440: Archief van het Rooms-Katholiek Oude-Armenkantoor en R.K. Bejaardenhuis Sint Jacob

Algemene kenmerken

Toegangsnummer:

440

Periode:

1586 - 1961

Inleiding

In juli 1967 werd het archief via de Stichting Centraal Archief Katholiek Amsterdam overgebracht naar de bewaarplaats van de Gemeentelijke Archiefdienst aan de Amsteldijk. De delen en stukken van na 1900 bleven achter in het armenkantoor, aangezien de regenten deze onder hun eigen beheer wilden houden. Ook de eigendomsbewijzen met hun retroacta, die betrekking hebben op de goederen, die thans nog eigendom van het kantoor zijn, bleven aldaar.

De inventaris beschrijft voor het grootste gedeelte van de overgebrachte stukken van vóór 1900; enkele stukken hebben een latere einddatum waaronder inv.nr. 292 (1958) en inv.nr. 421 (1961).

I. Ontstaan en geschiedenis.

a. Het R.C. Oude ' Armenkantoor en het R.K. Bejaardentehuis St. Jacob

De kerkelijke armenzorg in Amsterdam, die uitging van de parochies en kloosters, nam kort na de Alteratie in 1578 een einde. Slechts één vast punt bleef voor de rooms-katholieken bewaard, het Begijnhof, dat sinds 1590 onder leiding stond van Sybrand Sixtius, pastoor van de Oude Zijde. Waarschijnlijk hielden Sybrand Sixtius en zijn geestelijke dochters of klopjes zich met de armenzorg bezig, financieel gesteund door welgestelde rooms-katholieken. Langzamerhand werden ook de geestelijken weer bij de bedeling ingeschakeld, een goede organisatie ontbrak echter. Hierin begon omstreeks 1610 verandering te komen. De armenzorg berustte toen voornamelijk in handen van de familie Bont, maar al spoedig werden meerdere vooraanstaande rooms-katholieken leken bereid gevonden het beheer over het armengeld op zich te nemen. In 1632 waren er vier personen, die het bestuur voerden over een afzonderlijk vermogen, aangeduid als de 'Beurs voor Catolijke Armen', welke naam eveneens aan de gehele organisatie werd gegeven. Deze vier personen werden armvaders genoemd, welke naam in de 18e eeuw werd vervangen door bezorgers.

Omstreeks 1632 had men ook al knechts in dienst en was er een bergruimte voor de voorraden. Nadat aanvankelijk de armvaders ten huize van één hunner bijeen gekomen waren, werd in 1647 een huurkamer als vaste vergaderruimte in gebruik genomen. Vanaf die tijd kon men spreken van het 'Catholijk Armen Comptoir'. In 1693 werd het kantoor overgebracht naar een eigen perceel op de N.Z. Achterburgwal (nu Spuistraat 303).

Van 'Oude-Armenkantoor' kon men spreken vanaf 1664/5. Tot dan toe had men zich ook ontfermd over de weeskinderen. Nu vormde het armenkantoor echter een apart 'kinderenfonds', dat in 1666 uitgroeide tot een feitelijk afzonderlijke instelling met een eigen vermogen, het begin van het R.K. Jongensweeshuis. Er waren nu voortaan in Amsterdam drie R.K. godshuizen, Het Maagdenhuis, het Jongensweeshuis en het Oude-Armenkantoor, dat zich van nu af aan uitsluitend bezigheidl met 'oude' armen, niet in de zin van bejaard, maar van volwassen.

In 1773 betrok men het huidige kantoorgebouw op de Keizersgracht, opgetrokken op het terrein van de voormalige Amsterdamse Schouwburg, die in 1772 door brand was verwoest. Daar hielden op 5 mei 1773 de toenmalige bezorgers in het bij de brand gespaarde voorgebouw aan de Keizersgracht in de 'kamer van algemene directie' hun eerste zitting. De daar achter gelegen bedelingslokaliteiten werden eveneens in dat jaar in gebruik genomen.

Toen in 1787 een verbetering ontstond in de wijze van bedeling naar aanleiding van het 'Reglement of instructie voor bestierderen van het Roomsch Catholyke Oud Armen Comptoir', opgesteld door de burgemeesters, verwezenlijkte men tevens een suggestie in dit reglement door de oprichting van een bakkerij op het terrein van het armenkantoor ten behoeve van de bedeelden. Deze bakkerij heeft tot 1811 gefunctioneerd. De middelen voor de bedeling vond het armenkantoor in de eerste plaats in de collecten langs de huizen. Verder was een bron van inkomsten de opbrengst van de collectebussen, geplaatst in de huizen van vrienden en in openbare gelegenheden.

Sinds 1771 werd er ook gecollecteerd in de kerken, waarop nog zal worden teruggekomen. Een grote bron van inkomsten waren eveneens de giften, legaten en erfstellingen. Ook kochten velen ten behoeve van zichzelf of van familieleden, dienstpersoneel etc. bij het armenkantoor lijfrenten. Meestal bedroegen deze renten jaarlijks slechts 4 à 5% van de koopsommen, zodat deze lijfrenten een verkapte schenking aan het armenkantoor vormden. Tenslotte kreeg het armenkantoor in 1791 het recht om, wanneer een bedeelde stierf zonder erfgenamen, de nagelaten goederen in beslag te nemen en te veilen.

Het kapitaal van het R.C. Oude-Armenkantoor, dat in de 17e en 18e eeuw sterk toenam, werd voor een groot gedeelte belegd in huizen en obligaties.

Sinds het begin van de 18e eeuw stond ook de schuilkerk 'de Papegaai' onder het beheer van de regenten van het armenkantoor. Een lening van een pastoor, in schulden geraakt bij het armenkantoor, was hiervan de oorzaak.

Verreweg de belangrijkste gebeurtenis in de 19e eeuw is de oprichting van het R.K. Bejaardentehuis St. Jacob, een reeds lang gekoesterde wens, nu mogelijk gemaakt door een ruim legaat.

Toen mr. Jacob Diederik Lodewijk Emanuel Baron van Brienen, heer van Stad aan 't Haringvliet, in 1858 stief, liet hij het armenkantoor f 250.000 na om te dienen tot de oprichting van een R.K. oude vrouwen -'of oude mannen ' en vrouwen ' tehuis te Amsterdam. Hiertoe kochten de regenten in 1860 grond in de Plantage, genaamd 'de Franse tuin', welke aankoop later nog met andere grond aldaar werd uitgebreid. Voor het ontwerpen van een gebouw werd een prijsvraag uitgeschreven, die zeven inzendingen opleverde, waarvan er echter geen werd goedgekeurd. Tenslotte kreeg de architekt W.J.J. Offenberg de opdracht. Daar het geschonken bedrag niet toereikend was, werd een beroep gedaan op de goedgevigheid van de Amsterdamse rooms-katholieken. Het nu nog ontbrekende bedrag werd voorgeschoten uit de kas van het armenkantoor. Op 20 juni 1866 werd het R.K. Bejaardentehuis St. Jacob, gelegen aan de Plantage Middenlaan 52, na plechtige opening en inzegening in gebruik genomen. De dagelijkse zorg voor de arme oude mannen en vrouwen die hier werden verpleegd, werd opgedragen aan de 'Zusters van Liefde' uit Tilburg. Aanvankelijk was het aantal vorzorgden zeer gering. Kort na de opening werden dertien bejaarden opgenomen. Het aantal bewoners groeide echter snel. In 1900 werden er vierhonderd mensen verpleegd.

In de loop van de 19e eeuw begon het armenkantoor in het snel groeiende Amsterdam zijn bekendheid te verliezen. Er waren verschillende andere R.K. liefdadigheidsinstellingen bijgekomen omdat men de wijze van bedeling van het armenkantoor te onpersoonlijk vond en men de publieke bedeling van een groot aantal mensen, wachtend op hun beurt, als mensonwaardig begon te zien. Voorzover het armenkantoor nog bekend was, meende men, dat het kapitaal groot genoeg was. Een gevolg hiervan was, dat de opbrengst van de collecten in de kerken afnam, evenals het aantal schenkingen en legaten, terwijl de lijfrenten in onbruik geraakten. De bedelingsgelden waren in latere jaren voor ruim drievierde deel uit de revenuen van het vermogen van het kantoor afkomstig. Langzamerhand werd door al deze factoren de exploitatie van 'St. Jacob' de belangrijkste taak van de regenten. Tenslotte werd in 1920 tussen de afzonderlijke pastoors van het dekenaat Amsterdam en de regenten van het R.C. Oude-Armenkantoor overeengekomen, dat voortaan iedere Amsterdamse parochie haar eigen armbestuur zou hebben, dat zou zorgen voor alle bedelingszaken in de parochie. Het armenkantoor zou zich voortaan voornamelijk wijden aan de exploitatie van 'St. Jacob' en de hierna te bespreken hofjes.

b. De hofjes.

Verscheidene hofjes stonden en staan nog steeds onder het beheer van de regenten van het R.C. Oude-Armenkantoor.

  1. Het Lindenhofje. Lindengracht 94-112.
Bij testament vermaakte Agnes de Fays in 1759 aan het armenkantoor vijf huisjes in de Moerbeiengang om te dienen tot vrije woning voor door het armenkantoor gealimenteerden. Twee huisjes in de Walenweespoort verkreeg het armenkantoor eveneens door een legaat. In 1801 kwam hierin echter verandering. De regenten kochten toen namelijk een blok huizen op de Lindengracht, om daarheen de fundatiën van de huisjes in de Moerbeiengang en Walenweespoort over te bregen. Deze nieuwe combinatie werd het Lindenhofje genoemd.

  1. Het Hamer ' en Bouwershof. Marnixstraat 281.
Van het Hamerhofje, gelegen aan de Herengracht 375, werden de bewoonsters al in 1628 door het armenkantoor bedeeld, maar het hofje zelf was een zelfstandige stichting onder beheer van de erfgenamen van de stichter, de zeepzieder Willem Bijnsdorp, naar wiens zeepziederij 'De Hamer' het hofje was genoemd. Pas in 1822 droegen de erfgenamen het beheer over aan het armenkantoor. De Bouwershuisjes, gelegen in de Wijdesteeg 1-9, zijn gesticht door Maria Bouwers en bij haar testament van 1634 vermaakt aan Dirck Claes Scheepel en Gerrit Vermeulen, twee van de vier toen fungerende armvaders van de 'Beurs voor Catolijke Armen'. In 1877 werden het Hamerhofje en de Bouwershuisjes gecombineerd en kochten de regenten van de gemeente Amsterdam een strook grond tussen Marnixstraat en Lijnbaansgracht, om daarop het Hamer- en Bouwershof te bouwen. De beide oude hofjes werden verkocht.

  1. Het Swigtershofje. Amstel 86-98.
Isaak Swigters, boek- en kaartverkoper, vermaakt bij zijn testament van 1744 aan het R.C. Oude-Armenkantoor 'ses huijsjes onder één dak, staande en gelegen in de Speelmanssteeg, uitkomende op den Binnen-Amstel'. De testateur, die tot 1750 leefde, heeft zelf nog het hofje laten verbouwen. Alleen de kapel werd later door de regenten bijgebouwd.

  1. Het hofje Kalvergang. Prinsengracht 511-525.
Deze huisjes, gelegen in het complex van het kantoorgebouw en aanliggende verhuurde percelen aan de Keizersgracht en Prinsengracht, werden aanvankelijk gerekend bij de geldbeleggingen van het armenkantoor en als gewone huurpcercelen beschouwd. In 1897 besloten de regenten echter deze huisjes slechts te verhuren aan alleenstaande vrouwen tegen een geringe vergoeidng. Vanaf die tijd kan men de huisjes in de Kalvergang dus beschouwen als een hofje en een instelling van weldadigheid.

  1. Het hofje 'Liefde is 't Fundament'. Keizersgracht 334-346.
Dit hofje werd in 1618 gesticht door Claes Reniersen, naar wie het ook wel 'Claes Reiniersz. Hofje' werd genoemd. In 1866 werden de regenten van het armenkantoor belast met de administratie van het hofje.

c. De boedels Langeveld en Wuytiers

Behalve de hofjes verdienen ook de boedels Langeveld en Wuytiers een nadere beschrijving, aangezien zij niet, zoals de boedels van andere erflaters, onder het beheer staan van de regenten als zodanig. Deze vormen namelijk met betrekking tot de administratie van deze boedels twee afzonderlijke commissies van beheer.

Bij hun mutueel testament van 1762 beschikten Dirk Jansen Langeveld en zijn echtgenote over de nalatenschap van de langstlevende met de bepaling, dat deze nalatenschap door hun executeurs en hun opvolgers zou worden geadministreerd en dat de vruchten daarvan aan noodlijdende rooms-katholieken ten goede zouden komen. De langstlevende was Dirk, die in 1778 overleed.

Joannes Banning Wuytiers, seculier priester, beschikte in 1647 bij een onderhandse codicillaire dispositie over een deel van zijn nalatenschap met de bepaling, dat de vruchten daarvan door zijn executeurs en hun opvolgers jaarlijks zouden worden gebruikt ten behoeve van behoeftige rooms-katholieken. Jan van Schorrenbergh stelde in zijn hoedanigheid van enige administrateur van deze nalatenschappen respectievelijk in 1796 en 1805 bij akte van subrogatie de regenten van het R.C. Oude-Armenkantoor aan, om na zijn overlijden als administrateurs op te treden. Van Schorrenbergh overleed in 1830. Sedertdien werden nieuwe regenten van het R.C. Oude-Armenkantoor steeds bij speciale notarichorrenbergh overleed in 1830. Sedertdien werden nieuwe regenten van het R.C. Oude-Armenkantoor steeds bij speciale notariële akte tot het beheer van deze nalatenschappen toegelaten. De revenuen gaan als gift naar het R.C. Oude-Armenkantoor, voor zover dat nodig is voor dekking van het exploitatietekort van het kantoor. Het overschot wordt bij het eigen kapitaal gevoegd.

II. Samenstelling en taak van het bestuur.

Het R.C. Oude-Armenkantoor stond en staat nog steeds onder het bestuur van een college van regenten, zoals reeds vermeld oorspronkelijk armvaders en later bezorgers genoemd, dat ook het hofje bestuur over het R.K. Bejaardentehuis St. Jacob en de hofjes uitoefent.

Omstreeks 1610 was de armenzorg onder de Amsterdamse roomskatholieken, zoals reeds gezegd, voornamelijk in handen van één familie, de familie Bont. Alspoedig hielden zich meerdere aanzienlijke rooms-katholieke burgers hiermee bezig en in 1632 vinden we al vier particulieren, die tezamen het geld voor de armen beheerden, de reeds genoemde 'Beurs voor Catolijke Armen'. Dit college van aanzienlijke rooms-katholieken vulde zich aan door coöptie en de leden werden aangesteld voor het leven of tot zij vrijwillig afstand deden van hun functie. Een vergoeding kregen zij voor hun werkzaamheden niet.

Terwijl hun taak aanvankelijk dus beperkt was tot het beheer van het kapitaal, kwam daar aan het eind van de 18e eeuw verandering in. De bedeling van de armen was, zoals reeds gezegd, tot dan toe de taak van de geestelijken geweest. In 1771 ontstond er echter spanning tussen de bezorgers en de Amsterdamse geestelijkheid naar aanleiding van de invoering van collecten in de kerken ten bate van het armenkantoor, waartoe de priesters schoorvoetend hun toestemming hadden gegeven. Zij zagen zich namelijk in hun eigen collecten financieel benadeeld en beschouwden het collecteren in de overvolle kerkjes als een verstoring van de rust. Het gevolg van deze spanningen was, dat de priesters zich gingen onttrekken aan hun vroegere bedelingstaak, die nu kwam te berusten in handen van de bezorgers. Van die tijd af kan men dan ook spreken van een centrale rooms-katholieke armenbedeling in Amsterdam.

Zestien notabele burgers werden bereid gevonden de armen bij zich aan huis van het nodige te voorzien. Toen dit echter bezwaarlijk werd, trokken deze 'aalmoesseniers' in een huis, genaamd de 'Aalmoessenierskamer', gelegen op de Lauriersgracht. Onder zich stelden zij een dertigtal wijkmeesters aan, wonende in de verschillende delen van de stad, die inlichtingen konden verstrekken omtrent de in hun nabijheid wonende behoeftigen en zo nodig de armen thuis konden bedelen. Er ontstond echter een gespannen verhouding tussen de bezorgers en de aalmoezeniers over het beheer van de collectegelden, hetgeen uitliep op een conflict, waarin zelfs de burgemeesters werden gemengd. Op 23 juni 1774 ontving men een resolutie van de burgemeesters ' waarin deze voor het eerst over 'regenten' spraken, een titulatuur, die van toen af aan door de bezorgers werd gevoerd -, die inhield, dat het beheer over en de uitdeling van de collectegelden geheel aan de regenten kwamen. De aalmoezeniers werden van hun functie ontheven. Van nu af aan deden de regenten zelf de bedeling, bijgestaan door de wijkmeesters.

Het oorspronkelijk uit vier leden bestaande regentencollege groeide in de loop der 18e eeuw uit tot zes leden. In 1787, toen er ingevolge een instructie voor de regenten van de burgemeesters veranderingen in de bedeling plaatsvonden, treffen we twee regenten aan in de 'bedeelkamer' van het kantoor, die zich, geholpen door drie suppoosten en een boekhouder met de bedeling bezighielden, twee regenten in de 'inschrijfkamer', geholpen door een suppoost, en tenslotte twee regenten in de 'kamer van de algemene directie', eveneens bijgestaan door een boekhouder en een suppoost. Deze laatste twee regenten waren belast met het algemeen beheer, de bestiering van de hofjes en de bedeling van de stille armen. Deze functies werden maandelijks onder de regenten gewisseld. In de tweede helft van de 19e eeuw kamen er nog twee regenten bij in verband met het beheer van het R.K. Bejaardentehuis St. Jacob, een functie, die ook bij toerbeurt werd vervuld.

Een lijst van regenten met de bijbehorende jaartallen is te vinden in: H.C. de Wolf, Geschiedenis van het R.C. Oude-Armenkantoor te Amsterdam, Hilversum-Antwerpen, 1966, blz. 197-200.

III. Inrichting van de administratie.

Uit de aantekeningen van de regent Laurens à Roy (1783-1805) blijkt, dat Jan Gerritsz. Bont, armvader van ca. 1610 tot 1628, als eerste een soort van administratie voor de armenzorg heeft opgezet. Hij hield een bedelingsregister bij, dat echter niet bewaard is gebleven.

Vanaf 1632 vinden we memorialen of kladjournalen, waarvan de notities werden overgebracht in grootboeken.

Het eerste journaal dateert van 1659, het eerste balansboek van 1691.

Van de opbrengst van de collectebussen, geplaatst in huizen van vrienden en in openbare gelegenheden, werd aantekening gehouden in het 'Boek der bossen'. De administratie van de bedeling, die slechts de in Amsterdam wonende rooms-katholieken betrof, is alleen uit het einde van de 18e eeuw goed bewaard gebleven. Ten eerste waren er de gewone armen, die in het kantoor werden bedeeld en die in een algemeen inschrijvingsregister, aangelegd in 1772, werden ingeschreven. Een tweede groep vormden de 'schaamsarmen' of stille armen, die discreet werden bedeeld en in een apart boek werden ingeschreven. Ten derde waren er de bestedelingen, oude of gebrekkige mensen, die op kosten van het kantoor bij particulieren werden ondergebracht. Ook van hen werd een apart regeister met hun namen bijgehouden. Tenslotte waren er nog de armen, die 'op consent' werden bedeeld. Zij kregen de bedeling thuis bezorgd. Doorgaans zal het hier zieke en gebrekkige armen hebben betroffen. Zij werden ook ingeschreven in het algemeen inschrijvingsregister.

Naast de geregelde uitdelingen in geld of natura, waarbij per gezin, niet per hoofd werd bedeeld, werden er ook extra ondersteuningen gegeven bij ziekten en ongevallen, kraamgelden en noodpenningen in bijzondere omstandigheden. Hiervan werd aantekening gehouden in de kasboeken van de bedeelkamer en de inschrijfkamer.

Toen in 1787 de burgemeesters hun 'Reglement of instructie voor bestierderen van het Roomsch Catholyke Oud Armen Comptoir' opstelden, belastte de regent Laurens à Roy zich naar aanleiding daarvan met de aanleg van een overzichtelijke boekhouding. Nu pas werd een notulenboek aangelegd. A. Roy deed dit echter met terugwerkende kracht tot 1771, zodat het begin van het oudste notulenboek in feite geen notulenboek was, maar een reconstructie van voorafgaande gebeurtenissen.

Aanvankelijk hielden de regenten zelf de boeken bij, sinds het eind van de 18e eeuw hadden zij een boekhouder in dienst. Een commissie van twee regenten, balast met het nazien van de boekhouding, controleerde de boeken op geregelde tijden.

Het R.K. Bejaardentehuis St. Jacob had geen apart kasboek, behalve van 1863 tot 1878. Vanaf 1880 heeft het een eigen grootboek, terwijl er een eigen balansboek is van 1878 tot 1898.

Van de hofjes en de boedels Langeveld en Wuytiers werden, behalve van het hofje Kalvergang, aparte kasboeken gehouden, hoewel de hofjes en de beide boedels ook in de algemene kasboeken voorkwamen.

Aparte grootboeken worden aangetroffen voor het Swigtershofje en de boedels Langeveld en Wuytiers, terwijl de beide boedels nog aparte journalen hebben.

IV. Bewaring en ordening van het archief.

Het archief werd tot juli 1967 bewaard in het gebouw van het R.C. Oude-Armenkantoor, Keizersgracht 384. Sinds het eind van de 18e eeuw berustten de boeken in kasten in de 'Kamer van algemene directie' en de losse stukken in een kluis in dezelfde kamer. De heer A.J. Nijsten, die in 1943 administrateur van het R.C. Oude-Armenkantoor werd, heeft de losse stukken, die hij ongeordend aantrof, grotendeels in hangmappen geordend, voor het merendeel chronologisch, in enkele gevallen echter naar onderwerp. Deze hangmappen werden bewaard in een stalen archiefkast. De delen zijn toen door de heer Nijsten op de ruggen gemerkt.

Lang niet alles van de boekhouding is bewaard gebleven. Uit de aantekeningen van à Roy blijkt voortdurend, dat aan het eind van de 18e eeuw heel wat meer aanwezig was dan tegenwoordig. Het deel van de administratie, dat ontbreekt, betreft vooral de bedeling van de armen. Ook zijn er enige leemten in de notulen, de journalen en de grootboeken. Of er sinds het eind van de 18e eeuw door brand of vernietiging stukken zijn weggeraakt, blijkt niet uit de notulen. De verhuizingen in 1647, 1693 en 1773 zullen echter het hunne hebben bijgedragen tot het wegraken van stukken van voor die tijd, die al in de tijd van à Roy weg waren.

Aangezien er geen oude ordening was te bespeuren, behoudens in de hieronder genoemde gevallen, kon het restauratiebeginsel niet worden toegepast. Van enige oude ordening was slechts sprake in de navolgende gevallen. Laurens à Roy zegt in zijn aantekeningen van de regent L.P. Occo (1730-1777): 'Aan de volijverige werkzaamheid van den heer L.P. Occo is het toe te schrijven, dat de directie eindelijk eens op een behoorlijke wijze in order wierd gebragt. Zijn schrift op een menigte oude documenten toont, (dat) hem niets ontgaan is bij het doen van een algemene revisie van de aloudste tijden af, zijnde alles door hem bijeen verzameld en met verschijde aantekeningen en ophelderingen verrijkt'. Waarschijnlijk zijn de door hem verzamelde stukken grotendeels verloren gegaan, want van enige aantekeningen van zijn hand was niets te vinden. Misschien zijn enige oudere aanduidingen op de ruggen van sommige delen van hem.

Beter na te gaan is de ordening van de testamenten. De regent à Roy is begonnen deze chronologisch te ordenen en een tafel hierop te maken, welk werk werd voortgezet door zijn latere collega's. Ieder testament heeft een nummer. Welke nummers ontbreken, is in de inventaris aangegeven. De testamenten ten behoeve van het R.K. Bejaardentehuis St. Jacob hebben een eigen nummering, waarop ook een tafel bestaat. Een alfabetische naamindex op beide tafels maakt de testamenten zeer gemakkelijk toegankelijk.

Verder waren sommige stukken betreffende huizen en erven in de Plantage, aangekocht ten behoeven van 'St. Jacob', genummmerd.

Eveneens werden nummeringen in enige series 19e eeuwse kasboeken aangetroffen.

Tenslotte wijst nog een lijstje uit het einde van de 18e eeuw op enige oude ordening. Hierin is sprake van acht laatjes, waarin eigendomspapieren waren opgeborgen, genummerd van 1 tot 37. Het merendeel van deze papieren is echter later met de verkoop van de betreffende huizen en erven verdwenen.

In juli 1967 werd het archief via de Stichting Centraal Archief Katholiek Amsterdam overgebracht naar de bewaarplaats van de Gemeentelijke Archiefdienst aan de Amsteldijk. De delen en stukken van na 1900 bleven achter in het armenkantoor, aangezien de regenten deze onder hun eigen beheer wilden houden. Ook de eigendomsbewijzen met hun retroacta, die betrekking hebben op de goederen, die thans nog eigendom van het kantoor zijn, bleven aldaar.

De inventaris beschrijft uitsluitend de overgebrachte stukken van vóór 1900. Als beginjaartal van de inventaris werd 1632 gekozen, omdat men van die tijd af van een echte administratie kan spreken.

De lengte van het archief bedraagt ca. 18 strekkende meter. Het archief is door dr. H.C. de Wolf gebruikt voor het vervaardigen van zijn proefschrift: Geschiedenis van het R.C. Oude-Armenkantoor te Amsterdam, 1600-1866, Hilversum-Antwerpen, 1964.

In 1966 is dit werd aangevuld met een hoofdstuk over het meer recente verleden van het armenkantoor en het R.K. Bejaardentehuis St. Jacob.

Geraadpleegde literatuur.

A.J. Nijsten, Beknopte geschiedenis van het R.C. Oude-Armenkantoor, Amsterdam, 1960. (ongepubliceerd).

H.C. de Wolf, Geschiedenis van het R.C. Oude-Armenkantoor te Amsterdam, Hilversum-Antwerpen, 1966.

Archiefvormers

    De nummers achter de archiefvormers verwijzen naar het corresponderende inventarisdeel of het inventarisnummer. Door er op te klikken opent zich de inventaris op dat onderdeel of nummer.
    • Bejaardenhuis Sint Jacob, R.K. R.K. Oude Armenkantoor
    • R.C. Oude-Armenkantoor : 1, 2.1, 2.2, 2.3, 2.4, 2.5, 3, 4
    • Rooms-Katholiek bejaardenhuis Sint Jacob : 2.6
© Stadsarchief
Disclaimer / Colofon
<

Gegevens over mogelijk nog levende personen mogen alleen worden gebruikt voor historisch (waaronder genealogisch), wetenschappelijk of statistisch onderzoek.

Door het aanklikken van onderstaande button verklaart u zich te houden aan het Reglement voor raadpleging en gebruik van het Stadsarchief.