5001: Archief van de Burgerlijke Stand: doop-, trouw- en begraafboeken van Amsterdam (retroacta van de Burgerlijke Stand)

Algemene kenmerken

Toegangsnummer:

5001

Periode:

1553 - 1811

INLEIDING OP DE COLLECTIE DOOP-, TROUW- EN BEGRAAFBOEKEN TE AMSTERDAM (1)

VOORGESCHIEDENIS

Tijdens het _Concilie van Trente_, dat in 1563 sloot, werden voorschriften uitgevaardigd voor het bijhouden van doop- en huwelijksregisters. Om clandestiene huwelijken tegen te gaan bepaalde het Concilie dat een huwelijk slechts geldig was, wanneer het door de eigen pastoor of priester werd ingezegend, in tegenwoordigheid van twee of meer getuigen. Deze huwelijken moesten geregistreerd worden. Dopen moesten eveneens opgetekend worden, waarbij de datum van de doop, de namen van de ouders en de namen van de doopborgen (peter en meter) vermeld moesten worden.

Over het bijhouden van begraafregisters heeft het Concilie geen uitspraak gedaan.

In 1578 kwam een einde aan het katholieke bestel: de gereformeerde religie werd de nieuwe officiële godsdienst. Deze omwenteling wordt de _Alteratie_ genoemd. Er bleef ruimte voor andere gezindten en religies. Naar schatting (2) was rond 1650 een derde deel van de bevolking gereformeerd en een derde katholiek; tot het resterende deel behoorden onder meer doopsgezinden, lutheranen, remonstranten en joden.

De Gereformeerde Kerk heeft in verschillende verordeningen, die nog vóór de Alteratie in 1578 afgekondigd werden, het voorbeeld van het Concilie betreffende de voorschriften van registratie gevolgd. Tijdens de Provinciale Synode in Dordrecht in 1574 werd bepaald dat elke kerkelijke gemeente een doopboek moest bijhouden, met de naam van het gedoopte kind, de naam van de ouders en de getuigen. Ook besloot men huwelijksregisters aan te leggen en registers van de lidmaten, die door de gemeente opgenomen werden. Tenslotte besloot men alle namen op te tekenen van de leden, die overleden waren en voor wie een graf gemaakt werd.

De regelgeving van het Concilie van Trente én de navolging hiervan door de aanhangers van de Reformatie hebben tot gevolg gehad dat een groot aantal registers is bijgehouden. Hoewel de regels uiteraard alleen golden voor de officiële Gereformeerde Kerk (Hollands, Waals en Engels), ging de stedelijke overheid er na verloop van tijd van uit dat ook andere gezindten registers bijhielden. Wanneer dit niet het geval bleek te zijn, werden verordeningen uitgevaardigd.

In de volgende hoofdstukken beschrijven we de achtergronden van de registratie van de doop, van het huwelijk en van het begraven in Amsterdam vanaf de tweede helft van de zestiende eeuw tot aan de invoering van de burgerlijke stand in 1811. In een afsluitend hoofdstuk geven we een overzicht van de boeken, die op het Gemeentearchief bewaard worden en van de indexen, die aanwezig zijn.

Een overzicht van kerken, synagogen, kerkhoven en begraafplaatsen is als bijlage bij deze inleiding gevoegd. DOPEN Het oudste doopregister van Amsterdam dateert van één jaar na het Concilie van Trente: het is een doopboek van de Oude Kerk uit 1564. De pastoors hebben na de Alteratie in 1578 vanwege de gevaren, die hieraan verbonden waren, niet altijd de dopen geregistreerd, zodat de series van de katholieke kerken tot ver in de zeventiende eeuw grote hiaten vertonen. De vroegste katholieke doopinschrijving dateert uit 1628; de doop vond plaats in statie `t Boompje.

Sommige doopboeken, zoals dat van de Oude Kerk, zijn in 1578 naar de gereformeerden overgegaan.

In de registers moesten de namen van het kind, de ouders en de getuigen vermeld staan, evenals de datum van de doop. De datum van de geboorte werd niet vermeld: in die tijd lagen tijdstip van geboorte en van doop dicht bij elkaar. De kosters hebben zich aanvankelijk aan voorschriften omtrent de registratie van de doop niet altijd strikt gehouden. Soms ontbreken de namen van de moeder en de getuigen. Het duurde tot 1611 voordat door de kerkenraad gesproken werd over visitatie (controle) van de boeken. In bijvoorbeeld 1611en 1622 werden de registers gevisiteerd.

De Waalse (voor Franstaligen) en de Engels-Presbyteriaanse Kerk (voor de Engelssprekende inwoners van Amsterdam), die beide hoorden tot de officiële Gereformeerde Kerk, legden eveneens doopregisters aan. Ook de Lutherse Kerk registreerde de dopen. De doopsgezinden kenden de kinderdoop niet. Het ontbreken van registers bracht moeilijkheden met zich mee, bijvoorbeeld wanneer doopsgezinden het poorterschap wilden verwerven. In dat geval moesten zij kunnen aantonen dat hun vader inderdaad hun vader was. Op 26 januari 1714 verplichtten de burgemeesters deze gemeente voortaan geboorteregisters bij te houden. Vanaf dit jaar hebben de doopsgezinden 'gezinsboeken' aangelegd: in deze boeken werden per gezin de kinderen met de geboortedata opgetekend. De Portugese en Hoogduitse joden, die de doop niet kennen, hebben vanaf resp. 1735 en 1739 geboorteboeken aangelegd. De Hernhutters, die in Amsterdam woonden, hadden hier geen kerk. Zij lieten hun kinderen in Zeist dopen. Het gemeentebestuur heeft geen maatregelen genomen om deze geboorten ook in Amsterdam te registreren. Overigens werd in Amsterdam niet altijd in de kerk gedoopt: de lutheranen en remonstranten doopten ook aan huis.

In 1785 nam het gemeentebestuur maatregelen om de registratie nauwkeuriger te laten verlopen. In de eerste plaats werden de Gereformeerde (Hollands, Waals en Engels) en Lutherse Kerken verplicht _dubbelen of contraregisters_ bij te houden, waarvan elk half jaar een kopie op het stadhuis bezorgd moest worden. In de tweede plaats bepaalde men dat de gezindten, die de kinderdoop niet kenden, _geboorteregisters_ moesten aanleggen, die elk half jaar op het stadhuis bezorgd zouden moeten worden. Het stond hen vrij om ofwel de originele registers ofwel kopieën hiervan in te leveren. In de verordening wordt expliciet de medewerking van de Portugese en Hoogduitse Parnassim (bestuurders) en van de katholieke priesters verlangd. Tot aan de invoering van de burgerlijke stand in 1811 is deze verordening van kracht gebleven. In juli en januari van elk jaar haalden de kosters of andere functionarissen van de kerken de registers van het stadhuis op om deze bij te werken. Niet alle kerken hebben even nauwkeurig de voorschriften opgevolgd: de koster van de Amstelkerk berichtte bijvoorbeeld in 1795 de kerkenraad, dat geen dubbelen tot dan toe waren bijgehouden.

In juli 1792 namen de Staten van Holland een resolutie aan, waarin besloten werd om in de doopregisters voortaan de geboortedatum en geboorteplaats te vermelden. (3) Vanaf augustus 1792 zien we in de doopboeken inderdaad steeds vaker de dag en plaats van geboorte vermeld staan. Bij de Waalse gemeente werd al sinds 1695 de geboortedatum in de registers opgetekend; de katholieken doopten vanouds op de geboortedag zelf en waren gewoon een aantekening te plaatsen in de registers wanneer dit niet zo was. In 1807 nam de gereformeerde kerkenraad het besluit om bij de doopinschrijvingen 'zoon' of 'dochter' toe te voegen.

Een enkele keer ontstond onenigheid over bepaalde vermeldingen in de doopregisters. Vaak ging het om onwettige kinderen en de naam van de vader. Soms ging het conflict gepaard met een proces voor de schepenen. De kerkenraad had een autorisatie nodig van het stadsbestuur om de veranderingen in de registers door te voeren. Ook extracten uit de registers werden vaak verlangd: het doopceel werd gelicht. Hiervoor bestonden geen vaste tarieven: in 1736 moest men een al te inhalige koster van de Westerkerk op dit punt terechtwijzen. De uittreksels werden ook wel pro deo (gratis) afgegeven.

In 1810 ging het Koninkrijk Holland op in het Keizerrijk Frankrijk. Een van de gevolgen hiervan was de invoering van de burgerlijke stand in 1811. Volgens een verzoek van 12 juli 1811 van de Maire (burgemeester) moesten alle doopboeken, die door de kerken waren bijgehouden, bij de burgerlijke stand ingeleverd worden. (4)

De kerken gaven met grote tegenzin gevolg aan dit verzoek. De gereformeerde kerkenraad probeerde onder de inlevering uit te komen met het argument, dat de doopboeken als privaat eigendom van de kerk werden beschouwd. Ook de Evangelisch-Lutherse en Doopsgezinde Kerken verzetten zich aanvankelijk tegen de overdracht. Uiteindelijk werden de boeken door alle gemeenten ingeleverd. De Armeense Kerk berichtte de Maire dat zij geen doopregisters had. De Portugees-joodse gemeente bood aan een Hollandse kopie van de Portugeestalige doopregisters te vervaardigen. De Hoogduitse gemeente leverde in de loop der tijd verschillende geboorte- en besnijdenisregisters in.

TROUWEN Na de Alteratie in 1578 werd in Amsterdam aanvankelijk alleen de Oude Kerk door de gereformeerden in gebruik genomen. In mei van dat jaar vonden hier de laatste katholieke en de eerste gereformeerde huwelijksinzegeningen plaats. In augustus 1578 registreerden de Commissarissen van de huwelijkse zaken, die waren aangesteld door het stadsbestuur, de eerste paren, die in ondertrouw gingen.

De gang van zaken rond het huwelijk werd officieel vastgelegd door de _Politieke Ordonnantie_ van 1 april 1580 van de Staten van Holland en West-Friesland. Op 28 augustus 1586 heeft Amsterdam een eigen ordonnantie afgekondigd, die gestoeld was op die van de Staten uit 1580. De ordonnantie verplichtte onder meer om bij een voorgenomen huwelijk voor de magistraat te verschijnen. De Commissarissen van de huwelijkse zaken kregen een werkruimte in de sacristie van de Oude Kerk toegewezen; in 1655 verhuisden zij naar het nieuwe stadhuis op de Dam. Wanneer het huwelijk voor de Commissarissen aangekondigd werd moest het aanstaande echtpaar een aantal vragen beantwoorden over bijvoorbeeld leeftijd, ouderlijke toestemming en verwantschap. Vooral dit laatste was van belang: de politieke ordonnantie van 1580 had een aantal 'verboden graden' vastgesteld. Hoewel de politieke ordonnantie van 1580 uitvoerige voorschriften bevat omtrent de strekking van de vragen, was de naleving hiervan in de praktijk minder nauwkeurig.

De secretaris van de Commissarissen van de huwelijkse zaken hield vanaf 28 januari 1581 twee registers bij: een voor de kerk en een voor de pui. Daarvoor werden voorgenomen huwelijken van gereformeerden en 'dissenters' in één register geschreven. Wanneer een van de partijen gereformeerd was werden de huwelijken ingetekend in beide registers. Van november 1578 tot 1636 hielden de Commissarissen daarnaast een register bij, waarin de ondertrouw werd ingeschreven, wanneer een van de twee partijen niet in de stad woonde: het zogenaamde extraordinarisregister. In de oudste huwelijksintekenregisters wordt het aantal jaren vermeld, dat personen afkomstig van buiten Amsterdam, in de stad gewoond hebben. Bij een verblijf van korter dan drie jaar in Amsterdam, was het verplicht de geboden ook in de vorige woonplaats af te laten kondigen. In de huwelijksintekenregisters vindt men de geboorteplaats, leeftijd en de naam van de straat (eventueel met nadere aanduiding) van de bruid en bruidegom vermeld. De bruidegom moest 25 jaar oud zijn en de bruid 20 jaar. Wanneer men toestemming van de ouders had, golden deze regels niet. Daarnaast worden de namen genoemd van de ouders of getuigen, die aanwezig waren. Tot ongeveer 1715 wordt het beroep van de bruidegom vermeld; na omstreeks 1755 wordt ook het kerkgenootschap van bruid en bruidegom vermeld.

Wanneer de Commissarissen van de huwelijkse zaken geen beletsel zagen, kreeg het bruidspaar toestemming om de drie zondaagse geboden af te laten kondigen.

Voor gereformeerden was de gang van zaken hierbij anders dan voor niet-gereformeerden. De eersten lieten de geboden in de Oude Kerk, later ook in de Nieuwe Kerk, afkondigen, nadat ze van de Commissarissen van huwelijkse zaken hiervoor toestemming hadden gekregen. Na de derde afkondiging vond de huwelijksvoltrekking in de kerk plaats. Ook in de Westerkerk, in de Zuiderkerk en in de Waalse en Engelse Kerken werden proclamaties gedaan, wanneer het huwelijk daar werd voltrokken.

De afkondiging van de geboden van de niet-gereformeerde bruidsparen werden geplakt tegen de pui van het stadhuis. De kosters van de Oude en de Nieuwe Kerk, die ook dienst deden als boden van de Commissarissen, hielden de gebodenboeken, ook wel proclamatieregisters genoemd, bij: niet alleen voor de kerk, maar ook voor de pui. Drie streepjes betekenden dat de geboden zonder verhindering waren afgekondigd. Geschillen over trouwbeloften werden opgetekend in de _krakeelregisters_. (5)

Wanneer de geboden zonder verhindering driemaal waren afgekondigd, waren de partijen formeel met elkaar verbonden, ook al was het huwelijk nog niet voltrokken of ingezegend. Het bruidspaar moest binnen de maand officieel huwen: bij uitstel volgde een boete. De secretaris van de Commissarissen van huwelijkse zaken had de taak te controleren of een huwelijk inderdaad doorgang had gevonden. De huwelijksinzegeningen werden door de kosters in trouwboeken opgetekend. Omdat de kosters dit deden in hun functie van bode van de Commissarissen van huwelijkse zaken, werden de boeken niet tot de kerkelijke archieven gerekend.

De niet-gereformeerde bruidsparen trouwden een enkele keer in de kerk, maar - voor 1604 - vaker voor de Commissarissen of voor een notaris. (6) Een ordonnantie van 2 juni 1604 bepaalde echter dat voortaan na de afkondiging op zondag om half twaalf of op dinsdag om half drie door twee schepenen, in aanwezigheid van een secretaris, werd getrouwd op het stadhuis. Vanaf die tijd hield men registers van de huwelijksvoltrekkingen op het stadhuis bij.

Niet iedereen hield zich aan de bepaling, dat huwelijken op het stadhuis voltrokken moesten worden. Doopsgezinden ('mennisten' ) en joden lieten het vaak bij een huwelijksvoltrekking in eigen kring. (7) Tussen 1621 en 1630 kregen beide groeperingen de gelegenheid alsnog hun huwelijk te laten registreren. (8) Ook na die tijd werden joodse huwelijken niet altijd geregistreerd.

De Engels-Episcopaalse gemeente had in 1707 het privilege gekregen dat de kerkelijke huwelijksinzegening als geldige huwelijksvoltrekking werd beschouwd. Dit had tot gevolg dat inwoners van andere steden veelvuldig in deze kerk hun huwelijk lieten inzegenen.

Een enkele keer werd een huwelijk niet op het stadhuis voltrokken, maar in het huis van bruid of bruidegom (bij ziekte), in de boeien (bij gevangenschap) of in de Bergenvaarderskamer (van het gelijknamige gilde) aan de Amstel. (9) Na de Bataafse omwenteling werd op 19 januari 1795 de schepenbank opgeheven. Het _'Comitté van Justitie'_, dat hierna werd ingesteld, voltrok op 22 januari 1795 de eerste huwelijken. Vanaf juni in dat jaar werden ook de intekeningen door het Comitté bijgehouden. Het Comitté vorderde de trouwboeken en de registers van de Commissarissen van de huwelijkse zaken. In 1804 werd de situatie van vóór 1795 hersteld: huwelijken werden ingetekend door de Commissarissen van de huwelijkse zaken en voltrokken voor de schepenen.

Op 1 maart 1811 werd de stedelijke rechtspraak afgeschaft. De bevoegdheden wat betreft het trouwen gingen over op de nieuw ingestelde burgerlijke stand. De eerste huwelijksakten werden hiervoor op 3 maart 1811 gepasseerd. De intekenregisters, proclamatieboeken en huwelijksvoltrekkingregisters werden ingeleverd bij de burgerlijke stand.

BEGRAVEN

Voor de Alteratie in 1578 begroef men de doden in de Oude en Nieuwe Kerk en de bij de kerk gelegen kerkhoven en in en rond de kloosterkerken, onder meer in de Sint Jacobskapel, in het Clarissenklooster, op het Karthuizerkerkhof en op het Ronde Begijnhof. Na 1578 werd het begraven in de voormalige kloosterkerken stopgezet: het Karthuizerkerkhof werd een stedelijke begraafplaats. De snelle bevolkingstoename vanaf het begin van de zeventiende eeuw noodzaakte al spoedig in en rond alle gereformeerde kerken te begraven, met uitzondering van de twee houten kerken: de Amstelkerk en de Nieuwe Walenkerk. Het stadsbestuur verbood door middel van keuren in 1602 en in 1617 het begraven op zondag en tijdens avonddiensten. Door het openen van de graven kwamen stank en dampen vrij, die ziekten konden veroorzaken. (10)

Naast de kerkhoven waren er rond 1630 twee pestkerkhoven: bij het pesthuis en het gasthuis; vanaf 1768 was er nog maar één. Vanaf het midden van de zeventiende eeuw hing men terechtgestelde misdadigers op het Galgenveld in de Volewijk (aan het IJ) op. Overleden inwoners, op wie een lijkschouwing was verricht, 'haaldoden' genoemd, werden op het kerkhof bij het gasthuis begraven. De overleden bewoners (mannen, vrouwen en kinderen) van het Spin- en Werkhuis werden op het kerkhof van de instelling begraven.

In 1655 waren de kerkhoven rond de Noorderkerk en de Westerkerk vanuit hygiënische overwegingen overgebracht naar de rand van de stad. Alleen het Zuiderkerkhof bleef één geheel met de kerk vormen.

In 1674 kreeg de Lutherse Kerk naast de Gereformeerde Kerk het recht om in haar twee kerken te begraven. De Portugese joden begroeven hun doden op het in 1614 gestichte 'Bet Haim' in Ouderkerk aan de Amstel. (11) De asjkenazische joden werden op begraafplaatsen in Muiderberg en Zeeburg begraven. Vanaf 1797 werden de overleden leden van de patriotsgezinde joodse gemeente Adath Jesjoeroen (ook Neie Kille, Nieuwe Gemeente genoemd) in Overveen begraven.

Tot zover de plaatsen, waar de bewoners van de stad na hun dood begraven konden worden.

Voor wat betreft de registratie zijn weinig voorschriften bekend. In het algemeen geldt dat de gravenmakers, die door de stedelijke overheid aangesteld werden, de registers bijhielden. Hierin legden zij rekening en verantwoording af aan de kerkmeesters over de hen toekomende gelden, namelijk het recht van de kerk. Hierdoor zijn deze registers vooral financieel van aard. Daarnaast zijn er grafboeken, waarin de eigenaars van de graven opgetekend werden. Op 26 oktober 1695 voerden de Staten van Holland de impost op het trouwen en begraven in. Aanvankelijk werd hierbij bepaald, dat de kosters en gravenmakers de belasting zouden innen. Hiervoor moesten zij registers aanleggen; na inning moesten zij de belastinggelden aan de secretaris van de stad afdragen. Dit besluit werd al spoedig teruggedraaid. Op 3 december 1695 werd besloten dat de secretaris zelf de belasting zou innen en hiervoor een register bijhield.

De benaming gravenmakers verdween in de loop van de achttiende eeuw; vanaf die tijd werden zij de 'ontvangers der begrafenissen' genoemd. Soms combineerden zij hun functie met die van koster van de kerk. In de achttiende eeuw vroeg men steeds vaker de gravenmakers om extracten uit de begraafregisters. In 1724 bepaalde de stadsoverheid een vast tarief hiervoor.

Het verzoek in 1811 van de Maire om de begraafregisters bij de burgerlijke stand in te leveren, stuitte op geweldige weerstand van de kerken. Zij beschouwden de registers als privé-eigendom; bovendien gaven de registers onmisbare informatie over de plaatsen en bezettingen van de graven. Het nieuwe stadsbestuur was echter vastbesloten. Op 22 augustus 1811 droegen de kerken de boeken over.

De Portugees-joodse gemeente had de Maire voorgesteld om een Hollandse kopie van het Portugeestalige register samen te stellen. Dit voorstel werd aanvaard. De asjkenazische gemeente leverde haar registers, die in het Hebreeuws geschreven waren, in.

BOEKEN EN INDEXEN OP HET GEMEENTEARCHIEF

Volgens een besluit van Burgemeester en Wethouders van 20 oktober 1892 werden alle doop-, trouw- en begraafregisters van het bureau van de burgerlijke stand naar de depots van het Gemeentearchief overgebracht. (12) De boeken werden genummerd; vervolgens werd een lijst van de registers opgesteld, met de toegekende nummers en een vermelding van de periode, waarover het register loopt.

De lijst verscheen in 1910 in druk; zij wordt nog steeds gebruikt als inventaris voor de doop-, trouw- en begraafboeken.

In deze lijst is voor wat betreft de dopen en geboorten een onderverdeling gemaakt in protestantse kerken, rooms-katholieke, oud-katholieke en grieks-katholieke kerken en als derde de Portugees-joodse gemeente. De huwelijksregisters zijn onderverdeeld in de intekenregisters of ondertrouwregisters (kerk, pui en extraordinaris), de proclamatieregisters (stadhuis, kerken) en de huwelijksvoltrekkingregisters (stadhuis, kerken).

De serie van *doop- en geboorteregisters* is als één geheel geklapperd. De klappers op de dopen van 1564 tot 1700 zijn op achternaam ingericht, plus de voornamen van vader, moeder en kind. De achternamen zijn gesplitst in familienamen en patroniemen (Jans, Pieters). Ook is er een klapper op de voornamen van vaders, die een patroniem voeren. De klappers op de dopen van 1701 tot 1811 zijn alleen op familienaam van de vader gemaakt. Medewerkers van de afdeling Indicering van het Gemeentearchief werken sinds 1991 aan de invoering van de gegevens uit de doopboeken over de periode 1701-1811: het BaBe-projekt. De gegevens over de periode 1776-1811 zijn beschikbaar op de studiezalen; momenteel wordt gewerkt aan de invoering van de dopen over de periode 1751-1775.

De eerder genoemde besnijdenisboeken (inv.nrs. 1281-1387) bevatten de aantekeningen van de _mohel_ (besnijder). Iedere mohel had een eigen manier van noteren. Sommigen schreven alleen de naam van het kind op, anderen vermeldden bijvoorbeeld ook de naam van de vader en de datum van de besnijdenis.

De *ondertrouwregisters* zijn alfabetisch-chronologisch geklapperd, op de familienaam plus voornaam van de bruidegom, van de bruid en van de eerdere man en vrouw bij hertrouwen.

Een belangrijke index is _Trouwen in Mokum_. Hierin staan 15238 joodse echtparen vermeld, die tussen 1598 en 1811 hun huwelijk lieten intekenen. In totaal werden 21 toegangen gemaakt, waaronder bijvoorbeeld één op plaats van herkomst.

Een belangrijke bron zijn de ketoeboth (zie noot 6). Behalve de namen van bruid en bruidegom staan de namen van de vaders vermeld en de datum van inzegening in de synagoge. Van de sefardische joden zijn de ketoeboth bewaard gebleven sinds 1673; van de asjkenazische joden - fragmentarisch - vanaf 1723. Er is een index op de huwelijken van de Portugese joden vanaf 1673; de index op de huwelijken, voltrokken in de asjkenazische gemeente, loopt van 1723 tot 1812.

De trouwboeken, die aanwezig zijn in de archieven van de Evangelisch-Lutherse gemeente (toegangsnr. 213) en van de Hersteld Evangelisch-Lutherse gemeente (toegangsnr. 190), vermelden de herkomstplaatsen vaak beter dan de ondertrouwregisters. Van deze trouwboeken staan microfiches op de studiezaal.

N.B. Het huwelijkskrakeelregister over 1578 tot 1591 is te vinden onder inv.nr. 762 van de doop-, trouw- en begraafboeken.

De serie *begraafregisters* is als één geheel alfabetisch-chronologisch geklapperd.

In de afgelopen jaren zijn verschillende indexen van personen, begraven in Zeeburg (1714 -1811) en in Muiderberg (1812-1850) verschenen van de hand van H. Snel en J. van Straten.

Een index op de begraafregisters van het Bet Haim in Ouderkerk is op microfilm in de studiezaal aanwezig.

De registers van het Middel op Begraven zijn te vinden onder toegangsnr. 5005; zie ook de inleiding bij deze inventaris. Amsterdamse joden, die buiten de stad werden begraven, betaalden de belasting in de betreffende gemeente. In het Rijksarchief van Noord-Holland in Haarlem bevinden zich de registers van het MOB. Op de studiezaal zijn fotokopieën van de registers aanwezig. Voor Ouderkerk aan de Amstel over de periode 1729-1807; voor Muiderberg van 1695 tot 1805 en voor Diemen van 1716 tot 1799. Literatuur I.H. van Eeghen, 'De doop-, trouw- en begraafboeken te Amsterdam van voor de invoering van de burgerlijke stand', _Nederlands Archievenblad_, 52 (1947-1948), 31-42, 66-76, 123-132.

I.H. van Eeghen, 'Bizonderheden over het begraven in Amsterdam', _Maandblad Amstelodamum_, 37 (1950) 51-57.

I.H. van Eeghen, 'Mr. Daniel Mostart en de "Huwelijkse Zaken''', _Studia Rosenthaliana_, vol 17, 1 (1983) 15-21.

Joh. C. Breen, 'Begraven in de kerken en binnen de bebouwde kom', _Maandblad Amstelodamum_, 1 (1914) 12-13.

Peter Buijs, 'Circumcision Registers as Historical Sources', _Studia Rosenthaliana_, vol 33, 1 (1999) 67-71.

A.J.A. Flament, 'Bijdrage tot de geschiedenis van den burgerlijken stand bij de Grieken en Romeinen, en van de doop-, trouw- en sterfregisters in de eerste eeuwen der kerk en hun wederinvoering in de 16e eeuw', _Geschiedkundige Bladen. Tijdschrift voor de beoefening der Geschiedenis_, 1 (1905) 83-113.

Willem Frijhoff en Marijke Spies (met medewerking van Wiep van Bunge en Natascha Veldhorst), _1650. Bevochten eendracht. Nederlandse cultuur in Europese context_ (Den Haag 1999).

Lydia Hagoort, 'Persons of a Restless Disposition; Conflicts between the Jewish Merchants Lopo Ramires and Manuel Dias Henriques and the Parnassim of the Portuguese Nation about the Inheritance of Rebecca Naar', _Studia Rosenthaliana_, vol 32, 2,1998.

(artikel beschrijft een proces voor de schepenen in 1656 over een niet-geregistreerd joods huwelijk. De Commissarissen van de huwelijkse zaken en de Weesmeesters raakten bij dit proces betrokken)

T. Spaans- van der Bijl, met bijdragen van Ir. I.B. van Crefeld, _Handleiding joodse genealogie_ (Den Haag 1997).

(speciale uitgave voor de leden van de Nederlandse Kring voor Joodse Genealogie ter gelegenheid van het jubileum in 1997. Misjpoge nummer 4A)

D. Verdooner & H. Snel, _Trouwen in Mokum 1598-1811_ (Den Haag [1990]).

(uitgave onder auspiciën van de Nederlandse Kring voor Joodse Genealogie; verkrijgbaar in de archiefwinkel. Ook de indexen Zeeburg en Muiderberg zijn hier aanwezig.) *Overzicht van kerken, synagogen, kerkhoven en begraafplaatsen* (13)



*1. Gereformeerde kerken*

De gereformeerden kerkten na de Alteratie in 1578 in de *Oude Kerk* aan het Oudekerksplein bij de Oudezijds Voorburgwal. Deze voormalige katholieke kerk, gewijd aan Sint Nicolaas, was gesticht aan het einde van de dertiende eeuw.

De kerk was tot aan 1571 vergroot met kapellen, waarin altaren, opgericht in opdracht van notabelen en gilden. De Commissarissen van de huwelijkse zaken hadden zitting in de _sacristie_ tot 1655: toen trokken zij in het nieuwe stadhuis aan de Dam. In de kerk liggen praalgraven voor gesneuvelde zeehelden. De regentenfamilie De Graeff kreeg in 1651 een eigen grafkapel: de Doopkapel werd hiervoor afgescheiden. Van de Oude Kerk is een doopboek sinds 1564, een trouwboek sinds 1565 en een begraafboek sinds 1553. Daarnaast gebruikten de gereformeerden de *Nieuwe Kerk* bij de Dam en de Nieuwezijds Voorburgwal. Deze kerk was gesticht in 1408. In 1645 brandde een deel van de kerk af; van 1645-1648 werd de kerk herbouwd. Tijdens de herbouw werd gedoopt en getrouwd in de Westerkerk; de dopen en trouwen werden wel ingeschreven in de registers van de Nieuwe Kerk.

Een doopboek van de Nieuwe Kerk is bewaard sinds 1587, een trouwboek sinds 1578 en een begraafboek sinds 1585.

Ook kerkten de gereformeerden in de *Oudezijdskapel* of Heilige-Grafkapel of Sint-Olofskapel aan de Zeedijk, bij de Nieuwebrugsteeg. De kapel is gebouwd kort vóór 1450; een doopboek is bewaard sinds 1656 en een begraafboek sinds 1617. Tenslotte gebruikten de gereformeerden de *Nieuwezijdskapel* of Kapel ter Heilige Stede aan de Kalverstraat en het Rokin. In 1345 vond een mirakel plaats: een hostie, die in het haardvuur gegooid werd, weigerde te verbranden. De plek van de haardstede werd een bedevaartsoord: de naam van de Heiligeweg herinnert hieraan. De kapel, die op deze plaats werd gebouwd, werd ingewijd in 1347 en was in gebruik als katholieke kerk tot 1578. Daarna was het een paardenstal, een turfhuis en een zoutkas; vanaf 1590 was de kapel in gebruik bij de gereformeerden. Sinds 1620 was de kapel bestemd voor Duitstalige gereformeerden. Vondelingen werden meestal in deze kapel gedoopt. Een doopboek is bewaard sinds 1644 en een begraafboek sinds 1657.

Omdat het aantal bestaande kerken niet toereikend was voor de sterk groeiende bevolking van Amsterdam, werden in de loop van de zeventiende eeuw nieuwe kerken gebouwd. De *Zuiderkerk* bij de Zandstraat en de Sint Anthoniesbreestraat werd gebouwd in de periode 1603-1611; de toren is voltooid in 1614. Het bijbehorende kerkhof werd voorzien van een gebeeldhouwd poortje aan de Sint Anthoniesbreestraat; de grafkelder van meester chirurgijn Isaac Hartman en zijn vrouw Jaapje Hanse Roodenburg werd tegen de buitenmuur van de kerk gebouwd. Een doopboek is bewaard sinds 1641, een trouwboek sinds 1746 en een begraafboek sinds 1611.

De *Noorderkerk* bij de Boomstraat in de Jordaan werd gebouwd van 1620-1623. Een doopboek is bewaard sinds 1641 en een begraafboek sinds 1662.

De *Westerkerk* aan de Prinsengracht werd gebouwd in de periode 1620-1631. Het doopboek dateert uit 1654, het trouwboek uit 1725 en het begraafboek uit 1631. De kerk was van 1622 tot 1812 op donderdagavonden in de zomer ook in gebruik bij de Waalse gemeente. De Waalse dopen in deze kerk staan opgetekend in het Waalse doopregister.

De *Oosterkerk* aan de Wittenburgergracht is gebouwd in de periode 1669-1671. De kerk was een opvolger van een houten kerk op het Rapenburg, die in 1659 in gebruik werd genomen. Een doopboek is bewaard sinds 1660 en een begraafboek sinds 1672. De *Eilandskerk* op de hoek van de Bickersgracht-Eilandsgracht is gebouwd in 1659 als houten noodkerk. Deze kerk werd afgebroken en de stenen kerk is in gebruik genomen in 1736. De kerk is wegens bouwvalligheid gesloten in 1939 en afgebroken in 1950. Het oudste doopboek dateert uit 1666 en het begraafboek uit 1737. In deze kerk werden veel schippers en binnenlandvaarders begraven. De grafzerken zijn overgebracht naar de Oude en Nieuwe Kerk en naar de Martinikerk in Bolsward.

(Lit.: B. Bijtelaar, 'De afbraak van de Eilandskerk, en wat daarbij aan de dag kwam', in _Maandblad Amstelodamum_, 37 (1950) 147-152.)

Ook de *Amstelkerk* aan de Prinsengracht bij het Amstelveld is als noodkerk gebouwd in de periode 1669-1670. Deze houten preekschuur is nooit vervangen door een stenen gebouw; in deze houten kerk werd niet begraven. Het oudste doopboek dateert uit 1670.

De Franssprekende gereformeerden kregen in 1587 van de stedelijke overheid de beschikking over de vijftiende-eeuwse kapel van het Paulusbroederklooster. De kapel werd sindsdien aangeduid als de *Oude Waalse Kerk* of Grande église. De kerk staat aan het Walenpleintje op de Oudezijds Achterburgwal.

De Walen kregen in 1685 een schermschool aan de Prinsengracht bij het Molenpad als tweede kerk toegewezen. Dit bleek noodzakelijk na de grote toestroom van réfugiés na de opheffing van het Edict van Nantes. De school werd in 1686 tot kerk verbouwd: de *Nieuwe Waalse Kerk* of Petite église en was in gebruik bij de Waalse gemeente van 1686 tot 1808.

Het oudste doopboek dateert uit 1615; het vroegste trouwboek dateert uit 1584 en het begraafboek is bewaard sinds 1622. De registers betreffen alle Waalse kerken.

De Engelssprekende gereformeerden, verenigd in de *Engels-Presbyteriaanse Kerk* kregen in 1607 van de stedelijke overheid de voormalige kapel aan het Begijnhof toegewezen. Deze kapel werd in 1419 ingewijd; de hof zelf was al in 1346 aan de Begijnen geschonken. Het oudste doopboek dateert uit 1607; het trouwboek dateert uit hetzelfde jaar.

In de Engels-Presbyteriaanse kerk kwamen vermoedelijk ook de soldaten van *het regiment Oranje-Nassau*. Op 15 oktober 1787 trok generaal Dopff met dit regiment (2000 man) de stad binnen ter ondersteuning van het Pruisische leger. De manschappen werden ingekwartierd. Een doopboek van het regiment is aanwezig over de jaren 1785-1795. Dit register bevat dopen in Maastricht, Zeist en vanaf juli 1788 ook dopen te Amsterdam. Er werd gedoopt aan huis of in de 'garnizoenskerk' of 'regimentskerk'. Op 11 november 1792 wordt een doop vermeld in de 'Engelse of huidige garnizoenskerk'. Dit is vermoedelijk de Engels-Presbyteriaanse kerk. Welke gebouwen verder als kerk voor dit regiment dienden is niet bekend. In Amsterdam was nog een tweede Engelse kerk, namelijk de *Engels-Episcopaalse Kerk* aan de Groenburgwal bij de Staalstraat. Het voormalige Staalhof (vergaderzaal van de Staalmeesters) was vanaf 1771 (met onderbrekingen) in gebruik bij deze kerk. In 1827 werd de kerk na een verbouwing en uitbreiding opnieuw ingewijd. Aanvankelijk, van 1699 tot 1765, kwam deze gemeente bijeen in een (huiskerk in een) pakhuis op de hoek Huidenvetterssloot en Oudezijds Achterburgwal; vanaf 1765 in een zaal in het Atheneum (Agnietenkapel). Een doopboek is bewaard gebleven over de jaren 1698-1807; een trouwboek sinds 1707.

(Lit.: J.F.L. de Balbian Verster, 'De Engelsche Episcopaalsche kerk op den Groenburgwal', _Maandblad Amstelodamum_, 20 (1933) 41-47.)

*2. Niet-gereformeerde kerken*

In de recente historische literatuur wordt op goede gronden gepleit voor vervanging van de negentiende-eeuwse term 'schuilkerk' door 'huiskerk' en 'huissynagoge'. (14) De aanduiding 'schuilkerk' suggereert een scherp vervolgingsbeleid ten opzichte van niet-gereformeerden: dit beleid heeft echter nooit bestaan. Van de bevolking van Amsterdam hing tweederde deel een ander geloof aan dan het gereformeerde: luthers, doopsgezind, remonstrants, katholiek of joods. Ook waren er aanhangers van bijvoorbeeld de Hernhutters en was er een Armeense kerk.

*a. Lutherse kerken*

Vanaf 1604 kerkten de luthersen in een huiskerk in een pakhuis op de hoek Singel-Spui. Tussen 1631 en 1633 werd op die plaats een kerk gebouwd, de *Oude Lutherse Kerk*. Aanvankelijk waren vooral Duitsers en Scandinaviërs lid; de kerk had vooral Duitse predikanten. In de loop van de zeventiende eeuw kwam een 'verhollandsing' van de gemeente op gang.

Een tweede kerk, de *Nieuwe of Ronde Lutherse Kerk* aan het Singel, bij de Teerketelsteeg, werd gebouwd tussen 1668 en 1671. Doopboeken zijn bewaard sinds 1590 en betreffen alle dopen; de boeken geven de huisdopen aan, maar vermelden niet in welke Lutherse kerk gedoopt werd. De predikbeurten werden verdeeld naar anciënniteit van de predikanten; op dinsdag en woensdag werd gedoopt in de Oude Lutherse kerk, op vrijdag in de Nieuwe Lutherse kerk, op zondag meestal ook; bij bijzondere gelegenheden (bede- en dankdagen, inzegening van proponenten, intree- en lijkpredikatiën) in de consistoriekamer van de Oude Lutherse kerk. Bij buitengewone bedestonden werd in de Oude Kerk gedoopt _(Archief van de kerkenraad en ouderlingen van de Evangelisch-Lutherse gemeente, toegangsnr. 213, Reglementboek (inv.nr. 260) 1-8)_. Een begraafboek is bewaard sinds 1674.

In 1791 scheidde een orthodoxe groepering (de _'mannen van het oude licht'_) zich af van de Evangelisch-Lutherse gemeente. Ze kregen de beschikking over de *Gasthuiskerk* aan de Oude Turfmarkt, bij de Grimburgwal en Nieuwe Doelenstraat. Deze kerk was een in 1412 gewijde kapel van de Nieuwe Nonnen; sinds 1578 was de kapel in gebruik bij de gereformeerden. In 1787 was het een kazerne van het Pruisische leger. Als noodkerk was de kapel in gebruik bij de Hersteld Evangelisch-Lutherse gemeente van 1791 tot 1793. Een doopboek dateert uit 1791.

Een nieuwe kerk werd gebouwd van 1792-1793 op de plaats van het voormalige Dolhuis aan de Kloveniersburgwal bij de Spinhuissteeg.

In 1952 herenigden de Herstelden zich met de Evangelisch-Luthersen in één kerkgenootschap.

(Lit.: W.J. Kooiman,'Het ontstaan van de Herstelde Evangelisch-Lutherse Gemeente te Amsterdam', _Jaarboek Amstelodamum_, 48 (1956) 172-209.)

*b. Doopsgezinde kerken*

Doopsgezinden waren sinds 1557 verdeeld geraakt over onder meer het vraagstuk van de ban. Sommige groeperingen wilden een zondaar na zijn bekering weer opnemen in de gemeente, andere voelden hier niets voor. De laatste groepering, die het 'harde bannen' voorstond, werden de Friezen genoemd. De Waterlanders hingen een minder strenge lijn aan. De Vlamingen, vluchtelingen afkomstig uit Vlaanderen, sloten zich aan bij de Friezen, maar werden zelf niet gespaard voor een conflict: de gemeente viel in 1587 uiteen in Jonge en Oude Vlamingen. Ook de Friezen splitsten zich daarna in Oude Friezen en Jonge Friezen. Naast deze groeperingen was er een groep vluchtelingen uit Duitsland, de Hoogduitsers. De doopsgezinde stromingen hadden ieder een eigen 'vermaanhuis' of kerk. In kerk *De Zon* kwamen de Jonge Vlamingen en Hoogduitsers bijeen. Deze huiskerk aan het Singel, bij de Blauwburgwal, was in gebruik bij de Doopsgezinde gemeente van 1664 tot 1801. De gemeente De Zon scheidde zich in 1664 af van de Doopsgezinde gemeente Het Lam vanwege een conflict over de interpretatie van de kerkelijke leer. In 1751 voegde de gemeente De Arke Noach zich bij De Zon; in 1788 volgde de gemeente van de Oude Vlamingen. In 1801 verenigde De Zon zich met de gemeente Lam en Toren in de Verenigde Doopsgezinde gemeente. Een gezinsboek is bewaard over de periode 1666-1811.

In de kerk *Lam en Toren* kerkten Jonge Vlamingen, Hoogduitsers en Waterlanders. De kerk, in 1607 gebouwd op erven en tuinen tussen Singel en Herengracht nr. 431, ontleende de naam aan de in de nabijheid gelegen brouwerij 't Lam aan het Singel. Vanaf 1668 was deze kerk van de gemeenten Het Lam en De Toren; sinds 1801 tot heden is het de hoofdkerk van de doopsgezinden.

De gemeente De Toren, die uit 'Waterlanders' bestond, een milde stroming onder de Doopsgezinden, was genoemd naar de Jan Roodenpoortstoren; deze gemeente voegde zich in 1668 bij de gemeente 't Lam. De gezinsboeken zijn bewaard over de jaren 1714-1801.

In de kerk *De Drie Kruykjes* kwamen de Oude Vlamingen bijeen. De kerk stond aan de Spuistraat, tussen Lijnbaanssteeg en Spaarpotsteeg. Het vermaanhuis was gehuisvest in een pakhuis en was van 1619 tot 1788 in gebruik bij deze doopsgezinde gemeente: in 1788 zijn de Oude Vlamingen in de gemeente De Zon opgegaan. Het gezinsboek van deze gemeente beslaat de periode 1730-1788. Tenslotte *De Arke Noachs*, de kerk van de Friezen aan de Prinsengracht bij de Prinsenstraat. De kerk was in pakhuis 'De Kleine Zon' in gebruik van 1720 tot 1755; daarna is de kerk verbouwd tot hofje. Aanvankelijk vergaderde deze gemeente in een huiskerk in een pakhuis op de Nieuwezijds Achterburgwal; in 1751 is de gemeente opgegaan in De Zon. Een gezinsboek beslaat de periode 1676-1750.

(Lit.: I.H. van Eeghen, 'Het Zonshofje', _Maandblad Amstelodamum_, 55 (1968) 121-130.)

*c. Remonstrantse kerk*

In het archief van deze gemeente bevindt zich een verzoekschrift uit 1628 aan de burgemeesters, met handtekeningen van Remonstrants-gezinden, om een kerk te mogen oprichten (_toegangsnr. 612, inv.nr. 290_). In 1630 werden aan de Keizersgracht twee huizen gekocht, bij de gangen naar de achtererven, achter het huidige nummer 102. Op de achtererven werd een kerk gebouwd. Een gezinsboek is aanwezig vanaf 1633.

(Lit.: E. Lievense-Pelser, 'De Remonstranten en hun kerk', _Jaarboek Amstelodamum_, 67 (1975) 121-136.)

*d. Rooms-katholieke kerken*

In 1641 stichtten franciscanen een statie in huis 'Mozes' aan de Jodenbreestraat. In 1680 werd het belendende pand 'Aäron' aangekocht. In 1691 kreeg men toestemming van het stadsbestuur voor de bouw van een kerk: de *Mozes- en Aäronkerk*. In 1841 werd de huidige kerk over de oude kerk gebouwd. Het oudste doopboek van deze kerk dateert uit 1645.

Kerk *'t Boompje* werd bediend door franciscanen. Het was een huiskerk in panden bij de Munt vanaf 1628; de kerk werd herbouwd in 1650. In 1676 en 1731 werd de kerk uitgebreid en vernieuwd. Het doopboek dateert uit 1628; het boek bevat de oudste katholieke doopinschrijving sinds de Alteratie.

De kerk *Stadhuis van Hoorn* werd bediend door dominicanen. De kerk aan de Spuistraat en de Teerketelsteeg werd in het huis 'Stadhuis van Hoorn' tussen 1623 en 1637 gesticht. Een doopboek met trouwregister dateert uit 1646.

Kerk *De Toren*, bediend door dominicanen, stond vanaf omstreeks 1644 in huis 'De Toren' aan het Singel, bij de Bergstraat en de Jan Roodenpoortstoren. Het doopboek datert uit 1644; het is gecombineerd met een trouwregister tot 1746.

De *Franse kapel*, bediend door karmelieten, stond aan de Nieuwezijds Voorburgwal, toenmalige Boommarkt, met een achteruitgang in Spuistraat. Deze huiskerk deed dienst vanaf 1664; in 1806 hebben de karmelieten deze statie opgegeven; daarna was de statie in handen van wereldlijke priesters. Een doopboek met trouwregister is bewaard sinds 1662. De doopboeken zijn in het Frans, veel Fransen en Italianen kerkten hier. Aanvankelijk hield men bijeenkomsten in een kapel op het Rokin en in een huis bij de Sint Anthoniespoort.

Kerk *De Star*, bediend door de augustijnen, was een bedehuis in pakhuis 'De Star' vanaf 1698; in 1848 werd de nieuwe kerk 'De Star' ingewijd aan het Rusland. Een doopboek bestaat sinds 1657; met trouwregister tot 1724. Aanvankelijk, tot 1671, kwam men samen in een huiskerk op de Oudezijds Voorburgwal hoek Heintje Hoeksteeg; daarna op de Oudezijds Achterburgwal bij de brouwerij de Burcht; vervolgens in de Spinhuissteeg; de statie was van 1739 tot 1746 gesloten.

De *Begijnhofkerk*, ook bekend als Mirakelkapel, werd in 1671 ingericht in twee naast elkaar gelegen woonhuizen op het Begijnhof. In 1680 werd de kerk in gebruik genomen. Een doopboek is bewaard sinds 1700; met trouwregister tot 1738. De oorspronkelijke kerk van de Begijnen werd in 1607 aan de Engelse Presbyterianen gegeven.

Kerk *De Lelie* vanaf ca. 1623 in huis 'De Lely' bij het Begijnhof. In 1736 werd de kerk uitgebreid naar de Spuistraat en genoemd 'Geloof, Hoop en Liefde'. Een nieuwe kerk aan het Singel werd in 1820 ingezegend. Doopboek sinds 1645; met trouwregister tot 1739.

Kerk *De Posthoorn*, bediend door augustijnen, stond aan de Prinsengracht, bij de Haarlemmerstraat en Brouwersgracht. Aanvankelijk kwam men samen in een huiskerkje op de Korte Prinsengracht. Van 1688 tot 1696 werkte men aan de bouw van een statie 'De Posthoorn' op de Prinsengracht (oostzijde) bij de Brouwersgracht, die het vorige kerkje verving. Doopboek sinds 1642; met trouwregister tot 1769.

Kerk *Het Haantje* stond aan de Oudezijds Voorburgwal, tot aan de Heintje Hoeksteeg.

Men bouwde hier van 1661-1663 drie huizen. Kerk 'Het Hart', 'Het Hert' of 'Het Haantje' kwam op dubbele zolderlaag. Huiskerk is overgegaan naar de vereniging 'De Amstelkring', die het inrichtte als museum 'Ons' lieve Heer op solder'. Doopboek met trouwregister sinds 1675; sterfregister 1724-1750. De katholieken in deze buurt weken na 1578 vanuit de Sint Nicolaaskerk of Oude Kerk aanvankelijk uit naar een zolderkerk in een pand op de hoek Heintje Hoeksteeg-Oudezijds Voorburgwal. Deze statie werd 'Het Hert' genoemd; de patroon was de Heilige Nicolaas.

Kerk *De Papegaai* werd bediend door Jezuïeten; rond 1670 is de statie overgegaan naar 'wereldheren'. De kerk staat aan de Kalverstraat, bij de Nieuwezijds Voorburgwal. Van 1719 tot 1846 was de kerk eigendom van het R.C. Oud-Armenkantoor; in 1848 is de kerk afgebroken en vervangen door een nieuwe kerk. Doopboek sinds 1752.

Kerk *De Pool*: deze huiskerk stond al vanaf 1685 op diverse plaatsen op Kattenburg; in 1720 werd de kerk verplaatst naar pakhuis/woonhuis De Pool op IJgracht. Doopboek sinds 1695.

Kerk *De Duif* aan de Kerkstraat-Keizersgracht. In 1671 werden op deze plaats nieuwe huizen gebouwd voor kerk 'Het Vrede(s)duifje'. In 1795 werd grond van een voormalige suikerraffinaderij aangekocht op de hoek Prinsengracht-Reguliersgracht: hier werd in 1798 'De Duif' gebouwd. Doopboek sinds 1682. Van 1707 tot 1717 was de kerk gesloten vanwege problemen met jansenisten.

Over de jansenisten kan in het kort het volgende opgemerkt worden. Aan het begin van de achttiende eeuw ontstond een splitsing onder de Nederlandse katholieken: een deel (18) van de bestaande kerken schaarde zich aan de kant van Rome; zeven staties kozen voor een onafhankelijke Nederlandse kerk: de oud-katholieken of jansenisten. Meestal werd de keuze bepaald door de politieke gezindheid van de pastoor. De pastoor van het Kuiperspad was jansenistisch; hij verliet in 1719 zijn statie. Vanaf 1721 was deze statie in handen van rooms-katholieke priesters. De zes overige jansenistische kerken waren de kerk aan de Brouwersgracht, de Ooievaar aan de Barndesteeg, de kerk in de Vinkenstraat, de kerk De Drie Bonte Kraaien in de Teertuinen, kerk De Pauw en de Sint Nicolaaskerk aan de Spuistraat. Ook de kerken van het Jongensweeshuis (tot 1782) en het Maagdenhuis (tot 1754) werden bediend door janesnistische priesters.

De kerk in het *Maagdenhuis* aan het Spui bij de Voetboogstraat was een bedehuis in het meisjesweeshuis. De kerk werd gesticht ca. 1670; de aankoop van de huizen aan het Spui was in 1628. Een nieuwe kerk werd in 1783 gebouwd. Doopboek sinds 1684; met trouwregister 1685-1725; sterfregister 1726-1767. Van 1725 tot 1754 werd de kerk bediend door een oud-katholieke priester.

De kerk *De Krijtberg*, bediend door Jezuïeten, staat aan het Singel. Aanvankelijk was een statie in het huis 'De Zijdeworm' in de Kalverstraat; vanaf 1654 in huis 'De Krijtberg' aan het Singel, gewijd aan Sint Franciscus Xaverius. Doopboek sinds 1663; met trouwregisters. Van 1708 tot 1717 werd in deze kerk niet gedoopt.

De kerk *De Zaaijer*, bediend door Jezuïeten, stond aan de Keizersgracht (huidig nr. 22).

Aanvankelijk was de huiskerk vanaf 1652 in 'De Keizerskroon' aan de Brouwersgracht gevestigd; vanaf 1663 op de Keizersgracht. Doopboek sinds 1685; trouwregister tot 1708 en van 1722-1791; sterfregisters 1724-1790. De kerk was gesloten van 1669 tot ca. 1690; opnieuw van 1708 tot 1792.

De kerk aan de *Raamgracht 6-8* werd bediend door Jezuïeten. Vanaf 1673 was er een bedehuis in woonhuis annex ververij 'De Blauwe Bock' aan de Raamgracht 6-8; in 1705 gesloten; in 1708, na verbanning van Jezuïeten, opgeheven. Doopboek over 1668-1705 met trouwregister 1669-1705. Aanvankelijk was de statie in een pakhuis aan de Oudezijds Voorburgwal (thans nr. 67), lopend tot een pakhuis op de Oudezijds Achterburgwal (huidige nr. 54).

De *Paleiskapel* in het Koninklijk Paleis op de Dam: de Vierschaar in het voormalige stadhuis werd omgebouwd tot hofkapel, met altaar en loge voor koning Lodewijk Napoleon. De kapel was in gebruik van 1808 tot 1810. Doopboek over 1807-1810; het boek bevat ook dopen, die plaatsvonden in Utrecht en Den Haag.

De kerk op het *Kuiperspad* stond achter de 'Pauwentuin' (buitenplaats van Michael Reyniersz Pauw), gelegen aan de Amstel. De kerk was in een voormalige boerenschuur, onder de jurisdictie van Nieuwer-Amstel. Begin achttiende eeuw korte tijd door jansenistische priesters bediend, daardoor verplaatst naar een voormalige turfschuur op het Rustenburgerpad binnen de jurisdictie van Amsterdam: de stad was deze priesters gunstig gezind. Na 1721 is de kerk weer door rooms-katholieke priesters bediend. Doopboek sinds 1661: de statie is van 1719 tot 1721 gesloten gewest. De kerk *De Liefde* stond buiten de Raampoort, aan het Lange Bleekerspad, bij de latere Bilderdijkstraat. De kerk werd gesticht in 1784; een nieuwe kerk werd gebouwd in 1785. Doopboek sinds 1784.

Kerk *Brouwersgracht* bevond zich tussen de Brouwerstraat en Korte Prinsengracht. De huiskerk bestaat vanaf ca. 1664. Een doopboek is bewaard sind 1664; met trouwregister.

Kerk in *het Rooms-katholieke Jongenshuis*. Vanaf 1664 waren de wezen gehuisvest in de Weesperstraat; in 1686 verhuisde men naar de Lauriergracht. De kerk werd apart gebouwd en stond open voor gelovigen uit de omtrek. Doopboek over 1697-1794; met trouwregister tot 1782.

De kapel was sinds 1723 in jansenistische handen tegen de zin van regenten; in1782 werd met toestemming van het stadsbestuur een kapel in een voormalige slaapzaal ingericht.

De kerk *De Ooievaar* stond an de Barndesteeg bij de Oudezijds Achterburgwal. Het huis werd gekocht in 1705; later uitgebreid en in gebruik als Oud-katholieke kerk.

Doopboek sinds 1668; met trouwregister 1700-1766; 1768-1808; sterfregister 1668-1677; 1699-1811.

Aanvankelijk kerkte men in een huiskerk op de Sint Anthoniesbreestraat, hoek Nieuwmarkt; doopboek van 1754-1768 is gelijk aan dat van Maagdenhuis: van 1726 tot 1754 werd de statie in Maagdenhuis bediend door oud-katholieke pastoors; de laatste, Henricus de Haan, nam na zijn vertrek naar de Ooievaar het doopboek van het Maagdenhuis mee en zette dit voort.

(Lit.: I.H. van Eeghen, 'De Oud-Katholieke kerk de Ooievaar in de Barndesteeg; _Maandblad Amstelodamum_, 42 (1955) 7-12.)

De kerk in de *Vinkenstraat* (huidige nummers 160-162), hoek Baanbrugsteeg. De huizen zijn gebouwd in 1658 en ingericht als kerk; in gebruik tot ca. 1800. Doopsboek sinds 1657; trouwregister 1676-1751. Het eerste doopboek is afkomstig uit Ankeveen en werd meegenomen door pastoor Ruysch; vanaf 1676 staan in dit register dopen in Amsterdam opgetekend.

De kerk *De Drie Bonte Kraaien* aan de Oude Teertuinen: deze huiskerk bestond vanaf ca. 1664; opgeheven in 1838. Doopboek over 1666-1779; trouwregister 1663-1705; 1706-1751; sterfregister 1742-1768.

De kerk *De Pauw* was aanvankelijk een huiskerk op de hoek van de Zandstraat; in 1690 verplaatst naar de Keizersstraat; in 1798 werd deze kerk gesloten. Doopboek over 1697-1798; trouwregister 1697-1793.

De *Sint Nicolaaskerk* aan de Spuistraat, bij de Lijnbaanssteeg was aanvankelijk een huiskerk, tot 1695, in een pand op de Nieuwezijds Voorburgwal; vanaf 1695 tot 1808 was de kerk in een pand bij Lijnbaanssteeg. Doopboek over 1655-1801; trouwregister 1655-1802; sterfregister 1749-1805.

(Lit.: H.W. Alings, 'Een Jansenistenkerk in de Spuistraat, gewijd aan St. Nicolaas', _Maandblad Amstelodamum_, 41 (1954) 78.)

De *Grieks-katholieke kerk* stond aan de Oudezijds Voorburgwal, bij de Minderbroederssteeg. Doopboek over 1798-1817; trouwregister 1800-1814; sterfregister 1799-1816. *e. Kerk van de Herenhutters* Sinds 1768 kerkte men in een huis in de Haarlemmer Houttuinen; vanaf 1797 aan de Herengracht (huidige nummer 248); in 1806 werd dit huis verkocht. Men doopte in Zeist; de doopboeken bevinden zich in het Utrechts Archief.

*f. Armeense Kerk*

Tot 1714 kerkete men in een huis in de Dijkstraat; daarna werd een kerk gebouwd aan de Kromboomssloot; met onderbrekingen tot heden in gebruik bij de Armeense gemeente.

Deze kerk berichtte de Maire in 1811 dat zij geen registers had aangelegd en dus niet kon inleveren.

*3. Synagogen*

De *Portugese synagoge* aan de Houtgracht-Muidergracht werd ingewijd in 1675. Deze synagoge wordt de _snoge_ genoemd, naar _esnoga_, Portugees voor synagoge. Aanvankelijk waren er drie Portugees-joodse gemeenten (Bet Jacob, Bet Israel en Neve Salom) met elk een huissynagoge; in 1639 werden zij verenigd in één gemeente 'Talmud Tora', die de voormalige synagoge van de gemeente Bet Istrael aan de Houtgracht gebruikte tot 1675.

Geboorteregister van de Portugese joden sinds 1735; Ketoeboth sind 1673.

De *Hoogduitse synagoge* staat an de Houtgracht bij de Amstelstraat. De Grote synagoge (Grote Sjoel) werd in 1671 ingewijd; hierachter werd in 1685 gebouwd de Boven synagoge (Obene Sjoel); in 1700 werd de Derde synagoge (Dritte Sjoel) ingewijd; in 1730 de Nieuwe synagoge (Neie Sjoel) gebouwd, die in 1752 werd herbouwd.

Aanvankelijk bestonden zowel Poolse (Korte Houtstraat) als Hoogduitse huissynagogen (Turfsteeg; Sleeperssteegje bij Turfmarkt, Stromarkt); in 1673 sloten de Poolse joden zich aan bij de Hoogduitse nadat het stadsbestuur afzonderlijke Poolse bijeenkomsten verboden had.

Geboorteregister van de Hoogduitse joden sinds 1739; Ketoeboth sinds 1723.

Overige Hoogduitse synagogen zijn aan de *Lange Houtstraat 9*: in 1726 gebouwd; in 1895 herbouwd. Dit was het bedehuis van de kabroniem (doodgravers), behorende tot het genootschap Gemiloes Chasodiem.

De Hoogduitse synagoge aan de *Uilenburgerstraat* werd in 1724 gebouwd op het erf van een woonhuis; op begane grond was een bruilofthuis. Het was het bedehuis van genootschap Hagnosas Kallo Gedoulo (uithuwelijking jonge dochters); in 1732 is de synagoge door de Hoogduitse gemeente officieel overgenomen. In 1766 werd de synagoge herbouwd. Van 1791-1808 waren hier aparte diensten voor Poolse joden.

De Hoogduitse synagoge aan de *Stroomarkt* bij het Waterlooplein werd gesticht in 1767 op de plaats van een vroeger bedehuis. De Hoogduitse synagoge aan de *Rapenburgerstraat* (huidige nummer 173) werd in gebruik genomen in 1799. Het was de synagoge van Neie Kille (Nieuwe Gemeente) of Adath Jesjoeroen, die in 1797 door patriotten gesticht werd; aanvankelijk hield men diensten in een huissynagoge op de Nieuwe Herengracht, tot 1799. Na de hereniging in 1808 van de Oude Gemeente met de Nieuwe Gemeente werd deze synagoge eigendom van de Oude Gemeente. *4. Kerkhoven en begraafplaatsen* Het *Karthuizerkerkhof* lag in de Jordaan, tegenover de Lindenstraat, op het plein van het voormalige klooster van Sint Andries ter Zaligen Haven. Het kerkhof werd gesticht in 1602; het was in gebruik tot 1 januari 1866. Begraafboek sinds 1602.

Het *Sint Anthonieskerkhof* lag buiten de Sint Anthoniespoort, bij de huidige Weesperstraat en het Hortusplantsoen. Het kerkhof werd gesticht in 1640; het was in gebruik tot 1866. Begraafboek sinds 1640.

Het *Heiligewegkerkhof*, later *Leidsekerkhof* bevond zich buiten de Heiligewegspoort, bij de Boerenwetering. In 1664 is dit kerkhof verplaatst naar het gebied tussen Raamstraat en Passeerdersgracht en kreeg de naam Leidsekerkhof. Het kerkhof werd gesticht in 1636; het Leidsekerkhof was in gebruik van 1664 tot 1866. Begraafboek sinds 1653; enkele losse stukken zijn van 1641 en later.

Het *Westerkerkhof* lag tot 1655 bij de Westerkerk; daarna is het kerkhof verplaatst naar het bolwerk Rijkeroord aan het eind van de Bloemgracht; gesloten in 1866. Begraafboek sinds 1668.

Het *Noorderkerkhof* lag tot 1655 bij de Noorderkerk; daarna is het verplaatst naar het bolwerk Karthuizers bij de Zaagmolenspoort. Begraafboek sinds 1670.

Het kerkhof bij het *Gast- en Pesthuis* lag aan de Overtoom, onder de jurisdictie van Nieuwer-Amstel. Begraafboek sinds 1739.

Het kerkhof bij het *Spin- en Werkhuis*: in 1782 verhuisde deze instelling van de IJgracht (Prins Hendrikkade) naar de Nieuwe Prinsengracht. Begraafboek sinds 1783.

In *Ouderkerk aan de Amstel* bevindt zich de begraafplaats van de Portugees-joodse gemeente in Amsterdam. Gesticht in 1614; in gebruik tot heden. Begraafboek sinds 1614 (Portugees); sinds 1750 (Hollands).

De begraafplaats in *Muiderberg* is de begraafplaats van de Hoogduitse gemeente in Amsterdam. Gesticht in 1642; in gebruik tot heden.

De begraafplaats *Zeeburg* aan de Zeeburgerdijk is de begraafplaats van de Hoogduitse gemeente in Amsterdam. Gesticht in 1714; deze begraafplaats was bestemd voor kinderen, armen en voor leden, die hier een graf hadden gekocht.

In *Overveen*, gemeente Bloemendaal, ligt de begraafplaats van de patriotsgezinde gemeente Adath Jesjoeroen of Neie Kille. Gesticht in 1797. Hoewel de Neie Kille zich in 1808 herenigde met de Oude Gemeente, bleef de begraafplaats in gebruik. Een lijst met namen van de honderd personen, die hier begraven werden van 1797 tot 1808 en een chronologische lijst van aangetroffen grafzerken van 1797 tot 1981 zijn opgenomen in: Jaap Meijer/Jet Slagter, _Versteend verleden. De Joodse begraafplaats te Overveen_ (Haarlem 1983) 88-94.

TOT BESLUIT

Het archief van de persoonskaarten is zoals gezegd niet openbaar toegankelijk. Uittreksels van een aanwezige kaart kunnen echter schriftelijk worden aangevraagd bij het Centraal Bureau voor Genealogie in Den Haag. De organisatie van de bevolkingsadministratie werd geregeld bij het Besluit Bevolkingsboekhouding 1967. De ontwikkeling van de automatisering leidde tot de invoering van de Wet Gemeentelijke Basisadministratie op 1 oktober 1994. Het besluit uit 1967 werd toen ingetrokken. Het handmatig bijhouden van de kaarten werd vervangen door de invoer met terminals; alle bevolkingssystemen werden aangesloten op een landelijk netwerk. In Amsterdam maakte de Wet Gemeentelijke Basisadministratie het mogelijk een groot aantal koppelingen met andere gemeentelijke diensten (Sociale Dienst, Herhuisvesting, Vreemdelingenpolitie en Individuele Woonsubsidies) tot stand te brengen.



Literatuur

R.F. Vulsma, Burgerlijke Stand en bevolkingsregister ('s-Gravenhage 1988).

(uitgave van het Centraal Bureau voor Genealogie)

Th.F. Wijsenbeek-Olthuis, `Boedelinventarissen' en A. Knotter en A.C. Meijer (red.), `De gemeentelijke bevolkingsregisters 1850 1920', Broncommentaren dl 2 ('s-Gravenhage 1995).

(uitgave van het Instituut voor Nederlandse Geschiedenis)

A.C. Meijer, `De negentiende-eeuwse "papieren mensch". Een onderzoek naar het Amsterdams bevolkingsregister als bron voor historici', Nederlands Archievenblad 87 (1983) 371 - 395.

P. Schraa, `Onderzoekingen naar de bevolkingsomvang van Amsterdam tussen 1550 en 1650', Jaarboek Amstelodamum 46 (1954) 1 - 33.

Dienst voor het Bevolkingsregister Amsterdam, Wijzigen van verantwoordelijkheden. Beleidsplan DBR (Amsterdam 1994).

*Voetnoten*

(1) Met dank aan Hans Ernst en Peter van Iterson

(2) De schatting is gebaseerd op de in het Gemeentearchief aanwezige doop-, trouw- en begraafregisters. Niet alle registers zijn echter bewaard gebleven. Het is mogelijk dat het aantal niet-gereformeerden in werkelijkheid hoger is geweest.

(3) In dezelfde resolutie werd bepaald, dat de kerken voortaan dubbele doop- en trouwregisters moesten aanleggen - dus naast de contraregisters.

(4) Ook de trouw- en begraafregisters moesten ingeleverd worden.

(5) De huwelijkskrakeelregisters (1592-1810) bevinden zich in de rechterlijke archieven, in het archief van de Commissarissen van huwelijkse zaken en injuriën (toegangsnr. 5061).

(6) Deze notariële huwelijksvoltrekkingen zijn zelden in de notariële protocollen opgenomen.

(7) De Portugese joden waren vanwege hun ervaringen met de inquisitie in Spanje en Portugal huiverig geworden voor registratie. Daarnaast kwamen bij joden vaak 'verboden graden' voor: een huwelijk tussen oom en nicht bijvoorbeeld. Volgens de joodse wet waren deze verbintenissen toegestaan. In 1656 en 1670 werden langdurige processen voor de schepenbank gevoerd door sefardische kooplieden naar aanleiding van een niet op het stadhuis geregistreerd huwelijk resp. een huwelijk tussen 'verboden graden'. (8) De verplichtingen, die volgens de joodse wet moeten worden nageleefd door de bruidegom ten behoeve van zijn bruid, worden vastgelegd in de ketoeba (meervoud ketoeboth), het huwelijkscontract. De ketoeba is in het Aramees opgesteld. Het feit dat joden een eigen huwelijkscontract opstelden, leidde er ook toe dat men aanvankelijk de registratie op het stadhuis vaak achterwege liet.

(9) Trouwen in de Bergenvaarderskamer was een vorm van trouwen buiten de stad, waarvoor een boete moest worden betaald die gedeeltelijk ten goede kwam aan het Almoezeniersweeshuis. De boetes staan opgetekend in de journaals van deze instelling (toegangsnr. 343), over de periode 1685-1797.

Een geautomatiseerde index is aanwezig op de studiezaal.

(10) Pas op 1 januari 1866 werd het begraven in kerken en op kerkhoven verboden. Amsterdam liep hiermee ver achter op andere steden, waar het begraven in kerken al geruime tijd niet meer werd toegestaan. In Amsterdam bestond grote weerstand tegen het begraven in de moerassige gronden rond de stad.

(11) Het Hebreeuwse woord 'Bet Haim' betekent Huis des levens: het is de gebruikelijke benaming van een joodse begraafplaats.

(12) De aanduiding: doop-, trouw- en begraafboeken is in feite niet correct, omdat de registers ook de joodse geboorteregisters en de besnijdenisboekjes betreffen.

(13) De gegevens zijn ontleend aan de inleidingen bij de betreffende inventarissen (voor zover aanwezig), aan de _Historische Gids_ van H.F. Wijnman (Amsterdam 1974), waarin een bijdrage over kerkgebouwen is opgenomen van B. Bijtelaar, aan het artikel van I.H. van Eeghen 'De eigendom van de Katholieke kerken in Amsterdam ten tijde van de Republiek' in _Haarlemse Bijdragen. Bouwstoffen voor de Geschiedenis van het Bisdom Haarlem_, 64 (1957) 217-277 en aan de specifieke literatuur, die vermeld staat.

(14) S.A.C. Dudok van Heel, 'Amsterdamse schuil- of huiskerken?', _Historisch Tijdschrift Holland_, 25, 1, (1993) 1-10

Archiefvormer

Gemeente Amsterdam; Afdeling Burgerlijke stand
© Stadsarchief
Disclaimer / Colofon
<

Gegevens over mogelijk nog levende personen mogen alleen worden gebruikt voor historisch (waaronder genealogisch), wetenschappelijk of statistisch onderzoek.

Door het aanklikken van onderstaande button verklaart u zich te houden aan het Reglement voor raadpleging en gebruik van het Stadsarchief.