5213: Archief van de Dienst der Publieke Werken

Algemene kenmerken

Toegangsnummer:

5213

Periode:

1865-1921, 1942

Inleiding

Geschiedenis van de instelling

De organisatie

In de raadsvergadering van 18 januari 1856 werd het voorstel van B & W aanvaard tot aanstelling per 1 mei 1856 van een Stadsarchitect (arch. 5215), een Stadsingenieur (arch. 5214) en een Directeur bij de Publieke Werken en ontslag per ultimo april van dat jaar van de Inspecteur der Publieke Werken, de Directeur van het Stadsfabriekambt en de Directeur van de Stadswaterwerken (arch. 5361). De laatste twee functionarissen waren sinds 1848 verantwoordelijk voor de technische gang van zaken bij de Publieke Werken, gecontroleerd sinds november 1852 door de Inspecteur der Publieke Werken, terwijl sinds 1848 voor de bestuurlijk-administratieve kant eerst een wethouder voorlopig was belast met de Publieke Werken en vanaf 1850 een vaste Wethouder werd benoemd voor de Publieke Werken (zie arch. 5361, inleiding, pp. 8 en 9). Voor de benoeming van een (voorlopige) wethouder fungeerde een Commissaris der Publieke Werken (arch. 5179), die zowel technische als bestuurlijk-administratieve verantwoordelijkheden had, doch ondergeschikt was aan de Wethouder van Financiën (arch. 5177).

De bedoeling was, dat de Stadsarchitect de meeste taken overnam van de Directeur van het Stadsfabriekambt, de Stadsingenieur die van de Directeur van Stadswaterwerken en dat de Directeur bij de Publieke Werken veel kleinere, maar tijdrovende zaken op zich zou nemen . De Directeur bij de Publieke Werken kreeg de volgende taken: 1. toezicht op de steigers, paalwerk en andere houten constructies, 2. het beheer der magazijnen, werven en werkplaatsen der gemeente, 3. het toezicht op de schuiten, de machines, het gereedschap en de uitrusting der vrijwillige brandweer, 4. de inspectie van de walmuren en beschoeiingen, 5. het luiden en onderhoud der klokken, 6. het toezicht op het werkvolk in gemeentedienst, 7. het onderhoud der riolen en goten, 8. diverse taken, niet toebedeeld aan de Stadsingenieur of de Stadsarchitect .

Omdat er allerlei bedenkingen betreffende de samenwerking tussen de Architect, Ingenieur en Directeur waren, werd in de raadsvergaderingen van 23 januari en 5 februari 1873 de wenselijkheid van één verantwoordelijke persoon voor alle Publieke Werken uitgesproken en aldus besloten tot de aanstelling van één Directeur-Generaal. Toen echter vlak voor zijn indiensttreding de fungerende Directeur bij de Publieke Werken overleed, werd de titel van Directeur-Generaal veranderd in Directeur der Publieke Werken. De Directeur der Publieke Werken volgde dus de Directeur bij de Publieke Werken in een totaal andere hoedanigheid op, nl. als superieur en niet als collega van de Stadsarchitect en de Stadsingenieur . De nieuwe Directeur kreeg de volgende taken: a. de leiding over de Publieke Werken, b. de functie van hoogste adviseur van B & W terzake eigendommen der openbare dienst, c. het beheer van en het toezicht op de Publieke Werken namens B & W, d. de functie van adviserend lid van de Commissie van Bijstand der Publieke Werken, e. de functie van Inspecteur van gemeentewerken m.b.t. waterstaat, wegen, havens en openbare gebouwen, f. de leiding over en het toezicht op de uitvoering van werken, g. het beheer van de bibliotheek van Publieke Werken, h. de regeling der taken van de ambtenaren van Publieke Werken .

De taken, zoals die in 1856 waren verdeeld, werden als volgt herverdeeld. De taken met de nummers 1, 3, 4, 5 en 7 kwamen onder de Stadsingenieur (arch.5214), taak nummer 2 kwam onder de Stadsarchitect (arch. 5215) en wat betreft taak nummer 8: het schoonhouden van bruggen, markten en pleinen kwam in 1877 onder de nieuw opgerichte Stadsreiniging (arch. 5274) en het toezicht op de kaden in het havengebied ging in de negentiger jaren over naar de Gemeente Handelsinrichtingen (arch. 5183). Onder de Directeur van de Dienst der Publieke Werken kwam het toezicht op de nakoming der bij de concessieverlening aan de Imperial Continental Gas Association (1883), de Duinwatermaatschappij (1885), de Maatschappij van Electrische stations te Amsterdam Electra (1890), de Amsterdamsche Omnibus Maatschappij (1876) en de Nederlandsche Bell Telephoon Maatschappij (1881) gestelde voorwaarden. De concessies vervielen en het toezicht dus ook bij de instelling van de Gemeente Waterleidingen (1 mei 1896), Gemeente Telefoon (1 november 1896), Gemeente Gasfabrieken (10 augustus 1898), Gemeente Tram (1 januari 1900) en Gemeente Electriciteitswerken (december 1903) . Taak nummer 6 bleef onder de Directeur .

In februari 1895 werden de administraties van Stadsarchitect en de Stadsingenieur opgeheven. Alle technische zaken kwamen nu onder de Directeur, het comptabel beheer kwam onder de Administrateur. Tot 1904 was de laatste geen verantwoording schuldig aan de Directeur, daarna werd ook hij onder de Directeur geplaatst .

De technische dienst werd verdeeld in twee hoofdburo's. Het eerste, onder leiding van de Stadsingenieur (vanaf 1895 de tweede in rang binnen de Dienst), werd belast met de voorbereiding en uitvoering van nieuwe werken, het tweede voerde de onderhoudswerkzaamheden uit. Hoofdburo I had de volgende afdelingen: algemene zaken, bruggen, gebouwen, havenwerken, plantsoenen, faecaliënafvoer en riolering. Hoofdburo II ging over de centrale werkplaatsen, de klokkenisten en het onderhoud en was regionaal georganiseerd. Daarnaast stonden de Administrateur en het Centraal Gemeente Magazijn (vanaf 1924 onder de Centrale Dienst voor de Levensmiddelenvoorziening) .

In 1904 werd de verdeling in hoofdburo's opgeheven en begon men de technische dienst functioneel in afdelingen te organiseren. Onder meer werden van de grote afdeling 'onderhoud', die regionaal (in secties) was georganiseerd, de werkzaamheden zoveel mogelijk bij de diverse technische afdelingen ondergebracht, waar zij naar hun aard toe behoorden.

De volgende afdelingen ontstonden: rioleringen, waterverversing, bruggen, haven- en waterwerken, gebouwen, werktuigen en bestratingen, algemene dienst en landmeten, beplantingen, gemeentewerkplaatsen, utiliteitsbouw, administratie, secretariaat, grondexploitatie, grondbedrijf, gereedmaken terreinen, stadsontwikkeleing en uitbreiding, klokkenisten en onderhoud .

De directeuren

De Dienst heeft de volgende directeuren gekend:

Jacob Verheij: 1856 mei - 1873 mei

Jan Kalff: 1873 juni - 1881 november

Johannes Abraham Schuurman: 1882 januari - 1895 maart

Constant Lodewijk Marius Lambrechtsen van Ritthem:

1895 mei - 1899 december

Johan van Hasselt: 1900 januari - 1907 februari

Andries Wilhelm Bos: 1907 april - 1926 april

Jacob Verheij, geboren te Den Helder 24 mei 1815 en alhier overleden op 13 mei 1873 , was timmerman. Hij was autodidact en werd in 1839 aangesteld als opzichter bij de Hondsbossche duinen te Petten onder dijkgraaf J.A. Kluppel en werkte aan de zeewering aldaar tot 1843. Tevens had hij het toezicht op de Rijks- en Provinciale Werken en werkte hij samen met P. van der Sterr (Stadsingenieur alhier van 1856 - 1864) aan een nieuwe kaart van de Hondsbossche Zeewering. Van 1 juni 1843 - 1 mei 1856 was hij stadsarchitect van Alkmaar, alwaar hij zich met gasverlichting, wegen- en bruggenaanleg, gebouwen en walmuren heeft beziggehouden en het toezicht had op het beheer van al het daartoe benodigde materieel en op de brandspuiten, klokken en carillons . Van 1 mei 1856 13 mei 1873 was hij Directeur bij de Publieke Werken.

Jan Kalff werd op 19 september 1831 te 's-Gravenhage geboren en overleed op 17 september 1913 te Oosterbeek. Hij verliet in 1852 de Militaire Academie te Breda als 2e luitenant en in 1865 de militaire dienst als kapitein der genie. Van 1865 - 1871 was hij eerstaanwezend ingenieur te Zwolle bij de spoorwegen en van 1871 - 1873 te Hilversum (bij de aanleg van de Ooster Spoorweg van de H.IJ.S.M.). Van juni 1873 - 1881 was hij Directeur der Publieke Werken en van 1882 - 1897 hoofdingenieur-chef van dienst bij de Maatschappij tot exploitatie van Staatsspoorwegen . Johannes Abraham Schuurman werd op 17 december 1836 te Breda geboren als zoon van G. Schuurman, kolonel van de Generale Staf, en M.C.G. Vollgraff, en overleed alhier op 10 juli 1896. In 1852 werd hij kadet der genie aan de Militaire Academie te Breda, op 30 juni 1856 werd hij 2e luitenant bij het korps mineurs en sappeurs te Nijmegen, op 14 juli 1858 1e luitenant te Haarlem, in 1864 adjudant van de Generaal-Majoor-Inspecteur der Genie te Utrecht, op 8 mei 1867 kapitein te Wijk bij Duurstede, belast met de kanalisatie van de Kromme Rijn en de bouw van een inundatiesluis, op 16 januari 1875 majoor te Gorkum, belast met grote verdedigingswerken aan de Diefdijk en de Lingedijk, op 26 september 1878 luitenant-kolonel en vervolgens alhier Directeur der Publieke Werken van 1881 - 1895 .

Constant Lodewijk Marius Lambrechtsen van Ritthem werd op 22 augustus 1854 te Middelburg geboren en overleed op 26 mei 1930 te 's-Gravenhage. Hij ging in 1873 naar de Polytechnische School te Delft en studeerde daar in 1877 af als waterbouwkundig ingenieur. Hij werd vervolgens buitengewoon opzichter te Vlissingen en later te Hoek van Holland, vervolgens werd hij in 1880 assistent op de Polytechnische School in de droge waterbouwkunde onder Prof. Stenerwald en in 1882 ingenieur van de Provinciale Waterstaat Zeeland met als standplaats Goes (de Goesche Sas is door hem ontworpen en gebouwd). In 1895 werd hij Directeur der Publieke Werken te Amsterdam en in 1900 directeur van de Dordtsche Petroleum Maatschappij (standplaats Amsterdam). Van 1909 - 1915 was hij lid van de Gemeenteraad en van 1918 1929 Regeringscommissaris van een N.V. voor de oprichting van een Nederlandse Hoogoven voor staal en een walserij .

Johan van Hasselt werd op 5 mei 1850 te Sneek geboren en overleed te Heemstede op 5 februari 1917. Hij werd als civiel ingenieur lid van het Technisch Bureau Van Hasselt en De Koning te Nijmegen en kwam in november 1888 naar Amsterdam, alwaar hij van 1888 1896 hoofdingenieur van de Duinwatermaatschappij, van 1896 1900 Directeur Gemeentewaterleidingen en van 15 januari 1900 - 1 februari 1907 Directeur der Publieke Werken was . Nadat hij hier na onenigheid was vertrokken, was hij verder als vrijgevestigde bouwkundige werkzaam .

Andries Wilhelm Bos werd op 5 maart 1860 te Groningen geboren en overleed op 6 maart 1954 te 's-Gravenhage. Na de HBS werd hij in 1877 kadet bij de genie op de Militaire Academie te Breda. Op 1 juli werd hij ingenieur en in 1881 luitenant-ingenieur. Hij hield zich bezig met versterkingswerken en kazernes. In 1901 ging hij als kapitein uit actieve dienst en werd eerstaanwezend ingenieur in 's Rijks Dienst te Hellevoetsluis en werd voorts uitgeleend aan de Noordooster Locaal Spoorweg. Hij was drie jaar lid van de gemeenteraad te Zwolle. Op 1 april 1907 werd hij alhier Directeur der Publieke Werken tot april 1926 .

Werken

In de periode van directeur Jacob Verheij (1856 - 1873) werden veel poorten gesloopt: in 1857 de Zaagmolen- en Weesperpoort, in 1858/59 de Utrechtsepoort, in 1862/63 de Leidsepoort, waarna de andere poorten en omwallingen volgden (op de Willemspoort en Muiderpoort na). De Singelgracht werd genormaliseerd; tevens werden over deze gracht de bruggen vernieuwd, kwamen er poorthuisjes bij de diverse barrières en werden de Goudsbloemgracht (Willemstraat), het Zakslootje en de Looierssloot gedempt .

Nadat in 1867 het plan-Van Niftrik was gesneuveld, werd in 1875 het zgn. plan-Kalff aangenomen voor de broodnodige uitbreiding van de stad (de Pijp, Kinkerbuurt, Centraal Station in open havenfront). Van het plan-Van Niftrik, dat veel weidser van opzet was, bleven slechts 3 parken over, t.w. het Wester-, Sarphati- en Oosterpark. Reeds in 1874 werd met 36 werken aangevangen voor de verbindingswerken van de oude met de nieuwe stad, w.o. het slopen van vestingwerken, de aanleg van verbindingswegen, de vernieuwing, verbreding en verbetering van bruggen, wegen en straten en de demping van grachten in de binnenstad .

Enkele van de werken uit de periode van directeur J.A. Schuurman (1882 1895) waren het abattoir en het gymnasium aan de Weteringschans, het gebouw van de Algemene Dienst aan de kop van de Handelskade, een aantal gebouwen en enige hydraulische kranen aan de Handelskade, het Scheikundig Laboratorium, het Physisch Laboratorium, het Laboratorium voor de Gezondheidsleer, een Model Apotheek, het Aquarium van Artis, het Gebouw voor Zoötomieonderwijs, verbreden en verlagen van bruggen, demping en riolering van een gedeelte van het Spui, opruimen van de Osjessluis in de Kalverstraat, dempen en rioleren van de Hout- en Leprozengrachten, verschillende loodsen op de Handelskade, het merendeel der gebouwen van het Wilhelmina Gasthuis, het Stedelijk Museum, diverse gebouwen van de begraafplaats in het Watergraafsmeer, een strekdam in het afgesloten IJ, een groot aantal bruggen, een groot aantal scholen voor middelbaar en lager onderwijs, de Petroleumhaven in de Amsterdammerpolder, het Lozingskanaal en een belangrijke uitbreiding van de Houthaven . In de periode Lambrechtsen van Ritthem (1895 - 1899) kwam het PTT-gebouw aan de N.Z. Voorburgwal tot stand, het Volksbadhuis in de Govert Flinckstraat, de Bad- en Zweminrichting aan de Heiligeweg, het Haltegebouw Oosterspoorweg (Pontanusstraat), de brandweerkazerne Honthorststraat 25-27, de vergroting van het Burgerweeshuis in de Kalverstraat en Berlages beurs, doorbraak Raadhuisstraat, Het gebouw van het Bevolkingsregister, Singel 451-453, het telefoongebouw aan de Raadhuisstraat tussen Singel en Spuistraat, enige scholen, waaronder aan het Hortusplantsoen 1-2 en Karthuizerplantsoen 1-2 .

Gedurende Van Hasselts directeurschap (1900 - 1907) kwam de beurs (1903) gereed, doch hij nam uiteindelijk ontslag naar aanleiding van het feit dat niet de Dienst Publieke Werken, maar B & W de leiding had bij het treffen van maatregelen wegens technische bezwaren aan de bouw van de beurs . Andere werken uit zijn tijd waren de uitbreiding van het politieburo op Singel 455-457, het schoolkinderbad aan de Frederik Hendrikstraat 105, enkele scholen, waaronder die aan de Van der Veldestraat 10, Zeeburgerdijk 25 en de Prins Mauritskade 58 (3e HBS) .

In de periode van A.W. Bos (1907 - 1926) bleef de bevolking sterk toenemen (van ca. 565.000 inwoners begin 1907 tot ca. 725.000 inwoners begin 1927; in 1870 was dit ca. 270.000, in 1889 ca. 400.000 inwoners). Het verkeer werd drukker en veranderde van aard (elektrische tram, auto's). Het aantal ambtenaren van P.W. steeg van 210 tot 470, het aantal werklieden van 760 tot 1110. Wat de stadsontwikkeling betrof werd het principe aangaande uitbreidingen verwezenlijkt, dat de gemeente de bouwterreinen levert. Tevens werd het erfpachtstelsel ingevoerd. In 1907 had de gemeente voor een kapitaal van f 15,- miljoen aan grond, in 1926 voor ' 125 miljoen. Voor de administratie en boekhouding van deze gronden werd het Grondbedrijf in 1923 (met terugwerkende kracht in 1921) opgericht, dat onder de Directeur der Dienst van Publiek Werken ressorteerde. Onteigeningen en aankopen hadden plaats in 'Zuid', in de Indische buurt en in de Transvaalbuurt. Gepaard met de stadsuitbreidingen ging de aanleg van wegen, rioleringen, bruggen, kanalen, onderwijsgebouwen, politiebureaus, sportterreinen en kinderspeelplaatsen; de ontwikkeling van de overzijde van het IJ nam een aanvang. In de oudere stadsdelen had de verruiming van de Dam plaats, verbreding van de Mozes- en Aäronstraat, van de Vijzelstraat en de opruiming van de krottenbuurt Uilenburg. Uitgebreide regelingen werden met de Spoorwegen getroffen: het Westelijk viaduct, de verdubbeling van het spoorviaduct richting Haarlem en Zaandam, de regeling inzake de Ceintuurspoorweg rondom Amsterdam ter verbinding van de havens-West kregen hun beslag. Amsterdam werd geheel opgemeten en een volledige kaart op de schaal 1 : 1000 was daarvan het gevolg. Grote particuliere bouwwerken eisten regelingen vooraf, zoals daar waren het Koloniaal-Instituut, het Koloniaal-Etablissement, Hirsch, de Bijenkorf, het gebouw van de Diamanthandel en talloze kantoren. Aan havenwerken werden werken gerealiseerd in verband met de opheffing van de Oosterdoksluizen en de verbreding van de doorvaart aldaar; tevens werden waterkeringen in de Nieuwevaart, de Wittenburgervaart en de Oostenburgervaart gebouwd, de industriekanalen aan de overzijde van het IJ gegraven, de Zeeburgerkade, Borneokade, Coenhaven en het IJ-eiland met loodsen en pakhuizen aangelegd. De kadelengte voor diepgaande schepen steeg in de periode 1907 - 1926 van 6340 m naar 12.050 m.

Wat de afdeling 'gebouwen' betreft kan men een periode tot en na 1915 onderscheiden. Uit de eerste periode stammen gebouwen die werden gerekend als typisch te behoren tot de door PW te ontwerpen gebouwen: hoofdbureau van politie, 3e ambachtsschool, palmen- en varenkas van de Hortus Botanicus, Laboratorium van Plantkunde, Kinderkliniek met Administratiegebouw Binnen Gasthuis, 2e Werk- en Leerschool, Laboratorium voor de Gezondheidsleer.

De afdeling 'gebouwen' was toen nog klein: één architect had de dagelijkse leiding; andere architecten waren er niet, zodat het ontwerpen vaak moest worden overgelaten aan opzichter-tekenaars. In 1916 werd vastgesteld dat alle gemeentebedrijven altijd hun werken moesten opdragen aan PW ter uitvoering, uitzonderingen daargelaten. De afdeling werd toen gereorganiseerd en in 1926 telde het bureau 9 architecten op 100 man personeel, zodat het ontwerpen door architecten kon geschieden.

De belangrijkste gebouwen van na 1915 waren: het Paviljoen Tolhuisterrein, de Arbeidsbeurs, de Stadsdrukkerij, de Openbare Leeszaal,

  1. Telefooncentrales, een Quarantainestation (Zeeburg), Tesselschade Ziekenhuis, Scheikundig Laboratorium, Natuurkundig Laboratorium, Kantoorgebouw Gemeente Tram, Bureau G G & G D, 4e Ambachtsschool, Chirurgische Kliniek Binnen Gasthuis, Pharmacologisch Laboratorium, Politiebureau Verkeerswezen, Laboratorium van de Keuringsdienst van Waren, nieuwe vleugel Raadhuis met Poortgebouw, Hoofdremise Gemeente-Tram, 6 hogere burgerscholen, 100 gewone scholen, 6 badhuizen, restauratiewerken als: Agnietenkapel, Militiezaal, Saaihal; de Vuilverbrandingsinrichting, de Electrische Centrale Noord, de Tramremise aan de Havenstraat, woningbouwcomplexen in de Van der Pekbuurt, Transvaalbuurt en Polanenbuurt.
Wat beplantingen betreft, kregen de volgende werken hun beslag: Volewijkspark, Nieuwendammerbos, verfraaiing Indische buurt met veel kleine plantsoentjes, aanleg Zuidelijke Wandelweg, Valeriusplein, Park Buiksloterham, Tuindorp Oostzaan, 1e Nederlandse Parkherstellingsoord bij het Oosterpark, verfraaiing plan-Zuid en Betondorp met veel plantsoentjes, wijziging Rembrandtsplein, aanleg Damplantsoen, Leidsebosje, vele sportterreinen. Bij elkaar werd in de periode 1907 - 1926 ca. 42 ha aan parken en plantsoenen aangelegd.

Het onderhoud aan gebouwen, kaden, bruggen, straten, riolen en havens werd zoveel mogelijk gecentraliseerd, de Centrale Werkplaatsen, waar 150 à 200 werklieden werkten, werden gereorganiseerd en ontwikkelden zich tot een concurrerend bedrijf voor de aanneming van werken.

Bij de afdeling werktuigkunde werd op 1 januari 1908 een aparte functionaris aangesteld, die er voor moest zorgen dat er werktuigkundige bestekken kwamen voor de uitvoering van bijzondere installaties als centrale verwarming, ventilatie, warmwatervoorziening, stoomkeukens, was- en drooginrichtingen, liften, rioolpompgemalen, badhuizen en vuilverbranding. Doordat in het laatste oorlogsjaar de levering van installatiematerialen vaak volledig uitbleef, durfden ondernemers niet meer in te schrijven op het bouwen van dergelijke installaties en werden die voortaan in eigen beheer vervaardigd. Dat bleef zo na 1918; alleen de aanschaf van onderdelen geschiedde verder nog door inschrijving. Van de ca. 350 bruggen (waarvan 70 beweegbaar) werd 60% verbreed, vernieuwd en versterkt door de komst van de electrische tram en de auto. Ca. 20 beweegbare bruggen werden van een elektro-mechanische bewegingsinrichting voorzien.

Een nieuwe riolering met gemalen werd volgens het gemengde stelsel voor de buitenstad aangelegd met een persbuis naar de Zuiderzee. Een riolering in het Lijnbaansgracht-district werd aangelegd. Het Liernurstelsel, dat nooit goed had gewerkt, werd opgeheven. De bouw van de 1e complete rioolwaterzuiveringsinrichting in de Watergraafsmeer werd aangelegd. Een aparte machinedienst werd ingesteld voor de bediening van rioleringsgemalen.

Verder werden de straten en het plaveisel aan de nieuwe tijd aangepast (de stratenmakers werden toen de bestbetaalde gemeente-arbeiders en er werd daarnaast nog van 1923 - 1926 ca. 250.000 m2 straat geasfalteerd). Honderden bomen moesten worden verplant, hetgeen een storm van protesten ten gevolge had. De uitgaven voor bestratingswerken stegen van '1 miljoen in 1907 tot f 4 1/2,- miljoen in 1926 (in 1923 werd f 10,- miljoen gevoteerd voor het aanleggen van geruisloze, geasfalteerde wegen) .

Geschiedenis van het archief

Vermoedelijk werd het archief van de Dienst der Publieke Werken van 1856 - 1916, waarin de Stadsarchitect en de Stadsingenieur was opgegaan, in 1923 overgebracht naar een depot van het gemeentearchief in de Bank van Lening op de Herenmarkt vanuit het Prinsenhof (stadhuis) . Tussen 1941 - 1953 werd het archief van 1917 - 1940 (statisch en dynamisch) overgebracht naar het depot van de Dienst op de zolder van het voormalige hoofdbureau van politie aan de O.Z. Achterburgwal . Voor het betrekken van het Wibauthuis door de Dienst in 1965 werd het archief over de periode 1917 1921 afgestoten naar de Herenmarkt, terwijl het lopend archief vanaf 1922 meeging naar het Wibauthuis . In 1968 werden de reeds naar het gemeentearchief afgestoten bestanden overgebracht naar de voormalige brood- en meelfabriek 'Ceres' aan de Nieuwe Prinsengracht en tenslotte in 1986 naar de Amsteldijk 67, alwaar inmiddels genoeg depotruimte was bijgekomen om alle aan de archiefdienst overgedragen archieven te herbergen .

Verder zij gewezen op de bouwtekeningen- en plattegrondencollectie op de Historisch Topografische Atlas van het Gemeentearchief met als toegang de kaartsystemen getiteld 'openbare werken / monumentenzorg' en 'eigen collectie '. De eerste verzameling is op straat en architect geïndiceerd, de tweede op straat. De tekeningen uit de eerste collectie zijn opgeborgen op dossiernummer (van het centraal tekeningenarchief), die uit de tweede op adres. De fiches met als titel 'Dienst Publieke Werken' kunnen de archieven Stadswerken en -gebouwen, Stadsingenieur, Stadsarchitect en Dienst Publieke Werken betreffen, afhankelijk van periode en object.

Inventarisatiewerkzaamheden

Het archief is 97 m lang en bevindt zich in redelijke staat. Vanaf 1848 was de organisatie dusdanig, dat er een strikte scheiding tussen techniek/uitvoering en administratie/bestuur bestond, die in 1850 geformaliseerd werd door de wethouder die provisioneel gecommitteerd was tot de Publieke Werken tot wethouder van Publieke Werken te benoemen (zie inleiding arch. 5361, pp. 3 en 8). Uit de 'techniek' heeft zich de Dienst der Publieke Werken, later Openbare Werken (1980) ontwikkeld, zoals we die tot in de tachtiger jaren van deze eeuw hebben gekend (tot de opdeling ca. 1990 van de Dienst der Openbare Werken in de Dienst Stedelijk Beheer en Openbare Ruimte, de Dienst Riolering en Waterleiding, de Milieudienst en de Algemene Milieuonderzoeksdienst en de decentralisatie der overige taken en onderbrenging daarvan bij de in de jaren 1986 - 1990 opgerichte Deelraden; deze reorganisatie was nog niet voltooid bij het afronden van deze inventaris). Pas per 1 mei 1856 werd de 'techniek' organisatorisch op een nieuwe leest geschoeid en werden de aan het begin van deze inleiding genoemde organisaties in het leven geroepen o.l.v. de Stadsarchitect, de Stadsingenieur en de Directeur bij de Publieke Werken, waarvan uiteindelijk de laatste in 1895 de taken van de andere twee overnam en, na een kortstondige tweedeling van Administrateur (comptabiliteit) en Directeur (techniek) van 1895 - 1904, alles in zich verenigde. Al deze organisatorische veranderingen hebben geen veranderingen in de administratie tot gevolg gehad tot 1921, wel uitbreiding ervan.

LITERATUUR

Graaf, ir W.A. de, 'Bij het afscheid van A.W. Bos, directeur der Publieke Werken van Amsterdam 1907 - 1926'; overdruk uit het weekblad De Ingenieur 1926, no. 189, 's-Gravenhage, [ca. 1926]

100 jaar Publieke Werken, 13 februari 1850 - 1950; uitgave ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan van de Dienst der Publieke Werken, [Amsterdam, 1950]

[Niftrik, J.G. van], Geschiedenis van de Publieke Werken van Amsterdam van 1864 - 1901, [Amsterdam, ca. 1905]

Overzicht van de organisatie en ontwikkeling van de secretarie der gemeente Amsterdam sedert de invoering van de gemeentewet in 1851. Gemeentediensten en gemeentebedrijven afzonderlijk. Met historisch overzicht, [Amsterdam, ca. 1958]

Valk, A. van der, Amsterdam in aanleg; planvorming en dagelijks handelen 1850 - 1900, Amsterdam, 1989

Zuydewijn, H.J.F de Roy van, Amsterdamse bouwkunst 1815 - 1940, [Amsterdam, 1969]

Archiefvormer

Dienst Publieke Werken
© Stadsarchief
Disclaimer / Colofon
<

Gegevens over mogelijk nog levende personen mogen alleen worden gebruikt voor historisch (waaronder genealogisch), wetenschappelijk of statistisch onderzoek.

Door het aanklikken van onderstaande button verklaart u zich te houden aan het Reglement voor raadpleging en gebruik van het Stadsarchief.