441: Archief van de Parochie van Onze Lieve Vrouw Onbevlekte Ontvangenis (De Posthoorn)

Algemene kenmerken

Toegangsnummer:

441

Periode:

1625 - 1981

Inleiding

De bouwheren van de Posthoornkerk, de pastoors IJzermans (1859 - 1870) en Jansen (1888 - 1908), zouden het onmogelijk hebben kunnen geloven dat de hoogeerwaarde deken van Amsterdam in 1976 zou adviseren de R.K. Posthoornkerk te verbouwen tot een mohammedaans bedehuis, een moskee...... (Trouw 27 maart 1976) en dat enkele jaren later de Raad van State de Kroon adviseert toestemming te geven tot sloop van dezelfde inmiddels tot monument geworden kerk. (Nieuws van de Dag 2 april 1981).

De geschiedenis van de rond 1620 ontstane statie van de Augustijnen, in 1723 overgenomen door de seculiere geestelijkheid, is uitvoerig beschreven door A.J. Nijsten in zijn inleiding op de inventaris van 1.5 meter van het archief in 1972. In later jaren is daar 6.5 meter bijgekomen, waardoor de inventaris ingrijpend herzien moest worden.

De inleiding van de heer Nijsten achten wij zo waardevol, dat hij gehandhaafd blijft; zij volgt onmiddellijk hierna.

Toch in het kort nog het volgende. Na het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in 1853 kon de katholieke gemeenschap van de Haarlemmerbuurt in het volle daglicht treden en een echte parochiegemeenschap met een eigen in twee fasen gebouwde en opvallend mooie parochiekerk worden.

De roomse emancipatie werd verder nog gerealiseerd door de creatie van een grote scholengemeenschap (vanaf 1872) onder leiding van vrouwelijke en mannelijke religieuzen. Een volledig parochieleven, kompleet met kleine kloostertjes, ontwikkelde zich in de dichtbevolkte buurt. Omdat de bevolking van Amsterdam zich verder uitbreidde, was tot tweemaal toe de stichting van een nieuwe parochie gedeeltelijk binnen de grenzen van de parochie noodzakelijk, de Magdalena in 1889 en de Tichelkerk in 1951.

Na de Tweede Wereldoorlog ging de ontvolking van de binnenstad een steeds grotere rol spelen. Omdat dit samenviel met het teruglopen van het kerkbezoek, werd een verantwoord bestaan van verschillende parochies in de binnenstad een onzekere zaak. Het onderhoud van het kerkgebouw werd intussen verwaarloosd.

Op 20 april 1971 werd de parochie De Posthoorn door de bisschop van Haarlem officieel opgeheven en op dezelfde datum werd de zogeheten 'City kerk' gesticht, welke parochie aanvankelijk de beschikking had over twaalf kerkgelegenheden voor 2400 kerkbezoekers per zondag. Langzamerhand werd het probleem beklemmend duidelijk: wat te doen met al deze vaak verwaarloosde en/of bouwvallige kerkgebouwen?!?. De laatste misviering in de Posthoorn was 7 maart 1976.Augustus 1981 is de toekomst van het kerkgebouw nog niet geheel duidelijk; afbraak lijkt wel waarschijnlijk.

Inleiding door A.J. Nijsten

De geschiedenis van de statie/parochie

Over de activiteiten van de augustijnen, die geleid hebben tot de stichting van de statie `de Posthoorn', is het volgende bekend: Wagenaar stelt maar hoe betrouwbaar waren zijn zegslieden? dat de statie al rond 1620 gevestigd zou zijn geweest in een pand, genaamd `het Friese Wapen', ergens in de Haarlemmerstraat (noord of zuidzijde?) tussen de Brouwersstraat en de Eenhoornsluis. Mogelijk hield pater Johannes van den Brande, `eerst geweest conventueel van de Augustijner monniken in 't land van Luyck', die zich op 21 december 1623 bij de Amsterdamse magistraat meldde in het `Friese Wapen' kerk. Wel mag men aannemen dat hij in dit noord westelijk deel van de stad heeft gearbeid, niet alleen omdat hij inwoonde bij een `snijder op de Prinsegraft omtrent de Westerkerk', maar ook omdat zijn onmiddellijke opvolger ook in deze omgeving zijn gemeente verzamelde. In zijn verslag van 21 augustus 1639 aan de `Propaganda Fideï' te Rome wordt door de prefect van de augustijnen missie in de Hollandsche Zending, Michaël Paludanus, over Johannes van den Brande (Hij spreekt over `Johannes Brantius') medegedeeld, dat hij sinds 1623 in Amsterdam werkzaam is. En verder dat hij, reeds een zeventiger in 1639, zowel door de vervolging als door de heersende pest, moeilijke jaren heeft gekend; hij zou in de kerkruimte in zijn huis, waar plaats was voor wel driehonderd mensen, geregeld dienst gehouden hebben.

Paludanus maakt, in het verslag van 1639, melding van nog een tweede vestiging van de augustijnen in Amsterdam: namelijk die van p. Parmentier. Deze zou, volgens Paludanus, pas in 1636 (andere bronnen zeggen 1635) zijn werk in Amsterdam zijn begonnen. In ieder geval mag men met Rogier (Geschiedenis v.h. katholicisme in Noord Nederland in de 16e en 17e eeuw, dl. II, pag. 136) wel aannemen dat `de Posthoorn' is voortgekomen uit de arbeid van pater van den Brande en ook dat zijn pionierswerk in Amsterdam, (dat niet of nauwelijks later begon dan dat van dominicanen en franciscanen) de eerste activiteit van de augustijnen in het Amsterdam van na de protestantisering en hoogstwaarschijnlijk zelfs in heel Noord Nederland is geweest. Hierbij valt nog op te merken dat pater van den Brande de eerste was, althans onder de regulieren, die zich vestigde ver in `de nieuwe stad', d.w.z. in de nieuwe grote uitleg na 1610. Deze omvatte het eerste deel van de drie hoofdgrachten en verder de westelijke eilanden en `de Jordaan'.

Een neerslag van de zielzorgarbeid van pater van den Brande is nergens te vinden. Het eerste doop en trouwboek begint pas einde 1640. Het werd aangelegd, zoals in het boek is vermeld, door pater Hyacinthus van der Linden, die blijkbaar van den Brande is opgevolgd. Maar men mag uit het aantal doopsels van een periode van ruim 20 per jaar, waarmee het doopboek begint, wel concluderen dat pater van den Brande, bij zijn overlijden of terugtreden in 1640, een niet onaanzien-lijke kudde aan zijn opvolger naliet.

Omtrent pater van der Linden weten we uit de aantekeningen in de administratie van het R.C. Oude Armenkantoor, dat hij rond de jaarwisseling 1668/1869 is overleden. In december 1668 staat nog genoteerd, dat hem 27 porties levensmiddelen voor de eerste winterbedeling aan armen onder zijn gelovigen werden verstrekt. Bij de aantekening van de tweede winterbedeling in februari 1669 is vermeld dat de porties (dan: 25 stuks) zijn verstrekt aan `pater Starck ten huysen van zaliger pater Van der Linden'. Deze pater Sterck heeft pater van der Linden al sinds 1649 geassisteerd. Dit zou dan een verklaring zijn voor het verschijnen van een nieuw handschrift in het doopboek in die dagen.

Ook de activiteiten van pater Sterck kunnen we in de administratie van het R.C. Oude-Armen-kantoor enigszins volgen. In 1675 en 1677 wordt zijn naam vermeld onder die van de pastoors, aan wie misstipendia uit fundatie-gelden worden uitgekeerd. Voor de winterbedeling ontving pater Sterck porties levensmiddelen tot en met voor de winter l679/1680. Daarna kwam in zijn plaats pater Cornelis de Wolff. Deze was toen reeds enige tijd aan de statie verbonden. De groeiende toeloop naar deze augustijnen statie tekent zich af in de groei van het aantal porties levensmiddelen voor de armenbedeling. In 1680/1681 was dat al gegroeid tot 49 per uitdeling, en in 1683/1684 ligt 't al op 84.

De Posthoorn komt hierdoor op de vierde of vijfde plaats binnen de rij van de 24 Amsterdamse staties. Deze groei van de gemeente `de Post-hoorn' valt af te leiden uit de stijging van het aantal doopsels:

in1643 23;

in1650 29;

in1660 43;

in1670 49;

in1680 61 en

in1690 119.

Deze groei is ook te verklaren wegens de tijdelijke sluiting van de nabijgelegen jezuietenstatie `de Zaaier'(van 1669 tot waarschijnlijk 1690).

De augustijnen hadden nogal moeite om zich tegenover de apostolische vicarissen te handhaven. Deze waren de regulieren verre van welgezind. Dit gold, behalve met name de jezuieten, speciaal ook de augustijnen. Daar kwam nog bij dat hun `Posthoorn' min of meer als onwettige vestiging werd beschouwd. De augustijnen hadden namenlijk pas in 1630 officieel toestemming gekregen om twee paters naar de Hollandsche Zending te sturen. Dat, terwijl pater van den Brande zijn arbeid al in 1623 begonnen was. Eigenlijk dus zonder autorisatie van de kerkelijke overheid!!

Pater de Wolff overleed op 12 oktober 1695 en werd opgevolgd door pater Fulgentius Stevens. Deze keerde zich in zijn preken zeer fel tegen de jansenisten, waarschijnlijk om zijn parochianen te waarschuwen tegen de invloed van de jansenistisch gezinde herders. Dergelijke herders waren gestationeerd in twee nabijgelegen kerkjes, namelijk dat op de Brouwersgracht en dat in de Vinkenstraat. De sympathie van deze onder invloed van de jan-senisten staande apostolisch vicaris Petrus Codde (1688 1702) ging dan ook niet bepaald uit naar de augustijnen. En zo richtte zich later de sympathie der burgemeesters, die vooral in de eerste decennia van de 18e eeuw de jansenisten ten koste van de roomsen protegeerden, ook niet bepaald op de augustijnen van `De Posthoorn'. Na het overlijden van pater Stevens in 1710 kon de statie toch nog voor de augustijnen behouden blijven. Pater Jacobus Baard leidde de statie tot zijn overlijden in 1722. Waarom het aantal dopen, vooral in de eerste jaren van Baard's pastoraat, zo laag was, is niet duidelijk. Mogelijk is het doopboek niet goed bijgehouden.

Na de dood van pastoor Baard gelukte het, na veel moeite, aan de pastoor van de andere Amsterdamse augustijnen statie, `de Star', om voorlopig voor een medebroeder, Petrus Vlaming, toelating tot `de Posthoorn' te krijgen. Toen Vlaming echter al na enkele maanden stierf bleek het stadsbestuur niet bereid een augustijn toe te laten. Dit ondanks alle pogingen ook van aan nu de paters welgezinde apostolisch vicaris, van Bijlevelt, Een jaar lang bleef `de Posthoorn' gesloten. Toen de gemeenteleden zich ook genegen toonden een seculier, mits niet van jansenistisch gevoelen, te aanvaarden, kwamen partijen tot overeen-stemming in de keuze van Willem Cavellier. Deze, toen pastoor te Castricum, behoorde tot de meest vooraanstaande families in den lande en was geparenteerd aan burgemeester Geelvinck, door wiens bemiddeling nu zijn benoeming door de kerkelijke, en toelating door de wereldlijke overheid tot stand kwam.

Precies een eeuw nadat pater van den Brande, in 1623, zijn arbeid in Amsterdam was begonnen, ging in 1723 de statie `de Posthoorn', die zich uit zijn initiatief had ontwikkeld, voor de augustijnen verloren.

Alvorens de verdere lotgevallen van de statie en latere parochie, voortaan onder de leiding van de seculieren, te beschrijven, moet eerst nog iets worden gezegd over wat we weten over de plaatsen waar de augustijnen, hier in het noord westen van Amsterdam, hun gelovigen hebben verzameld. De mededeling van Wagenaar, dat `de Posthoorn' haar oorsprong zou hebben gehad in een vestiging, rond 1620, in `het Friese Wapen', ergens in de Haarlemmerstraat bij de Eenhoornsluis, vindt nergens bevestiging. Een pand van die naam heeft men daar tot nu toe niet kunnen ontdekken. De eerste contemporaine bron, die een aanduiding geeft van de plaats van samenkomst van deze parochiegemeenschap, is de `Lijste van Paepsche vergaderplaatsen in Amsterdam', opgesteld door predikanten en ouderlingen van de Gereformeerde kerk. Zij werd door de kerkeraad bij burgemeesters ingeleverd in december 1656. Daarin vindt men, onder nummer 60: `Op de Heeregraft bij het Westindische huis wort een ghroote vergadering ghehouden daer op instrementen ghespelt wort en veel volck kompt. De paep sijn naem is van der Linde'. Men mag hieruit opmaken dat pater Hyacinth van der Linden (1640 1669) ergens op de Herengracht vlakbij de Brouwersgracht kerk hield. Waarschijnlijk speelde dit aan de westzijde, want die zijde loopt op uit de Herenmarkt bij het West-Indisch huis. Pater Hyacinth had een assistent, die later zijn opvolger werd: Wilhelmus Sterck. Van deze meldt J.C. van der Loos (zie hieronder!) dat zijn komst in Amsterdam in het `Liber Status Missionis' wordt aangegeven onder het jaar 1649. Mogelijk blijft intussen dat deze man een deel van de parochiegemeenschap van de augustijnen verzameld heeft in het pand, dat in bovengenoemde lijst - onder nummer 62 - als volgt wordt aangeduid: `Op de Harlemmerdijck, op de hoeck van de Brouwersstraet wort wel niet continuwellicken, doch altemet met grooten toeloep van volck vergadering ghehouden en is alle weken een bijeenkomst van cloppen'. Mejuffrouw dr. I.H. van Eeghen heeft er in haar artikel: `De eigendom van de katholieke kerken in Amsterdam ten tijde van de Republiek', opgenomen in Bijdragen Bisdom Haarlem, deel 64 (1957) (en al eerder in het maandblad Amstelodamum, jaargang 1953, pag. 146/147) als eerste, de aandacht op gevestigd dat de gemeente, tijdens de eerste helft van het pastoraat (1680 1695) van pater De Wolff, en mogelijk ook voordien al, enige tijd gevestigd is geweest in een pand op de Korte Prinsengracht, en dat de statie toen al de naam `de Posthoorn' voerde. Een en ander is inderdaad wel buiten twijfel. Vooreerst is er de lijst van de roomse staties, opgenomen in de acta van de gereformeerde kerkeraad van 13 november 1681. Op die lijst, die de ligging en soms ook de naam en enkele bijzonderheden van elk van de toenmalige 26 staties vermeldt, wordt onder nummer 11 genoemd: `Corte Princegracht, in de Posthoorn'. Verder schenken dezelfde acta, maar dan uit de jaren 1687/1688, uitvoerig aandacht aan de plannen van deze roomse gemeente `om een nieuwe paepekerck te timmeren op de Brouwersgracht en die kerck daer van de Posthoorn tot een herbergh te maecken'. En deze acta duiden de ligging van de nieuwe kerk nog nader aan als: `op de princegracht uijtkomende op de brouwersgracht' en zij vermelden verder nog, dat ondanks hun protesten `de E. Heeren Burgermeesteren toegestaen hadden den voortgangh met desselfs opbouw, edoch met die bepalinge dat sij geen uijtgangh en souden hebben op de princegraft, en in de oude kerck op de korte princegracht niet meer en souden prediken en dienstdoen'.

J.C. van der Loos, die in 1916, op verzoek van de toen onlangs henoemde pastoor J.Th. Lagerwey, de geschiedenis van `de Posthoorn' heeft geschreven (Bijdragen tot de Geschiedenis van het Bisdom Haarlem XXXVIII, blz. 161/262), heeft blijkbaar de vestiging voor 1688 op de Korte Prinsengracht per abuis vereenzelvigd met die daarna aan de Prinsengracht, waar hij vermeldt: `Bij het optreden van Pater de Wolff (1680) werd de Statie van den Haarlemerdijk (waarmee dan bedoeld wordt dat gedeelte, dat nu Haarlemmerstraat heet) overgebracht naar `Posthoorn' gelegen aan de oostzijde van de Prinsengracht, het vierde huis bezuiden de Brouwersgracht. Naar men zegt, was `de Posthoorn' aanvankelijk eene fabriek; later werd hij tot posthuis en poststal ingericht', om daaraan, onbegrijpelijkerwijze, dan, als 't ware in één adem, toe te voegen: `In 1683 komt op de lijst der Amsterdamsche schuilkerken `de Posthoorn' voor: `op de corte Prince Gracht in de Posthoorn'. Ook Van der Loos kende blijkbaar de door de gereformeerde kerkeraad opgestelde lijsten van paapse vergaderplaatsen. Uit die van 1656 had hij kunnen weten dat pater van der Linden toen kerk hield `op de Heeregraft bij het Westindische huis', dus toen in ieder geval niet of niet meer op de Haarlemmerstraat, waar we, volgens Wagenaar, rond 1620, de augustijnen gemeente zouden moeten zoeken. In die van 1681/1683 had hij kunnen lezen dat de statie toen was gevestigd `op de corte Prince Gracht in de Posthoorn'.

Van de acta van de kerkeraad heeft Van der Loos waarschijnlijk geen kennis kunnen nemen, want die zouden hem wel uit de droom hebben geholpen. Zij verhalen de zaken rond de verhuizing van de statie van de Korte Prinsengracht, -dáár (in 1688) al `Posthoorn' geheten- náár de Prinsengracht bij de Brouwersgracht in kleuren en geuren. Het zou hem dan ook duidelijk zijn geweest dat `de Posthoorn' haar naam niet ontleent aan `een posthuis en poststal', die zich eerder op de plaats van de nieuwe vestiging aan de Prinsengracht bij de Brouwersgracht zouden hebben bevonden, een verhaal dat men gerust naar het land der fabelen kan verwijzen. Mej. Van Eeghen doet, in haar bovenbedoelde publicatie in 1953 in het maandblad `Amstelodamum', nog een poging om aan te geven waar ergens op de Korte Prinsengracht `de Posthoorn' (vóór 1688) zou hebben gelegen. Zij meent een sterke aanwijzing te vinden in een acte van 18 mei 1672, waarbij het perceel thans bekend als Haarlemmerdijk 7 werd overgedragen en waarin vermeld staat dat dat perceel strekt `van de straat (Haarlemmerdijk) tot achter aan de Papisten Gemeente'. Zij veronderstelt nu dat kerk werd gehouden in een inpandig gebouw (later bekend als Haarlemmerdijk 11), gelegen achter Haarlemmerdijk 9, en daarmee, alsmede met een gang ten westen van nummer 9, die toegang gaf van de Haarlemmerdijk tot het inpandige nummer 11, één geheel vormend. De bewuste gang boog, achter nummer 9 met een hoek van negentig graden tussen dat pand en het vrij daarachter staande nummer 11 door, in de richting van de Korte Prinsen-gracht en liep uit op de achterkant van de percelen later bekend als Korte Prinsengracht 24 en 26.

De waarschijnlijke gedachtengang van mejuffrouw Van Eeghen was dat van een paapse vergaderplaats ergens op de Haarlemmerdijk nimmer in de acta en de lijsten van de gereformeerde kerkeraad melding zou worden gemaakt. Toch zou men naar de inhoud van de lijst van 1681/1683 en naar de acta van 1687/1688 van `de Posthoorn op de Korte Prinsengracht', wel mogen veronderstellen dat dit inpandig paaps kerkje, deze `papisten gemeente', toegang had via een huis op de Korte Prinsengracht. Deze veronderstelling vindt steun in het feit, dat het pand Korte Prinsengracht 24 (grenzende aan het huis op de zuid-hoek van de Haarlemmerdijk) toebehoorde aan het R.K. Oude Armen-kantoor, m.a.w. in handen was van geloofsgenoten. Inderdaad verklaart de administratie van dat roomse armenkantoor, waarvan het archief inmiddels (in 1967) bij het Gemeente-Archief werd ondergebracht en daar werd geordend, dat bedoeld huis (nummer 24) in 1669 aan dat kantoor, als erfgenaam van zekere Marten Lubbers, is toegevallen, en dat het tot 1727 in het bezit van die roomse instelling is gebleven. De veronderstelling, dat men via dit pand Korte Prinsengracht 24, toegang gaf tot een daarachterliggend inpandig schuilkerkje, en dat deze situatie bekend was als `op de corte Prince Gracht in de Posthoorn', vindt echter in de boeken van het R.C. Oude-Armenkantoor nergens steun. Nimmer wordt het pand, wel meer dan honderd-maal in die administratie genoemd als `Huis op de Korte Prinsengracht', `Huis bij de Prinsesluis' of `Huis bij (of over) de Eenhoornsluis', met de naam `de Posthoorn' aangeduid. In plaats van een sterker vermoeden voor de aanwezigheid hier van een `achter-de huizen-verscholen' paaps kerkje te verschaffen, doet het feit dat het katholieke armenkantoor het pand Korte Prinsengracht 24 in eigendom had, echter juist een verklaring aan de hand, die dat vermoeden ernstig aantast. Immers, volgens de beschikbare plattegronden, lag het pand Korte Prinsengracht 24 met zijn achterliggend erf, met de noordzijde tegen de achtergevels van de panden Haarlemmerdijk 1 tot en met 7 aan. Wanneer er dan ook in de transport akte dd. 1672 betreffende Haarlemmerdijk 7 vermeld wordt, dat dat huis `strekt tot achter aan de Papisten Gemeente', dan ligt het meer voor de hand dat met die `Papisten-gemeente' de roomse instantie, in casu: het R.C. Oude Armenkantoor bedoeld wordt. Dat had het belendende perceel Korte Prinsengracht 24 in eigendom Deze veronderstelling is waarschijnlijker dan dat gedoeld werd op een rooms kerkje, waarvan hier verder geen sporen te vinden zijn. Dat de benaming `papisten gemeente', hier gebezigd voor het roomse armenkantoor, zeker niet ongewoon was, blijkt wel hieruit, dat in het verpondingsregister van 1718/23 hetzelfde R.C. Oude Armenkantoor als eigenaar van hetzelfde pand Korte Prinsengracht 24, wordt aangeduid met een gelijksoortige term, namelijk als `Catholyckse gemeente'. De conclusie van dit noodzakelijkerwijze wat lang uitgevallen verhaal moet wel zijn, dat we weliswaar zeker weten dat we `de Posthoorn' in de tachtiger jaren van de 17e eeuw ergens op de Korte Prinsengracht moeten zoeken, maar dat we de juiste plek nog niet hebben gevonden.

Bezien we nu verder hoe 't ging met de vestiging, sinds 1688, op de Prinsengracht, aan de oostzijde, bij de Brouwersgracht.

Op naam van stromannen, vertrouwensmannen van de augustijnen, werd ten behoeve van de statie in 1687 een huis op de Prinsengracht gekocht, en in 1688 twee achterhuisjes met een loodsje en gang op de Brouwersgracht, grenzende aan het huis op de Prinsengracht. Men beschikte toen blijkbaar over een genoegzame en geschikte ruimte voor de inrichting van een inpandig kerkje cum annexis, dat men echter, door aankoop in 1696 van het voorhuis aan de Brouwersgracht en in 1698 van nog een pand, genaamd de Roo Koe, op de Prinsengracht, nog wat verder kon uitbreiden.

Waarschijnlijk heeft `de Posthoorn' toen (rond 1700) de vorm en afmetingen gekregen, die zij ruim anderhalve eeuw, tot de ingebruikneming in 1863 van de huidige kerk en pastorie aan de Haarlemmer Houttuinen/ Haarlemmerstraat, heeft behouden.

Wagenaar (1760) beschrijft de schuilkerk als een ruimte met ter weerszijden twee smalle en tegen de achtermuur twee diepe galerijen boven elkaar. Volgens pastoor Lexius (1810 1817) kon de kerk ruim 800 gelovigen bevatten.

De aartspriester Ten Hulscher verklaart in zijn missieverslag van 1807 dat de kerk `een oud, misvormig en bekrompen gebouw' is en verder zegt hij: `Des pastoors woonhuys, dat er voor staat, is klein, en dient nog voor een groot gedeelte tot berging van kerkvolk'. Het rapport van een commissie van Amsterdamse katholieken ten tijde van de Bataafse Republiek, toen men ijverde om protestantse kerken voor de katholieken beschikbaar te krijgen, noemde de Posthoorn `in eenen allerdeplorabelsten staat bouwvallig'. Geen wonder dat pastoor Arnoldus Steinbach (1835 1838), die juist meemaakte hoe de nabijgelegen schuilkerk de Zaaier door een, voor de begrippen van die tijd imposant kerkgebouw werd vervangen, een wanhopige poging deed om ook een nieuwe Posthoorn te bouwen. Nauwelijks in Amsterdam gearriveerd, kocht hij met geleend geld alvast een pand, iets verderop op de Prinsengracht, tegenover de Noordermarkt, en kort daarna nog een daarbijgelegen tweede perceel. De pastoor deed een hartstochtelijk beroep op de katholieken van heel Amsterdam om zijn Statie, rijk aan talloze armen, maar bepaald niet rijk aan middelen en inkomsten, financieel te steunen. Niet alleen had zijn oproep bitter weinig succes, het Ministerie van Eredienst had er bovendien, en niet zonder grond, onoverkomelijk bezwaar tegen dat er zó vlak bij de in aanbouw zijnde Zaaier nog een nieuw rooms kerkgebouw zou verrijzen. Pastoor Steinbach zag zich genoodzaakt de twee panden, die hij voor ¿ 20.000.- had aangekocht, met een verlies van maar liefst ¿ 7000.- van de hand te doen. Diep teleurgesteld vroeg en verkreeg hij overplaatsing. Dat de Posthoorn al in de 18e eeuw in de versukkeling geraakte, is eigenlijk geen wonder. De financiële positie immers, die voor alle roomse kerken in Amsterdam toen verre van rooskleurig was, (Zie: Bijdragen tot de Geschiedenis van het Bisdom Haarlem, deel 64, blz 227/229, dr I.H. van Eeghen, `De eigendom van de katholieke kerken in Amsterdam ten tijde van de Republiek'), was voor deze statie wel bijzonder zwak. Dat vond weer z'n oorzaak in een voor de Posthoorn zeer onvoordelige en naar veler getuigenis voor die statie ook vrij onbillijke regeling met de paters augustijnen. Wat was namelijk het geval? Toen het in 1722/1723 niet mogelijk bleek weer een augustijn in de Posthoorn toegelaten te krijgen en alle partijen erin bewilligden dat de seculier Willem Cavellier de statie zou bedienen, liet men duidelijk de mogelijkheid open dat de augustijnen vroeg of laat, zodra de omstandigheden het zouden toelaten, zouden terugkeren. Daarom werd Cavellier niet tot pastoor maar tot deservitor benoemd en daarom ook werd afgesproken, tussen hem en de prefect van de augustijnen missie in de Hollandsche Misschie dat Cavellier de kerk met inventaris zou mogen gebruiken en de gemeubileerde pastorie bewonen, zonder huur te betalen. Hij zou de gebouwen met inboedel onderhouden en de 8ste en 1OOste penning voldoen. Deze afspraak werd om welke reden is niet bekend al spoedig door de augustijnen verbroken. Zij pretendeerden eigendomsrecht en vorderden huur. Zij procedeerden (middels hun stroman, Jan Woltman, op wiens naam de percelen stonden) voor schepenen, die wel genoodzaakt waren de formele eigendomsrechten van Woltman te erkennen en Cavellier te veroordelen tot de betaling, vanaf 1 mei 1727, van ¿ 550.- per jaar huur. Niet alleen hun eigendomsrecht en de daaruit voortvloeiende aanspraak op huurbetaling bleven de augustijnen handhaven, maar zij handhaafden ook hun eis om weer in de statie te worden toegelaten. Bij gelegenheid van het terugtreden van Cavellier in 1740, en de benoeming van weer een seculier, Lambertus Wyntjes, tot diens opvolger, schreven zij dan ook aan de nuntius te Brussel, tevens vice superior van de Hollandsche Misschie `dat de Heer Wyntjes dezelfde Misschie was binnengegaan en insgelijks ook op al het hunnen had beslag gelegd'. Onder handhaving, tot in het begin van de l9e eeuw toe, van hun eis, om weer tot de statie te worden toegelaten, verhoogden zij intussen, onder pastoor Wilhelmus Boom, die in 1771 pastoor Wyntjes was opgevolgd, de huur nog verder tot ¿ 800.- per jaar.

Dadelijk na het overlijden van pastoor Boom, op 26 juni 1799, kwam de zaak opnieuw aan 't rollen. Blijkbaar beducht voor acties van de kant van de augustijnen, schreef aartspriester Ten Hulscher, reeds twee dagen na het overlijden van pastoor Boom, naar de nuntius om de rechten van de seculieren op de bediening van `de Posthoorn' te verdedigen. Het resultaat was een overeenkomst tussen Ten Hulscher en de augustijnen, waarbij de laatsten bewilligden in weer de henoeming van een seculier, t.w. Joannes Banning, tot pastoor van de Posthoorn, maar waarbij daarentegen hun aanspraken op de huurbetaling erkend werden. Eindelijk, in 1803/1804, toen de huurovereenkomst afliep, gaven de augustijnen hun eigendomsrecht prijs door 'de Posthoorn' cum annexis voor fl. l2.500.- aan pastoor Banning te verkopen. Van deze koopsom, die de pastoor in termijnen zou voldoen, was bij zijn dood in 1810 nog fl. 5.000.- niet betaald. Zijn opvolger, Joannes Henricus Lexius, voordien pastoor van de statie 't Kalf bij Zaandam en toen tevens enige tijd, sinds de oprichting van het grootseminarie te Warmond, professor aldaar, had al ten tijde van de verkoop in l804 zich met deze transactie bezig gehouden. Hij had toen, om advies gevraagd, gesteld dat de augustijnen niets te verkopen hadden, want aldus zijn redenering- niet aan hen maar aan de 'gemeente', die immers rond 1690 de gelden voor aankoop en inrichting had opgebracht, kwam de eigendom toe; zijns inziens was er dan ook onverplicht sinds 1727 huur betaald en sinds 1804 afbetaling op de koopsom. De augustijnen, die aan pastoor Banning hadden verkocht, vorderden nu van diens erfgenamen het restant, ad fl. 5.000.-, van de koopsom. De nalatenschap was echter niet groot genoeg om dat bedrag te betalen en nu dreigde executoriale verkoop van kerk en pastorie. Pastoor Lexius haastte zich om de burgerlijke overheid te verzoeken de van vandaag op morgen voorgenomen executie te stuiten, en zond enige dagen later een uitvoerige memorie onder de titel: 'Redenen, waarom de Paters Augustijnen uit de Star geen recht van eigendom hadden op het kerkgebouw en pastory etc., genaamd de Posthoorn, en gevolgelijk dezelven niet konden verkopen aan Joannes Josephus Banning, pastoor in genoemde kerk'.

In zijn uitgebreid vertoog zegt Lexius, 'dat de voorzaten van de paters augustijnen in de Posthoorn het uit hun mond gespaard hebben'. Hierop antwoorden de theologanten, die onderzoeken, waaraan het overschot van de geestelijke inkomsten, na aftrek van een behoorlijk bestaan moet besteed worden. Zij geven aan, dat ook dit overschot niet aan de vrije dispositie des spaarzamen geestelijke staat, maar voor het doel, waartoe het gegeven wordt, moet besteed worden. De quintessens van wat Lexius verder stelt is dan: 'Bij ontstentenis van kerkmeesters ontvangen de geestelijken de inkomsten van en de liefdegiften voor zichzelf en voor de kerk met toebehoren; in vol vertrouwen wordt hun er de beschikking over gelaten om er zelf van te leven en er kerk en pastorie van te stichten en te onderhouden. Maar wat eenmaal via hun beheer of dat nu zuinig of zorgeloos, voordelig of weinig profijtelijk is geweest in gebouwen en inventaris van kerk en pastorie met de passieve instemming van de gemeente z'n bestemming heeft gekregen, kan niet meer eigenmachtig aan die bestemming worden onttrokken'. Hij oppert dan zelf de volgende bedenking: 'Ik weet wel, dat Ordensgeestelijken rekenen en geven gewoonlijk voor, dat alwat hun van de gemeente gegeven wordt, hun in eigendom toekomt en dat, alwat zij uit die giften aanschaffen, hetzij gebouwen, hetzij benodigdheden of cieraden hun toekomt, en dat dus de kerken en huizen hun en hun Orde toebehoort'.

Maar hierop antwoordt Lexius dan, daarmee zijn Memorie besluitend: 'Intusschen ik meen, dat in giften het eigendom van een gift moet volgen de meening van den gever, en dat dit een regel is voor iedere mensch, hetzij geestelijke of leek, ordesgeestelijke of wereldgeestelijke: Hij moet de gift, die hem ter hand gesteld wordt, en die hij aanneemt, besteden tot het einde, waartoe hij dezelve ontvangt'. Omdat er geen sporen zijn van verdere betaling aan de augustijnen, neemt men aan dat het betoog van pastoor Lexius met succes is bekroond.

In het voorgaande is al iets gezegd over de belangrijkheid van de augustijnen-statie de Posthoorn, voorzover die viel af te leiden uit de aantallen toegediende doopsels en onder de armen verdeelde porties levensmiddelen. Rond 1690 was, met een 'jaarscore' van 119 doopsels, de toeloop naar de toen pas naar de Prinsengracht bij de Brouwersgracht verplaatste 'Posthoorn' op een hoogtepunt.

Daarna had er, blijkbaar tengevolge van het oponieuw weer functioneren van de nabijgelegen jezuïetenstatie 'de Zaaier', enige teruggang (66 doopsels in 1700!) plaats. Maar ook na de definitieve sluiting van de Zaaier in 1708 bleef -onder de paters augustijnen- het aantal doopsels beperkt tot rond de zestig per jaar. Pas na de overneming van de statie door de seculieren, die de Posthoorn al spoedig met een pastoor en twee kapelaans bemanden, kwam het aantal doopsels op rond 150 per jaar te liggen. Daaraan zal niet vreemd zijn geweest, dat de beide nabijgelegen jansenisten staties meer en meer hun aantrekkingskracht gingen verliezen en ruim ten achter bleven bij de tweede helft van de 18e eeuw. Het volgende vergelijkend overzicht laat dit goed zien.

Aantal toegediende doopsels:

in het de kerk in de de kerk op de

jaar Vinkenstraat Brouwersgracht 'Posthoorn'

1710 30 78 50

1720 22? 61

1725? 50?

1730 10? 155

1740 8 25 108

1750 3 8 140

1760 1 8 150

1770 1 5 151

1780 opgeheven? 163

De heropening van 'de Zaaier', in 1792, veroorzaakte uiteraard

weer enige teruggang voor de Posthoorn. In de eerste helft van

de 19e eeuw was er weer een stijging.

In 1800..... 96 doopsels.

- 1810..... 139 ';

- 1820..... 120 ';

- 1830..... 113 ';

- 1840..... 104 ' en

- 1850..... 110 ',

De verheffing in 1857 van 'de Posthoorn' tot parochiekerk, waarbij haar een uiterst volkrijk territoir werd toegewezen, betekende een keerpunt in haar geschiedenis. Als voor een uitdaging geplaatst, werd deze roomse gemeente toen als 't ware uit haar inertie opgewekt. Immers, de Amsterdamse katholieken, die vóór de parochieindeling van 1857 vrij waren in hun keuze waar ze wilden 'kerken', meden instinc-tief vervallen en bekrompen kerken als de Posthoorn. Ze bood namenlijk een weinig hartverheffende aanblik. En men voelde zich nauwelijks verplicht en in ieder geval weinig geanimeerd, on in deze deplorabele toestand een uiteraard veel-offers-ver-gende, grondige verbetering te brengen. Al had dan pastoor Lexius de statie eindelijk in 1810 bevrijd van de drukkende financiële verplichtingen aan de augustijnen, toch zagen hij en zijn opvolgers vooreerst geen kans om uit 't slop te geraken. Onder pastoor Johannes Elias Koch (1817 1835) begon men meer en meer te verlangen naar een nieuwe kerk. Men voelde er dan ook niets voor om aan onderhoud en reparatie van de onderkomen schuilkerk nog iets te spenderen. Zelfs met de betaling van plaatsengeld bleven de meeste kerkbezoekers in gebreke. Waarschijnlijk waren het overwegend behoeftigen uit de nabije volksbuurt 'de Jordaan', die de kerk bezochten en kerkten vele betergesitueerden elders.

Opnieuw kan het archief van het R.C. Oude Armenkantoor ons helpen, nu wij een oordeel willen vormen betreffende de teruggang van de kerkgangers wat betreft het aantal, en verder ook betreffende hun gemiddelde welstand. Wanneer de verheffing tot 'parochie' eenmaal geschied is, komen de kaarten anders te liggen. En nog eens extra na de ingebruikneming van de nieuwe kerk. Ten behoeve van het Armenkantoor, belast met de zorg voor alle roomse huiszittende armen van Amsterdam, wordt sinds 1771 in alle kerken van de stad gecollecteerd en de opbrengsten van die collecten werden, voor iedere kerk afzonderlijk, nauwkeurig opgetekend. Uit deze administratie blijkt dat het aandeel van de Posthoorn in de gezamenlijke opbrengst uit alle kerken was, in 1773: 7%;

in 1800: 6%, na heropening 'Zaaier' en 'Krijtberg';

in 1820: 4.5%;

in 1840: 4%, na nieuwbouw 'Zaaier';

in 1856: 3%, laatste jaar vóór de verheffing tot parochie;

in 1862: 4%;

in 1865: 5%, na ingebruikneming van de nieuwe kerk;

in 1875: 8%;

in 1887: 7%.

Deze percentages spreken voor zichzelf. Zij laten zien dat de Posthoorn, zonder nu bepaald een rijkelui's kerk te worden, zich sinds het jaar van haar verheffing tot parochie langzamerhand heeft hersteld. Voordien liepen alle pogingen om een nieuwe kerk te bouwen op niets uit. Van de mislukkingen van pastoor Steinbach (1835 1838) werd reeds melding gemaakt. Maar ook onder zijn opvolger, Henricus Hoek (1838 1859), leidden de plannen niet tot resultaat, zoals zijn lijkredenaar getuigt: 'Zoo gaarne had hij den Heer een Hem waardiger huis gebouwd, maar zag zijne grootsche plannen meermalen verijdeld. Lichamelijk en geestelijk werd door eene enge, drukkende woning en een moeilijk te bedienen kerkgetimmerte de herderlijke arbeid dubbel zwaar gemaakt, en werden zijne krachten voor den tijd gesloopt'.

De taak om een nieuwe kerk te bouwen was weggelegd voor Johannes Matthias IJzermans (1859 1870), die op 44 jarige leeftijd tot pastoor van 'de Posthoorn' werd benoemd. Met raad en daad krachtig gesteund door zijn kerkmeesters, had men reeds in het jaar van zijn benoeming (1859), voor in totaal fl. 31.000,- de benodigde percelen aan de zuidzijde van de Haarlemmer Houttuinen, ten oosten van de Korte Prinsengracht, ruim genoeg voor de bouw van een flinke kerk met pastorie, in eigendom verworven. Zo voortvarend ging men te werk dat men, óók nog vóór het einde van 1859, de architect P.J.H. Cuypers uit Roermond al opdracht had gegeven om kerk en pastorie te ontwerpen. In april 1860 leverde Cuypers zijn begroting, bestek en tekeningen in en, nadat een obligatielening van fl. 150.000,- was gesloten, werd in september van dat jaar voor fl. 33.750,- het leggen van de fundamenten en, in april 1861 voor fl. 128.000,- de bouw van de kerk (nog zonder het voorportaal en de torens aan de Haarlemmerstraat) aanbesteed. Op 10 september 1863 kon de kerk, Cuypers' eerste schepping in Amsterdam, door de bisschop van Haarlem, mgr. G.P. Wilmer, worden geconsacreerd. Zij bleef onder haar roepnaam 'de Posthoorn' bekend, maar haar titel was: 'Onze Lieve Vrouw van Onbevlekte Ontvangenis'. Enige jaren tevoren immers, toen de Posthoorn tot parochiekerk werd verheven, had men onder de indruk van de dogmaverklaring van 1854, met toestemming van Rome, de patroonheilige Sint Augustinus, die in Amsterdam al een kerk ('de Star' aan het Rusland) onder zijn schutse had, prijsgegeven voor de nieuwe titel van de Moeder Gods. De Maria- devotie s onder de Posthoorn bezoekers vanouds vurig geweest. Sinds 1714 pelgrimeerden de katholieke Amsterdammers, onder leiding van de Broederschap in de Posthoorn, naar Maria's genade-oord te Kevelaer. Een zijaltaar, de grote kerkvader gewijd, houdt de herinnering aan diens vroegere patronage en aan de bediening eertijds door de augustijnen nog steeds levendig.

Dankzij het aanbrengen op verlangen van monseigneur Wilmer van twee dubbele brede galerijen, kon de kerk veel gelovigen bevatten. Dat was ook wel nodig, want het aantal parochianen was uitermate groot en zou, ondermeer door de bebouwing van onder meer de Raambarrière (de Marnixstraat) en de huizenbouw op de Haarlemmer Houttuinen, langs de naar het Centraal station doorgetrokken spoordijk, nog verder toenemen. Zo was er in het laatste kwart van de 19e eeuw in heel het bisdom, en mogelijk in heel Nederland geen kerk te vinden, waarin zoveel gelovigen moesten samenkomen.

Het bij gelegenheid van het gouden priesterfeest (31 december 1887) van paus Leo XIII uitgegeven en aan de paus aangeboden boek Neerlandia Catholica, waarin katholiek Nederland in verleden en heden en in al zijn facetten wordt beschreven, bevat ook de nodige gegevens per 1 januari 1887 van alle parochies. Voor de Posthoorn geeft het een getal van 12.000 parochianen, zijnde een zesde van het totaal aantal katholieken van Amsterdam, dat dan wordt gesteld op 72.000. De Amsterdamse parochie van St.Ignatius had weliswaar met 12.600 parochianen de voorrang in de hoofdstad, maar dit aantal verdeelde zich over twee ruime kerken, de Zaaier en de Krijtberg.

De grootste kerken in de grote steden van het bisdom Haarlem blijven alle in zielenaantal ver ten achter bij de Posthoorn. Zo heeft, terwijl voor enkele kerken in het hart van de stad de toewijzing van een parochie territoir duidelijk een teruggang van het aantal kerkbezoekers met zich bracht, die maatregel voor de Posthoorn juist het tegendeel bewerkt. Bovendien werd de binding, door het parochieverband, van de omwonende min of meer gegoede middenstand, die kerk zeer profijtelijk. Maar het grootste effect kreeg de verheffing, in 1857, van de Posthoorn tot parochiekerk, ongetwijfeld door de daarmee gepaard gaande instelling van het college van kerkmeesters. Zo ergens een waardeoordeel gegeven mag worden, dan hebben hier `inspraak' en `medezeggenschap' hun waarde van meet af aan bewezen, getuige de vlotte totstandkoming van kerk en pastorie in de jaren 1859/1863. Ook in de volgende decennia bleek dat het kerkbestuur van `de Posthoorn' van wanten wist. Bijna vermetel achtte men met Mgr. Wilmer, de bisschop van het Haarlemse diocees, voorop de plannen van pastoor Henricus Schluter (1870 1884) en zijn kerkmeesters, om eigen parochie-scholen, eerst voor meisjes (1872) en daarna voor jongens (1875), op te richten. Een en ander stuitte bovendien op sterk verzet, successievelijk bij de Vereniging tot Weldadigheid van de Allerheiligste Verlosser en de St. Vincentiusvereniging, die het katholiek onderwijs, respectievelijk voor meisjes en jongens, onder hun hoede hadden genomen.

Het kerkbestuur was kennelijk van mening dat men voor een zo grote parochiegemeenschap als de Posthoorn, met enkele duizenden kinderen, over eigen onderwijsinrichtingen moest kunnen beschikken. Een belangrijke steun daarbij was, dat de zusters Franciscanessen van Roosendaal zich bereid verklaarden de leiding over de meisjesscholen op zich te nemen. Johannes Brandts, sinds 1857 secretaris van het kerkbestuur, had vanuit zijn positie in de tijd van pastoor IJzermans de plannen tot bouw van kerk en pastorie krachtig gestimuleerd. Hij werd nu ook de rechterhand van pastoor Schlüter, bij de stichting van de scholen. Zowel bij leven als door erflating hebben Joannes Brandts en diens vóór-overleden echtgenote, Antonia Sjoukes, de bouw van het zusterklooster in de Haarlemmer Houttuinen, vlakbij de pastorie, en van het aangrenzend complex meisjesscholen in de Houttuinen, daarna aan de Haarlemmerstraat en, tenslotte, aan de Korte Prinsengracht, financieel mogelijk gemaakt. Ter herinnering aan hun liefdadigheid werden deze meisjesscholen, naar de patrones van de schenkster, `Sint Antoniascholen' genoemd. Voor het onderwijs aan de mannelijke jeugd der parochie had men zich eerst beholpen met nog wat vrijstaande ruimte in de lokalen voor de meisjes-scholen. Daarna vestigde men zich op het Bickerseiland en vervolgens in de Haarlemmer Houttuinen (zuid-zijde), tussen de Korte Prinsengracht en de Binnen Oranjestraat. Intussen kwamen enkele erven met hun loodsen beschikbaar voor bebouwing met woonhuizen. Vóórheen hadden deze erven de bestemming van `houttuinen' langs het Westerdok gehad, maar door de aanleg van de spoortdijk was nu deze functie verloren gegaan. Enkele van deze erven waren sinds 1875 eigendom van het kerkbestuur: Haarlemmer Houttuinen 24, 26 en 28, gelegen tegenover kerk en pastorie.

Op perceel Haarlemmer Houttuinen 24, annex een aangekocht terrein, aangeduid als Westerdokstraat 35, verrees nu de Sint Joseph-school.

Op Haarlemmer Houttuinen 26 werd een woning voor het hoofd der school gebouwd en op nummer 28 bouwde men een pand met te verhuren woningen. Van februari 1879 tot maart 1880 heeft een commissie van acht actieve parochianen de bouw van school en onderwijzerswoning geëntameerd. Van die commissie maakten o.a. deel uit: David Hegener, die jarenlang in de Posthoorn het orgel heeft bespeeld, alsmede de drie gebroeders Albert, Cornelis en Jan Smit van de bekende stokvisbeukerij A. Smit & Zoon, sinds 1821 gevestigd op de hoek van de Korte Prinsengracht (oostzijde) en de Brouwersgracht. De twee jongste gebroeders Cornelis en Jan Smit en David Hegener behoorden ook tot de kleine groep jongelieden, die in 1862 in `de Zaaier' de eerste interparochiële Maria congregatie voor ongehuwde heren oprichtte. Middels haar oom en gewezen voogd, de bovengenoemde Albert Smit, schonk mej. E.A.M. Grijpink, toen zij in 1879 intrad bij de zusters van O.L. Vrouw van Amersfoort, een bedrag van tienduizend gulden voor de bouw van deze jongensschool. Caspar Haan, die pastoor Schluter (op eigen verzoek naar Maasland verplaatst) in 1884 opvolgde, begon met enthousiasme aan de afbouw van de kerk. Hij mocht de voltooiing echter niet beleven.

Hij overleed plotseling op 13 oktober 1887. Een schielijke dood trof februari 1888 ook zijn opvolger Christophorus Philippona. Reeds na een paar maanden. Voor deze toen zo volkrijke parochie was het zeker een beproeving om tweemaal achtereen zo spoedig van haar herder te worden beroofd. Gelukkig vond zij daarna in Lambertus Jansen een leidsman die, in de twintig jaar (1888 1908) van zijn pastoraat, kon afbouwen en voltooien wat door zijn voorgangers was begonnen. Afbouw en voltooiing allereerst van de kerk door de openlegging naar de Haarlemmerstraat waar, achter een voorplein, het voorportaal werd gebouwd en ter weerszijde daarvan de beide ruim zestig meter hoge torens verrezen. De verbetering en uitbreiding van de scholen werden ook door pastoor Jansen en zijn kerkmeesters energiek voortgezet.

De meisjesschool kreeg in 1891 een dependance in de Haarlemmerstraat; daarna volgde in 1893 de stichting van een normaalschool voor de opleiding van onderwijzeressen. Voor de jongensscholen was het een uitkomst toen de broeders van St. Louis van Oudenbosch in 1893 naar Amsterdam kwamen om geleidelijk aan het onderwijs aan de mannelijke jeugd op zich te nemen. Zij begonnen op Keizersgracht 65, in een huurhuis, met een zogenaamde jonge-herenschool, die als Saint Louis zich tot ver buiten de parochie een uitstekende reputatie zou verwerven. Spoedig zou ook de Sint Joseph-school in de Haarlemmer Houttuinen door hen worden overgenomen en in 1901 werd de zogenaamde tussenschool `Sancta Maria' op de Prinsengracht over de Noordermarkt hun toevertrouwd. In 1897 werd de vormschool voor onderwijzeressen omgezet in een kweekschool en overgebracht naar de Korte Prinsengracht. Ook onder de opvolger van pastoor Jansen, Marinus Ooms (1903 1915), werd het onderwijs verder verbeterd. Allereerst werden in 1905 de lokalen der arme meisjesscholen aangepast aan de wettelijke voorschriften, en voor de meisjeskweekschool en mulo werd in 1911 aan de Korte Prinsengracht een nieuw gebouw opgetrokken. Ook deze beide laatste scholen trokken veel leerlingen van buiten de parochie. Het kerkbestuur had ook het bestuur van de scholengemeenschap als haar taak. Deze taak was rond 1900 al zó uitgebreid, als men in geen andere parochie in of buiten Amsterdam ooit zou aantreffen. Het was zeker geen sinecure. De financiële gelijkstelling van het bijzonder onderwijs werd pas rond 1920 gerealiseerd. Voor het zover was eiste dit onderwijs -met volle inzet van de leerkrachten, leken zo goed als religieuzen - veel beleid van het bestuur om met de krappe middelen toch werk te kunnen leveren. Naast de voortdurende bemoeienis, die de pastoor, als voorzitter van het kerk en schoolbestuur, met al deze materiële zaken had, moet de zielzorg voor deze reusachtige parochie een drukkende last zijn geweest, die van de pastoor en zijn vijf kapelaans het uiterste zal hebben gevergd.

In 1886 (een van de laatste jaren waarvan in het archief deze gegevens beschikbaar zijn) werden er in de Posthoorn maar liefst 747 doopsels toegediend. Het is in datzelfde jaar, midden in de zomer, dat in het hart van deze parochie, op de Lindengracht, het palingoproer losbarstte, een volksbeweging die slechts ten koste van tientallen doden (hoogstwaarschijnlijk heel wat meer dan men heeft durven publiceren) kon worden onderdrukt. Het gebeuren liet een diepe verslagenheid achter.

Enige verlichting in de omvangijke taak der pastores bracht in 1889 de stichting van de parochie van de H. Maria Magdalena.

Aan deze nieuwe parochie-gemeenschap werden, behalve de totale in aanbouw zijnde Spaarndammerbuurt, ook het noordelijk deel van de Staatsliedenbuurt en enkele huizenblokken binnen de Singelgracht toegevoegd. En deze laatste maakten tot dan toe deel uit van de parochie van de Posthoorn. Van het terugbrengen van het werkterrein tot redelijke proporties was pas sprake toen de minderbroeders-capucijnen in 1912 in het westelijk deel van de parochie hun kerk en klooster stichtten en in het parochieverband van de Posthoorn in een hun toebedeelde wijk de zielzorg op zich namen. Toch kon hierdoor de ontkerkelijking gevolg vooral van de sociale ontevredenheid die rond het einde van de eerste wereldoorlog massaal aan de dag trad-niet worden tegengehouden. Tegelijkertijd begon de grote uittocht, van de eertijds zo buurtgebonden in de Jordaan opgepropte bevolking naar `Nieuw West' en naar `Blauw Zand' aan de overkant van 't Y. Die uittocht naar nieuwere wijken heeft zich na de bezettingstijd voortgezet.

Misschien moeilijker nog dan het zwoegen in deze eertijds over-bevolkte parochie, was nu de strijd tegen apathie, verdachtmaking en bespotting. Een symptoom van de beide laatste was de lastercampagne in het begin van de dertiger jaren middels straatcolportage van pamfletten gericht tegen de geestelijkheid en de religieuze onderwijskrachten van de Posthoorn. Terwijl de eenvoudige capucijnenkerk in de Tichelstraat, waaraan inmiddels in 1952 parochiële rechten werden toegekend en tevens nog wat gebied rond het Frederik Hendrikplantsoen werd toegewezen, zich nog steeds in een redelijk kerkbezoek mocht verheugen, werd dat aan de prachtige en veel ruimere Posthoorn bedroevend gering. Zou dan dit uniek monument van Cuypers, én voor de eredienst, én voor het stadsbeeld verloren gaan!! Ook bijna alle parochie-scholen zijn thans buiten gebruik. De kweekschool viel al in de crisis-jaren aan de bezuinigingsmaatregelen ten offer.

Aan het slot van deze geschiedbeschrijving mag niet onvermeld blijven het pastoraat, van 1915 tot 1916, van Julianus Theodorus Lagerwey. Zijn organisatietalent is kerk en scholen zeer ten goede gekomen en de patronaten voor jongens en meisjes voorzagen in een werkelijke behoefte. Naar het voorbeeld van verschillende van zijn voorgangers, te weten H. Hoek, J.M. IJzermans, C.J. Haan en L.E. Jansen, heeft ook pastoor Lagerwey uit eigen middelen zijn kerk royaal begiftigd.

Sinds de Posthoorn eenmaal tot parochiekerk verheven haar levensvat-baarheid terugkreeg, hebben ook de parochianen zich niet onbetuigd gelaten. Hun prachtige kerk, haar stijlvolle aankleding en een keur van kostbare paramenten leggen daarvan getuigenis af.

De arbeid van de minderbroeders capucijnen verdient een uitvoerige beschrijving, die echter binnen het bestek van dit historisch overzicht niet mogelijk is. Daarom wordt verwezen naar de feestuitgave `Zestig jaar Tichelkerk, 1912 1972', opgenomen onder archiefnummer 39.

Geraadpleegde literatuur

J.C.van der Loos, De Posthoorn te Amsterdam, Bijdragen tot de Geschiedenis van het Bisdom Haarlem, 38e jaargang, pag.161 e.v. (1916)

L.J. Rogier, Geschiedenis van het katholicisme in Noord Nederland in de zestiende en zeventiende eeuw, Urbi et Orbi Amsterdam, 1947.

A.D., Bijzondere medewerker van het dagblad De Nieuwe Dag, Reeks van wekelijkse artikelen onder de titel `Katholiek Amsterdams Verleden', 1949 1951.

Dr I.H. van Eeghen, Verborgen schoonheid en een oud schuilkerkje,

artikel in Amstelodamum 40e jaargang, 1953, pag. 146 l48.

Dr I.H. van Eeghen, De eigendom van de katholieke kerken te Amsterdam ten tijde van de Republiek, Bijdragen tot de Geschiedenis van het Bisdom Haarlem, 64e jaargang (1957)

N.B. Ongetwijfeld zal het Archief van de Nederlandse Provincie van de Augustijnen te Culemhorg nog meer bijzonderheden over de statie de Posthoorn kunnen verschaffen.

Archiefvormer

Parochie van O.L. Vrouw Onbevlekt Ontvangen
© Stadsarchief
Disclaimer / Colofon
<

Gegevens over mogelijk nog levende personen mogen alleen worden gebruikt voor historisch (waaronder genealogisch), wetenschappelijk of statistisch onderzoek.

Door het aanklikken van onderstaande button verklaart u zich te houden aan het Reglement voor raadpleging en gebruik van het Stadsarchief.