnummer. Door er op te klikken opent zich de inventaris op dat onderdeel of nummer.
    • Commissie van toezicht op de gemeente-arbeidsbeurs : 3.2
    • Gemeente Arbeidsbeurs : 2
    • Gewestelijk Arbeidsbureau : 3.1
    • Maatschappij voor den Werkenden Stand; Centrale Arbeidsbeurs : 1
© Stadsarchief
Disclaimer / Colofon
<

Gegevens over mogelijk nog levende personen mogen alleen worden gebruikt voor historisch (waaronder genealogisch), wetenschappelijk of statistisch onderzoek.

Door het aanklikken van onderstaande button verklaart u zich te houden aan het Reglement voor raadpleging en gebruik van het Stadsarchief.