5073: Archief van de Weeskamer en Commissie van Liquidatie der Zaken van de Voormalige Weeskamer

Algemene kenmerken

Toegangsnummer:

5073

Periode:

1309 - 1859

Inleiding

De Weeskamer

Teneinde de onderzoeken enige informatie te verschaffen over de werkzaamheden van een weeskamer, volgt hier eerst een kort algemeen overzicht van de taken en bevoegdheden van deze instelling. Daarna komen aan de orde de voor een inventaris gebruikelijke hoofdstukken over de geschiedenis van de archiefvormende instantie, het archief alsmede de verantwoording van de inventarisatie.

Er dient onderscheid gemaakt te worden tussen een weeskamer en een weeshuis; het zijn twee geheel verschillende instellingen. Weeshuizen werden gesticht om er kinderen te huisvesten waarvan de ouders waren overleden en de verwanten niet in staat bleken zich met de verdere opvoeding te belasten. Weeskamers werden opgericht om het beheer van de goederen van de wezen op verantwoorde wijzen te waarborgen. Niet zelden kwam het immers voor dat de kinderen door degenen aan wie ze waren toevertrouwd verwaarloosd en van hun goederen beroofd werden. Toezicht op de voogdij van overheidswege was dus dringend geboden.

Weeskamers waren gevestigd in Holland en Zeeland en in diverse Utrechtse, Gelderse en Brabantse plaatsen. Ook de stad Groningen kende een weeskamer. In kleinere ambachten waren de schout en schepenen met deze taak belast. Akten die hierop betrekking hebben vindt men gewoonlijk in hun registers tussen de andere schepenakten.

In de late middeleeuwen is de ontwikkeling waar te nemen dat, als gevolg van de groei van de steden, de raden of burgemeesteren, die van oudsher de oppervoogden van weduwen en wezen waren (1), steeds meer bevoegdheden kregen en daardoor steeds minder bij machte waren om aan al hun daaruit voortvloeiende verplichtingen te voldoen. Overstelpt met werkzaamheden, zagen zij zich genoodzaakt verscheidene van hun taken te delegeren aan speciaal daartoe in het leven geroepen bestuurslichamen. Dit geschiedde onder meer met de zorg voor de persoon en de goederen van de minderjarige wezen.

Ook in Amsterdam werd deze overheidstaak opgedragen aan een afzonderlijk orgaan: het college van weesmeesteren. Men gebruikt vaak de benaming weeskamer, aangezien deze bestuurderen een kamer in het stadhuis op de Dam toegewezen was.

Voordat de bemoeienissen van de weesmeesters inzake de nalatenschap een aanvang konden nemen, dienden er een aantal handelingen verricht te worden (2). In de allereerste plaats moesten de doodgravers (dit waren stedelijke funktionarissen), de weeskamer ervan verwittigen welke van de begraven personen minderjarige kinderen nalieten. Hiervan werd aantekening gehouden in zgn. 'doodboeken' of begraafregisters van de weeskamer, zodat degene die de boedel onder zich had, ter weeskamer ontboden kon worden. Door de bode opgeroepen, kon de betrokkene verklaren dat de overledene niets aan de wees had nagelaten; dat hij de bemoeienis van de weeskamer had uitgesloten, 'de weeskamer had gesecludeerd' volgens de toen gangbare terminologie; of hij kon, in tegenwoordigheid van de naaste verwanten van de gestorvene, rekening en verantwoording afleggen van wat de wees toekwam. Dit noemde men 'aan de wees zijn goed bewijzen'.

Was de voogdij niet bij testament geregeld, dan voorzagen de weesmeesters daarin. In eerste instantie kwam de vader hiervoor in aanmerking, was deze niet beschikbaar, dan de naaste verwanten. Bij ontstentenis van familieleden werden 'goede lieden', gewoonlijk suppoosten genoemd, met de voogdij en het boedelbeheer belast, zij waren boedeladministrateurs van professie.

De namen van wettelijke vertegenwoordigers van de minderjarigen werden, te zamen met die van hun pupillen, in voogdijregisters opgenomen, zodat de weesmeesters te allen tijde het overzicht behielden over de opgedragen voogdij. Wanneer de weeskamer de supervisie had op de voogdijvoering en het boedelbeheer door particulieren en suppoosten, dan volgde inschrijving van de bezittingen in het inbrengregister.

In de regel dienden zes weken na het overlijden alle noodzakelijke formaliteiten vervuld te zijn, op straffe van een boette, opgelegd aan verwanten, die zich onttrokken aan hun verplichtingen jegens de wezen.

De bemoeienissen van de weeskamer namen gewoonlijk een einde als het weeskind meerderjarig werd, hetgeen geschiedde bij het bereiken van de 25-jarige leeftijd, door huwelijk, of door verlening van de akte van 'venia aetatis' (meerderjarigheid) door de Staten van Holland.

Ofschoon tot nu toe uitsluitend gesproken is van wezen - zij die vader of moeder dan wel beide ouders hadden verloren - is het onjuist te veronderstellen, dat alleen deze categorie 'der weeskamer subject' was. Het toezicht van de weeskamer strekte zich ook uit tot andere 'personae miserabiles', zoals geestelijk onvolwaardigen en andere onder curatele gestelde personen, tot welke laatste groep verkwisters behoorden. Zij konden op verzoek van hun bloedverwanten en met goedvinden van de burgemeesters, qualitate qua immers de opperste voogden, onder de hoede van de weesmeesters gesteld worden. Allen, die bij de weeskamer geregistreerd stonden, was de vrije beschikking over hun goederen ontzegd; om deze te vervreemden, of te bezwaren was toestemming vereist van de weesmeesters, die daartoe in overleg traden met de voogden en bloedverwanten.

Oprichting, ontwikkeling en verval

De precieze stichtingsdatum van de Amsterdamse weeskamer is niet bekend. Scheltema (3) stelt dat de oprichting op het jaar 1468 terug voeren valt, eenvoudigweg, omdat uit dat jaar het oudste weesboek stamt. Ter Gouw (4) is evenals De Roever (5) van mening dat deze gebeurtenis in ieder geval voor 30 maart 1466 moet hebben plaatsgevonden. Deze datum houdt verband met de oudst gedagtekende weeskamerkeur. Hieruit blijkt immers dat er al een redelijk ontwikkeld bestuurslichaam bestond; het was in het bezit van een weesboek en het had twee funktionarissen in dienst: een klerk en een bode.

Breen (6) maakt als enige gewag van een andere vijftiende eeuwse ordonnantie van de weeskamer, die tot 1563 van kracht zou blijven, en waarvan hij meent dat deze mogelijk omstreeks of na 1475 moet zijn uitgevaardigd.

Ofschoon deze onderzoekers gepoogd hebben door het aandragen van allerlei dateringselementen enige helderheid te verschaffen omtrent de stichtingsdatum van de weeskamer, kan slechts vastgesteld worden dat deze niet met zekerheid te bepalen valt.

De door Breen genoemde keur bevat de meest uitgebreide regelgeving om de belangen van de wezen zo goed mogelijk te waarborgen. Herhaaldelijk bleek het echter nodig om door middel van afzonderlijke keuren, deels aanvullende, deels aanscherpende bepalingen te maken (7). Maar zoals gezegd, wordt het in 1563 door schout, schepenen en de burgemeesters wederom dienstig geoordeeld een nieuwe ordonnantie, uitvoeriger dan voorheen, uit te vaardigen (8). Noodzakelijk geacht vanwege niet nader aangeduide 'abuysen en gebreken, vallende op de Weeskamer dezer Stede', poogde deze keur, doeltreffender dan eertijds, de financiële aangelegenheden van de wezen, en alles wat daarmede samenhing, te regelen.

Uit de ordonnantie (9) blijkt dat de weesmeesters nu bevoegd waren om geschillen, die uit de voogdij en het boedelbeheer voortvloeiden, te behandelen, hetgeen aanvankelijk ten overstaan van schout, schepenen en de raden geschiedde. De zaken werden mondeling afgedaan beroep op de schepenbank aangetekend worden.

In 1592 werd krachtens een resolutie van de Staten van Holland en West-Friesland, welke in 1656 bevestigd werd (10), de rechtskracht van akten, voor de weesmeesters gepasseerd, gelijkgesteld aan die van de schepenakten.

Al haar inspanningen ten spijt had de weeskamer omstreeks het midden van 17e eeuw het hoogtepunt van haar bloei reeds overschreden (11). Tot verklaring van deze ontwikkeling hebben juristen verschillende argumenten aangevoerd. Zo zou de oorzaak gezocht moeten worden in de gevallen van fraude, die in de 18e en het begin van 19e eeuw ter weeskamer gepleegd werden. Deze uitleg mist echter overtuiging, aangezien de eerste belangrijke verduistering in 1732 plaatsvond, terwijl de neergang van de weeskamer al ruimschoots daarvoor, in de tweede helft van de 17e eeuw had ingezet. Ook werd betoogd dat de aanzienlijke families ongaarne inzicht wilde verschaffen in hun vermogenspositie. Voorts zou ook de nogal eigenmachtige wijze waarop de weesmeesters geschillen betreffende de voogdij plachten op te lossen een bron van ergernis zijn voor de gegoede burgerij.

Volgens De Roever zou de belangrijkste reden voor de toenemende impopulariteit van de weesmeesters gezocht moeten worden in het feit dat deze zich tot taak hadden gesteld de hun toevertrouwde gelden risicoloos uit te zetten. De bloedverwanten wensten echter hun vermogen speculatiever te beleggen, waarbij uiteraard niet in alle gevallen de zekerheid van het geld gewaarborgd kon worden. Bereid dit risico te aanvaarden, gingen zij er toe over in hun testament een clausule op te nemen, waarbij - er is al eerder aan gerefereerd (12) - de weeskamer van elke inmenging werd uitgesloten.

Welke de precieze oorzaken van het verval van de weeskamer ook mogen zijn, zeker is dat zij steeds minder boedels te beheren kreeg. Haar bestaansgrond werd hierdoor steeds meer ondermijnd, totdat ze in 1811 opgeheven werd, waarbij een rol speelde dat de Franse wetgeving een instelling als de weeskamer niet kende (13). De werkzaamheden werden overgenomen door een stedelijke commissie van liquidatie van weeskamerzaken (1811-1852), die de lopende zaken afhandelde, waarna een landelijke commissie van liquidatie op haar beurt de boedelgelden en bescheiden overgedragen kreeg.

Bestuur en personeel

Het bestuur van de weeskamer werd gevormd door het college van de weesmeesters. Als primaire vereisten om het ambt van weesmeester te mogen vervullen golden het 7-jarig poorterschap en een minimumleeftijd van 40 jaar (14). Voorts diende men onbesproken van gedrag en de gereformeerde religie toegedaan te zijn (15).

Elk jaar, omstreeks Lichtmis (in werkelijkheid 16 of 18 januari, later 4 februari) moesten de burgemeesters de leden van de weeskamer kiezen en door middel van een eed in hun ambt bevestigen. Dikwijls werden de weesmeesters gekozen uit de kringen van de oud-burgemeesters en oud-schepenen. Hun ambt was er een van aanzien; in rang volgden zij op de schepenen en de thesauriers. Politiek was het weesmeesterschap echter van weinig betekenis. Benoemd werden vaak personen, die oppositie voerden tegen de op dat moment aan het bewind zijnde regeringsfactie. Deze buiten spel gezette magistraten vonden, in afwachting van betere tijden, een veilig onderkomen in de weeskamer, die, kennelijk met het oog op hun gevorderde leeftijd en vaak langdurige bezetting van de posten, wel schertsend als het Oude Mannenhuis gekarakteriseerd werd (16). Getalsmatig was het weesmeestercollege in de loop der tijd aan forse uitbreiding onderhevig. In 1466 werden er twee (17), in 1563 drie of vier (18), en in 1625 definitief vier weesmeesters (19) benoemd. Later bleken er maar liefst acht personen (20) tegelijk in funktie te zijn, totdat dit aantal in 1760 op zes werd teruggebracht. Deze situatie werd gehandhaafd, ofschoon een resolutie van de oud-raad van 28 januari 1764 (21) bepaalde dat het getal van weesmeesters op vier zou moeten worden gefixeerd.

Hun beloning was gering. Volgens de keur van 1466 konden zij met hun personeel recht doen gelden op 1/3 van alle boeten. In 1563 genoten zij de vrijheid om alle boeten te innen (22), maar in 1568 kwam aan deze voordelige situatie een eind en mochten zij slechts, evenals de schepenen, aanspraak maken op een presentiegeld van drie stuivers per dag (23).

Aanvankelijk kwam hun de helft van alle intitulatiegelden toe, d.w.z. de rechten die geheven werden op de inschrijving van bezittingen in het inbrengregister, de andere helft was bestemd voor weeskamerklerk (24). In 1507 moesten de weesmeesters hun deel aan de stad afstaan (25).

Voorst genoten zij een uitkering, mantelgeld genaamd, ten bedrage van 26 gulden's jaars, dat later evenals het presentiegeld vastgesteld werd op 50 gulden (26). In 1602 werd uiteindelijk besloten de weesmeesters voortaan een vast traktement toe kennen (27).

Bovendien hadden zij jaarlijks recht op een vrolijke maaltijd (28), want hun ex-collega, Simon de Rijk van der Gracht, overleden in de eerste helft van de 17e eeuw, had in zijn testament vastgelegd dat de weesmeesters gedurende vijftig jaar, aan het eind van ieder jaar een maaltijd te zijner nagedachtenis zouden houden. Het jaarlijkse bedrag van 150 gulden, dat hij hiervoor beschikbaar had gesteld, bleek op lange duur niet toereikend om kosten te dekken, zodat de inkomsten van de weeskamer moesten worden aangesproken. Kennelijk zagen de burgemeesters deze ontwikkeling met lede ogen aan, want in 1665 bepaalden zij dat de maaltijd slechts om zes jaar mocht worden gehouden. Sinds het prille begin konden de weesmeesters over personeel beschikken. Een klerk en een bode, in dienst van de thesaurie, verrichtten, wanneer nodig, diensten voor de weeskamer, waar vooralsnog weinig omging. Als gevolg van de toenemende bezigheden bleek het wenselijk vast personeel aan te stellen, waarbij op den duur aan uitbreiding niet te ontkomen viel. In de bloeitijd van de weeskamer in de 17e eeuw was er een personeelsbezetting van een secretaris, een adjunkt-secretaris, een opperklerk, een klerk, meerdere boden en suppoosten (29). Hieraan werd in de loop van de 18e eeuw een penningmeester toegevoegd. Met uitzondering van de suppoosten werden deze ambtenaren door de burgemeesters aangesteld, waren zij tot geheimhouding verplicht ten aanzien van alles wat er in de weeskamer omging en werden zij voor het aanvaarden van hun funktie beëdigd.

Weliswaar door de stad bezoldigd, vulden zij hun salaris onder meer aan met allerlei inkomsten, emolumenten genaamd. Zo betitelde men de kosten die de wezen in rekening werden gebracht als er ten aanzien van hun bezittingen administratieve handelingen verricht moesten worden, zoals overboekingen van geld e.d. In 1795 werd met het emolumenten-systeem gebroken, maar tegen die tijd was de weeskamer allang in staat zich uit aan haarzelf toebehorende fondsen, te bedruipen. Het ontstaan van dit eigen vermogen zal in het navolgende nader toegelicht worden (30).

Welke waren nu de taken van de weeskamer-beambten? Volgens zijn instruktie van 1507 (31) waren de verplichtingen van de secretaris velerlei. Deze hielden in dat hij de begraafregisters moest zuiveren, de inbrengregisters bijhouden en daaruit uittreksels verschaffen. Daarnaast trad hij op als taxateur en afslager van boedels en tevens fungeerde hij als suppoost van de weeskamer. Gaandewegsteeg hij achter in aanzien; door het aanstellen van ondergeschikten werden hem vele werkzaamheden uit handen genomen. Zo werd hem vanaf 1642 een adjunkt-sekretaris als vervanger terzijde gesteld en vond - wanneer is niet bekend - voor het vele schrijfwerk de benoeming van een klerk plaats. In 1640 werd er een opperklerk tevens eerste bode aangesteld (32), die met assistentie van de klerk, een scala van bezigheden opgedragen kreeg (33). In de eerste plaats diende hij nu de begraafregisters te zuiveren en aantekening te houden van opgeroepen personen. Hij moest toezicht houden op de voogden en boedeladministrateurs, die de bij de weeskamer berustende en de aan wezen toebehorende waardepapieren kwamen lichten om bij diverse personen en instanties de interest te innen; tevens was hij gehouden de boden-afslagers te controleren, die verplicht waren om elke drie maanden de opbrengsten van huis- en inboedelverkopingen af te dragen en te verantwoorden. Het behoorde eveneens tot de verantwoordelijkheden van de opperklerk om alle gelden in de registers in te schrijven en de aan de suppoosten opgedragen voogdij te boek te stellen. En tenslotte werd er ook van hem gevergd dat hij allerlei huishoudelijke diensten zou verrichten (bijv. het vuur aanleggen) en als het zo uitkwam zijn ondergeschikte, de tweede bode, vervangen.

Deze functionaris, de laagste in de hiërarchie, was zoals gezegd aanvankelijk zowel in dienst van de thesaurie als van de weeskamer. Dit duurde tot 1568, sindsdien is hij uitsluitend bij de weeskamer in vaste betrekking (34). De groei van de instelling had tot gevolg dat er vanaf 1610 twee boden (35) tegelijkertijd in funktie waren. Volgens hun instructies van 1617, 1627 en 1760 (36) waren zij belast met het zuiveren van de begraafregisters, het registreren van de ter weeskamer ontboden personen, het rondbrengen van dagvaardingen, alsmede het schoonhouden en verwarmen van de kamer. Maar daarnaast oefenden zij het ambt uit van afslager van de roerende en onroerende goederen van de weeskamer. Deze goederen, huizen, ook wel schepen en inboedels, behoorden vaak wezen toe, die de onderhoudskosten niet meer wilden of konden dragen en met toestemming van hun voogden hun bezittingen lieten veilen (37).

Nog in 1507 werd de funktie van afslager door de secretaris bekleed (38).

Hieruit is het te verklaren dat de boden de emolumenten, voortvloeiend uit de verkopingen, met de secretarissen moesten delen. Over de juiste verdeling ontstonden herhaaldelijk felle konflikten (39).

Ofschoon op zichzelf onaanzienlijk, oefende het bode-ambt grote aantrekkingskracht uit op de patriciërszonen, vanwege de lucratieve voordelen, die aan de afslag verbonden waren. Zij lieten zich graag bode-afslager benoemen, terwijl zij de feitelijke werkzaamheden door een vervanger lieten waarnemen. Meer in overeenstemming met hun waardigheid werd de titel 'afslager' gewijzigd in het zoveel welluidender klinkende 'vendu-meester der meuble goederen'.

In 1760 werden het bode-ambt en het vendumeesterschap gescheiden, welke laatste functie tot een groot ambt werd gemaakt dat slechts aan regentenzonen voorbehouden was. De herwaardering van deze werkzaamheden vond plaats in het kader van een ingrijpende reorganisatie van de administratie. Na 120 jaar verdween het ambt van opperklerk en eerste bode om te worden opgesplitst; voortaan zou het bodewerk uitsluitend door een bode worden gedaan, het schrijfwerk door een gewone klerk worden verricht, en een penningmeester worden belast met de financiële administratie (40). Op de penningmeester rustte derhalve de verplichting de financiële boeken bij te houden, hetgeen inhield dat hij de kas opmaakte, de rente ontving van effekten en de balans opmaakte. Als het zo uitkwam, diende hij te zamen met de klerk allerlei schrijfwerk te vuur en aanwezig te zijn bij het schoonhouden van het kantoor.

Nu was de funktie van penningmeester, evenals die van secretaris een groot ambt, dat zoals gezegd, uitsluitend aan regenten toekwam. Het is mogelijk dat zijn patriciërsachtergrond de eerste penningmeester er toe bracht om in 1786 zijn kennelijk als drukkend gevoelde huishoudelijke verplichtingen aan een assistent over te dragen (41).

Aanvankelijk waren het de secretaris, klerk of de bode, die de voogdij op zich namen. Maar al in 1563 was dit niet meer gebruikelijk (42).

Suppoosten bleken hun plaats te hebben ingenomen; zij hadden van de voogdij hun beroep gemaakt en werden hiervoor niet door de burgemeesters aangesteld, zoals het overig weeskamerpersoneel, maar door de weesmeesters. Bij hun benoeming moesten zij twee 'suffisante' borgen stellen en een eed afleggen (43). Daar zij niet in dienst van de weeskamer waren, stonden zij alleen ten aanzien van de voogdij en het boedelbeheer onder haar toezicht: voor het overige hoefden zij geen werkzaamheden te verrichten. Op verdienste in de vorm van emolumenten konden zij geen aanspraak maken; hun loon brachten zij aan hun pupillen in rekening. Eerst waren er vijf, sedert 1698 vier suppoosten aan de weeskamer verbonden, een getal dat in 1767 tot drie werd teruggebracht (44).

De administratie

De inhoud van het weeskamer-archief is weinig bekend. De hierin aanwezige stukken zijn van groot belang als het gaat om het onderzoek naar geschiedenis van Amsterdam in al haar aspekten. Het is daarom zinvol enige informatie te verschaffen over de inhoud van de verschillende series bescheiden.

Resolutiën

De resolutiën lopen van 1530 tot 1852. Het eerste deel herbergt een gevarieerde inhoud; aanvankelijk ingericht als een register van ordonnantiën - het bevat naast afgeschreven ook ingebonden keuren- gaat men er aan het eind van 17e eeuw toe over er de resolutiën in op te tekenen. In alle delen worden de besluiten betreffende benoeming van personeelsleden aangetroffen, alsmede de op hen betrekking hebbende instructies.

Ingekomen stukken

Tussen de Amsterdamse weesmeesters en hun ambtgenoten in binnen- en buitenland, met name die in de koloniën, bestond een uitgebreide briefwisseling. De neerslag hiervan vind met in grote series brieven met bijlagen, welke betrekking hebben op personen, die in de koloniën waren overleden, en wier nalatenschap toekwam aan erfgenamen, die te Amsterdam woonachtig waren.

Op gezette tijden, gemiddeld twee keer per jaar, ontving de Amsterdamse weeskamer een bundel bescheiden met begeleidend schrijven, die met een retourschip waren meegestuurd. Veiligheidshalve zond men naast de originele stukken, ook duplicaten met een ander vaartuig mede, zodat de relatieve zekerheid bestond dat ingeval van schipbreuk of andere calamiteit, althans een van de schepen in patria zou arriveren.

Financiën

'Adam de Wees' en het 'gemengde geld'

De stadsbrand van 1652 had de financiële administratie van de weeskamer niet ongemoeid gelaten (45); vele boedelpapieren waren in het ongerede geraakt. Ofschoon men er in slaagde op grond van de beschikbare gegevens deze grotendeels te reconstrueren, bleef de herkomst van grote sommen gelds onduidelijk.

Omdat het niet uitgesloten was dat rechthebbenden, die konden aantonen, welke saldi hun rechtens toebehoorden, zich nog zouden kunnen melden, werd met het oog op eventuele restitutie besloten het overschietende geld, een somma van fl. 18.000 tegen een rente van 4% te beleggen bij de thesaurie. Dit bedrag werd, zoals de naam 'Adam de Wees' al aangeeft, beschouwd als toebehorend aan een fictieve wees. Aangezien er uiteindelijk geen personen kwamen op dagen om deze gelden op te eisen, werden deze van lieverlede gezien als het eigen kapitaal van de weeskamer. Voortdurende belegging deed deze reserves aanmerkelijk toenemen. Als onderdeel van hun taak administreerden de weeskamers boedelgelden van diverse omvang en aard, welke zij, zoals al eerder is aangestipt (46), op solide wijze belegden; in het besef van hun verantwoordelijkheid beijverden zij zich de nalatenschappen van gefortuneerde wezen, maar ook die van minderbedeelde kinderen productief te maken. Aangezien de penningen van de laatste categorie op zich een te geringe som vormden om afzonderlijk te worden belegd, troffen zij de regeling deze te zamen te voegen en daarvoor obligaties ten laste van verscheidene instanties aan te kopen. Elke wees nam deel voor de ingelegde som. De weesmeesters gaven blijk financieel inzicht te bezitten door jaarlijks de interestbedragen van deze tegoeden, die tezijnertijd aan de wezen zouden toekomen, in hun geheel te beleggen. De opbrengsten hiervan, de interest van de rente van de hoofdsom, de gezamenlijk belegde penningen, kwamen echter niet aan de wezen ten goede, maar aan het eigen kapitaal van de weeskamer, het fonds 'Adam de Wees'.

Voorts droegen de weesmeesters de zorg voor de saldi, die uit Oost-Indië werden overgemaakt ten behoeve van hier woonachtige erfgenamen. Net zo min als zij gehouden waren de niet afgehaalde renten van fidei-commissaire en dergelijke boedels te beleggen, waren zij verplicht de Oost-Indische deposito's uit te zetten, maar deze te allen tijde ter beschikking te houden van de recht-hebbenden. Ook hier op voordeel bedacht, huldigden de weesmeesters op opvatting de fidei-commissaire gelden en Oost-Indische saldi niet renteloos te laten staan, maar ten bate van het fonds 'Adam de Wees' winst te laten afwerpen.

De belegde penningen van minderbedeelde wezen, de fidei-commissaire goederen en de Oost-Indische saldi werden te zamen als het 'gemengde geld' aangeduid, waarvan gestadig een aanzienlijk deel van de renten naar de kas van 'Adam de Wees' vloeide. Naar uit het vorenstaande bleek, werden de ten gunste van de wezen ingebrachte gelden in obligaties belegd, aanvankelijk alleen ten laste van de thesaurie, later ook ten laste van de V.O.C., de Admiraliteit, en de Staten van Holland en West-Friesland. Aangezien de 'gemengde gelden' voor het grootste deel waren belegd, zou bij de terugbetaling aan meerderjarig geworden wezen voor de weeskamer een liquiditeitsprobleem kunnen ontstaan. Het aanwezige kasgeld was immers ontoereikend om alle wezen tevreden te stellen. Uitkomst bracht nu het eigen vermogen van de weeskamer, het fonds 'Adam de Wees', dat deels in de vorm van contanten voorhanden was, zodat een goedgevulde kas verzekerd was en aan de betalingsverplichtingen kon worden voldaan. De weesmeesters achtten het niet meer dan redelijk dat, als het eigen kapitaal deze aflossingen mogelijk maakte, dan bij wijze van tegenprestatie de aldus vrijgekomen beleggings-posten ten name van 'Adam de Wees' zouden worden overgeschreven. Door de gevoerde beleggingspolitiek kwam en steeds groter deel van de beleggingen van het 'gemengde geld' in handen was 'Adam de Wees'. Gevolg was dat de weeskamer geleidelijk een reusachtig kapitaal vergaarde, dat bestond uit de reguliere inkomsten, emolumenten en opgelegde boeten, het fonds 'Adam de Wees', alsmede de opbrengsten van het 'gemengde geld'. Omstreeks 1750, zo blijkt uit de boeken, was 'Adam de Wees' met een bedrag van fl. 490.000 de grootste crediteur van de thesaurie geworden! Na verloop van tijd bleek het zelfs mogelijk om de salarissen van de weesmeesters en het personeel alsmede de andere onkosten te betalen uit het eigen vermogen.

Uit het bovenstaande mag duidelijk geworden zijn dat twee begrippen centraal staan in financiële administratie van de weeskamer: 'Adam de Wees' (het eigen vermogen van de weeskamer) en het 'gemengde geld'

(gezamenlijk belegde boedelgelden), welke begrippen in de boeken steeds weer opduiken.

Algemene boekhouding

Het is zeer waarschijnlijk aan de stadsbrand van 1652 te wijten dat er nauwelijks financiële stukken van voor die tijd zijn overgeleverd. Hierdoor komt het 16e eeuwse 'penningboek' (inv.nr. 318), de voorloper van het latere kasboek, in het geheel van de administratie geïsoleerd te staan.

Ten aanzien van de 'specieboeken' of kladkasboeken (inv.nrs. 319-377), die vanaf 1700 beginnen, dient opgemerkt te worden dat hierin, in tegenstelling tot de 'net' kasboeken, de verschillende muntsoorten worden gespecificeerd. Er valt niet precies aan te geven wanneer deze serie is begonnen, aangezien de voorgaande 38 delen verloren zijn gegaan.

De kasboeken (inv.nrs. 378-394) zelf vangen aan in 1676. Met de gestelde beperking bieden zij dezelfde informatie als de kladkasboeken. Zij zijn uiterst summier bijgehouden; slechts de namen van wezen en personeelsleden worden vermeld, zonder dat verder aangegeven wordt uit welke hoofde betalingen worden verricht. Hiervoor zijn specificatieregisters in gebruik, die wel de gewenste informatie bieden. Naast de kasboeken van ontvangen en betaalde interest (inv.nrs. 483-489) kunnen in feite ook de rekening-courantboeken van zowel het onbelegde als het belegde geld als zodanig aangemerkt worden (inv.nrs. 425-433, 436-464 en 468-482). Met de introductie van de dubbele boekhouding in 1799 vindt zoals te doen gebruikelijk journalisering plaats, waarbij opvalt dat de inschrijvingen in het kasboek iets uitgebreider worden. Hierbij komen bestaande specificatieregisters te vervallen om plaats te maken voor nieuwe, die aansluiten op de maandelijkse boekingen in het grootboek. In 1812 wordt het memoriaal (inv.nrs. 396-402) ingevoerd, waarin voornamelijk renteposten worden opgesomd teneinde deze gemakkelijker te journaliseren en de verdere verwerking in specificatieregisters te vereenvoudigen. Balansen zijn aanwezig vanaf 1666, voorts van 1676 tot 1757 en 1799 tot 1852 (inv.nrs. 421-422). Een kladbalans gaat zelfs terug tot 1653.

Bijzondere boekhuoding

Rekening-courantboeken van niet belegde gelden

In de rekening-courantboeken van niet belegde gelden (inv.nrs. 425-432) worden op persoonlijke rekeningen van de wezen - met in margine vermelding van het desbetreffende inbrengregister en folionummer - de bedragen gespecificeerd, die voor hen bij de weeskamer waren opgebracht en om welke reden dan ook tijdelijk niet waren belegd.

De mutaties in deze rekeningen werden ook aangetekend in het inbrengregister.

Rekening-courantboeken van belegde gelden

Ook in de rekening-courantboeken van belegde gelden (inv.nrs. 436-464, 468-482) worden bij de persoonlijke rekening van een wees het inbrengregister en het folionummer vermeld. Bij het onderzoek naar de financiële positie van een wees verdient het te allen tijde aanbeveling de datum van de opening van een rekening te vinden via de indices op het inbrengregisters (inv.nrs. 836-883), of door middel van de indices op rekening-courantboeken zelf, indien deze aanwezig zijn. Heeft men eenmaal de gewenste datum gevonden, dan wordt bij voortzetting van de rekening naar andere optekeningen verwezen, eventueel in opvolgende delen.

Begraafregister

De aan de weeskamer verbonden klerk was gehouden de door de stedelijke doodgravers verstrekte overlijdensopgaven op te schrijven in de 'doodboeken' of begraafregisters (47). Deze registers (1563-1811), die veelal voor iedere kerk en of kerkhof afzonderlijk werden bijgehouden, bevatten formulieren van de volgende strekking:

NN...wonende...overleden...laat...minderjarige kinderen na. De procedure, die na inschrijving in de begraafregisters in gang werd gezet, behelsde dat de achtergebleven ouder of een andere bloedverwant de wees 'zijn goed moest bewijzen', aangeven wat hem uit de nalatenschap toekwam. Hiervan werd aantekening gehouden naast de begraafinschrijving.

Vooral in de oudere registers treft men uitgebreide adressen aan, eventueel met vermelding van huisnamen. Specifiek aangeduide familieleden verklaren soms, dat er geen middelen zijn of dat de weeskamer bij testament is uitgesloten. In dit laatste geval worden de datum en de notaris opgegeven, hetgeen een toegang geeft tot de notariële archieven. In andere gevallen kan men een verwijzing vinden naar de inbrengregisters, waarin het bezit van de wezen werd geboekt.

Voogdijregister

De serie voogdijregisters (1562-1810) heeft betrekking op de door de weesmeesters aan particulieren en suppoosten opgedragen voogdij en boedelbeheer. Tot 1791 worden de particulieren een suppoosten in dezelfde registers opgetekend. Deze delen bevatten alfabetische indices op voornamen van erflaters (inv.nrs. 513-523).

Met ingang van 1791 wordt de administratie gesplitst. Voortaan worden de particulieren collectief in een register (inv.nr. 524) opgetekend. Een index ontbreekt. Voor hen is er daarnaast nog een afzonderlijk register ingericht (inv.nr. 525), met een alfabetische index op hun familienamen, waarin de verantwoording van hun voogdij-voering staat aangegeven.

Waar de particulieren sedert 1791 gezamenlijk in een register zijn ondergebracht, is voor elke suppoost afzonderlijk een deel gereserveerd (inv.nrs 526-539). In totaal zijn er boeken van vijf suppoosten overgeleverd, die de tijdspanne 1791-1810 bestrijken. Indices zijn ook hier afwezig.

Voor bijna alle registers geldt dat bij elke inschrijving in de marge de naam van de erflater staat genoteerd, waarbij vaak naar het inbrengregister verwezen wordt. Die is evenwel niet van toepassing op het deel, waarin particulieren hun voogdij verantwoorden. Hier staat in de kantlijn de naam van de voogd. In de delen die op de suppoosten betrekking hebben, wordt vaak op een nevenblad de verantwoording van hun voogdij vermeld, waarbij eveneens naar het inbrengregister verwezen wordt.

Er is een alfabetisch register (1739-1793, inv.nr. 540), waarin de voogden, op voornaam, en hun woonplaatsen zijn aangetekend. Verwezen wordt naar het voogdijboek of inbrengregister. Tenslotte verdient nog vermelding dat er een index (1680-1811, inv.nr. 541) aanwezig is, die de voornamen van onder curatele gestelde personen bevat. Hierin treft men verwijzingen aan naar het inbrengregister, naar het register van diverse memoriën, maar vooral naar het minuutregister van de schepenen.

Inbrengregister

Het inbrengregister (inv.nrs. 772-834), bestaande uit 63 delen, is het belangrijkste boek van de weesmeesters. Als enige van de vele series registers en bescheiden van het weeskamer-archief zijn zij van vroegs af aan - het eerste boek stamt uit 1468 - bewaard gebleven.

Het 22e inbrengregister is bij de stadsbrand van 1652 verloren gegaan, maar is op basis van voorhanden zijnde gegevens gereconstrueerd.

In het inbrengregister worden in volgorde van inschrijving de ingebrachte nalatenschappen geregistreerd, alsmede de namen van de wezen, overleden echtgenoten, voogden of suppoosten. De afhandeling van de boedel wordt op dezelfde bladzijde bijgehouden; heeft men geen ruimte meer, dan volgt verwijzing naar een andere pagina, eventueel een ander deel. Er wordt naar andere registers of bescheiden verwezen: het register van diverse memoriën, boedelinventarissen, -scheidingen, - rekeningen en boedelpapieren. Sinds 1718 treft men een folio-nummer. Deze aanduidingen hebben betrekking op de rekening-courant-boeken, waarin aantekening wordt gehouden van de ten laste van de thesaurie (= stad) of ten laste van Holland en West-Friesland (=Land) belegde gelden. Ook kan men de verwijzingen 'A' of 'B' aantreffen; deze hebben betrekking op twee series minuut-inbrengregister 'A' en 'B'.

Aanwezig zijn alfabetische indices op:

- voornamen van erflaters (1509-1758, inv.nr. 835-859),

- op familienamen van erflaters (1700-1840, inv.nr. 860-871),

- op familienamen van erfgenamen (1701-1840, inv.nr. 872-883), en

- op voornamen van borgen (1640-1652, inv.nr. 884).

Tenslotte is er ook nog een alfabetische index op voor- en familienamen van erflaters, erfgenamen en borgen (1655-1810, inv.nr. 885).

Registers van de memoriën

De weesmeesters moesten vergunning verlenen voor elke transactie, die wezen of hun voogden met derden wilden aangaan, en welke van invloed was op hun vermogenspositie. Met het oog op de boedelscheiding was goedkeuring ook vereist, indien de overgebleven ouder wenste te hertrouwen. Een verklaring dienaangaande, afgegeven door de weesmeesters, moest aan de commissarissen van huwelijkse zaken worden voorgelegd. Voorschrift was ook dat testamenten, waarbij de weeskamer was gesecludeerd, aan de weesmeesteren moest worden getoond. Al deze zaken werden geregistreerd in het register van de memoriën.

Er zijn twee serie van deze registers (inv.nrs. 886-899), met alfabetische indices op voornamen van de belanghebbende en zaken. Deze registers overlappen elkaar gedeeltelijk voor de periode 1679-1715. De ene serie (1509-1715) bevat naast de besluiten die ten aanzien van het boedelbeheer werden genomen, ook nog de afschriften van brieven en akten, die bij de besluitvoering een rol hadden gespeeld; de andere serie (1679-1811) omvat alleen de besluiten. Vermoedelijk kreeg, nadat de beide series een tijd lang tegelijk in gebruik waren geweest, de behoefte de overhand een efficiënte administratie te voeren. In de latere delen uit de tweede serie treft men nogal eens verwijzingen aan naar het inbrengregister.

Registers van huis- en inboedelverkopingen

Voor de periode van 1530 tot 1696 is er een serie registers van huis- en inboedelverkopingen (inv.nrs. 910-931 en 934-962) bewaard gebleven. In de registers van huisverkopingen wordt aangegeven op wiens verzoek, particulieren of weesmeesters, de verkoop van een bepaald huis, dat uitvoering wordt gesitueerd, heeft plaatsgevonden. De delen bevatten een alfabetische index op de voornamen van de kopers.

De boedelverkopingen vonden plaats in of voor het sterfhuis of ten huize van de boden. In de registers, die geen indices bevatten, wordt genoteerd op wiens verlangen de verkoop plaatsvindt, waarna vaak lange gespecificeerde lijsten van verkochte boedels volgen. Elke bode moest om drie maanden rekening en verantwoording afleggen, hetgeen ook staat aangetekend. Ieder had zijn eigen register, op de kaft waarvan vaak zijn naam staat aangegeven, en dat door de secretaris werd bijgehouden.

Een topografische index op de huisverkopingen (1530-1669), per straatnaam, chronologisch ingedeeld, met vermelding van koper en verkoper, is later vervaardigd en toegevoegd aan de index op de kwijtscheldingen.

Boedelinventarissen

De voogden waren gehouden een inventaris van de boedel te verschaffen, teneinde te 'bewijzen', welk deel van de boedel de wees toekwam. De serie inventarissen (inv.nrs. 967-1059), meestal afschriften van notariële akten, loopt van 1537-1811, waarbij aangetekend moet worden, dat er voor 1641 weinig overgeleverd is. Er is een index (1640-1769, inv.nr. 1060) op voornamen van erflaters.

Boedelscheidingen

De gemene boedel moest tussen erfgenamen verdeeld worden, waarvan met goedkeuring van de weesmeesters ten overstaan van een notaris een akte moest worden opgemaakt. De in het weeskamer-archief berustende boedelscheidingen (1641-1811, inv.nrs. 1061-1188) zijn afschriften van notariële akten.

Boedelrekeningen

Voogden waren verplicht periodiek rekening en verantwoording af te leggen van hun boedelbeheer. De serie boedelrekeningen (inv.nrs 1189-1306) loopt van 1603 tot 1811, doch voor 1693 is er weinig bewaard gebleven. Er zijn indices (1640-1760, inv.nrs. 1307-1308) op voornamen van erflaters.

Boedelpapieren

De boedelpapieren zijn bescheiden (testamenten, akten van huwelijkse voorwaarden) die de nalatenschap aangaan, en die om welke reden dan ook nimmer door de wezen zijn opgeëist, nadat het toezicht van de weeskamer beëindigd was. Er zijn twee series boedelpapieren te onderscheiden; de ene omvat stukken uit de middeleeuwen tot die uit de 19e eeuw, de andere beperkt zich hoofdzakelijk tot 18e eeuwse boedelpapieren. Op beide series zijn 20e eeuwse indices op familienamen vervaardigd. De verwijzingen op de indexkaarten zijn gedateerd.

Geschiedenis van het archief; bewaring en ordening

Het archief van de weeskamer bestaat voor het overgrote deel uit series, zowel registers als losse stukken. Naar hoeveelheid en plaatsruimte overheersen de losse stukken, die zich soms niet bij de bestaande registers aansluiten, maar afzonderlijke rubrieken vormen. Dit geldt met name voor de boedelinventarissen, -scheidingen, -rekeningen, maar evenzeer voor de serie boedelpapieren.

Het oudste stuk is een inbrengregister, dat in 1468 aanvangt (48), terwijl er voorts retroacta bestaan - charters betreffende boedels en onroerend goed - die tot 1309 teruggaan (49). Het jongste stuk, uit 1853, heeft betrekking op de rekening en verantwoording gedaan door het college van burgemeesters en wethouders te Amsterdam aan de Algemene Landelijke Commissie van Weeskamerzaken te 's-Gravenhage (50).

Van oudsher was de weeskamer gevestigd in het stadhuis op de Dam, dat na de stadsbrand van 1452 herbouwd was. In de kamer van de weesmeesters, gelegen boven de vierschaar, waren langs de wanden ladenkasten opgesteld, die als opschriften gekleurde letters of cijfers droegen (51). In deze laden werden de afgegeven boedelpapieren, waardepapieren, geld, sieraden en andere kleinodiën bewaard. Met de groei van de werkzaamheden nam de administratie zodanig in omvang toe, dat men steeds meer te kampen kreeg met ruimtegebrek. Een aantekening in het inbrengregister uit het jaar 1517 (52) maakt er melding van dat de klerk genoodzaakt was zijn zetel als archiefruimte te benutten.

De bewaring van de bescheiden scheen in die vroege periode niet altijd door doelmatigheid gekenmerkt te worden, getuige een verklaring van de weesmeesters in 1518 dat een schepenbrief uit 1473 zodanig door vocht was aangetast, dat ze onleesbaar geworden was (53). Precies tweehonderd jaar later, in 1652, brandde het stadhuis andermaal af. Een anoniem gebleven persoon, zo verklaart Wagenaar (54), had in het kader van een spontane actie van toegewijde burgers om zoveel mogelijk stedelijke archieven aan de vlammen te ontrukken, kans gezien de weeskamerbescheiden van de ondergang te redden. Zoals al eerder vermeld is (55), ging bij die gelegenheid het 22e inbrengregister verloren, doch men kon dit op basis van de beschikbare gegevens reconstrueren. Welke consequenties deze brand had voor de financiële administratie is in het voorgaande eveneens aangeduid (56). In 1655 konden de weesmeesters officieel hun nieuwe behuizing betrekken, welke net als voorheen gevestigd was in het stadhuis, het huidige Paleis op de Dam, dat kort daarvoor was ingewijd. Hun was een hoekkamer op de eerste verdieping toegewezen, die uitzicht bood op de Nieuwe Kerk. De inrichting was ongewijzigd gebleven; langs de wanden kasten met acht à negenhonderd laden. Hier zouden de weesmeesters zich ruim honderd vijftig jaar van hun plichten jegens de onmondige wezen kwijten, totdat ze in 1808 als onderdeel van de verplaatsing van het stadhuis naar de Prinsenhof, aan de Oudezijds Achterburgwal, hun administratie daarheen moesten overbrengen. Drie jaar later, op 9 mei 1811, werd het college van weesmeesters als gevolg van een besluit van de maire ontbonden en vervangen door een stedelijke commissie van liquidatie van weeskamerzaken (57).

In de jaren daarvoor was de rechtspositie van de weeskamer stelselmatig ondermijnd, doordat de Bataafse en Franse wetgeving geen plaats voor haar zag weggelegd in het veranderde staatsbestel. Ofschoon nu de weeskamer als instelling opgeheven was, bleven de weesmeesters in functie onder de naam van commissarissen teneinde een plan van liquidatie op te stellen, dat in 1812 werd goedgekeurd. In dit jaar werd aan alle klerken, bedienden en suppoosten ontslag verleend. Slechts de commissarissen, drie in getal, zouden aanblijven om met enige personeelsleden de lopende zaken af te handelen; nieuwe boedels werden niet meer aangenomen. Deze commissie beheerde de weeskamerfinanciën totdat bij de wet van 5 maart 1852, die de liquidatie opdroeg aan een landelijk algemene commissie, bepaald werd dat het archief naar Den Haag overgebracht moest worden.

Toen in 1879 deze landelijke commissie opgeheven werd, besloot men de weeskamerbescheiden naar Amsterdam terug te zenden. Dit kreeg zijn beslag in 1880; in zeventig grote archiefkisten werden de stukken naar de hoofdstad getransporteerd (58). Daar de bescheiden lukraak in de kisten waren gedeponeerd, lag hier een vruchtbaar arbeidsterrein braak voor degene die zich met de ordening zou belasten. De eerste gegadigde, die deze uitdaging zou aanvaarden, was de kenner van weeskamerzaken bij uitstek, de adjunct-archivaris van Amsterdam, mr. N. de Roever. Nog maar enkele jaren tevoren had hij een dissertatie in het licht gegeven, die de geschiedenis van de Amsterdamse weeskamer tot onderwerp had. Blijkens het jaarverslag van 1881 (59) maakte De Roever een chronologische rang-schikking van de aanwezige boedelinventarissen, -scheidingen en -rekeningen, evenals van de van de Oost-Indische weeskamers afkomstige boedelpapieren en missiven. Daarnaast ordende hij allerlei losse stukken. Na zeven jaar het archief op deze wijze te hebben bearbeid, was hij in 1888, gezien zijn andere bezigheden, genoopt zijn werk te staken.

Na hem zette J.E. Elias, in 1895 volontair archieven (60), zich aan de ordening en beschrijving van de weeskamerstukken. Een alfabetische naamindex op boedelpapieren vormde het resultaat van zijn verrichtingen. In 1904 werd een begin gemaakt met de inventarisatie van voornamelijk 18e eeuwse boedelpapieren, welke in 1909 definitief afgesloten werd met de vervaardiging van een alfabetische index op familienamen. Ondanks de gedane arbeid berusten er in het archief nog vele ongeindiceerde boedelpapieren.

In 1933 ving men aan met de inventarisatie van het 'eigenlijke' weeskamer-archief. Vermeld wordt dat het werk in 1934 voortgang vond (61), waarna de jaarverslagen, afgezien van een enkele incidentele mededeling, er verder het zwijgen toe doen.

Deze activiteiten hebben er toe geleid dat er niet meer dan weinig overzichtelijke beschrijvingen op lijsten en fiches voorhanden waren. In het kader van de huidige inventarisatie is begonnen deze te vergelijken met de aanwezige stukken, die voorzien van rode, zwarte en groene nummers, voor het merendeel tot series verenigd waren. Een enkele serie, die abusievelijk gesplitst was gebleven, kon gecompleteerd worden. Het zwaartepunt van de werkzaamheden kwam echter vooral te liggen op een betere ordening en beschrijving van de financiële administratie. Bekend was dat de boekhouding van de weesmeesters en die van de suppoosten met elkaar vermengd waren geraakt en derhalve gescheiden moesten worden. De afzonderlijke boekhoudingen van deze suppoosten worden, te zamen met hun andere nog te inventariseren bescheiden, als gedeponeerde archieven beschouwd en zullen in de uiteindelijke inventaris na het weeskamer-archief komen. Tussen de werkzaamheden door werd pakken losse stukken, betrekking hebbend op de bestuursinrichting en het personeel, geordend en beschreven. Hierna was het ontwerpen van een archiefschema aan de orde. Afgaande op de vaak fragmentarische en onoverzichtelijk plaatsingslijsten (inv.nrs. 311-314) uit de 17e, 18e en 19e eeuw werd in het archief geen specifiek ordeningssysteem aangehouden. Een oude orde kon derhalve niet worden hersteld. Bij het indelingsschema is uitgegaan van de organisatie van de weeskamer, zoals deze in de reglementen tot uitdrukking komt, en de aard van de stukken.

De bemoeienissen van deze instelling namen immers een aanvang met de begraafregisters, waarin de overledenen, die minderjarige kinderen nalieten, staan geregistreerd. Vervolgens moesten voogden worden aangesteld, die in voogdijregisters staan aangetekend, waarna het ingebrachte goed in inbrengregisters werd ingeschreven. Met de boedels werden in het kader van het beheer velerlei handelingen verricht, waarvan verslag word gedaan in het register van de memoriën, terwijl de afzonderlijke handelingen (b.v. verkoping van huizen en boedels) in specifieke registers genoteerd staan. Al deze stukken werden ter weeskamer opgemaakt, doch haar werkzaamheden brachten met zich mede dat er stukken betreffende het boedelbeheer ontvangen werden. De voogden waren verplicht boedelinventarissen en rekeningen op te maken. Ook werden akten van boedelscheiding, en de boedelpapieren in het algemeen bij de weeskamer afgeleverd.

Bij de inventarisatie zou de scheiding aangebracht moeten worden bij het jaar 1811: het jaar waarin het college van weesmeesteren werd ontbonden om plaats te maken voor de commissarissen, belast met de liquidatie van weeskamerzaken. Wat betreft de eigenlijke taak van deze commissarissen, met name het ontwerpen van een plan tot liquidatie van de weeskamerzaken, zijn de stukken buiten beschouwing gelaten. Waar de commissarissen de taak van de weesmeesters voortzetten, zijn de stukken wel in de inventaris opgenomen. Structureel gezien, vormen deze stukken ook qua inhoud en vorm een voortzetting van het weeskamer-archief.

Van dit archief dat een omvang heeft van ca. 235 meter, is nu 109 meter geïnventariseerd.

Rest vermelding dat naast de inventarisatie van het archief van de commissie van liquidatie (1811-1853), ook een betere ordening en beschrijving van de boedelpapieren buiten beschouwing bleef.

Geraadpleegde literatuur

- E. Bergsma. Over de weeskamer, zoals die vroeger in Holland en Zeeland bestonden (Utrecht, 1855).

- J,C, Breen, Rechtsbronnen der stad Amsterdam ('s-Gravenhage, 1902).

- L. De Gou, De weeskamer van 's-Gravenhage (s'-Gravenhage, 1943).

- J. ter Gouw, Geschiedenis van Amsterdam, 8 dln. (Amsterdam, 1879 1893).

- S. Kalff, 'De Amsterdamsche Weeskamer', in: de Telegraaf, d.d. 18 maart 1915.

- G.W. Kernkamp, 'Regeering en historie', in: Amsterdam in de Zeventiende eeuw, I ('s-Gravenhage, 1897).

- H. Noordkerk, Handvesten... der stad Amstelredam, 3 dln. (Amsterdam, 1748).

- W.F.H. Oldewelt, 'De Weeskamer', in: Amsterdamsche archiefvondsten (Amsterdam, 1942).

- N. de Roever AZN., De Amsterdamsche Weeskamer (Utrecht, Amsterdam, 1878).

- P Scheltema, Inventaris van het Amsterdamsche Archief, 3 dln. (Amsterdam, 1866 1874).

- J. Wagenaar, Amsterdam in zijne opkomst, aanwas, geschiedenissen, voorregten, koophandel, gebouwen, kerkenstaat, schoolen, schutterije, gilden en regeeringe, 3 dln. (Amsterdam, 1760 1767).

- Verslag van den toestand der gemeente Amsterdam gedurende het jaar 1881 (Amsterdam, 1882).

- Verslag van den toestand der gemeente Amsterdam gedurende het jaar 1895 (Amsterdam, 1896).

- Verslag van den toestand der gemeente Amsterdam gedurende het jaar 1934 (Amsterdam, 1935).

Noten

(1) Vgl. keurboek A, fol. 1 (arch.nr. 5020).

(2) De Roever, blz. 39-52; Kernkamp, blz. 26.

(3) P. Scheltema, III, blz. 159.

(4) Ter Gouw, III, blz. 407.

(5) De Roever, blz. 23-24.

(6) Breen, blz. XII, 574-580; zie ook inv.nr. 256.

(7) De Roever, bijlage D en E, blz. 114-115.

(8) Handvesten, II, ordonnantie van 27 januari 1563, blz. 638-642.

(9) Ibid., art. XLVII, blz. 642; vgl. De Roever, blz. 29.

(10) De Roever, blz. 30.

(11) Ibid., blz. 35-36.

(12) Blz. 5.

(13) De Roever, blz. 107 e.v.

(14) Handvesten, II, art. I, blz. 638.

(15) De Roever, blz. 26.

(16) Kernkamp, blz. 99.

(17) Breen, ordonnantie van c. 1465-1475, art. II, blz. 575; zie ook inv.nr. 256.

(18) Handvesten, ii, art. I, blz. 638.

(19) Wagenaar, III, blz. 383.

(20) Ibid. blz. 383-388.

(21) De Roever, blz. 26.

(22) Handvesten, II, art. LI, blz. 642.

(23) Res. Vroedschap, nr. 2, 28 januari 1568, fol. XCIII (arch.nr. 5025; vgl. De Roever, blz. 27).

(24) De Roever, bijlage B, blz. 111.

(25) Ibid., bijlage C, blz. 112-114.

(26) Res. Vroedschap, nr. 7, 7 september 1593, fol. 81, 91 (arch.nr. 5025).

(27) De Roever, blz. 27.

(28) Ibid., blz. 27-28.

(29) Ibid., blz. 70-84.

(30) Blz. 12 e.v.

(31) De Roever, bijlage C, blz. 112-114.

(32) Groot-memoriaal, nr. 3, fol. 205 (arch.nr. 5023).

(33) De Roever, blz. 77-78.

(34) Groot-memoriaal, nr. 2, fol. 119 (arch.nr. 5023).

(35) Res. Oud-Raad, A, 21 juli 1620, fol. 18v (arch.nr. 5024).

(36) Groot-memoriaal, nr. 2, instruktie 1617, 9 fol. 266; nr. 3, instruktie 1627, fol. 57; nr. 12, instruktie 1760, fol 70 (arch.nr. 5023).

(37) De Roever, blz. 67-68.

(38) Ibid., blz. 80, 112-114.

(39) Ibid., blz. 80-81.

(40) Ibid., blz. 77-78, 82.

(41) Ibid., blz. 78-79.

(42) Handvesten, II, art. XXXVIII, blz. 641.

(43) De Roever, blz. 82-83.

(44) Ibidem.

(45) Ibid., blz. 64-65 en 85-89.

(46) Blz. 7.

(47) Blz. 4, 5.

(48) Inv.nr. 772.

(49) Zie collectie charters 'boedelpapieren weeskamer', 1309-ca.1810 (arch.nr. 5027).

(50) Archief van de stedelijke commissie van liquidatie, voorl. arch.nr. 107.

(51) Oldewelt, blz. 123-126.

(52) Ibid., blz. 125.

(53) Ibidem.

(54) Wagenaar, I, blz. 583 e.v.

(55) Blz. 16.

(56) Blz. 12, 13.

(57) De Roever, blz. 109-111.

(58) Kalff, weeskamer, in: de Telegraaf d.d. 18 maart 1915.

(59) Jaarverslag 1881, blz. 22.

(60) Jaarverslag 1895, blz. 26.

(61) Jaarverslag 1934, blz. 4.

Aanvulling op de bewerking van het archief

In 2014-2015 werden de bijna 6000 charters, die eind 19de eeuw los zijn gehaald uit de boedeldossiers (zie hiervoor de inleiding bij toegangsnummer 5058), beschreven. Het eerste gedeelte van tegen de 2000 charters was geborgen in charterdozen voorzien van het oorspronkelijke ladenummer waaruit zij waren gehaald. Vanwege de hoeveelheid en moeilijkheid van de stukken zijn deze charters alleen ontsloten op datum en het oorspronkelijke ladenummer. Dit ladenummer staat met potlood op elk van de charters vermeld. Aan de hand van dit ladenummer kunnen de charters in hun oorspronkelijke context bestudeerd worden. Bij een aantal charters kon dankzij de index een summiere beschrijving of namen vermeld worden. De charters zijn beschreven onder de rubrieken 2.11.3 en 2.11.4. Naast deze chartercollectie zijn nog eens zo'n 4000 charters uit het Weeskamerarchief terecht gekomen in de zogeheten Topografische Collectie, een collectie op straatnaam geordende charters (toegangsnummer 5057). Deze charters worden momenteel beschreven en zullen tezijnertijd via de archiefbank te raadplegen zijn.

In 2015 werd het laatste nog oneïnventariseerde gedeelte van het archief van de Weeskamer beschreven en in de inventaris opgenomen. Het betrof 12 meter portefeuilles en delen, voornamelijk administratie van de suppoosten van de Weeskamer, archief van de Stedelijke commissie voor de liquidatie der zaken van de Weeskamer (1812-1852) en van de Algemene Commissie van Liquidatie (1852-1879). De stukken zijn beschreven onder de rubrieken 5, 6 en 7. Naast deze archiefbescheiden werden persoonlijke stukken van de suppoosten aangetroffen alsmede zakelijke stukken die niets van doen hadden met hun functie als suppoost van de Weeskamer. Tevens werden diverse losse stukken aangetroffen die vermoedelijk afkomstig zijn uit de boedeldossiers en hier in het verleden uit zijn gehaald. Van een aantal stukken kon dit met zekerheid worden vastgesteld, daar met potlood het oorspronkelijke ladenummer op het stuk was aangegeven. Van veel andere stukken kon alleen worden vermoed dat zij uit een boedeldossier afkomstig zijn. Daarnaast werd een aantal stukken aangetroffen waarvan niet aannemelijk kon worden gemaakt dat zij uit een boedeldossier kwamen en waarvoor geen duidelijk verband met de Weeskamer kon worden aangetoond. Een aantal stukken was volgens een aantekening in de desbetreffende portefeuille bijvoorbeeld afkomstig van de kamer van archivaris Breen, die zich in het verleden bezig had gehouden met onderzoek naar de Weeskamer. Na zijn overlijden werden deze stukken op zijn kamer aangetroffen en heeft men ze aan de Weeskamer toegevoegd. Alle losse stukken, al dan niet - vermoedelijk - afkomstig uit het archief van de Weeskamer, zijn beschreven onder rubriek 5.

Het archief van de Weeskamer is nu in zijn geheel beschreven.

Archiefvormer

Weeskamer en Commissie van Liquidatie der zaken van de voormalige weeskamer
© Stadsarchief
Disclaimer / Colofon
<

Gegevens over mogelijk nog levende personen mogen alleen worden gebruikt voor historisch (waaronder genealogisch), wetenschappelijk of statistisch onderzoek.

Door het aanklikken van onderstaande button verklaart u zich te houden aan het Reglement voor raadpleging en gebruik van het Stadsarchief.