5040: Archief van het Stadsfabriekambt en Stadswerken en Stadsgebouwen

Algemene kenmerken

Toegangsnummer:

5040

Periode:

1532 - 1982

Inleiding

Geschiedenis van de instelling

Stadsfabriekambt (ca. 1520-1746)

Fabriekmeesters (ca. 1520-1633)

Organisatie

De bouw en het onderhoud van publieke gebouwen, het bevaarbaar houden van grachten en haven en de zorg voor de watercirculatie waren zaken, die, op het hoogste niveau, door burgemeesters behartigd werden. Het stadsbestuur bestond uit vier burgemeesters en 36 raden (de vroedschap). De burgemeesters, die ook van de vroedschap deel uitmaakten, delegeerden tussen 1413 en 1444 de zorg voor de stedelijke financiën en eigendommen en de uitvoering van de openbare werken aan de thesaurieren, gewoonlijk oud burgemeesters. Bij de oprichting van het fabriekambt in de tweede helft van de vijftiende eeuw werd de uitvoering van de openbare werken aan de thesaurieren ontnomen, maar zij behielden wel het toezicht. Sinds de instelling van het ambt van thesaurieren-extraordinaris in 1584 werden zij thesaurieren-ordinaris genoemd (1).

Eén van de leden van de vroedschap werd benoemd tot fabriekmeester en kreeg de openbare werken onder zijn hoede (2). Hij had de leiding van de stadstimmertuin of schafferij en had onder zich een stadstimmerman en een stadsmetselaar.

Rond 1525 zal de organisatie van de stadstimmertuin enige vaste vorm hebben aangenomen. Uit 1524 dateert de eerste vermelding van een fabriekmeester, Wolbrant Claesz, die voor zijn diensten 90 gulden per jaar ontving (3). In hetzelfde jaar werd Willem Claesz tot stadstimmerman benoemd, die 10 ponden vlaams per jaar zou verdienen naast vrije woning en brandhout. Hij werd belast met alle stadswerken, waaronder met name de zorg voor de Oudezijdssluis (4). De eerste vermelding van een stadsmetselaar dateert uit 1546; het is Willem Dircxsz, die samen met de toenmalige stadstimmerman Jacob Jacobsz 500 gulden en 8 stuivers van de stad ontvangt om de accijns op het bier voor het stadswerkvolk te betalen (5).

Het werk waarmee de fabriekmeester was belast breidde zich in de loop van de zestiende eeuw enorm uit. De stad werd vergroot, in 1585, 1593 en 1611 (6). Bovendien werden steeds meer taken, die eerst door particulieren werden uitgevoerd of door de stad werden uitbesteed, aan de stad getrokken, zoals in 1556 de zorg voor brandemmers en leren en in 1592 de stratenmakerij. In 1623 was de taakomschrijving van Dirck Gerritsz bij zijn aanstelling tot fabriekmeester: het werk aan 'huizen, torens, straten, jukken en bruggen' (7). Met die uitbreiding van de werkzaamheden werd de organisatie van het stadsfabriekambt gecompliceerder. In 1555 werd een onderfabriekmeester benoemd (8). Naast de stadstimmerman en metselaar kwamen er een stadsleidekker, 1555 (9), stadssmeden, 1591 (10), een stadssteenhouwer en beeldsnijder (Hendrick de Keyser), 1595 (11), en een stadsschuitenmaker, 1620 (12). Het eigenlijke werk van de stadsfabriekmeester beperkte zich steeds meer tot het administratieve deel van de stadswerken: de aankoop van materialen, het betalen van stadswerkvolk.

Toen in 1594 besloten werd een penningmeester aan te stellen (13) betekende dit een grote verlichting van het werk van de fabriekmeester. Pieter Jacobsz Nachtglas en Jan Jansz van Hoorn combineerden beide ambten nog, maar in 1624 werden ze gescheiden (14). Het ambt van fabriekmeester zal nu weinig meer hebben ingehouden dan de eer en de verantwoordelijkheid. Als Pieter Hasselaar in 1633 zich eruit terugtrekt (15)wordt het verkiezen van een opvolger uitgesteld. Dit betekende dat de stadsmeesters (de stadsmeestertimmerman, stadsmeestermetselaar, stadsmeesterloodgieter en leidekker, stadsmeestersmid en stadsmeesterschuitenmaker) nu direkt de orders van de burgemeesters hadden op te volgen. Het was geen zelfstandige dienst meer, maar een werkplaats, waarvan de burgemeesters de directeuren waren.

Vestiging

De stadstimmertuin was van 1530 tot 1544/45 gevestigd aan de Grimburgwal, waarna hij verplaatst werd naar een terrein aan de Oude Turfmarkt en de Nieuwe Doelenstraat, waar in 1647 het Oudezijds Herenlogement gebouwd zou worden. In 1630 werd de tuin gevestigd aan de latere Tuinstraat, tegenover het hofje 'De Zeven Keurvorsten'. De Tuinstraat ontleent zijn naam aan de stadstimmertuin, die er tot 1660 zou blijven (16).

Stadsmeesters onder bevel van de thesaurie 1633-1746

Organisatie

De periode 1633 1746, waarin het stadsfabriekambt ingelijfd was bij de dienst van de thesaurieren ordinaris, werd gekenmerkt door een paradox. Enerzijds werden grote werken uitgevoerd, zoals de bouw van het nieuwe stadhuis, 1648 1705, de vierde vergroting van de stad, 1658 en het op grote schaal aanpakken van het uitdiepen van de grachten en de haven (in 1674 uitbesteed aan de commissarissen van de walen (17), naar aanleiding van stankoverlast en aanslibbing, 1674 1685, anderzijds was er door voortdurende oorlogen een nijpend geldgebrek, waardoor regelmatig pogingen werden aangewend om te bezuinigen. De druk, die aldus van twee kanten op het fabriekambt werd uitgeoefend, de druk om zeer veel met zeer weinig uit te voeren, leidde tot een herhaald herorganiseren. De latere departementen begonnen zich langzamerhand af te tekenen.

Het was in 1633 geen opzet geweest het leeggekomen ambt van fabriekmeester niet meer te vervullen. Zijn werkzaamheden werden waargenomen door de onderfabriekmeester, die al sinds 1555 de fabriekmeester had geassisteerd. Voor de verzwaring van zijn plichten kreeg deze tot in de jaren vijftig van de zeventiende eeuw 150 gulden extra boven zijn jaarwedde 'zolang er geen opperfabriek zal zijn' (18).

In 1658 werden er twee onderfabriekmeesters aangesteld, die ieder een gedeelte van stadswerken onder hun toezicht kregen (19): Gerrit Barentsz van Swanenburgh, die sinds 1654 stadstimmerman was (20) en opzichter van stadswerken en arbeidsvolk (21) kreeg 'onder 't gesag der heeren tresorieren opsicht, directie ende beleyt van alle deser stede gebouwen, timmeragiën en reparatiën...'. Jacob Lambertsz Spakenburg werd belast met 'alle de resterende stadssaken', waaronder vielen de straten, de beschoeiingen, het modderwerk en de watercirculatie.

Van deze eerste onderverdeling van stadswerken is weinig terecht gekomen. Van Spakenburg wordt na zijn aanstelling niets meer vernomen. Swanenburgh blijft als onderfabriek de overkoepelende figuur tot hij zich in 1667 terugtrekt vanwege zijn hoge leeftijd. Als stadstimmerman wordt hij opgevolgd door Hans Jansz van Petersom (22), maar de term onderfabriek valt nadien niet meer. De stadstimmerman stond weer op één lijn met andere stadsmeesters, direkt onder de thesaurieren. Hij wijdde zijn volle aandacht weer aan het handwerk van de timmertuin, wat ook blijkt uit de mortificatie van het ambt van ondermeestertimmerman in 1668 (23).

In 1682 werden de stadswerken nog eens verdeeld (24). Er werden zeven verschillende afdelingen gecreëerd, die ieder onder het toezicht kwamen te staan van verschillende burgemeesters en raden. De verdeling was als volgt:

  1. De wateren en kanalen binnen de stad
  2. De buitenwateren, de modder en graafwerken en de schuitenmakerij
  3. Het vuilnis
  4. Het timmermans, metselaars, smids, steenhouwers, leidekkers, en schilderswerk en het werk van de schrijver van het fabriekambt
  5. Het zand binnen en buiten de stad, het landmeters en stratenmakerswerk buiten de stad
  6. De lantarens
  7. De nieuw te maken plantage binnen de stad.
Deze verdeling, hoewel vele malen veranderd, was de grondslag voor de latere verdeling in departementen. In 1682 was het aantal stadsmeesters opgelopen tot 19:

  1. glazenmakers
  2. stalmeesters
  3. architekt
  4. timmerman
  5. metselaar
  6. ondermetselaar
  7. opzichter van graaf en modderwerken
  8. smid
  9. lopensmid
  10. steenhouwer
  11. opzichters van de buitengetimmerten
  12. stratenmaker
  13. onderschuitenmaker
  14. loodgieter en leidekker
  15. landmeter (25).
Het aantal werklieden in stadsdienst bedroeg minimaal 131. De timmerman had 38 man in dienst, de metselaar 25, de schuitenmaker 40, de smid 8, de opzichter van de modderwerken 8, de schilder 4, de loodgieter 6 en de landmeter 2. Als de werkzaamheden dit vereisten werd door thesaurieren permissie verleend dit getal uit te breiden, maar steeds werd teruggegrepen op het basisgetal.

Vestiging

De stadstimmertuin, die sinds 1630 aan de Tuinstraat gelegen was, werd in 1660 verplaatst naar de Amstel. Het terrein werd begrensd door de Nieuwe Prinsengracht, Weesperstraat, Weesperplein en Lijnbaansgracht. In 1666 werd het door het graven van de Nieuwe Achtergracht in tweeën verdeeld. De werkplaatsen, magazijnen e.d. kwamen ten zuiden van deze gracht te liggen. Tot 1900 zou de stadstimmertuin hier gevestigd blijven.

In 1663 werd de metseltuin aangelegd op een dam in de Lijnbaansgracht bij de Leidsegracht (26) en sinds het begin van de achttiende eeuw was er een stadsstratenmakerssteenwerf op de hoek van de Vijzelgracht en de Lijnbaansgracht (27). Dit was een opslagplaats van steen. De stadsschuitenmakerswerf, waar vlotschuiten en modderschuiten werden gemaakt, bevond zich in ieder geval in 1734 op Oostenburg (28). Het wachthuis van de waterkering is te zien op de kaart van burgerwijk 4 uit 1730/36 aan de Nieuwmarkt in het water van de Geldersekade (29). Het gebouwtje was van hout en stond op palen.

Stadswerken en gebouwen 1746-1820

Directeur generaal 1746 1777

Organisatie

Eind november 1746 besloten de burgemeeesters om voorlopig voor twee jaar een directeur generaal over stadswerken en gebouwen aan te stellen. Hij moest een tussenfiguur tussen thesaurieren en stadsmeesters worden, die bovendien de thesaurieren bij het nemen van beslissingen en het maken van plannen zou voorlichten en bijstaan. De keus viel op Gerard Frederik Meybaum, majoor ingenieur in het garnizoen te Namen. Hij zou 1500 gulden per jaar verdienen (30).

De benoeming was alleszins tijdelijk, want toen in november 1749 zijn aanstelling voor drie jaar werd verlengd, was dat nog steeds met behoud van zijn plaats als majoor ingenieur in dienst van het land (31). De verlenging van Meybaums dienstverband, eind 1749, werd gekoppeld aan alweer een bezuinigingsprogramma (32). Door thesaurieren werd voorgesteld om bij continuering van het ambt van directeur generaal de posten van een aantal stadsmeesters uit te laten sterven. Voor hen in de plaats zouden onderbazen worden aangesteld (33), die weliswaar dezelfde verantwoordelijkheid zouden dragen, maar minder verdienen.

Dit plan werd ten uitvoer gebracht: De generaal opzichter van het circuleren der wateren en de schutsluizen, Jan van Vliet. was in oktober al overleden. Zijn ambt werd gemortificeerd en in december werden twee onderbazen aangesteld. De generaal opzichter van de graaf en modderwerken, Jacob van Breda, overleed in 1768 (34). Een onderbaas was toen al in functie (35). De stadstimmerman Willem van Dieden overleed pas in januari 1773 (36), meer dan twintig jaar na de beslissing zijn ambt te mortificeren. Na zijn dood is alleen nog sprake van onderbazen. De stadsmetselaar, Barend Witvogel, stierf nog later, in maart 1780 (37). Zijn ambt werd gemortificeerd en de al in functie zijnde onderbaas kreeg twee meesterknechten in plaats van één. De stadslandmeter tenslotte, Jan Spruytenburg, overleed in augustus 1754 (38). Dit ambt bleef onvervuld tot in 1772 de latere directeur Johannes Schilling als zodanig werd benoemd (39). Deze procedure, waarbij de dure topfiguren plaats maakten voor goedkopere in een lagere rang, die door hun groeiende verantwoordelijkheid en taakverzwaring al spoedig de nieuwe toplaag zouden vormen, was een bezuinigingsmaatregel, die voor korte tijd de benauwde financiële situatie lucht kon geven, maar op den duur niet werkte.

In november 1766 werd naast Meybaum, op zijn verzoek, een mededirecteur benoemd, vooral belast met de circulatie van de wateren. Het was Cornelis Rauws, luitenant ingenieur van de generaliteit, die zich in februari 1767 uit Arnhem in Amsterdam vestigde. Hij zou 1800 gulden per jaar verdienen, 300 gulden meer dan Meybaum (40). In 1768 volgde Rauws Meybaum op (41). Hij kreeg nog 1500 gulden boven zijn jaarwedde, zodat hij 3300 gulden verdiende (42).

In april 1772 besloten thesaurieren een assistent aan Rauws toe te voegen, omdat zijn werk aanmerkelijk toenam. Hij stelde zelf voor om Johan Samuel Creutz voor twee jaar te proberen. Creutz was afkomstig uit Berlijn, had vijf jaar in Leiden gestudeerd en bezat goede referenties. Hij werd aangenomen als onderdirecteur en zou 1000 gulden per jaar verdienen (43). Toen Cornelis Rauws de volgende maand bij de grote brand in de schouwburg aan de Keizersgracht bij het blus en reddingswerk om het leven kwam (44), was Creutz kennelijk nog niet voldoende ingewerkt om hem op te volgen.

Luitenant ingenieur Jacob Edouard de Witte, afkomstig uit Brussel, bleek de meest geschikte referenties te hebben en werd op 10 juli 1772 aangesteld als directeur van stadsgebouwen en werken. De jaarwedde werd opgetrokken tot 4500 gulden + 600 gulden voor paard en rijtuig (45). Op dezelfde datum werd Johannes Schilling voor 2 gulden per dag voorlopig aangenomen op het modderkantoor om kaarten te maken (46). Creutz bleef onderdirecteur, op 10 maart 1773 in vaste dienst (47).

Aanvankelijk leek De Witte zeer geschikt voor zijn ambt. In januari 1775 werd hem nog wat schoorvoetend een douceur van 1000 gulden verleend wegens extra werkzaamheden in verband met de bouw van de nieuwe schouwburg op het Leidseplein (48). In november van hetzelfde jaar kreeg hij weer 'een present' van 1000 gulden, dat met jubelende woorden door de thesaurieren werd beredeneerd (49). Wel werd De Witte bij deze gelegenheid gewaarschuwd toch vooral zuinig te zijn en zich niet te buiten te gaan aan luxe in zijn opdrachten.

Eind 1776 begon op initiatief van de boekhouder van het fabriekambt, C.E. Vaillant, een onderzoek naar aan het licht gekomen frauduleuze handelingen, door De Witte gepleegd. Hij was niet in staat zich vrij te pleiten van de beschuldigingen van het verkopen van diensten, het gebruik van stadswerkvolk en stadsmateriaal in zijn eigen voordeel en het op diverse wijzen oplichten van de stadskas (50). De Witte werd op 1 mei 1777 'uit hoofde van diverse beschuldigingen' uit zijn ambt ontslagen (51) en met hem verscheidene functionarissen bij de graaf en modderwerken en het waterkeringkantoor wegens 'menigvuldige malversatiën en oneerlijke handelwijzen' (52).

Het werd de thesaurieren duidelijk dat een éénhoofdige leiding van stadswerken slecht te controleren was en de neiging kreeg zich los te maken van zijn meerderen. Onderdirecteur Creutz werd voorlopig met de waarneming van het ambt van directeur generaal belast.

Vestiging

De situering van de stadstimmertuin, metseltuin, steenwerf en schuitenmakerswerf bleef gelijk. Het waterkantoor aan de Nieuwmarkt werd in mei 1777 aan een inspectie onderworpen, waarbij de palen, waarop het in het water stond, verrot bleken te zijn. In juni werd besloten het gebouwtje op de wal te zetten (53).

Bij het ontslag van De Witte werd opdracht gegeven het modderkantoor te verplaatsen van voor De Wittes huis naar voor de stadstimmertuin (54). Ook dit was waarschijnlijk een houten gebouwtje, dat hetzij in het water, hetzij op de wal stond. Het hoefde alleen naar de overkant van de Amstel gebracht te worden, aangezien De Wittes woonhuis aan de Binnenamstel lag, tussen Prinsengracht en Kerkstraat, aan de westzijde (55).

Drie directeuren 1777-1820

Organisatie

In april 1777 had J.S. Creutz al gepleit voor de verdeling van de veelvuldige taken van de directeur in twee afdelingen: de hydrotechniek of waterbouwkunde en de architectura civilis of burgerbouwkunde (56). Toen De Witte was ontslagen besloten de burgemeesters de organisatie van stadswerken wel te splitsen, maar daarbij aansluitingen te zoeken bij de departementen, zoals die bij de thesaurieren ten aanzien van het fabriekambt bestonden. In juli werden aangesteld tot directeuren over stadswerken: Johan Samuel Creutz, de architect Abraham van der Hart en de stadslandmeter Johannes Schilling.

Het departement van Creutz omvatte:

a. De waterbouwkunde: de aanleg en het onderhoud van de schutsluizen, stenen en houten bruggen, dijken, waterkeringen en kaden, palen in het IJ, rijswerken aan de Nes, de Volewijk en het Schelvishoofd, alle stenen en houten wallen en vestmuren, de wegen in de plantage en buiten de poorten en de landerijen van de stad.

b. De graaf en modderwerken: het diephouden van al het water buiten de stad, de walen en het IJ voor de stad, de vesten, de Nieuwevaart, etc., de directie van het modderkantoor. Hij verdiende per jaar 1500 gulden + 600 gulden voor rijtuig, tekenaar en schrijver. Bovendien behield Creutz de vrije woning aan de stadstimmertuin.

Het departement van Van der Hart omvatte:

De architectura civilis of burgerbouwkunde: de zorg voor het stadhuis, de beurzen, de torens, de poorten en hun vleugels, de sluizen en bruggen die bij de poorten behoorden, de schouwburg, de wagen, de vleeshallen, de vismarkten, alle huizen van steen of van hout van land en stadsbedienden der invordering van accijnzen en belastingen, alle logementen en woonhuizen die door de stad verhuurd werden, alle magazijnen en werkhuizen van de stad, alle kerken met bijbehorende gebouwen. Hij verdiende 1500 gulden + 1000 gulden voor rijtuig, tekenaar en schrijver.

Het departement van Schilling omvatte:

a. De watercirculatie binnen de stad: de directie van het waterkantoor, de uitdieping van de stadsgrachten, de directie over de watermolens, de stro en krengevissers.

b. De stratenmakerswerf.

c. Het toezicht over de lantaarns en brandspuiten.

d. Het stadslandmeterschap.

Hij verdiende 1500 gulden + 600 gulden voor rijtuig, tekenaar en schrijver (57).

Johan Samuel Creutz, voorheen onderdirecteur, afkomstig uit Berlijn, was, evenmin als zijn collega's, opgeleid als militair ingenieur, zoals zijn drie voorgangers dat wel waren geweest. Hij had vijf jaar in Leiden gestudeerd bij professor Allamand (58) (1716 1787), die daar wiskunde en wijsbegeerte doceerde. In 1773 had Creutz zich opnieuw laten inschrijven als kandidaat in de filosofie. Op 22 december 1772 vestigde hij zich uit Leiden te Amsterdam. Hij liet zich inschrijven als lid van de Waalse kerk, nadat hij de geloofspunten, die verschilden van die van de lutherse kerk in Leiden, waarvan hij voordien was lid geweest, had afgezworen (59). Op 29 oktober 1773 werd zijn huwelijk aangetekend met Charlotta Françoise de Mey, wonende te Alblasserdam. Creutz woonde toen op de Onbekendegracht, hetgeen betekent, dat hij de woning aan de stadstimmertuin betrokken had (60). Uit dit huwelijk werden te Amsterdam drie kinderen geboren.

Deze theoretisch onderlegde en ervaren man, die het ambt van directeur generaal nu tweemaal had waargenomen, heeft zich waarschijnlijk wel gepasseerd gevoeld, toen het belangrijkste, in ieder geval het eervolste departement, dat van de burgerbouwkunde, niet aan hem, maar aan een jongeman van buiten de dienst van stadswerken werd toevertrouwd. De architekt Abraham van der Hart, 30 jaar oud, was Amsterdammer van geboorte. Op 28 mei 1747 werd hij in de Nieuwe kerk gedoopt als zoon van timmerman en makelaar Jan van der Hart Hendrikszoon en Alida Maagh (61). Zijn opleiding heeft hij waarschijnlijk bij zijn vader genoten (62). Het is bekend, dat zijn verhouding met Creutz niet soepel verliep (63). De omgang met de derde directeur, Schilling, was evenmin hartelijk (64).

Johannes Schilling, geboren ca. 1746, was afkomstig uit het Jeverland, een landschap in Oost Friesland. Hij werd in 1772 in Amsterdam benoemd tot stadslandmeter (65) voor 2 gulden daggeld. Twee jaar later werd dit verhoogd met 10 stuivers. De post van landmeter behield hij na zijn benoeming tot directeur. Over zijn opleiding of verdere achtergronden is weinig bekend. Hij had zich ontwikkeld tot een zeer kundig man op het gebied van de watercirculatie.

Het was de bedoeling, dat voor een bepaald project de directeur van het betreffende departement overlegde met de thesaurier, die dat departement onder zijn toezicht had, maar dat de directeuren ook onderling contact hielden.

Het systeem van maandrapporten, dat sinds de benoeming van een directeur generaal was ingevoerd, werd gehandhaafd. De rapporten werden ingediend bij de thesaurieren en met de beschikking op de afzonderlijke punten in de marge weer aan de directeuren geretourneerd.

Creutz voelde zich, geflankeerd door twee rivalen, niet op zijn gemak. Hij vroeg en kreeg een jaarlijkse douceur van 600 gulden voor zijn zware taak in 1780 (66). Misschien lag de waterbouwkunde hem niet zo, ook scheen hij teveel opdrachten buiten stadswerken om te aanvaarden (67). In ieder geval was in de loop van 1782 het modderwerk geheel zonder directie door 'de continuerende indispositie van den heer Creutz'. Er werd een vierde directeur benoemd, Barend Goudriaan Adriaanszoon, dijkmeester van de Lekkendijk in Utrecht, die een gedeelte van het departement van Creutz zou overnemen (68), namelijk: de graaf en modderwerken en de zorg voor de landerijen van de stad, het diephouden van alle wateren buiten de stad en de directie van het modderkantoor (69). Goudriaan werd op 23 augustus 1782 aangesteld en op 28 november ingeschreven als poorter van Amsterdam. Zijn geboorteplaats was Hardinxveld, maar toen hij zich op 27 februari 1783 als lid van de hervormde gemeente in liet schrijven, kwam hij uit Wijk bij Duurstede. Hij vestigde zich op het Kattenburgerplein (70).

De benoeming van Goudriaan was bedoeld als verlichting voor Creutz (71), maar het resultaat was wrijving. Er ontstonden geschillen over wat onder wiens competentie viel en de samenwerking vereiste herhaaldelijk bemiddelen door de thesaurieren (72). Op 20 juni 1787 verzocht Creutz zijn ontslag. Hij had zich aangemeld als majoor bij de genie in Rusland. Hij stelde de thesaurieren voor een fait accompli. Wel weten ze zijn staat van dienst nog met een verklaring van goed gedrag te waarderen (73). Op 10 juli werd J.S. Creutz uitgeschreven als lid van de Waalse gemeente. Hij vertrok 'pour Petersbourg' (74). Zijn vrouw en dochter liet hij in Amsterdam achter. Zij mochten de ambtswoning aan de stadstimmertuin blijven bewonen, eerst voorlopig (75), maar dat zal definitief blijken als in 1797 Johannes Schilling, die inwoning in de ambtswoning had gekregen, met de dochter van Creutz trouwt (76).

Het departement van Creutz werd verdeeld over de departementen van de andere drie directeuren. Van der Hart kreeg het opzicht van alle stenen en houten bruggen binnen en buiten de stad en de stenen en houten wallen en steigers. Voor de vermeerdering van zijn taak kreeg hij een verhoging van zijn jaargeld met 500 gulden en de voordelige post van keurmeester van de gebakken steen. Schilling kreeg het opzicht over alle schutsluizen, waterkeringen en watermolens, de paalwerken in het IJ, de landerijen van de stad en de vestmuren. Als compensatie kreeg hij inwoning in de ambtswoning aan de stadstimmertuin. Goudriaan kreeg het opzicht over alle dijken en kaden, de rijs en waterwerken aan de eilanden Urk en Emmeloord, de Nes, Vogelwijk en Schelvishoofd en alle wegen binnen en buiten de stad. Hij kreeg geen verhoging, alleen betaalde de stad van nu af aan zijn huishuur (77).

De verdeling van stadswerken over de drie directeuren zou nu vrijwel ongewijzigd blijven. Alleen werd aan het departement van Schilling nog het opzicht over stadspaarden en stallen toegevoegd in 1791 (78). In 1798 keerde in de gecompliceerde strijd van patriotten en oranjegezinden het tij in Amsterdam ten gunste van de eersten. Het gevolg was massaal ontslag van gemeente ambtenaren, van wie men oranjegezindheid vermoedde. B. Goudriaan Azn. behoorde tot deze groep. In april 1798 besloot de administratieve municipaliteit van Amsterdam de directeur van stadsgraaf en modderwerken te ontslaan. Uit het protest en de verdediging, die Goudriaan vervolgens tot hen richtte blijkt, dat de beschuldigingen uiteenlopend waren: het opstellen van een 'boog met een vaarsje' voor zijn huis tijdens de ontlusten van 1787 en het ontslaan van patriotten uit stadsdienst om hun denkwijze. De verdediging van beide punten werd door de municipaliteit naast zich neer gelegd omdat Goudriaan geen 'akte van civisme' kon tonen. Het ontslag ging door (79). Tot juni mocht hij nog in zijn huis blijven wonen.

Op 5 juli 1798 werd hij uitgeschreven als lid van de hervormde gemeente te Amsterdam. Hij vertrok naar Hardinxveld (80). In 1805 diende Goudriaan bij de thesaurieren een request in om schadevergoeding en eerherstel. Omdat hij tijdens de behandeling ervan overleed, werd het request aan zijn zoon terugbezorgd met de mededeling, dat er waarschijnlijk gunstig op beschikt zou zijn 'uyt hoofde der betoonde ijver, bekwaamheid en vigilantie van deszelfs vader in het waarnemen van zijn post en het medelijden omtrent deszelfs onverdiende remotie' (81).

Goudriaan werd opgevolgd door Leendert Viervant, een architekt, afkomstig uit Arnhem, 46 jaar oud, die echter drie jaar later, op 9 juli 1801, werd begraven (82). Hem volgde weer op, nadat Schilling het graaf en modderwerk drie maanden lang had waargenomen (83): Willem van Ronzelen, een Utrechtenaar, 47 jaar oud, die zich op 18 november 1784 in de Nieuwstraat had gevestigd (84). Hij had een carrière aan de stadstimmertuin achter de rug, die hij als onderbaas verliet. Hij betrok de woning aan het Kattenburgerplein, tevoren bewoond door Goudriaan en Viervant.

Dit drietal directeuren, Van der Hart, Schilling en Van Ronzelen maakte de periode tot 1820 vol. Zij droegen de verantwoording voor de diverse afdelingen van het stadsfabriekambt, de 'werven' en de 'winkels', die werden geleid door bazen, onderbazen en meesterknechten. Bovendien was er voor iedere afdeling of combinatie van afdelingen een boekhouder, die de uitgaven aan arbeidslonen en materialen bijhield. De centrale post van boekhouder van het stadsfabriekambt werd 65 jaar lang vervuld door Mr. Christiaan Everhard Vaillant, in 1764 aangesteld op 18 jarige leeftijd en in 1829 overleden, wonende aan de stadstimmertuin.

Een werkstaking 1798

Het stadsfabriekambt vormde een zware post voor de stadsfinanciën. Steeds werden middelen aangegrepen om te bezuinigen. In 1791 werden besluiten genomen om gedurende de zomer een derde van de werklieden het werk op te zeggen. Deze drastische maatregel werd niet uitgevoerd. Volgens een rapport van Van der Hart waren de aantallen arbeiders in de loop van de jaren als volgt:

1788: 274

1789: 261

1790: 270

1791: 249

1792: 240

1793: 240

1794: 228

1795: 220

1796: 253

1797: 302

1798: 300 (85).

In 1797 lieten de thesaurieren een vierde gedeelte van de stadswerklieden niet werken om de financiën te verlichten. Dit leidde tot onrust. In 1798, na de staatsgreep van Daendels en de vorming van de Bataafse Republiek, werden door een commissie uit de municipaliteit oranjegezinde ambtenaren en arbeiders ontslagen, wat de verbittering alleen maar deed groeien. Eind juli besloten de thesaurieren, onder het mom van besparing, maar met een politieke opzet alle arbeiders in dienst van de stad in één keer te ontslaan en een klein aantal van hen onmiddelijk daarop weer aan te nemen, volgens daarvan opgestelde lijsten.

Al meteen bleek, dat er moeilijkheden zouden ontstaan. De onderbazen werden door de arbeiders bedreigd en op 2 augustus had een aantal van hen zich door de ondertekening van een verklaring bij de notarissen Wagner en Heystek verbonden niet meer aan het werk te gaan voordat alle arbeiders weer aangenomen waren.

Op maandag 6 augustus is de staking een feit. De thesaurieren zijn geschokt. Ze vatten het verbond op als 'eene misdadige poging om het gezach der geconstitueerde machten te schenden en de door thesaurieren ordinaris ter bevordering der belangens van deeze stad noodzakelijk gekeurde maatregel krachteloos en illusoir te maken' (86).

Abraham van der Hart nam het op voor de arbeiders. Hij stelde 'dat de werken naar het volk en niet het volk naar evenredigheid van de opgegevene noodzakelijke werken moeten geschikt worden' (87). De thesaurieren verweten hem zwakte (88). In het stadshuis verzamelden zich de stadsarbeiders voor de kamer van de thesaurieren onder het uiten van dreigementen. De te hulp geroepen burgerwacht weigerde dienst en een Franse troepenmacht moest ingeschakeld worden (89). Directeur Viervant probeerde de thesaurieren lijfelijk te beschermen, maar de massa ebde pas weg toen één van hen gearresteerd werd en ze probeerden deze te ontzetten. De dreiging was ook de volgende dagen nog zo groot dat een compagnie cavalerie der Bataafse Republiek de stadscavalerie moest versterken. Het volk werd verspreid en alle werken moesten worden opgeschort. Van der Hart werd gelast de arbeiders in de metseltuin, die door de onderbaas aan het werk waren gezet op 10 augustus, weer naar huis te sturen (90).

Op 15 augustus verklaarden de ondertekenaars van het verbond, dat zij onder dreigementen hadden gehandeld. Ook verklaarden enige stakers, dat zij het werk hadden neergelegd uit angst voor mishandelingen. De thesaurieren besloten de arbeiders, die hun spijt aldus betoonden met de in stadsdienst gecontinueerden vanaf die dag weer te laten werken (91).

Vestiging

In de vestiging van de afdelingen van stadswerken deed zich geen verandering voor in deze periode. Het kantoor van de modderwerken, wat als een los houten bouwwerk gezien moet worden, werd verplaatst naar het Kattenburgerplein voor de woning van de directeur van graaf en modderwerken.

Rooimeesters 1532-1645

Het rooien van gebouwen, straten, wegen, grachten, gronden en erven, het bepalen van de rooilijn en door het afbakenen van die lijn de gronden aanwijzen, die men nodig had voor het bouwen, graven, etcetera, werd gedaan door de rooimeesters. De rooimeesters, oorspronkelijk drie in getal, maar sinds 1660 vier (92), werden benoemd door de burgemeesters en werkten in opdracht van diverse colleges (thesaurie, schepenen) of particulieren.

Om hun opdrachten te ontvangen moesten zij elke dag 's ochtends van 8 tot 9 en 's middags van 1 tot 2 op de beurs aanwezig zijn (93). In juni 1532 begon de schriftelijke optekening van hun rapportering aan de thesaurieren 'ende voer die tyt en heeft men daer van geen registre gehouden' (94). Zij hadden toen nog geen dagtaak, gemiddeld vijftien keer per jaar werd een beroep op hen gedaan, geconcentreerd in de zomermaanden.

Zij hadden dan ook nog geen inkomsten uit hun rooimeesterschap en oefenden deze taak uit naast hum dagelijkse werk. In deze tijd waren de drie rooimeesters de fabriekmeester, de stadstimmerman en een particulier metselaar. De band met het fabriekambt bestond dus uit een personele unie. In 1566 waren de werkzaamheden zo uitgebreid, dat de rooimeesters hun eigenlijke werk niet meer volledig konden doen. Voor hun 'verzuim' kregen zij voortaan een geldelijke beloning, een salaris, berekend naar de aard van de rooiing (95). In 1584 werden de bedragen verhoogd (96). De man, die in 1660 tot vierde rooimeester werd benoemd, gaf zijn betrekking van onderstadsmetselaar daarvoor op (97). In 1666 werd voorgesteld voortaan de stadsmeesters voor het rooien van straten te gebruiken (98). De stadsmeesters, die een vast daggeld genoten, zouden zo de stad de telkens oplopende bedragen, die de rooimeesters per rooiing verdienden, besparen. De resterende rooiingen van gebouwen en erven gaven de vier rooimeesters echter voldoende bestaansrecht tot in de negentiende eeuw. In 1859 werd hun werk overgenomen door de bouwopzichters, die in 1904 werden opgevolgd door het gemeentelijke Bouw en Woningtoezicht.

De band met het stadsfabriekambt en later met Publieke Werken is een nauwe. Zoals gezegd bestond er vaak een personele unie die echter niet was vastgelegd, zoals in Haarlem, waar in 1754 de aanstelling tot onderfabriek, stadsmetselaar en stadstimmerman resulteerde in de aanstelling tot rooimeester (99). De rooimeesters werden, volgens de instructie van 1750, elke donderdagmorgen om 10 uur op het stadhuis verwacht, tegelijk met de onderdirecteur van stadswerken en de stadsbazen (100). Het één had veel met het ander te maken, maar het waren wel twee duidelijk verschillende takken van dienst, samen verenigd binnen de thesaurie.

Geschiedenis van het archief

Het archief van het stadsfabriekambt kan niet los gezien worden van het archief van de thesaurieren ordinaris. Het archief, dat door de verschillende directeuren, bazen en onderbazen werd gevormd, moest na hun vertrek of overlijden aan de thesaurie worden overgedragen. In 1751 werd de bazen zelfs opgedragen van de onder hen berustende papieren een inventaris te maken 'opdat naar haar affsterven deselve ter thesaurie kunnen worden overgebragt' (101). Het is niet bekend of er ooit zo'n inventaris is opgemaakt. In ieder geval is er, jammer genoeg, geen bewaard gebleven.

Het archief van de thesaurie was niet streng gescheiden van dat van de secretarie. Zodoende onderging het archief van het stadsfabriekambt dezelfde lotgevallen als het archief van de burgemeesters. Het burgemeestersarchief was redelijk goed bewaard en redelijk goed geordend tot het begin van de negentiende eeuw. De losse stukken en de banden en delen waren gescheiden opgeborgen in laden en kasten en van cijfers en letters voorzien. Er bestonden inventarissen met alfabetische indices, waardoor de stukken gemakkelijk terug te vinden waren. De bewaring was gericht op de eisen van de administratie. Geschiedkundige belangen speelden geen enkele rol. Zo kon het gebeuren, dat in 1765, toen de 'charterklerk' Jean René Gericot onder toezicht van de secretaris Jean Thierry opdracht kreeg de boeken en papieren in de kamers boven de thesaurie te ordenen, hem werd toegestaan de papieren van het fabriekambt over 1700 1729 te vernietigen. Ze waren voor de administratie 'onnut' (102). Dit verklaart de bijna complete lacune, die er in deze periode in het archief voorkomt. Deze vernietiging was nog een enigszins systematische. Ook onder de systeemloze aanvallen van het begin van de negentiende eeuw heeft het archief geleden.

De Franse tijd bracht grote veranderingen in de administratie met zich mee, met de daaruit voortvloeiende chaos in de archieven. Er trad een drastische verscheurcommissie op in 1805, die de vernietigde stukken niet eens in een procesverbaal opsomde. In 1808 werd het stadhuis in allerijl ontruimd om het als koninklijk paleis in te richten. Het veel kleinere Prinsenhof, dat toen als stadhuis in gebruik werd genomen, bood geen plaats aan alle archieven. Die van de thesaurie en het fabriekambt werden ondergebracht in een pakhuis op de Oudezijds Achterburgwal. Nog in 1819 werden 'onnutte stukken' vernietigd, waarbij alweer de maatstaf het nut voor de administratie was.

Het tij voor het Amsterdamse archief keerde, toen in 1848 het gemeentebestuur dr. P. Scheltema tot gemeentearchivaris benoemde. De verspreide bewaring werd verbeterd, toen in 1892 de archieven van vóór 1811 werden overgebracht naar het Waaggebouw op de Nieuwmarkt, dat als archiefbewaarplaats werd ingericht.

Toen het in 1907, na een koninklijk besluit, mogelijk werd voor de gemeenten de notarisprotocollen, die betrekking hadden op hun grondgebied van het rijk over te nemen onder voorwaarde, dat ze in een geschikte archiefbewaarplaats terecht zouden komen, moest Amsterdam omzien naar een groter gebouw voor zijn archieven. In 1914 werd het raadhuis van de voormalige gemeente Nieuwer Amstel als archiefbewaarplaats ingericht. Sindsdien is door verbouwingen en uitbreidingen de bewaring van de stadsarchieven belangrijk verbeterd (103).

Inventarisatie van het archief van het stadsfabriekambt was niet noodzakelijk voor het gebruik er van, toen het nog, als een geheel met het archief van de thesaurie onderwerpsgewijs in de diverse laden en kasten op de thesaurie was opgeborgen. De splitsing, die waarschijnlijk als gevolg van de vorming van de afdeling Publieke Werken in 1848 en het daardoor volledig onafhankelijk raken van de afdeling Financiën, met terugwerkende kracht op het archief van Publieke Werken heeft doorgewerkt, heeft het archief tot een afzonderlijk bestaan gedoemd, waartoe het niet bestemd was. De losse stukken, die ook al door het veelvuldig verhuizen uit hun verband waren geraakt, werden op tamelijk willekeurige wijze, weer op onderwerp, tot pakken bijeengevoegd. Op de ruggen van deze pakken werd de inhoud vermeld, zoals 'Stadswater. Diepten en Uitdiepen' en 'Rijnland. Uitwatering Rijn Katwijk'. In later jaren werd een lijst gemaakt, waarin deze pakken en de diverse delen en banden, waaruit het archief bestaat, werden opgesomd.

Inventarisatiewerkzaamheden

Bij de inventarisatie van het archief van het stadsfabriekambt deden zich verschillende problemen voor, waarvan de oplossing niet kon worden gevonden of, zo zij gevonden werd, uitgevoerd.

Het eerste probleem is de onmiskenbare eenheid met het archief van de thesaurieren ordinaris. Het bestaan van een bruikbare lijst van het archief van de thesaurie, waardoor de directe urgentie er niet is om dit omvangrijke archief te inventariseren, iets wat wel noodzakelijk zou zijn voor een verantwoorde invoeging van de stukken van het fabriekambt, maakte het toch onvermijdelijk deze stukken als apart archief te behandelen en te beschrijven. Wel wil ik nogmaals met de grootste nadruk verwijzen naar het archief van de thesaurie, omdat de splitsing niet heel zuiver is geschied.

Het tweede probleem is het archief van de rooimeesters. Ook deze stukken behoren tot het archief van de thesaurie, mischien nog wel directer dan de stukken van het fabriekambt, omdat de rapporten betreffende de rooiingen ter thesaurie werden opgemaakt, terwijl de stukken van het fabriekambt, na het vertrek van iedere functionaris, aan de thesaurie werden overgedragen. Om dezelfde reden als bij het eerste probleem heb ik besloten ook de stukken betreffende de rooimeesters als apart archief te beschrijven, ook apart van het archief van het fabriekambt, waar ze zeker niet bij horen.

Het derde probleem is het archief van het stadswaterkantoor (arch. nr. 335), dat destijds als apart archief beschreven is, maar feitelijk een geheel met het archief van het fabriekambt vormt (natuurlijk binnen de thesaurie), omdat het stadswaterkantoor een onderdeel was van de stadsfabriek, net zoals de timmertuin en de metseltuin dat waren.

Omdat deze inventaris in het kader van de opleiding aan de rijksarchiefschool werd gemaakt, dus binnen de stageperiode van ten hoogste twee jaar, viel niet te denken aan een grondige studie van de thesaurie ordinaris met een daaruit voortvloeiende scheiding of hereniging van de diverse onderdelen van het archief van de thesaurie. Ik heb mij moeten beperken tot de stukken van het fabriekambt zoals ik die aantrof en ik heb ze, zoals gezegd, als apart archief behandeld.

Bij de ordening van het archief werd het organisatiebeginsel gehanteerd, met als gevolg een sterk persoonlijke structuur. De directeuren van stadswerken of hun erfgenamen leverden na hun ontslag, vertrek of overlijden hun papieren in bij de thesaurie, waarna hun opvolgers een nieuw archief vormden. Binnen dat persoonlijke raam werd de indeling gemaakt naar de verschillende afdelingen, waaruit de stadsfabriek bestond. Er werd een lijst toegevoegd van de in het archief aanwezige kaarten en tekeningen, zowel als losse stukken als in de banden of delen. Verreweg het grootste deel van de losse kaarten was al uit het archief gelicht en toegankelijk gemaakt op de topografische atlas, waar hierbij naar wordt verwezen. Een index op straten en plaatsnamen vergemakkelijkt het gebruik van de inventaris, twee concordansen verwijzen naar voorgaande nummeringen.

De omvang van het archief bedraagt 13 meter. De materiële toestand is redelijk.



Lijsten van functionarissen bij het stadsfabriekambt

Fabriekmeesters 1524-1633

1524-1532, Wolbrant Claesz

1532-1538, Willem Heinricxsz Croock

1538-1543, Jacob Dobbensz

1543-1555, Jan Jansz van Hoorn

1555-1559, Jan Claesz van Hoppen

1559-1566, Frans Andriesz Calckbrander

1566-1575, Coenraat Pietersz

1575-1578, Wessel Jacobsz

1578-1582, Claes Reyersz

1582-1589, Claes Pietersz Calff

1589-1594, Jan Jansz Smith

1594-1596, Frans Hendricx Oetgens

1596-1603, Pieter Jacobsz Nachtglas

1603-1623, Jan Jansz van Hoorn

1623-...., Dirck Gerritsz

....-1633, Pieter Hasselaar

Onderfabriekmeesters 1555-ca.1665

1555-1589, Claes Hendricxsz Clouck

1589-1608, Gerrit Albertsz Hop

1608-1617, Jan Fransz

1617-1634, ... Martensz

1634-1643, Marten Cornelisz

1643-1658, Dirck Wijnantsz Beets

1658-ca.1665, Gerrit Barentsz van Swanenburg Jacob Lambertsz Spakenburg

Stadsmeestertimmerlieden 1524-1772

1524-1542, Willem Claesz

1542-1546, Adriaen Jansz

1546-1553, Jacob Jacobsz

1553, Jan Jansz Orgel

1553-1559, Hendrick Jacobsz

1559-1575, Pieter Jansz

1575-1589, Jan Jansz Orgel

1589, Adriaen Lenaertsz

1589-1640, Hendrick Jacobsz Staets

1640-1649, Jacob Heyndricsz

1649-1654, Pieter Jutjens

1654-1667, Gerrit Barentsz Swanenburg

1667-1709, Hans Jansz van Petersom

1709-1713, Jan van Petersom

1713-1726, Claes Calk

1726-1727, Jan Verloop

1727-1772, Willem van Dieden Onderbaas van de stadstimmertuin 1772-1811

1772-1795, Philippus Bax

1795-1799, Otto van Vliet (timmertuin)

1795-1808, Gummel de Vries (molenmakerswerken)

1795-1801, Willem van Ronzelen (huistimmerwerken)

1799-1809, Lambertus van Mil (timmertuin)

1808-1810, Jacobus Wiggers (molenmakerswerken en huistimmerwerken)

1810-1811, Dirk Wiggers

Stadsmeestermetselaars 1545-1780

1545-1554, Willem Dircxsz

1554-1568, Reynier Cornelisz

1568-1589, Roemer Garbrantsz

1589-1595, Reynier Garbrantsz

1595-ca.1600, Cornelis Cornelisz

ca.1600-1650, Cornelis Danckertsz de oude

1650-1659, Philips de Vos

1659-1671, Jan Willemsz van Brederode

1671-1681, Jan Willemsz Crabbendam

1681-1686, Elias Bouman

1686-1705, Herbert Kramer

1706-1707, Carel van der Haer

1707-1722, Joost Borsman

1722-1734, Dirk Borsman

1734-1746, Symon Boxma

1746-1780, Barend Witvogel

Onderbazen van de stadsmetseltuin 1780-1811

1780-1798, Gerrit Schenk

1798, C. Choorengel

1798-1803, Gerrit Schenk

1803-1811, Jan Moerman

Stadsmeestersteenhouwers 1585-1682

1595-1647, Hendrick Cornelisz de Keyser

1547-1653, Willem de Keyser

1653-1674, Simon Bosboom

1674-1682, Barent Molenijser

Stadsmeesterstratenmakers 1599-1770

1599-1615, Jan Claesz Ceerck

1615-1638, Hendrick Dircksz Leuven

1638-1653, Hendrick Arentsz

1653-1681, Jan Claesz Stratemaeker

1681-1699, Jacob Joosten

1699-1707, Jan Jacobsz de Vicq

1707-1713, Adriaen Abrahamsz van Rooyen

1713-1726, Adriaen de Wijs

1727-1728, Cornelis Binkhorst

1729-1739, Jan ten Hagrys

1740-1770, Barend Groen

Onderbazen van de stratenmakerswerf 1770-1811

1770-1787, Wilhelmus Mensing

1787-1790, Claes Ox

1790-1811, Anthonie van den Berg

Stadmeesterloodgieters en -leidekkers 1555-1787

1555-1563, Henrick Leydecker

1563-1600, Gheryt Pietersz

1600-1618, Jan Claesz

1618-1648, Pieter Jacobsz

1648-1664, Jan Jansz van Nes

1664-1675, Aert Anthonisz de Vries

1675-1704, Herman Jansz

1704-1750, Cornelis Boon

1750-1787, Tjerk de Vries

Onderbazen van de loodgieterswinkel 1787-1811

1787-1795, Jacobus Eskes

1796-1798, Jacobus Wardenaar

1798-1811, Godfried Cramer Stadsmeesterschilders 1648-1774

1648-1666, Simon Jacobsz de Vlieger

1666-1687, Abraham Andriesz Bilot

1687-1699, Pieter Jansz Gladbeecq

1699-1722, Arent Maes

1722-1725, Christaan Vriesendorp

1725-1735, Jan Aardewijn

1735-1739, Pieter van Rijn

1739-1774, Johannes Steenveld

Onderbazen van de schilderswinkel 1774-1811

1774, Nicolaas Bank

1774-1787, Paulus Ox

1787-1797, Nicolaas Hogenboom

1797-1811, Roelof Drost

Stadsmeestersmeden 1647-1795

1647-1670, Gijsbert Elias

1670-1680, Jan Jansz Steenberg

1681-1690, Wopke Wopkes

1690-1692, Reinier Blijenburg

1692-1724, Pieter Ignatius

1724-1739, Lambert Planter

1740-1772, Jan Fresie

1773-1795, Lutje Maneke

Onderbazen van de smidswinkel 1796-1811

1796-1802, Harmen Smit Duizendkunst

1802-1808, Anthony Wolters

1808-1809, Hendrik Rühl

1809-1811, Gijsbert Stellingwerff

Stadsmeesterschuitenmakers ....-1774

....-1620, Crijn Gerritsz

1620-1624, Dirck Jansz Swart

1624-1648, Claes Claesz

1648-1660, Theunis Cornelisz Tol

1660-1700, Jan Lucasz Root

1700-1706, Jan Booy

1706-1719, Jacob Dijl

1719-1728, Nicolaas Booy

1728-1739, Claas Brouwers

1739-1761, Heere Coop

1761-1774, Gerrit Coop

1774-1783, Daniël Coop Onderbazen van de stadsschuitenmakerswerf 1783-1811

1783-1799, Claas Joukes

1799-1811, Hendrik Quakaas

Opzichters van de stadsgraaf- en modderwerkeren 1661-1768

1661-1683, Jan Hendricksz van den Berg

1679-1698, Michiel Muiden

1699-1727, Nicolaas Muiden

1727-1736, Lodewijck de Bas

1737-1738, Jacob van Eden

1738-1768, Jacob van Brda

Onderbazen bij de stadsgraaf- en modderwerken 1768-1811

1768-1796 Gerard Leefkens

1796-1798 Bastiaan Soeteman

1798-1805 Pieter Langballe

1805-1811 Klaas van den Heuvel Jacobsz

Opzichters van de stadswateren en schutsluizen 1668-1750

1678-1682, Nicolaes van der Heide

1682-1698, Michiel Muiden

1699-1727, Jan van der Heide de jonge

1727-1750, Mr. Jan van Vliet

Onderopzichters van de stadswateren en schutsluizen 1750-1811

1750-1753, Jan Wereltman

1753-1776, Tijmen van Dam

1776-1795, Gosewijn van Harpen

1795-1811, Herman Hendrik Slangenberg Literatuur

- Baart de la Faille, R.D., 'Hollandsche kaartmakers en landmeters in de zestiende eeuw' (samenvatting van een lezing), Nederlandsch Archievenblad 32 (1924/25) p. 8-10.

- Beusekom, H.A. van, 'Wat herdenken wij?', Ons Amsterdam 2 (1950) p. 21.

Bicker Raye, J., 'Notietie van het merkwaardigste meyn bekent' (Amsterdam, 1732-1772; manuscript).

- Doorman, G., 'Hollandse oude baggermolens', De Ingenieur no. 38 (1938).

- Historische gids van Amsterdam, bewerkt door mr. H.F. Wijnman (Amsterdam, 1971, 2 delen).

- Hoek Ostende, J.H. van den, 'Stadsvuilwatermolens', Maandblad Amstelodamum 65 (1978) p. 8-11.

- Huussen jr., A.H., 'Willem Hendricxz Croock, Amsterdams stadsfabriekmeester, schilder en cartograaf in de eerste helft van de zestiende eeuw', Jaarboek Amstelodamum 64 (1967) p. 29-53.

- Jansen, L., 'De Amsterdamse stadsstratenmaker', Maandblad Amstelodamum 46 (1959) p. 35-41.

- Jansen, L., 'De geschiedenis van de riolering en de waterverversing te Amsterdam' (z.pl., 1955) (stencil).

- Jansen, L., 'Publieke werken in 1599', Ons Amsterdam 12, (1960) p. 281-288.

- Jansen, L., 'Een roman in de stadstimmertuin', Ons Amsterdam 12 (1960) p. 35-57.

- Jong, J. de, De Amstel, de Drecht en de Aar voor grotere schepen bevaarbaar gemaakt (Amsterdam, 1825).

- Kannegieter, J.Z., 'Uit de wordingsgeschiedenis van de Leidsegracht en haar naaste omgeving', Jaarboek Amstelodamum 57 (1965) p. 48-69.

- Kriste, G.J., De Amsterdamsche stadsfabriek in de jaren 1575-1600 (z.pl., z.j.).

- Lievense-Pelser, E., 'Amsterdams Peil', Maandblad Amstelodamum 64 (1977) p. 102-112.

- Nierop, L. van, 'Verscheuren. Een bijdrage tot de geschiedenis van het Amsterdams archief', Jaarboek Amstelodamum 22 (1925) p. 13-21.

- Oldewelt, W.F.H., 'Het verleden van Publieke werken', Maandblad Amstelodamum 22 (1935) p. 75-76.

- Oldewelt, W.F.H., 'De geschiedenis der bewaring en ordening van het archief der gemeente Amsterdam', Jaarboek Amstelodamum 35 (1938) p. 3-13.

- Pieterse, Wilhelmina C., 'Van charterkast tot gemeentearchief', Ons Amsterdam 31 (1979) p. 254-260.

- Reinders, H.R., Modderwerk. Het uitdiepen van de haven van Amsterdam in de tweede helft van de zeventiende eeuw (Rijp rapport, Lelystad, 1978).

- Roever, N. de, De kroniek van Staets. Een bladzijde uit de geschiedenis van het fabriekambt der stad Amsterdam, 1594-1628 (Amsterdam, 1886).

- Scheltema, P., Het archief van Amsterdam (Amsterdam, 1862).

- Swigchem, C.A. van, Abraham van der Hart, 1747-1820; architect, stadsbouwmeester van Amsterdam (Amsterdam, 1965).

- Winkel Rauws, H., Wel en wee van het geslacht Rauws (Zutphen, 1979).

Voetnoten

1) J.H. van den Hoek Ostende, P.H.J. van der Laan en E. Lievense-Pelser, De archieven in Amsterdam (Alphen aan den Rijn, 1981), p. 33, 35, 53.

2) L. Jansen, Publieke Werken in 1955, Ons Amsterdam 12 (1967) p. 281.

3) Groot-Memoriaal I, f. 282.

4) Groot-Memoriaal I, f. 282.

5) Stadsrekeningen 1546, f. 101.

6) Jan Wagenaar, Amsterdam in zijne opkomst ... (Amsterdam, 1760-1767, 3 delen) deel I, p. 42, 43, 45, 48.

7) Groot-Memoriaal II, f. 305v.

8) Groot-Memoriaal II, f. 58v.

9) Vroedschapsresoluties 15, f. 124.

10) Groot-Memoriaal II, f. 165v.

11) Groot-Memoriaal II, f. 170v.

12) Groot-Memoriaal II, f. 285v.

13) Groot-Memoriaal II, f. 169.

14) Groot-Memoriaal II, f. 308v.

15) Vroedschapsresoluties 15, f. 274.

16) Historische Gids van Amsterdam, bewerkt door H.F. Wijnman (Amsterdam, 1971, 2 delen) deel I, p. 162, 418.

17) Archief Thesaurieren-ordinaris 6, f. 5, 29, 57v, 60.

18) Groot-Memoriaal III, f. 227v.

19) Groot-Memoriaal IV, f. 187.

20) Groot-Memoriaal IV, f. 10.

21) Groot-Memoriaal IV, f. 9.

22) Archief Thesaurieren-ordinaris 3, f. 111v.

23) Archief Thesaurieren-ordinaris 4, f. 6v.

24) Archief Thesaurieren-ordinaris 7, f. 40.

25) Archief Burgemeesteren, Ambten en Officiën, toegangsnr.5031, inv.nr. 54, f. 158 e.v.

26) J.Z. Kannegieter, Uit de wordingsgeschiedenis van de Leidsegracht en haar naaste omgeving, Jaarboek Amstelodamum 57 (1965) p. 66.

27) Amsterdam, Burgerwijkkaarten, samengesteld door W. Hofman (Amsterdam, 1981) wijk 58, 1741/42.

28) Archief Thesaurieren-extraordinaris 300, wijk 34, verpondingsnr. 6723.

29) Amsterdam, Burgerwijkkaarten, samengesteld door W. Hofman (Amsterdam, 1981) wijk 4, 1730/36F.

30) Archief Thesaurieren-ordinaris 14, f. 149v. Dagelijkse Notulen Burgemeesteren 14, f. 326. Archief Burgemeesteren, Ambten en Officën, mag.nr. 1374, f. 64.

31) Archief Burgemeesteren, Missiven Raad 32, f. 126, 127.

32) Archief Thesaurieren-ordinaris 24, f. 1.

33) Archief Thesaurieren-ordinaris 24, f. 29, 34v.

34) D.T.B. 1097, f. 31v.

35) Archief Thesaurieren-ordinaris 25, f. 14.

36) D.T.B. 1097, f. 99v.

37) D.T.B. 1136, f.2.

38) D.T.B. 1075, f. 187, D.T.B. 1048, f. 180.

39) Archief Thesaurieren-ordinaris 35, f. 81.

40) Archief Thesaurieren-ordinaris 35, f. 33. Dagelijkse Notulen Burgemeesteren 18, f. 199. Archief 378 inv.nr. 649, p. 69. Archief Burgemeesteren, Ambten en Officiën, mag.nr. 1374, f. 77.

41) Archief Burgemeesteren, Ambten en Officiën, mag.nr. 1365, f. 82.

42) Archief Thesaurieren-ordinaris 35, f. 45.

43) Archief Thesaurieren-ordinaris 35, f. 45.

44) Archief Thesaurieren-ordinaris 25, f. 196, 35, f. 80. Jacob Bicker Raye, Notitie van het Merkwaardigste meyn bekent, 1732-1772 (manuscript), p. 405. H. Winkel-Rauws, Wel en wee van het geslacht Rauws (Zutphen, 1979) p. 74-78.

45) Archief Thesaurieren-ordinaris 35, f. 80.

46) Archief Thesaurieren-ordinaris 35, f. 81.

47) Inv.nr. 26, 10 maart 1773.

48) Archief Thesaurieren-ordinaris 35, f. 105.

49) Archief Thesaurieren-ordinaris 35, f. 110.

50) Archief Burgemeesteren, Ambten en Officiën mag.nr. 1427: Stukken betreffende het ontslag van J.E. de Witte, directeur van stadswerken, 1777.

51) Groot-Memoriaal XX, f. 174.

52) Archief Thesaurieren-ordinaris 25, f. 338-342.

53) Inv.nr. 27, p. 112, 116.

54) Archief Thesaurieren-ordinaris 25, f. 388.

55) Herenboekje 1775, p. 55. D.T.B. 1097, f. 145.

56) Archief Burgemeesteren, Ambten en Officiën, mag.nr. 1423.

57) Archief Burgemeesteren, Ambten en Officiën, mag.nr. 1374B, Instructieboek A, p. 1-37.

58) Album Studiosorum Academiae Lugduno-Bataviae ('s-Gravenhage, 1875) kolom 1089, 1113.

59) Archief 201 inv.nr. 47E. 60) D.T.B. 618, f. 569.

61) D.T.B. 54, f. 10.

62) C.A. van Swigehen, Abraham van der Hart, 1747-1820: architect, stadsbouwmeester van Amsterdam (Amsterdam, 1965) p. 6-17.

63) id. p. 9, 10.

64) id. p. 10.

65) Archief Thesaurieren-ordinaris 25, f. 203.

66) Archief Thesaurieren-ordinaris 26, f. 111.

67) Archief Thesaurieren-ordinaris 25, f. 178.

68) Archief Thesaurieren-ordinaris 26, f. 182.

69) Archief Burgemeesteren, Ambten en Officiën mag.nr. 1374B, Instructieboek A, p. 1.

70) Archief 378 inv.nr. 650, f. 41.

71) Archief Thesaurieren-ordinaris 26, f. 187.

72) Archief Thesaurieren-ordinaris 26, f. 273.

73) Archief Thesaurieren-ordinaris 26, f. 294.

74) Archief 201 inv.nr. 50E.

75) Archief Thesaurieren-ordinaris 26, f. 296.

76) L. Jansen, Een roman in de stadstimmertuin, Ons Amsterdam 12, (1960) p. 55-57.

77) Archief Burgemeesteren, Ambten en Officiën mag.nr. 1374B: Instructieboek A, p. 203-205.

78) id. p. 253.

79) Archief Nieuw Stedelijk Bestuur, p. 93, 165, 211 en 81 nr. 514, 565.

80) Archief 378 inv.nr. 650, f. 41.

81) Archief Thesaurieren-ordinaris 30, f. 58.

82) D.T.B. 1099, f. 12.

83) Inv.nr. 312, f. 520.

84) Archief 378 inv.nr. 650, f. 450.

85) Inv.nr. 78, p. 397-400.

86) Archief Thesaurieren-ordinaris 28, f. 128.

87) Inv.nr. 78, p. 400.

88) Archief Thesaurieren-ordinaris 28, f. 130.

89) Archief Nieuw Stedelijk Bestuur 22, p. 319. 90) Archief Thesaurieren-ordinaris 28, f. 138.

91) Archief Thesaurieren-ordinaris 28, f. 144-145.

92) Archief Thesaurieren-ordinaris 2, f. 46v.

93) Handvesten van Amsterdam (Amsterdam, 1748, 2 delen) deel 2, p. 1011-1012, 1680-01-30.

94) Inv.nr. 643, f. 7.

95) Keurboek F f. 196.

96) Keurboek C f. 235v.

97) Archief Thesaurieren-ordinaris 2, f. 46v.

98) Archief Thesaurieren-ordinaris 3, f. 72v.

99) Woordenboek der Nederlandsche Taal ('s-Gravenhage, Leiden, 1882-1956, 20 delen) deel 13, kolom 1254.

100) Archief Burgemeesteren, Ambten en Officiën mag.nr. 1374A, Instructieboek I, p. 39.

101) Archief Thesaurieren-ordinaris 24, f. 37.

102) Archief Thesaurieren-ordinaris 35, f. 78v. Leonie van Nierop, Verscheuren. Een bijdrage tot de geschiedenis van het Amsterdam archief, Jaarboek Amstelodamum 22 (1925) p. 13-21.

103) P. Scheltema, Het archief van Amsterdam (Amsterdam, 1862). W.F.H. Oldewelt, De geschiedenis der bewaring en ordening van het archief der gemeente Amsterdam, Jaarboek Amstelodamum 35, (1938) p. 3. Wilh. C. Pieterse, Van Charterkast tot gemeentearchief, Ons Amsterdam 31 (1979) p. 254.

Archiefvormers

    De nummers achter de archiefvormers verwijzen naar het corresponderende inventarisdeel of het inventarisnummer. Door er op te klikken opent zich de inventaris op dat onderdeel of nummer.
    • Rooimeesters, sinds 1859 bouwopzichters : 2.4
    • Stadsfabriekambt, Stadswerken en Gebouwen : 1 (1558 - 1746), 2.1, 2.2, 2.3, 2.5
© Stadsarchief
Disclaimer / Colofon
<

Gegevens over mogelijk nog levende personen mogen alleen worden gebruikt voor historisch (waaronder genealogisch), wetenschappelijk of statistisch onderzoek.

Door het aanklikken van onderstaande button verklaart u zich te houden aan het Reglement voor raadpleging en gebruik van het Stadsarchief.