5180: Archief van de Secretarie; Afdeling Publieke Werken

Algemene kenmerken

Toegangsnummer:

5180

Periode:

1851 - 1949

INLEIDING

door Lydia Hagoort

Organisatie van de afdeling

De nieuwe afdeling behoorde zorg te dragen voor de communicatie tussen de uitvoerende organen en de wethouder van Publieke Werken over het onderhoud en vernieuwing van de openbare werken en het formuleren van voorstellen hiertoe ten behoeve van B & W. Daarnaast zorgde de afdeling onder andere voor de afhandeling van de bouwverzoeken en van verschillende vergunningaanvragen.

De sociaal-economische omstandigheden in deze tijd waren zorgwekkend; ook de openbare werken verkeerden in een vervallen staat. In 1851 werd een commissie benoemd die de opdracht kreeg onderzoek te doen naar de beste wijze van beheer van Publieke Werken. De commissie deed de aanbeveling een inspecteur te benoemen, die uitsluitend de inspectie van de Publieke Werken tot taak zou krijgen.

Om deze reden werden de twee technische directeuren vanaf 1852 bijgestaan door de nieuw aangestelde Inspecteur der Publieke Werken, W.A. Froger. Deze kreeg de opdracht een rapport uit te brengen over de onderhoudstoestand van de openbare werken. Volgens de instructie diende de inspecteur tevens op te treden als adviseur van de wethouder belast met Publieke Werken en de in datzelfde jaar opgerichte raadscommissie van voorbereiding.

De onduidelijkheden die inmiddels ontstaan waren bij de drie hoofdambtenaren wat betreft taakafbakening en ambtelijke leiding brachten echter grote problemen teweeg. Het rapport dat Froger in 1854 uitbracht bij de wethouder Publieke Werken was uiterst negatief, zowel over de staat van onderhoud van de stedelijke publieke werken als over de effectiviteit van de organisatie. Dit alles deed de wens ontstaan naar een geheel andere organisatievorm.

In 1856 werd een voorstel van B en W in de raad besproken om te komen tot de aanstelling van een Stadsarchitect, een Stadsingenieur en een Directeur bij de Publieke Werken; deze drie hoofdambtenaren zouden op gelijkte hoogte staan. Ze staan echter `meer onmiddellijk onder de bevelen van den wethouder met dit deel der stedelijke administratie belast ' (1).

De Stadsarchitect zou de taken van de directeur van het Stadsfabriekambt overnemen; de Stadsingenieur de taken van de directeur van Stadswaterwerken. De nieuwe Directeur zou kleine, tijdrovende taken overnemen (2). Het voorstel werd door de raad aangenomen; Froger, Pierson en Van Maurik werden eervol uit hun functie ontslagen.

De gekozen functionele constructie werkte tot het begin van de jaren zeventig. De Stadsingenieur, J.G. van Niftrik, die van 1864 tot 1901 in functie was, drukte een stempel op de stadsuitbreiding. De kwestie betreffende de ambtelijke verantwoordelijkheid was echter niet opgelost door de nieuwe organisatievorm; de ontevredenheid over het gebrek aan sterke leiding over de dienst Publieke Werken bleef groot. In 1873 werd door de raad de wens uitgesproken om één verantwoordelijke persoon voor de Publieke Werken aan te stellen. Zo kwam er een Directeur der Publieke Werken; de taken van de Stadsarchitect en de Stadsingenieur (die nu ondergeschikt waren aan de Directeur, J. Kalff) werden opnieuw verdeeld. In de loop van de jaren tachtig uitten leden van de gemeenteraad opnieuw kritiek; de voornaamste punten waren het gebrek aan financiële discipline en de uitvoering van de openbare werken (3). Een noodzakelijke verdere reorganisatie van de afdeling en dienst Publieke Werken werd verschillende malen tot 1893 aan de orde gesteld. Het bleek niet eenvoudig de verhouding tussen het technisch en financieel beheer adekwaat te organiseren.

In 1895 en 1896 vond een grondige reorganisatie plaats van de afdeling en de dienst; op initiatief van wethouder Treub werd een scherpe scheiding aangebracht tussen technische en administratieve zaken. Een nieuwe verordening op de dienst Publieke Werken trad in werking (4). De Stadsarchitect A.W. Weissmann werd in 1895 na een incident door Treub ontslagen. Wat betreft de organisatievorm besloot men dat de Directeur voor de technische zaken verantwoordelijk was; voor de administratieve en financiële zaken stelde men een administrateur verantwoordelijk; de administratie van de Stadsingenieur en de Stadsarchitect werd in 1895 opgeheven. De administrateur werd secretaris van de raadscommissie voor Publieke Werken en was verantwoording schuldig aan de wethouder. B & W hadden het toezicht op de dienst Publieke Werken, bijgestaan door de vaste raadscommissie van toezicht. De Directeur werd door de gemeenteraad benoemd, het overige personeel door burgemeester en wethouders (5).

Taken van de afdeling Publieke Werken

De taken en werkzaamheden van de afdeling Publieke Werken, die we hierboven al kort noemden, namen voortdurend toe, mede als gevolg van de uitbreiding van de stad. Volgens de instructie van 1873 waren de taken van de afdeling: administratie van gebruik en onderhoud van gebouwen; van bestratingen, dijk- en waterwerken, van de reiniging van straten, het aanbesteden van werken, administratie over wegen en wandelpaden, van gebruik van stadsgronden, onderzoek betreffende vergunningen van bedrijven, administratie van vergunningen voor bouwen en slopen; ten slotte administratie van materieel van de brandweer (6).

Wat betreft het schoonhouden van de stad: in 1877 deden B & W een voorstel om de afdeling de organisatie van de reiniging van de stad op te dragen (7). Het ophalen van vuilnis was tot dan toe de taak geweest van de Maatschappij ter bevordering van Landbouw en Landontginning in Nederland; de directeur van de Maatschappij, S. Sarphati, had de concessie in 1847 gekregen. De Maatschappij was te klein om de taak naar behoren uit te voeren. Het schoonhouden van bruggen en pleinen behoorde al tot de taken van de afdeling Publieke Werken. De raad besloot tot oprichting van de gemeentelijke dienst Stadsreiniging; deze viel onder het toezicht van de afdeling Publieke Werken (8), vanaf 1902 onder supervisie van de in dat jaar ingestelde afdeling Openbare Gezondheid.

Decennia lang behoorde het toezicht op de concessieverlening aan diverse nutsmaatschappijen tot de taak van de afdeling Publieke Werken. Tot deze ondernemingen behoorden onder meer de Amsterdamsche Omnibus Maatschappij, de Nederlandsche Bell Telefoonmaatschappij, de Imperial Continental Gas Association en de Duinwatermaatschappij. In 1884 stelden burgemeester en wethouders voor het personeel van de afdeling uit te breiden in verband met de controle over werkzaamheden, die het gevolg waren van de concessie in 1883 aan de genoemde Imperial Continental Gas Association. De raad besloot tot de oprichting van een Gasbureau, belast met het toezicht op de uitvoering van de concessie. Een assistent-ingenieur en een adjunct-ingenieur moesten dit bureau gaan bemannen. In 1885 was er opnieuw een uitbreiding van personeel gewenst in verband met de concessie aan de N.V. De Duinwatermaatschappij. Hiervoor werd een adjunct-ingenieur aangesteld.

In de jaren negentig ging het toezicht op de kaden in het havengebied over op een speciale dienst, de latere Dienst der Gemeente Handelsinrichtingen (9).

Toename van de overheidsbemoeienis

In het laatste decennium van de vorige eeuw groeide het besef dat de gemeentelijke overheid een grotere invloed diende te hebben op tal van ontwikkelingen in de stad. Het gemeentebestuur wilde maatregelen nemen om de wantoestanden op het gebied van huisvesting tegen te gaan: aan het bestaan van krotwoningen en de zogenaamde revolutiebouw moest een eind komen. De bouw van nieuwe woningen was dringend gewenst. De invoering van het erfpachtsysteem bij de uitgifte van gronden en de Woningwet van 1901 waren een belangrijke stap in deze richting.

Voor de afdeling Publieke Werken betekende de toename van overheidsbemoeienis dat grote veranderingen optraden in taken en bezigheden. De nieuwe ontwikkelingen vroegen in sommige gevallen om de oprichting van een speciale afdeling. Een voorbeeld hiervan was de invoering van allerlei bepalingen betreffende de arbeidsomstandigheden van het gemeentepersoneel en de komst van de eerste publiekrechtelijke verzekeringen; de gemeente was als werkgeefster direct of indirect bij de uitvoering hiervan betrokken. Voor de controle op de naleving van de bepalingen en andere arbeiderszaken werd in 1905 bij de afdeling Publieke Werken een speciale ambtenaar aangesteld. De groeiende omvang van de werkzaamheden maakte de oprichting in januari 1907 van een aparte secretarieafdeling noodzakelijk: het Arbeidsbureau (10). Een ander voorbeeld was de toename van het gemeentelijk grondbezit. In 1904 sprak de raad zich uit voor het principe van gemeentelijke grondexploitatie (11). Het bleek noodzakelijk een speciale afdeling te vormen, die zich hiermee zou bezighouden: deze afdeling Grondexploitatie viel onder Publieke Werken. In 1928 werd de secretarieafdeling Rentegevende Eigendommen, Precario en Kadaster opgeheven. Het beheer over de rentegevende eigendommen werd overgenomen door de afdeling Grondexploitatie; de naam werd gewijzigd in Gemeentelijk Grondbedrijf. De afdeling kreeg een vooral commerciële en beherende taak.

Een andere ontwikkeling was dat rond de eeuwwisseling de zorg voor gas, water, elektriciteit, telefoon en openbaar vervoer door de gemeente in eigen hand werd genomen in daarvoor opgerichte bedrijven. De bemoeienissen betreffende het toezicht op concessionarissen werd zo aan de afdeling onttrokken.

De Woningwet van 1901, die we al noemden, verplichtte het gemeentebestuur algemene voorschriften te geven betreffende de eisen, waaraan woningen moesten voldoen. Verder bevatte de wet bepalingen over onteigeningen. De wet bood grote mogelijkheden om een einde te maken aan de slechte woontoestanden in Amsterdam. Vanaf 1905 werden alle stukken betreffende de Woningwet, de Bouwverordening en de Hinderwet door de afdeling Publieke Werken behandeld (voorheen door de afdeling Algemene Zaken).

Gedurende de Eerste Wereldoorlog ondervond de bouw van woningen grote vertraging vanwege de stagnatie van de invoer van bouwmaterialen. Het gemeentebestuur besloot daarom zelf actief deel te gaan nemen aan de woningbouw. De afdeling Volkshuisvesting, die in 1914 was ingesteld, werd belast met de uitvoering van de Hinderwet en gedeelten van de Woningwet en de Bouwverordening. In 1915 besloot men tot de oprichting van een Gemeentelijke Woningdienst (12). Deze dienst viel onder de afdeling Volkshuisvesting.

Door de enorme bouwactiviteiten van gemeente, van woningbouwverenigingen en particulieren ontstond de noodzaak verschillende plannen en ontwerpen te coördineren. In 1928 werd bij de dienst der Publieke Werken een afdeling opgericht voor Stadsontwikkeling en uitbreiding. De afdeling kreeg tot taak het ontwerpen van uitbreidingsplannen; daarnaast deed zij onderzoek naar de verschillende factoren, die de ontwikkeling van de stad bepaalden. In 1934 verscheen het Algemene Uitbreidingsplan, dat sinds 1931 in elkaar opvolgende rapporten was gepubliceerd. Het plan zette lijnen uit betreffende wonen, industrie en nijverheid, verkeer en recreatie tot aan het jaar 2000. Aan het begin van de eeuw werd men zich bewust van het belang van goede mogelijkheden voor sport en recreatie. De raad achtte het wenselijk terreinen en velden voor dit doel aan te leggen en in te richten. Vanaf 1914 werden de bemoeienissen aangaande de openbare speeltuinen een taak van de afdeling Publieke Werken. Tot slot nog enkele kleinere wijzigingen en toevoegingen: in 1918 werden de aangelegenheden betreffende de Stadsdrukkerij overgebracht naar de afdeling Gemeentebedrijven (13). In 1919 werd de afdeling belast met de gemeentelijke turfvoorziening in verband met de brandstoffennood. Van belang is ook de Monumentenverordening, die in 1927 in de raad werd aangenomen. Hierbij werd een lijst gevoegd van percelen die volgens deze verordening behouden moesten blijven.

Verantwoording van de inventarisatie

Zoals gebruikelijk bij de ontsluiting van de archieven van de secretarieafdelingen werd in eerste instantie een beschrijving gemaakt van de omvangrijke series met ingekomen en minuten van uitgaande stukken en de toegangen daarop: de indicateurs, de refwoorden- en naamindexen en de vernummeringsregisters. Vervolgens werden de overige stukken beschreven. Een klein deel hiervan bleek oorspronkelijk wel in de indicateur te zijn ingeschreven, maar door de administratie later alsnog als aparte bestandjes te zijn afgescheiden uit de series ingekomen en minuten van uitgaande stukken. Dit was bijvoorbeeld het geval met een antal pakken met stukken over de Dam (inv. nrs. 4229 4231); in de afdelingsindicateur was wel een verwijzing opgenomen dat deze stukken waren afgescheiden.

Een serie tekeningen behorende bij raadsbesluiten (inv. nrs. 4142 4175) is bij de huidige inventarisatie voorzien van een topografische ingang en overgebracht naar de Historisch Topografische Atlas van het Gemeentearchief en aldaar raadpleegbaar. Daar is ook een index aanwezig op bouwtekeningen uit het archief van de commissaris en van de secretarieafdeling Publieke Werken (en van een aantal andere secretarieafdelingen).

Bij de inventarisatie werd assistentie verkregen van W. Koning, die ook de lijst van rubrieken in de trefwoordenindexen vervaardigde en van L. Galaz.

Het archief omvat 379 meter archiefbescheiden. (1) Arch.nr. 5079 (munimenten gemeenteraad), inv.nr. 402, nr. 7.

(2) Zie de inleiding van A.M. Stoop bij het archief van de Dienst Publieke Werken 1856-1921 (arch.nr. 5213), p. 2-4.

(3) De uitvoering van de openbare werken zou volgens de kritiek getuigen van een groot gebrek aan schoonheidszin.

(4) Gemeenteblad 1895, III, nr. 11.

(5) Bij de technische dienst vond een onderverdeling plaats in twee hoofdbureaus. Het eerste kwam onder leiding van de Stadsingenieur en was belast met de voorbereiding en uitvoering van nieuwe werken. Het tweede voerde de onderhoudswerkzaamheden uit. In 1904 werd de Dienst Publieke Werken opnieuw gereorganiseerd en onderverdeeld in afdelingen: Riolering, Bruggen, Haven- en Waterwerken, Gebouwen en Bestratingen.

(6) Gemeenteblad 1873, III, nr. 14.

(7) Gemeenteblad 1877, I, 358.

(8) Gemeenteblad 1877, II, 493 ev.

(9) Arn.J. d'Ailly, J.J. van der Velde e.a., 100 jaar Publieke Werken - Uitgave ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan van de dienst der Publieke Werken van Amsterdam (Amsterdam, 1950).

(10) Dit is archief 5174.

(11) Gemeenteblad 1904, II, 1309.

(12) Gemeenteblad 1915, I, 641.

(13) W.F.H. Oldewelt, J.H. van den Hoek Ostende, Overzicht van de organisatie en ontwikkeling der gemeente Amsterdam sedert de invoering van de Gemeentewet in 1851; gemeentediensten en gemeentebedrijven (Typescript. Amsterdam, z.j.) 105-109.

Archiefvormer

Secretarie; afdeling Publieke Werken (1851-1979)
© Stadsarchief
Disclaimer / Colofon
<

Gegevens over mogelijk nog levende personen mogen alleen worden gebruikt voor historisch (waaronder genealogisch), wetenschappelijk of statistisch onderzoek.

Door het aanklikken van onderstaande button verklaart u zich te houden aan het Reglement voor raadpleging en gebruik van het Stadsarchief.