5220: Archief van de Rooimeesters, later Bouwopzichters

Algemene kenmerken

Toegangsnummer:

5220

Periode:

1797 - 1912

Inleiding op de inventaris van het archief van Rooimeesters en Bouwopzichters.

Archief 5220

Geschiedenis van de instelling.

Verordeningen.

In 1901 werd het besluit genomen tot de oprichting van een Dienst voor het Gemeentelijk Bouw- en Woningtoezicht (BWT) van Amsterdam. Daarmee kwam een eind aan het min of meer onafhankelijk bestaan van de bouwopzichters. Deze functionarissen waren namens de gemeentelijke overheid belast met het toezicht op de naleving van de bouwverordening. Hun voorgangers waren de rooimeesters die deze taak vanaf de vroegste geschiedenis van de stad hadden uitgeoefend. De eerste vermelding van de Rooimeesters vinden we in de keur of wet van 5 december 1528: niemand zal "ennighe tijmmeragiën moghen toeleggen noch beghinnen" zonder toestemming van den "fabrijckmeester" en van "rooimeesteren".(1) De richtlijnen voor het timmeren en rooien stonden beschreven in keuren, waarvan de oudst overgeleverde dateert van 5 april 1531 en bestond uit drieëntwintig artikelen. Op 19 december 1565 werd een nieuwe ordonnantie uitgevaardigd, die 64 artikelen telde en die tot 1811 van kracht bleef als de "Amsterdamse bouwverordening".(2) Het optreden van de rooimeesters was in deze bouwverordening nauwkeurig omschreven, in het bijzonder de controle op de fundamenten. De landelijke invoering van de nieuwe gemeentewet in 1811 en de herziening in 1825 maakten nieuwe bepalingen noodzakelijk.(3) De uitvoering werd opgedragen aan de rooimeesters. Na de invoering van de gemeentewet van 1851 (4) werd zowel een nieuwe bouwverordening vastgesteld als ook het instituut van de rooimeesters vervangen door dat van de bouwopzichters. De nieuwe verordening (5) kwam in 1854 in concept in roulatie, maar kreeg pas in 1858 rechtskracht.(6) Eveneens in afwachting van een definitieve regeling kwam in 1854 een voorlopige verordening tot stand voor het vaststellen van de rooilijnen.(7) De definitieve verordenigen werden op 1 januari 1859 rechtsgeldig met de bouwopzichters als toezichthouders.

De aanvraag van een bouwvergunning werd verplicht gesteld. Deze kon door B&W worden geweigerd als een bouwwerk niet voldeed aan de bepalingen. Als nieuw criterium werd het begrip maximumhoogte ingevoerd. Voor de bouw van fabrieken gold een uitzonderingsbepaling. Indicatief voor de groeiende aandacht voor hygiëne was de nieuwe bepaling dat er per gezin een privaat in de woning moest zijn. Andere nieuwe bepalingen hadden betrekking op uitbouwen langs de openbare weg, standleidingen en aansluitingen op het Liernur-rioleringstelsel. Eisen aan betrouwbaarheid van de constructie vonden hun weerslag in bepalingen over de verankering der gevels en de dikte van balkdragende muren, het aanbrengen van ijzeren puibalken en in geval van herbouw op bestaande fundering controle van die fundamenten na blootlegging. De veranderende opvattingen over het gebruik van ruimte in de stad kwamen tot uiting in bepalingen over het wegbreken van stoepen en pothuizen in de rooilijn.

In 1861 werden enige wijzigingen in de verordeningen aangebracht (8), maar de verkiezingsoverwinning van de liberalen in 1868 was de aanleiding voor een algemene deregulering, in welk kader ook de bouwverordening zou worden afgeschaft. Deze werd echter in een nieuwe Algemene Politie Verordening opgenomen.(9) Sinds 1851 was bij verschillende gelegenheden het functioneren van het bouwtoezicht aan de orde gesteld, maar tot grote veranderingen was het niet gekomen, ook niet toen de bouw van de nieuwe stadswijken buiten de Singelgracht dit misschien meer dan noodzakelijk had gemaakt. Het was een ware catastrofe die onontkoombaar zou leiden naar de noodzaak van een ingrijpende reorganisatie. In 1899 deed zich namelijk de instorting voor van negen percelen aan de Jan Pieter Heyestraat, de Dapperstraat en de Pieter Nieuwlandstraat, in 1900 nogmaals gevolgd door de instorting van een perceel aan de Sint Willibrordusstraat.(10) De enorme commotie die hiervan het gevolg was, maakte de geesten rijp voor de kwaliteitsverbetering waar in wezen al dertig jaar op was gewacht. Niet alleen werd er een nieuwe bouwverordening opgesteld, maar ook de Dienst voor het Gemeentelijk Bouw- en Woningtoezicht opgericht.(11)

Taakstelling en ambtelijke organisatie van de rooimeesters.

De rooimeesters werden benoemd door de burgemeesters en rapporteerden vanaf 1532 aan de thesaurieren. Zij hadden toen nog geen volledige dagtaak en waren onbezoldigd, maar in 1566 kregen zij een salaris, berekend naar de aard van het werk. De stadsuitbreiding in de zeventiende eeuw maakte door de sterk toegenomen bouwbedrijvigheid een uitbreiding van bevoegdheden noodzakelijk. In 1660 werd het aantal van drie rooimeesters tot vier uitgebreid. Het werkschema was vastomlijnd: ¿s ochtends van 8 tot 9 uur en ¿s middags van 1 tot 2 uur dienden zij op de Beurs aanwezig te zijn.(12) Volgens de instructie van 1732 (13) moesten zij donderdagmorgen om 12 uur op het stadhuis zijn, tegelijk met de onderdirecteur van stadswerken en de stadsbazen.(14)

De rooimeesters hadden binnen het ambtelijk apparaat een onafhankelijke positie. Zij waren belast met de overheidscontrole op het bouwen door particulieren, terwijl het Stadsfabriekambt belast was met de uitvoering van en het toezicht op het bouwen door de overheid. Rooimeesters waren niet ondergeschikt aan het Stadsfabriekamt, want zij brachten rapport uit aan de Thesaurie. Deze onafhankelijke positie behielden zij toen in 1808 binnen de Thesaurie de Commissaris Publieke Werken belast werd met het toezicht op het Stadsfabriekambt en ook toen Amsterdam in 1824 een Reglement van Bestuur kreeg, volgens hetwelk wethouders verantwoordelijk waren voor een bestuursportefeuille.(15) Toen ontstond de constructie waarin zowel Publieke Werken met aan het hoofd de Commissaris en zijn drie (later twee) directeuren Stadswerken en Gebouwen, als de rooimeesters ressorteerden onder de Wethouder Financiën.(16) Vijf jaar later, in 1829 werden de rooimeesters direct onder het college van B&W geplaatst. In 1850 werd een afzonderlijke wethouder voor Publieke Werken ingesteld. Voor rooimeesters had deze maatregel tot gevolg dat zij direct aan de wethouder Publieke Werken gingen rapporteren, en hoewel zij ambtelijk deel uitmaakten van deze afdeling, opereerden zij zelfstandig zonder ondergeschikt te zijn aan een hiërarchisch hoger geplaatste.

Taakstelling en ambtelijke organisatie van de bouwopzichters.

De nieuwe gemeentewet van 1851 bracht na de invoering in 1859 belangrijke veranderingen met zich mee. "Door de verordening op het bouwen en sloopen van den 14den julij en 10den augustus, om in werking te treden met den 1sten januarij 1859 is de betrekking van stadsrooimeester vervallen, terwijl het toezicht op de naleving der bepalingen van de verordening wordt opgedragen aan drie bouwopzichters, door den Raad te benoemen."(17) De bouwopzichters kregen in de nieuwe instructie een zwaardere taak dan hun voorgangers vanwege de controle op de naleving van de Algemene Politie Verordening. Zij waren ondergeschikt aan de Hoofdcommissaris van Politie en brachten rapport uit aan de wethouder Publieke Werken, maar in 1862 gingen zij in ambtelijk verband weer deel uitmaken van de Secretarie-afdeling Publieke Werken en brachten zij opnieuw rapport uit aan B&W. Hun toezichthoudende taak hield in dat zij gerechtigd waren om proces verbaal op te maken van geconstateerde overtredingen.(18) Aan B&W werd gerapporteerd "omtrent de uitgestrektheid van de openbare gemeentegrond of van openbaar gemeentewater, welke de ingezetenen tijdelijk in gebruik zouden wensen te bekomen."(19) Zij assisteerden de Commissie tot beheer van stedelijke rentegevende eigendommen "ter bepaling van de uitgestrektheid van stadsgrond waarvan volgens besluit van de Raad van 7 oktober 1857 huur of grondrente zou worden gevorderd."(20) De verplichtingen en beperking van het ambt waren als volgt gedefinieerd: "Zij staan onder het onmiddellijk bevel van B&W. Zij beoordelen alle aan B&W ingezonden aanvragen om vergunning tot bouwen, herstellen of veranderen van gebouwen en tot het plaatsen van ovens, fornuizen, eesten enz. Zij beoordelen de plannen en de tekeningen en brengen rapport uit aan de wethouder van Publieke Werken" (21) en "Zij mogen voor particulieren geen werk noch leverantie tot bouwen of slopen doen, noch als architect werkzaam zijn. Zij mogen bij een dergelijk werk noch middellijk, noch onmiddellijk belang hebben, noch zich daarvoor borg stellen. Zij mogen middellijk noch onmiddellijk deelhebben in eenigen handel of fabrikaadje van bouwmaterialen."(22)

De onafhankelijke status van de bouwopzichters leidde nogal eens tot verwarring: vielen zij nu onder de politie of onder B&W? Hun status werd nog eens geformuleerd in 1873 "De bouwopzichters zijn ambtenaren, zij staan onder onmiddellijk bevel van B&W en worden geacht deel uit te maken van de Afdeling Publieke Werken." (23) Er blijkt in de ambtelijke organisatie veel te zijn geschoven met de bouwopzichters.

Zij waren achtereenvolgens op de volgende manier in het ambtelijk apparaat ondergebracht:

Rooimeesters

1829-1850 rapporteren aan B&W

1850-1859 rapporteren aan wethouder Publieke Werken, maken deel uit van de Secretarie-afdeling Publieke Werken

Bouwopzichters

1859-1862 rapporteren aan de wethouder voor de Publieke Werken, zijn ondergeschikt aan Hoofdcommissaris van Politie

1862-1874 rapporteren aan B&W, maken deel uit van de Secretarie-Afdeling Publieke Werken

1874-1876 rapporteren aan B&W, maken deel uit van de Algemene secretarie, Vijfde Afdeling Publieke Werken

1877-1885 Publieke Werken, Technisch Gedeelte

1886-1890 Algemene Secretarie, Vijfde Afdeling, Publieke Werken

1890-1899 Publieke Werken, Technisch Gedeelte

De rooimeesters en bouwopzichters werden vooral gerecruteerd uit de kring van de meer praktisch geschoolden, zoals de Meester Timmerlieden. Dat bleek ook bij de aanstelling van de nieuwe rooimeesters in 1858: "Zij worden toch niet geroepen zelve plannen voor bouw of verbouw te maken, maar de ingeleverde plannen niet op zig tot de bepalingen der verordening te beoordelen. Zij moeten echter van de tot den bouw betrekkelijke werkzaamheden voldoende kennis bezitten."(24) De rooimeesters en bouwopzichters hadden een vast traktement dat werd aangevuld met emolumenten: kosten die aan de vergunningvrager in rekening werden gebracht volgens het in 1821 vastgestelde Tarief voor Rooijmeesteren. Na 1856 nam de druk op het ambt toe, evenredig aan de sterke groei en toegenomen industrialisatie van de stad, een proces, dat zich, bij gebrek aan een instrument voor stedelijke planning kon onttrekken aan een centrale regie. De bouwverordening kende geen juridisch kader voor stedenbouwkundige planning. Daardoor konden zich activiteiten ontwikkelen op plaatsen waar dat minder gewenst was. Er kwamen klachten over de kwaliteit van het gedane toezicht. Om verbetering in deze situatie aan te brengen kwamen B&W in 1869 met het voorstel om nog eens twee bouwopzichters aan te stellen. Dit voorstel werd niet aanvaard in de gemeenteraad. Wel werd er een klerk tweede klasse aan het bureau van de bouwopzichters toegevoegd.(25) Het merendeel van de raadsleden nam er genoegen mee dat de in artikel 569 van de Algemene Politie Verordening (APV) voorgeschreven pauze van veertien dagen voor de aanvang van de bewoning voldoende houvast zou bieden voor afdoende controle na oplevering van de bouw. De bouwopzichters van hun kant vroegen in hetzelfde jaar wel om verhoging van de wedde, wat, na vergelijkend onderzoek in Rotterdam, resulteerde in een voorstel van B&W tot verhoging van f 1200,- tot f 1500,-.(26) De wethouder vatte nog eens de taken van de bouwopzichters samen:

- het "doen van inspectiën" bij bouw en verbouw,

- het rapporteren daaromtrent,

- het opmaken van processen-verbaal (dit werd zelfs het belangrijkste van hun taak genoemd),

- het onderzoek der aanvragen betreffende de oprichting van fabrieken, trafieken en stoominrichtingen,

- het verzamelen van gegevens voor het houden der onderzoeken ¿de commodo en incommodo¿ (in gunstige en ongunstige zin) en het rapporteren daaromtrent,

- het houden van toezicht op de naleving der bepalingen bij de vergunningen. Het voorstel werd aanvaard.(27) In 1875 namen de Raad en het college van B&W tegengestelde standpunten in bij de behandeling van een voorstel tot tractementsverhoging. Het college was niet overtuigd van de noodzaak van kwaliteitsverbetering: "Wat bepaaldelijk het bouwtoezicht aangaat, de noodzakelijkheid tot verbetering daarvan kan door B&W niet worden erkend, een uitbreiding van personeel moet mitsdien worden vermeden."(28) Deze conclusie viel niet in goede aarde bij de raad: "Dat het Bouwtoezicht dringende verbetering behoeft, werd erkend, maar indien dit, zoals werd aangevoerd, het gevolg is van de uitgestrektheid van de werkkring, dan kan, meende men, alleen vermeerdering van het aantal bouwopzichters, niet tractementsverhoging baten."(29) De gedachtenwisseling leidde er toe dat de werkwijze van de bouwopzichters in kritische zin werd besproken en dat er tenslotte een politiek draagvlak was ontstaan voor de aanstelling van twee extra bouwopzichters.(30) Als een van de redenen werd aangevoerd dat de verwachte landaanwinning in de Buiksloterham tot een groter aandachtsgebied zou kunnen leiden. De werkelijke aanleiding was de instorting van een pand in de Ferdinand Bolstraat, waardoor een discussie ontstond over de kwaliteit van de ingeleverde bouwtekeningen en over de mogelijkheid of onmogelijkheid om daarop goedkeuring voor de bouw te verlenen. Als direct gevolg werden nieuwe bepalingen toegevoegd aan de APV inzake bouwen en slopen. Een belangrijke woordvoerder in deze kwestie was het raadslid Isaäc Gosschalk, een vooraanstaand architect, die uit ervaring kon spreken: "Vaak worden er prullen van tekeningen ingeleverd, wat ontbreekt wordt dan mondeling toegelicht. Had B&W eisen gesteld aan goede tekeningen, dan zou niet de bebouwing zijn ontstaan die men thans in de stad aantreft."(31)

In 1895 werd het grondgebied van Amsterdam fors uitgebreid met een deel van Nieuwer-Amstel en dat was de aanleiding om een inspecteur aan te stellen boven de bouwopzichters.(32)

Huisvesting van de rooimeesters en de bouwopzichters

De rooimeesters, en later de bouwopzichters, hielden kantoor in de voormalige wisselbank "bezijden het Paleis", tot 1867. In dat jaar bracht hun ambtelijke politiestatus verhuizing met zich mee naar het Hoofdbureau van Politie aan de Spinhuissteeg 9-12. Daar bleven zij tot 1876. Van 1876 tot 1889 waren zij gehuisvest in de Generale Secretarie, Vijfde Afdeling, Publieke Werken, Spinhuissteeg 1, van 1889-1899 in het stadhuis "op de plaats", kamers 97 en 98.

Het werkproces

De bouwverordeningen geven inzicht in de wijze waarop bouwplannen moesten worden ingediend. Deze hield in "een opgave van de aard van het werk en de bestemming van het perceel, met bijvoeging van de ter beoordeling nodig geachte tekeningen in duplo, op eene schaal van minstens 1/100 der afmeting en voorts den naam en de woonplaats van de bouwmeester of de werkbaas die met de uitvoering is belast. Het duplicaat moet op doortrekpapier of doortreklinnen geteekend en door den aanvrager ondertekend zijn. Beide exemplaren worden, na goedkeuring van het plan, door de wethouder, belast met de Publieke Werken voor gezien getekend, het duplicaat blijft onder berusting van B&W, het andere exemplaar wordt aan de aanvrager teruggegeven met mededeling der wijzigingen zoo als deze nodig geoordeeld zijn."(33) In 1859 noopte een explosieve stijging van bouwaanvragen tot een meer gestroomlijnde administratie en er werd een model-funderingsonderzoek ontworpen op basis waarvan beschikkingen konden worden afgegeven. Deze maatregel werd in de nieuwe bouwverordening van 1861 gevolgd door een formulier voor voorlopige en kortdurende vergunningen, die door bouwopzichters in overleg met de politiecommissaris van de plaatselijke sectie zou worden uitgereikt in afwachting van een beschikking van B&W. Lijst rooimeesters en bouwopzichters (34):

A. Blanken Dzn. 1811-1813

J. Houthuizen 1811-1831

H. Reuvekamp 1811-1821

W. van Ronselen 1813-1819

N. van Soomeren 1815-1820

A. Hendriks 1821-1835

J.J. van Ronselen (35) 1824-1828

H. Hamme, 1824-1845

J.J.Willems 1829-1834

Th.W. van Outersterp 1835-1858

H. Takes 1845-1858

W.C. Timmerman 1859-1865

N.J. Beversen 1859-1865

A.W. Gezellen 1859-1865

B. Hamers 1866-1899

W. ter Reehorst 1866-1878

A. Dekker 1866-1899

J.C.J. Covens (36) 1878-1899

E. Gerhardt 1879-1899

G. Stas 1879-1899

J.A. van Voorthuysen, inspecteur 1895-1899

H.J.B.R. Sutherland 1896-1899

J.D. Wever 1899

Medewerkers bureau:

S.H. Sijpkens, schrijver 1875-1890

W.H.J. Kummer, klerk tweede klasse 1890-1899

G.J. Tak, klerk-tekenaar derde klasse 1899

Inrichting van de administratie.

Het archief vormt de neerslag van de werkzaamheden uitgevoerd door de rooimeesters en de bouwopzichters. Vanaf het begin van de 19de eeuw bestond hun belangrijkste taak uit het toezicht houden op de naleving van de bouwverordeningen. Zij behandelden de technische kant van de vergunningaanvragen en rapporteerden daarover aan de vergunningverlenende instantie, dat betekende direct aan B&W of via de thesaurier of de wethouder van PW. Het zwaartepunt van het archief vormt de rapportage voor de verlening van de bouwvergunningen en het toezicht op het nakomen van de bepalingen zoals die in de bouwvergunning werden omschreven. Daarnaast waren zij ook betrokken bij het afgeven van vergunningen voor het opslaan van gevaarlijke stoffen, het heffen van precario, het plaatsen van marktkramen, e.d. Na de vergunningverlening hielden zij toezicht op het nakomen van de bepalingen zoals die in de vergunningen zijn vervat en stelden indien nodig procesverbalen op. Het archief bevat drie belangrijke reeksen:

a. de generale indicateur, waarin alle aanvragen in volgorde van binnenkomst werden ingeschreven met de naam van de aanvrager en een korte weergave van het rekest.

b. de rapportboeken, waarin de aard van de beschikking met redenen omkleed wordt vermeld. Wanneer het een bouwvergunning betreft, staat de huidige toestand vergezeld door voorschriften over constructies en/of veiligheid nauwkeurig beschreven.

c. de afschriften van de vergunningen.

De reeksen zijn toegankelijk gemaakt met:

  1. een index op naam van de aanvrager met het nummer van het rapport.
  2. een index op naam van de aanvrager met het nummer van de vergunning.
  3. een index op trefwoorden.
  4. een klapper met volgnummers.
Het archief bevat correspondentie tussen verschillende overheidsinstanties, zoals politie en brandweer.

De rooimeesters en bouwopzichters ontvingen afschriften van de vergunningen, vanaf 1859 vergezeld van bouwtekeningen, wanneer het een bouwvergunning betrof. De zo ontstane dossiers (vergunning + één of meer tekeningen) waren toegankelijk via de klapper, waarin elk dossier voorzien van een volgnummer werd beschreven met buurtnummer, naam van de straat, werkbaas en eigenaar.

De dossiers waren min of meer chronologisch geordend. Het volgnummer van de klapper was met gekleurd potlood op de tekening geschreven. Tot 1875 zijn bijna alle tekeningen bewaard gebleven en terug te vinden in het archief. Na de instelling van de Dienst Bouw & Woningtoezicht (BWT) in 1901 zijn echter tekeningen, die nodig waren voor verbouwingen of sloop uit het archief van de Bouwopzichters gelicht en in de BWT-dossiers geborgen.

De rooimeesters en bouwopzichters hielden zich ook bezig met het uitzetten van rooilijnen, het vernummeren van de percelen en het vaststellen van perceelbreedtes. Ook van deze werkzaamheden vinden we de neerslag in het archief in de vorm van dagboeken, registers en correspondentie.

Het lijkt niet waarschijnlijk dat er uit het archief stukken zijn vernietigd.

Het archief is waarschi Inventarisatie.

Het Archief van de Rooimeesters en Bouwopzichters vormde in de oorspronkelijke samenstelling doorlopende reeksen vanaf 1811 tot circa 1900. De oorspronkelijke ordening is verlaten vanwege de wijziging van het ambt van rooimeesters in dat van bouwopzichters als gevolg van de invoering van de gemeentewet. Door de nieuwe bepalingen op bouwen en slopen in de wet van 1859 was voor elke vorm van bouwen een bouwvergunning noodzakelijk. Inspectie voorafgaand aan de vergunning en toezicht op het naleven van de voorschriften verzwaarden het werk en door de verschuiving van het accent op het bouwen kregen de inspecteurs de naam bouwopzichters.

Om de inspectie van de bouwaanvragen goed te kunnen beoordelen waren de aanvragers verplicht één of meer bouwtekeningen bij het rekest in te sturen. In het archief zaten de tekeningen opgevouwen om de vergunning heen. Door het bijeensnoeren van de dossiers tot omslagen en de rechtopstaande berging van de omslagen waren veel tekeningen op de vouwen en aan de randen beschadigd.

Na de scheiding van de stukken van de rooimeesters en die van de bouwopzichters is van beide gedeelten een inventaris gemaakt. In beide archiefbestanden zijn de stukken geordend naar de werkzaamheden. De indeling is als volgt: algemene correspondentie, vergunningverlening, toezicht, vernummering en het uitzetten van rooilijnen. Een aantal gedrukte verordeningen verzameld door de bouwopzichter E. van Houten zijn achteraan onder het hoofdstuk ¿diversen¿ ondergebracht. In het archief bevinden zich drie indexen op persoonsnamen, die niet tot het archief behoren en ook niet afkomstig zijn uit de archieven van PW of BWT. Voorlopig zijn ze achteraan bijgevoegd.

Beschrijving van de tekeningen.

De zich binnen het archief van de bouwopzichters bevindende tekeningen zijn uit het archief gelicht en stuksgewijs beschreven, zo nodig geconserveerd en liggend geborgen. De beschrijvingen werden uitgevoerd door Guido Hoogewoud, Janjaap Kuyt, David Mulder en Marion Kuipers-Verbuijs.

Alle tekeningen zijn beschreven met vermelding van de soort tekening, de voorstelling, het materiaal en ¿ indien bekend ¿ de naam van de vervaardiger en de opdrachtgever. Daarnaast zijn opgenomen het inventarisnummer, waar onder de tekening en vergunning zijn geborgen, de bijbehorende nummers in de indicateur en het rapportboek met ieder met hun respectievelijke inventarisnummer als mede het volgnummer van de klapper. Tot 1878 waren de adressen samengesteld uit een straatnaam en een wijkletter met een nummer. Alle adressen op de tekeningen en in de boeken tot 1878 stonden op die manier of met een kadasternummer vermeld. Zoveel mogelijk is het oude adres overgezet naar het huidige systeem van straatnaam en nummer. Niet alle oude adressen en kadasternummers konden herleid worden tot nieuwe, bovendien zijn na de invoering van het moderne systeem nog verschillende hernummeringsrondes geweest. Die latere wijzigingen zijn wegens het gebrek aan tijd niet verwerkt. Soms ook zijn de adressen niet meer terug te vinden omdat de straat niet meer (in dezelfde hoedanigheid) bestaat. Gebouwen, die bekend zijn onder een bepaalde naam, zoals weeshuizen, scholen, fabrieken, hofjes staan op hun eigen naam geordend.

Digitale afbeeldingen van de tekeningen zijn via de website van het Gemeentearchief te raadplegen. Hier vindt men de tekeningen terug onder het nieuwe adres of onder hun eigen naam.

Guido Hoogewoud

Marion Kuipers-Verbuijs

Mei 2004 Literatuur:

Breen, J.C. "De verordeningen op het bouwen te Amsterdam vóór de negentiende eeuw", Jaarboek Amstelodamum, VI (1908).

Hofland, P. "Bouw- en Woningtoezicht in Amsterdam rond 1900", Maandblad Amstelodamum 87 (2000).

Kappelhof, A.C.M. "De Gemeentelijke organisatie in de negentiende en de twintigste eeuw 1800-1940", Nederlands Archievenblad 97 (1993).

Noordkerk, H. "Handvesten en privilegiën der stad Amstelredam", 1748.

Stoop, A.M. "Inleiding op de inventaris van het archief 5361, Stadswerken en -gebouwen, (1752) 1812-1855 (1883), GAA, Amsterdam, 1989/1991.

Valk, A.J. van der. "Amsterdam in aanleg, planvorming en dagelijks handelen 1850-1900", Amsterdam 1989.

Werkman, H.W. "Inleiding op de inventaris van het Stadsfabriekambt, later Stadswerken en Gebouwen, (archief 5040) 1532-1811, GAA, Amsterdam, 1991.

Noten:

  1. J. C. Breen, "De verordeningen op het bouwen te Amsterdam vóór de negentiende eeuw", Jaarboek Amstelodamum, VI (1908), 115.
  2. H. Noordkerk, "Handvesten en privilegiën der stad Amstelredam", 1748, 2de stuk, 979-984.
  3. A.C.M. Kappelhof, "De Gemeentelijke organisatie in de negentiende en de twintigste eeuw 1800-1940", Nederlands Archievenblad 97 (1993), 244.
  4. "Gemeentewet van 29 juni 1851", Staatsblad 85, (Nederlandsche Staatscourant), 9 juli 1851, 160.
  5. "Ontwerp-verordening op het bouwen en sloopen" (1857), met de hand geannoteerd, GAA, bibliotheek N 46.003.01.
  6. "Verordening op het bouwen en slopen, vastgesteld in de raadsvergaderingen van 14 juli en 10 augustus 1858", Gemeenteblad, 11 augustus 1858nr. 16,177-204.
  7. "Verordening, tot bescherming van de rigtingslijn der gebouwen", Gemeenteblad 1854, nr. 9.
  8. "Verordening op het bouwen en sloopen", Gemeenteblad, 1861, volgnummer 19, nr. 93, I, 189-218.
  9. A.J. van der Valk, Amsterdam in aanleg, planvorming en dagelijks handelen 1850-1900, Amsterdam 1989, 150.
  10. P. Hofland, "Bouw- en Woningtoezicht in Amsterdam rond 1900", Maandblad Amstelodamum 87 (2000), 161.
  11. "Voordracht no. 276 tot vaststelling van eene Verordening, regelende het Gemeentelijk Bouw- en Woningtoezicht, 19 maart 1901", Gemeenteblad 1901, I, 194, II, 293.
  12. H. Noordkerk, Handvesten, 2, 1011-1012, 1680-01, zie: H. W. Werkman, Inleiding op de inventaris van het Stadsfabriekambt, later Stadswerken en Gebouwen, (archief 5040) 1532-1811, GAA, 982-1991, 21.
  13. Breen, zie noot 2, p. 147.
  14. Archief Burgemeesteren, Ambten en Officiën voorlopig Nr. 1374 A, instructieboek 1, p. 39, zie noot 10.
  15. Reglement voor de stad Amsterdam, vastgesteld bij K.B.Staatsblad (Nederlandsche Staatscourant) 1824, 110.
  16. A.M. Stoop, "Inleiding", Inventaris van het archief 5361, Stadswerken en -gebouwen, (1752) 1812-1855 (1883), GAA, 1989/1991
  17. Gemeentelijk jaarverslag 1858, 8. De bezoldiging werd op 6 oktober vastgesteld, de bouwopzichters werden benoemd op 8 december, per 31 december werd eervol ontslag verleend aan de rooimeesters.
  18. "Instructie bouwopzichters", 7 oktober 1858, Gemeenteblad, 1858, volgnummer 21, 219-222. Idem, 31 januari 1862, Gemeenteblad, 1862, volgnummer 7, 21-24, artikelen 1-13 (75-77).
  19. "Verordening op het bouwen en slopen", art. 75, zie noot 8.
  20. "Begroting der inkomsten en uitgaven van de Gemeente Amsterdam voor de Dienst van 1870 en Algemeen rapport van de Afdeling van de Gemeenteraad van Amsterdam betreffende de begroting voor het jaar 1870", hoofdstuk IV no. 130, Gemeenteblad, 1869, I, 487, volgnummer 290 d.d. 13 oktober 1869.
  21. "Verordening op het bouwen en slopen", zie noot 8.
  22. "Verordening op het bouwen en slopen", zie noot 8.
  23. Gemeenteblad 1873, III, volgnummer 50, vastgesteld in de vergadering van B&W van 17 juli 1873.
  24. Archief Gemeenteraad, arch. 5079, inv.nr. 420, munimentenregister 1858 /242, inv.nr. 2418, rapport wethouder Publieke Werken betrekkelijk te benoemen bouwopzichters.
  25. "Algemeen rapport van de Afdelingen van de Gemeenteraad van Amsterdam betreffende de begroting voor het jaar 1870", volgnummer 290, 13 oktober 1869, hoofdstuk IV, afdeling I no. 130, Gemeenteblad, 1869, I, 487. "Verslag van de vergadering van de gemeenteraad van 28 oktober 1869", Gemeenteblad, 1869, II, 722-727.
  26. "Adres van B. Hamers, W. ter Reehorst, C.A.Dekker, bouwopzigters der Gemeente, houdende verzoek om verhoging hunner jaarwedde", Gemeenteblad, 1869, II, 642. "Voordracht 343, Rapport van B&W inzake het adres van de bouwopzichters verzoekende verhoging hunner jaarwedde, 22 oktober 1870", Gemeenteblad 1870, I, 798-800, II, 726.
  27. "Verslag van de vergadering van de gemeenteraad van 27 oktober 1871", Gemeenteblad, 1870, II, 726, volgnummer 130.
  28. "Verslag der Afdelingen van de Gemeente-Raad omtrent de Gemeente Begroting voor den Dienst van 1876", uitgaven hoofdstuk III, no. 100, Gemeenteblad, 1875, I, 871.
  29. Volgnummer 308, "Memorie ter beantwoording van het Algemeen Verslag der afdelingen van de Gemeente raad van Amsterdam omtrent de Gemeente Begroting voor het jaar 1876, no. 300", Gemeenteblad, 1875, I, 806, 9 oktober 1875. "Voordracht 238 houdende der jaarwedden van de ambtenaren bij de Publieke Werken der Gemeente, 27 augustus 1875", Gemeenteblad, 1875, I, 462, 463, raadsvergadering van 26 oktober 1875, I, 463, II, 426-430.
  30. "Voordracht no. 90, 12 februari 1877, 'om voorshands geene wijziging te brengen in het aantal bouwopzichters'", Gemeenteblad, 1877, I, 136, "Verslag van de vergadering van de gemeenteraad van 21 februari 1877", II, 130-131. "Voordracht 219, 2 juni 1877,' tot vermeerdering van het aantal bouwopzichters en tot nadere regeling van hunne jaarweddden'", Gemeenteblad, 1877, I, 359.
  31. "Verslag van de vergadering van de gemeenteraad 21 juni 1877", Gemeenteblad, 1877, II, 487-492, volgnummer 6.
  32. "Voordracht no. 680 tot regeling van het bouwtoezicht, 8 oktober 1895", Gemeenteblad, 1895, I, 1275, II, 749-772.
  33. "Verordening op het bouwen en slopen", art. 5 zie noot 8.
  34. De lijst is opgesteld aan de hand van de ondertekende rapporten in de rapportboeken, in bepaalde jaren werden de rapporten echter systematisch niet ondertekend, zodat hier en daar hiaten zijn ontstaan. De aanstellingen en ontslagen zijn slechts gedeeltelijk terug te vinden in de notulen van B&W.
  35. J.J. van Ronselen wordt aangesteld als adjunct van zijn vader W. van Ronselen wegens diens hoge leeftijd. Archief 5166, Burgemeester & Wethouders 1814-1980, inv.nr. 11, pp.54 en 56.
  36. Hij was sinds 1862 tekenaar bij bureau van de stadsarchitect en daarna commies bij het bureau van de Bouwopzichters.

Archiefvormer

Rooimeesters, sinds 1859 bouwopzichters
© Stadsarchief
Disclaimer / Colofon
<

Gegevens over mogelijk nog levende personen mogen alleen worden gebruikt voor historisch (waaronder genealogisch), wetenschappelijk of statistisch onderzoek.

Door het aanklikken van onderstaande button verklaart u zich te houden aan het Reglement voor raadpleging en gebruik van het Stadsarchief.