436: Archief van de Parochie van de Heilige Willibrordus binnen de Veste

Algemene kenmerken

Toegangsnummer:

436

Periode:

1663 - 1966

Inleiding

Geschiedenis van de statie/parochie van SINT WILLIBRORDUS BINNEN DE VESTE ( het Vrededuifje) te Amsterdam

Toen pastoor Gerardus Kok (1855-1870) in 1869 voor de parochie van Sint Willibrordus binnen de veste ('de Duif') te Amsterdam het door de Haarlemse diocesane synode van 1867 voorgeschreven 'Registrum Memoriale' (nr 10 van dit archief) aanlegde, nam hij daarin allereerst op een uitvoerige geschiedenis van de statie/parochie. Hij begint zijn historie als volgt:

'Uit de schets van de Statie van den H.Willibrordus onder de zinspreuk Het Vrededuifje te Amsterdam, door wijlen den kundigen en ijverigen verzamelaar van Kerkelijk Nederland - Jaarboek voor Katholieken, in 1850, bewerkt naar stukken, in het Archief van het Aartspriesterschap van Utrecht voorhanden, blijkt, dat reeds voor 1682 twee elkander opvolgende Priesters, doch wier namen de geschiedenis niet vermeldt, de grondslag tot vorming en vestiging der Gemeente gelegd hebben. Wijl haar evenwel een kerkgebouw ontbrak, heeft zij in den beginne niet veel bewijs van zelfstandig leven kunnen geven. Wij zien haar voor het eerst in het openbaar optreden, toen Philippus Mensing, haar op 5 maart 1682 als Pastoor toegevoegd, haar vergaderde in een Pakhuis aan de Kerkstraat, aan de noordzijde, beoosten de Spiegelstraat, wat nog vóór ettelijke jaren de Vrededuif in de spits van zijnen gevel droeg...'

Puttend uit de bij het Gemeentearchief van Amsterdam berustende registers heeft dr I.H.van Eeghen over de origine van deze statie wat meer klaarheid gebracht. Bij haar artikel 'De eigendom van de katholieke kerken in Amsterdam ten tijde van de Republiek' (Haarl.Bijdr. jrg64, 1957, bladz. 217 e.v.) geeft zij in bijlage II (Korte geschiedenis van de verschillende Amsterdamse kerken, waarvan doopboeken zijn bewaard) onder nr 14, over de oorsprong van het Vrededuifje de volgende tot-dan-toe-niet-bekende bijzonderheden:

'Bij de uitgifte van de erven in dit blok, op 14 oktober 1670, kocht Gijsbert Pietersz, meester-huistimmerman, 2 erven aan de Keizersgracht en 2 erven daarachter aan de Kerkstraat, resp. voor f.2800 en f.600. (Kw. 2 R, 162 vo). Hierop bouwde hij in 1670 drie huizen aan de Keizersgracht en in 1671 vier gelijke huisjes aan de Kerkstraat zonder tuin of plaats en een vijfde huis in de vorm van een winkelhaak, dat achter de vier andere omliep en een gemeenschappelijke muur daarmee had. Dit laatste was bestemd als kerk voor deze nieuwe wijk. In een van de huizen aan de Keizersgracht vestigde zich pastoor Wilhelmus Willemart of Wilma (Kohier 1674,541) en ongetwijfeld bediende hij deze kerk. Hoe Gijsbert Pietersz alles financierde, weten wij niet precies. In ieder geval was de onderneming geen succes. In 1681 werden alle huizen bij executie verkocht. Het huis in de Kerkstraat met kerk annex werd op 18 januari 1681 verkocht aan Reynier Cornelisz voor f.3100 (R.A.2172-233). Wilhelmus Willemart verhuisde daarop naar de kerk de Papegaai in de Kalverstraat. In dit huis ( d.w.z. het huis in de Kerkstraat met kerk annex) is toen de kerk de Vrededuif of de Duif gevestigd. Naar het heet waren hier twee pastoors gedurende slechts enkele maanden en vestigde zich hier in 1682 pastoor Philippus Mensing.

De eigendom van de kerk moet zijn overgegaan aan de zuster van de pastoor Marie Geertruy Cornelisdr Mensing. Wanneer dit gesehiedde, is niet bekend. Wel weten wij, dat op 1 december1705 aan haar een van de andere huizen in de kerkstraat werd overgedragen, voor f.1450, zodat men sedertdien twee gangen naar de kerk had. ( Kw. 3X, 32 vo).' Uit de nasporingen van dr Van Eeghen weten we nu dat niet pas in 1682 maar al in 1671 voor deze nieuwe wijk (de grote uitleg van 1660) de kerk is gebouwd, die vanaf 1682 door pastoor Mensing werd bediend. Maar ook dan blijft deze statie in de rij van de circa 25 schuilkerkjes (vaste bedeplaatsen die, in het tweede en derde kwart van de 17e eeuw, het veel talrijker aantal provisorische plaatsen van samenkomst van gelovigen geleidelijk geheel vervingen) de laatste, mogelijk met ultzondering van 'de Papegaai' in de Kalverstraat. Deze zou immers, naar de mening van dr Van Eeghen, niet, zoals men altljd had aangenomen, door pater Aug. van Teylingen s.j. (werkzaam ln Amsterdam van 1619 tot 1669) zijn gesticht, maar pas in 1681 door pastoor Willem Wil(le)ma(rt), toen deze in dat jaar van de Keizersgracht naar de Kalverstraat verhuisde.

Omtrent de jaren tussen de bouw in 1671 van dit inpandig kerkje aan de Kerkstraat en de komst van pastoor Mensing, op 5 maart 1682 weten we weinig of niets. Ongetwijfeld zal het kerkje gebruikt zijn en waarschijnlijk door pastoor Wilma zijn bediend. Dat deze nieuwe statie in haar beginjaren (1671 tot 1682) erg gebloeid heeft mag echter worden betwijfeld.

Pastoor Wilma zou er dan wel gebleven zijn en ook zijn opvolger, t.w. pastoor Steur (of Stier), die er in november 1681 in functie was, zoals blijkt uit de lijst van paapse vergaderplaatsen van die datum, waarop, onder nr 15, voorkomt: 'Amstelkerckstraat, blj de nieuwe Spiegelstraet. P.Steur ', zou niet na hooguit een jaar naar elders (Huisduinen) zijn vertrokken.

De aankoop en opbouw van het complex van 3 huizen op de Keizersgracht en 5 aan de (Amstel)kerkstraat, met achterlangs deze laatste een kerkgebouw, duidt op een weloverwogen plan- Zeer waarschijnlijk heeft de apostolische vicaris Van Neercassel (1663-1686), die tot 1672 vaak in Amsterdam verbleef, het gestimuleerd. De grote uitbreiding, begonnen rond 1660, eiste immers een vestiging in het nieuwe uitgestrekte gebied, dat geleidelijk aan werd volgebouwd, en bovendien was daar ruimte te over om een kerkje zó te bouwen, dat het de omwonenden weinig aanstoot zou geven en de predikanten nauwelijks aanleiding tot protest. Van zo'n protest is in de acta van de gereformeerde kerkeraad, die in deze jaren overigens wemelen van vertogen blj burgemeesteren tegen paapse stoutigheden, dan ook niets te bespeuren, hoewel het kerkje, en zelfs zijn bedienaar, de kerkeraad, zoals blijkt uit de lijst van paapse vergaderplaatsen van november 1681, wel degelijk bekend waren. Neercassel was bovendien rond 1670 doende om opnieuw te proberen wat meer orde en regelmaat te brengen in de spreiding van de staties en van de beschikbare priesters. Speciaal was hij erop uit de wassende invloed van de regulieren, met name van de jezuïten, die z.i. te chaotisch opereerden en daardoor het werk van de seculieren bemoeilijkten, in te perken.

Zo werdt op zijn bevel, tezamen met een aantal andere jezuïetenstaties in de Hollandse Zending, ook 'de Zaaier' één van de drie kerkjes van 'de Sociëteit' in Amsterdam, in 1669 gesloten, hoewel tegelijkertijd de statie van pater Van Teyllngen s.j., na diens dood op 4 augustus van datzelfde jaar, voorlopig te gronde ging.

Een, door de paus bekrachtigd, besluit van de 'Propaganda' van 17 maart 1671, stelde Neercassel in het gelijk in zijn controverse met de jezuïeten en andere regulieren. Voor de seculieren, die deelden in dit succes van de apostolische vicaris en dankbetuigingen aan de 'Propaganda' zonden voor de voor hen zo gunstige beschikking, was het decreet een hart onder de riem. Zij hadden nu duidelijk niet alleen Neercassel, die, in tegenstelling tot zijn voorgangers, hun Haarlems kapittel in zijn beleid inschakelde, aan hun zijde, maar, dankzij de bemoeiingen van de apostolische vicaris in Rome, ook de 'Propaganda' op hun hand. De durf tot kloeke ondernemingen, door en voor de seculieren, zoals de bouw van onze kerk aan de Kerkstraat en van een ruime kerk: 1672 Bouw ( ter vervanging van de na het overlijden van pater Van Teylingen s.j. verloren statie) van een jezuïetenstatie op de Raamgracht;

1672/73 Verplaatsing, van de Leliegracht naar het Singel, van één van de dominicanenstaties, daarna genaamd 'de Toren'

1676 Uitbreiding van de oudste franciscanenstatie 'de Boom' aan Kalverstraat en Rokin;

1677 Algehele nieuwbouw (inpandig) van de jezuïetenstatie 'de Krijtberg' op het Singel;

1685/86 Belangrijke uitbreiding, door aankoop en verbouwing ( kosten minstens f.18.000 ), van de andere dominicanenstatie, 'het stadhuis van Hoorn' aan de N.Z.Achterburgwal;

1686 Nieuwbouw van de tweede franciscanenstatie, de zeer ruime 'Mozes en Aäron' aan de Houtgracht, ter vervanging van het kerkje aan de Jodenbreestraat;

1688/96 Bouw, in twee etappes, van de augustijnenstatie 'de Posthoorn' op de Prinsengracht (oostzijde) bij de Brouwersgracht, ter vervanging van het gelijknamige kerkje ergens op de Korte Prinsengracht;

1697/98 Bouw van de augustijnenstatie 'de Star' aan de Spinhuissteeg, ter vervanging van het gelijknamige kerkje aan de O.Z.Achterburgwal bij de Huidevetterssteeg

Beter dan uit de aantallen doopsels in de verschillende kerken, die ons namelijk voor deze jaren slechts ten dele bekend zijn, kunnen we het aandeel in de zielzorg van enerzijds de seculieren anderzijds de regulieren tegen elkaar afwegen aan de hand van de omvang van hun bemiddeling bij het bedélen van armen. Het bij het Gemeentearchief onder nr 440 berustende archief van het R.C.Oude-Armenkantoor geeft ons (in archiefstuk 480 ) o.m. de aantallen van de aan de roomse armen van Amsterdam verstrekte porties levensmiddelen, zowel voor de beide winterbedelingen 1668/69 als voor de tweede winterbedeling 1683/84, namelijk die van februari 1684. We zien daaruit dat deze uitdeling in februari 1684 volledig en uitsluitend geschiedde door de bemiddeling van de 24 pastoors (10 regulieren en 14 seculieren) der toenmalige staties ( inclusief die buiten de Utrechtse Poort, maar exclusief die in het Maagdenhuis ), maar dat in februari 1669 behalve de priesters, toen dertig (10 regulieren en 20 seculieren) in aantal, ook enkele leken en zogenaamde 'klopjes' bij die levensmiddelen-uitdeling nog hun intermediair verleenden. Verder blijkt dat via de seculieren en regulieren werden verstrekt in februari 1669 resp. 449 en 679 porties en in februari 1684 resp. 364 +) en 929 porties.

Was dus in 1669 het aantal armen dat tot de gemeenten der regulieren behoorde al ruim anderhalf maal zo groot als het aantal dat bij de seculieren kerkte, vijftien jaar later, in februari 1684, is dat verhoudingsgetal tot ruim twee en een half gestegen Ook hieruit mag men concluderen dat de rond 1670 door Neercassel ondernomen pogingen om de invloed en het arbeidsveld van de regulieren te verkleinen of tenminste in te dammen, geen succes hebben gehad. Waarschijnlijk heeft de apostolische vicaris, die, na de inval van de Fransen in de zomer van 1672, van Amsterdam naar de door-hen-bezette stad Utrecht was vertrokken, en eerst in laatstgenoemde stad en daarna tot in 1675 in Antwerpen verbleef, daardoor zijn nauw contact met en zijn voortdurende invloed op priesters en gelovigen in Holland tijdelijk verloren. Ook zijn vestiging, daarna, in het verafgelegen Huissen zal in diezelfde richting hebben gewerkt. De waarschijnlijk vrij kostbaar opgezette seculiere statie in de Kerkstraat zal, zo- doen de, in de moeilijke beginjaren niet die steun hebben gehad, die zij toen behoefde.

+) Pastoor Mensing van 'het Vrededuifje' ontving in februari 1684 18 porties ter uitdeling.

Maar, men had hier nu eenmaal een pasklaar schuilkerkje gebouwd en het bezit van een als-zodanig-opgezet-en-ingericht pand was uiteraard 't aantrekkelijkst indien het overeenkomstig zijn bestemming zou worden gebruikt. Het is dan ook niet verwonderlijk dat, bij de executoriale verkoop, in 1681, van het gehele complex Keizersgracht/Kerkstraat, de achterliggende kerkruimte met het daarop-aansluitende huis aan de Kerkstraat weer bij een roomse priester in gebruik kwamen, en evenmin wekt het verba- zing dat de eigendom al spoedig overging op de zuster van de sinds-1682-fungerende herdert pastoor Philippus Mensing. Pastoor Mensing, die tot zijn dood in 1707 de statie aan de Kerkstraat bediende, bracht deze spoedig tot bloei. Dat de stadsuitbreiding, waarin zij gelegen en waarvoor zij bestemd was, inmiddels meer en meer bebouwd en bevolkt raakte, zal daaraan hebben meegewerkt. Het aantal doopsels ligt al dadelijk rond de negentig per jaar.

Voor we de geschiedenis vervolgen eerst nog enkele opmerkingen over de benaming 'het Vrededuifje'.

De andere Amsterdamse staties, die alle in reeds bestaande huizen of pakhuizen een onderdak vonden, namen, ingeval die panden een naam droegen, die naam over. Bij de statie in de Kerkstraat lag die zaak anders. Hier werd een nieuwe schuilkerk in een nieuwbouwwijk opgetrokken. Het waren hier dus de stichters van de schuilkerk die de naam gaven en zij kozen kennelijk een meer voegzame aanduiding. Want 'Vrededuifje' klinkt voor een kerk heel wat passender en zinvoller dan, bij voorbeeld, 'de Pool', 'de Krijtberg', e.d., om van namen als 'de Haas', 'de Papegaai', 'de Ooievaar' en 'de drie bonte Kraaien' maar te zwijgen.

Men heeft wel eens verondersteld dat de naam 't Vrededuifje' in 1678 aan pand en kerk zou gegeven zijn, en wel om de vreugde over de toen gesloten vrede van Nijmegen te uiten. Indien men de benaming 'Vrededuifje' als symbolisch heet bedoeld, iets wat zeker voor de hand ligt, dan valt hier m.i. eerder te denken aan de vrede voor of van de Kerk, en met name aan de vrede binnen de Vaderlandse Kerk: de Hollandse Zending.

Rust, orde en vrede, onder de hem toevertrouwde clergé en gelovigen, daarnaar heeft Neercassel ongetwijfeld oprecht verlangd en gestreefd. Na zijn eenmaal in maart 1671 van 'Rome' bekomen theoretisch gelijk, in zijn controverse met de regulieren, heeft de apostolische vicaris dan ook grote matiging betracht, waardoor de vrede, althans voor de duur van zijn bewind, inderdaad is weergekeerd. In dit licht bezien waren zowel de toewijding van de statie aan Sint Willibrord, de patroon van de Kerk van Noord-Nederland, als de keuze van de symbolische naam 'het Vrededuifje' voor deze nieuwe kerk, juist in deze kenteringsjaren van Neercassels vicariaat -en mogelijk zelfs op instigatie van deze apostolische vicaris- gesticht, bijzonder zinvol.

Na de dood van pastoor Mensing, op 12 augustus 1707, deden zich bij de benoeming van een opvolger dezelfde moeilijkheden voor als, toendertijd, bij vele andere staties. Ook in 'het Vrededuifje' wilde het stadsbestuur een priester van jansenistisch gevoelen. De eigenaresse, Maria Geertruy Mensing, hield echter het been stijf en, omdat noch zij noch burgemeesteren wilden toegeven, bleef de kerk tien jaar lang gesloten. Pas in 1717 werd men het blijkbaar eens en welover de aanstelling van Cornelius Marquis, die echter al na een bediening van slechts drie jaar plaatsmaakte voor Johannes Franciscus Schouwen. Deze bleef bijna dertig jaar, namelijk tot zijn dood in 1749, in functie. Onder Schouwen's pastoraat stijgt het aantal doopsels -bij het begin van zijn bediening, in 1721, slechts 35- tot wel honderd per jaar, om onder zijn opvolger, Joannes Baptista Schepen ( 1749 tot ±1762 ), weer sterk terug te lopen, namelijk tot 46 in 1750 en slechts 23 in 1760. Onder het pastoraat van Petrus Gulielmus Cavellier van Adrichem ( 1762 tot ±1789 ) schijnt de statie weer wat op te bloeien, want het aantal dopen komt dan gemiddeld op ruim vijftig per jaar te liggen.

De eigendom van de statie, waaraan de bovengenoemde zuster van pastoor Mensing -zoals wij zagen- in 1705 nog een tweede aangrenzend huis aan de Kerkstraat had toegevoegd, bleef intussen in vertrouwde handen. Maria Geertruy Mensing, die haar heerbroer twintig jaar overleefde, had namelijk drie jaar vóór haar dood, naar Wagenaar mededeelt: 'bij haaren uitersten wil van den negen en twintigsten April des jaars 1724 het Gestigt gemaakt aan Vrouwe Geertruid Schouten, weduwe van Mathias van Bree, met verzoek dat zij geliefde te bezorgen dat het met al wat er toe behoorde, altoos tot eene roomsche kerk gebruikt zou worden, en dat niemant dan een oprecht rooms priester, die in geesteligke zaaken volkomelijk gehoorzaam was aan den Stoel van Rome in deze Statie zou worden aangesteld.'

Het kerkje c.a. is inderdaad bij de nazaten van de weduwe Van Bree-Schouten in eigendom gebleven. 'Zij hebben echter later -aldus wederom dr I.H.van Eeghen- geen huur geïnd, maar zich alleen met de aanstelling van de pastoor bemoeid. Er wordt althans verteld, dat de pastoor na betaling van onkosten, reparatiën, etc. het restant van de verschuldigde huur aan de armen kon uitkeren.'.

Dat de laatsten de eersten zullen zijn werd in de verdere geschiedenis van 'het Vrededuifje' tot tweemaal toe bewaarheid.

Op de eerste plaats werd deze laatste (of één van de laatste ) onder de Amsterdamse schuilkerkjes vóór alle andere door een uitwendig-kenbaar rooms bedehuis vervangen. Het was pastoor Joannes Andreas Offerman ( 1789 tot ±1811 ) die dit bewerkstelligde. Pastoor Kok beschrijft dit initiatief in het 'Registrum Memoriale' als volgt: 'Ter nauwernood kwamen de mildere beginselen van godsdienstvrijheid door de Bataafsche Republiek omhelsdt eenige verademing aan de Katholijken schenken, of hij (pastoor Offerman ) maakte er gretig gebruik vant om ter eere van den H. Willibrordus, onder het bijbehouden zinnebeeld van De Vrededuif, het eerste openbare kerkgebouw na de Hervorming binnen Amstels Vesten te stichten. Hij kocht te dien einde 5 February 1795 voor de somma van Vijftienduizend negen-honderd en vijf-en- zeventig gulden eene Suikerraffinaderij, genaamd 't Fortuin, met derzelver pakhuis, woonhuis, tuin en erve aan de Prinsengracht bij de Reguliersgracht en verzocht nog in het eigen jaar 1795 aan de mnnicipaliteit der stad de nodige machtiging van op dien grond zijne nieuwe kerk te bouwen.' De representanten van het volk van Amsterdam antwoordden pastoor Offerman, dat zij zijn aanvraag 'geheel en al op de openlijk erkende Rechten van den Mensch' gegrond oordeelden, en dat zij hem derhalve volle vrijheid lieten om zijn kerk te bouwen 'waar en zoals hij zoude goedvinden'.

Pastoor Offerman toog dadelijk aan het werk. Het resultaat is te zien op de fraaie prent, waarschijnlijk kort na de bouw vervaardigd, van de nieuwe kerk met omgeving (nr.260 van dit archief ). De kerk lag op de eerste verdieping ); boven het presbyterium verhief zich een lichtkoepel; de pastorie c.a. was op de begane grond ondergebracht. Het interieur van de kerkruimte, naar het altaar gezien, werd afgebeeld in een fraaie tekening, A 1845, van G.Lamberts (foto, nr 263 van dit archief).

Het voor de aankoop van de suikerraffinaderij c.a. benodigde bedrag was nagenoeg geheel bestreden uit een gift van veertien duizend gulden van Maria Magdalena van Sluypwyk, gravin Moens. Deze weldoenster heeft ongetwijfeld de koene onderneming van pastoor Offerman mogelijk gemaakt. Maar voor de bestrijding van de bouwkosten, die circa f.55.000 beliepen, kreeg de pastoor met moeite niet meer dan nog eens f.14.000 bijeen.

'De overlevering zegt -aldus wederom pastoor Kok in zijn geschiedverhaal- dat de Pastoor, door het miskennen van eenen onbeduidenden wensch, door eene aanzienlijke en tot milde giften gereede Dame gekoesterd, onmin ingeloopen heeft en in verwachtingen, op welke men hem aanspraak gegeven had, is teleurgesteld geworden'. Zo bleef er een schuld van f.42.000, tot delging waarvan à 4% geld werd geleend. Om althans de rente te kunnen betalen besloot pastoor Offerman o.m.t met instemming van zijn gemeente, een collecte ten behoeve van de kerk, onder bepaalde kerkdiensten te houden, in te voeren. Deze maatregel ontmoette echter ernstige bezwaren bij de regenten van het R.C. Oude-Armenkantoor, die sinds 1771 het alleenrecht hadden op de collecte in de roomse kerken, ten behoeve van hun armen, onder alle geregelde diensten, met uitzondering slechts van die op Kerstmis, Pasen, Pinksteren en Allerheiligen, op welke feestdagen de pastoors voor hun eigen noden mochten collecteren. In de notulen van het Armenkantoor lezen wij dat 'de Regenten...(op maandag 12 juni 1797 ) ten huijzen van den Pastoor Offerman (zijn) vergaderd, alwaar toen niet alleen den Pastoor, maar nog ses Heeren zijner gemeente, zig noemende gequalificeerdens uijt de gemeente over de ingevoerde collecte hebben aangetroffen, aan de welke toen met alle nadruk door ons is verzogt die collecte tot goedmaking van de kosten der opbouw van de kerk agter te laten, om het nadeel en de aflijdingen welke daardoor veroorzaakt zoude worden aan de collectens voor de Armen, zoodoor het voorbeelt vooreerst voor andere Geestelijken om die ook in hun kerken in te voeren, als om de splitzing die de Gevers daardoor in hun giften zullen maken, daar andere moede van de vermenigvuldigde aanmaningen om liefdegaven, zig zullen onttrekken om iets te geeven; hetwelcke wij ons verplicht oordeelde te moeten tegengaan, uijt hoofden de collecten onder den Godsdienst in de kerken door onze voorzaten verzogt zijnde en door de Geestelijken in der tijd onder zeker beding toegestaan, niet tegengewerkt behoorde te worden; dat ook het geen zij zoude kunnen verzamelen van te weinig aanbelang zoude weezen, om zulks niet jaarlijks door een ander middel te kunnen bekoomen, als door het staan met laadjes aan de uijtgangen der kerken, collectens aan de huijzen, off bij Inschrijving onder onze(?) Gemeente. Dan men heeft ons geantwoord alle die aangehaalde middelen reeds waren beproefd, en die aan de behoeftens voor de kerk niet konden voldoen, dat zij nu geen andere toevlugt meer hadden van tot de collecte om de aangegane verbintenissen te voldoen; dat zij ook geenzints instemde de collectens voor de Armen door hunne zoude benadeelt worden, want zij die altoos als na gewoonte onder het lezen van het Evangelium zouden laten vooraffgaan, en voor de kerk eerst collecteeren na de Consecratie, met Bakjes waar opgeschreeven zoude staan voor de kerk en zulks maar alleen des Zondags en op zodanige Hijlige dagen als er gepredikt word, in vroeg of laat Missen en geduurende de vasten in de meditatien. Dat het ook niet gelijk stond, zoo een Geestelijke tot zijn nooddruft, dan wel tot goedmaken van de kosten ter opbouw van zijn kerk zoude laten collecteeren.

Wat reden daar tegens ook hebben ingebragt, is het ons niet mogelijk geweest die Heeren van het doen voortduuren der opgemelde Collecte te doen affzien.

+) Ook het Vrededuifje, in de Kerkstraat bevond zich op de eerste verdieping. Het interieur van dit schuilkerkje (aanzicht van het presbyterium) is als piece de milieu afgebeeld op de prent 'Roomsch Gedenkstuk 1792' (foto nr 153 van dit archief).

En is op Woensdag den 14 Junij 1797 bij ons in directie daarover verder geraadpleegt zijnde beslooten, wel bijzonder om de tegenwoordige nog duurende toestand der publique zaken waarin het ons voorkwam gevaarlijk te zijn, een waereldse overigheyd in te roepen, ons in het voorhanden zijnde geval provisioneellydelyk te gedragen, en aff te zien wat gevolg de collecte voor de kerk zal hebben.'

Niet alleen slaagden regenten er niet in deze collecte voor de kerk tegen te houden, bovendien vond dat voorbeeld -zoals zij al vreesden- elders navolging, bijna onmiddellijk in de kerk buiten de Raampoort en geleidelijk aan in alle andere roomse kerken van Amsterdam.

Pastoor Offerman toonde zich niet slechts ondernemend en strijdvaardig, maar ook een ijverig zielzorger. Onder zijn pastoraat liep het aantal dopen weer sterk op (1790:61; 1800:83 en 1810:119.) Dit wijst op een uitbreiding van de gemeente, die, enerzijds, de bouw van een ruimere kerk urgent maakte en, van de andere kant, door de grotere en meer aantrekkelijke ruimte, die deze nieuwe kerk bood, zal zijn bevorderd. Maar de inzinking, na zijn dood, op 12 november 1811, in de aantallen doopsels per jaar' in 1820:55; in 1830:72; in 1840:57 en in 1850:87) bewijst wel dat pastoor Offerman, tijdens zijn bediening, vooral door zijn persoon, velen aan zijn statie had gebonden.

Het teruglopen van het kerkbezoek had, uiteraard, ook een vermindering van de inkomsten tot gevolg, wat de financiële positie nog moeilijker maakte.

Na het overlijden, op 19 april 1818, van Offerman's opvolger, Henricus Everardus Brouwer, werd Henricus Joannes Gerteler tot pastoor van 'het Vrededuifje' benoemd. Hij leidde de statie tot zijn dood, op 13 februari 1841.

De 23 jaren van Gerteler's pastoraat waren vol zorgen, met name geldzorgen. Hij was zo verstandig al in 't begin van zijn pastoraat enkele prominente gemeenteleden in het financieel beheer deel te laten nemen, door in 1820 een college van kerkmeesters te formeren. De 'ses Heeren, zig noemende gequalificeerdens uijt de gemeente over de ingevoerde Collecte', die

de regenten van het R.C. Oude-Armenkantoor op 12 juni 1797 ten huize van pastoor Offerman aantroffen, vormden blijkbaar slechts een commissie ad hoc.

Pastoor en kerkmeesters begonnen met een verzoek in te dienen bij de Koning -wat toen niet ongebruikelijk was- om een tegemoetkoming uit 's Rijks Schatkist. Deze aanvraag bleef een paar jaar in overweging, maar eindigde met een 'nul op 't request'. Vrijwillige inschrijvingen van de gemeenteleden brachten vier en een half duizend gulden op en, tenslotte, ging men in 1823 over tot het verhuren van de plaatsen in de kerk. Ook dit was, evenals de invoering van de collecte in de kerk, in 1797, en de formering van een college van kerkmeesters, in 1820, al weer één van die nova in rooms Amsterdam, waardoor 'het Vrededuifje' zich bleef onderscheiden.

Voorzichtigaan begon men nu, in de dertiger jaren, een begin te maken met de aflossing van schulden, maar men durfde zich niet aan een vast schema te binden, omdat zich intussen aan de fraaie lichtkoepel ernstige gebreken hadden geopenbaard, wat kostbaar herstel eiste. Na veel wikken en wegen besloot men, in 1835, én om de hoge kosten van herstel, ad f.3000, te ontgaan, én om, voor de toekomst, van het kostbare onderhoud te worden bevrijd, dit sieraad eenvoudig af te breken.

Onder het pastoraat ( 1841 tot 1855) van Henricus Awater, kon men in versneld tempo met de schulddelging voortgaan.

Ook het kerkbezoek nam weer wat toe. Maar nieuwe grote zorgen stonden voor de deur. Nu de bisschoppelijke hiërarchie hersteld was ( 1853 ), zou de verdeling van Amsterdam in parochies spoedig volgen. 'De Duif' zou, door haar eenzame ligging in een wijde omgeving, een uitgestrekt en vrij volkrijk gebied als parochiedomein toegewezen krijgen. Vervanging van de daarvoor te kleine zaalkerk van 1796 door een aanmerkelijk groter kerkgebouw was noodzakelijk. Die taak was voor de bejaarde pastoor Awater te zwaar en hij trad dan ook in juni 1855 terug, om plaats te maken voor Gerardus Kok ( 1812-1870 ), sinds 1846 pastoor te Weesp. Evenals in 1795, bij het herstel van de godsdienstvrijheid met de Bataafse, lag ook nu weer, na het herstel van de bisschoppelijke hierarchie, in 1853, en bij de oprichting van de parochies in Amsterdam, per 1 januari 1857, 'de Duif' met haar nieuwbouw aan kop. Het oude kerkbestuur, waarvan de leden, voorzover zij binnen de parochiegrenzen woonden, nu door de bisschop in het parochiaal kerkbestuur werden benoemd, had reeds veel voorbereidend werk verricht. Zo was het al in 1855 in het bezit gekomen van vijf huisjes achter de kerk in de Utrechtsedwarsstraat, en daardoor beschikte men tijdig over de nodige meerdere ruimte voor de nieuwbouw.

Architect Th.Molkenboer (1796 tot 1863) te Leiden, die in Amsterdam al naam had gemaakt als bouwmeester van de redemptoristenkerk aan de Keizersgracht (1852) en van de uitbreiding van de kerk van de H.Catharina op het Singel bij de Heiligeweg C.1855 ), had vóór einde 1856 bestek en tekeningen voor de nieuwe 'Vrededuif' gereed. Ook de nodige machtigingen van de bisschop en van de burgerlijke instanties, voor het aangaan van geldleningen e.d. werden tijdig verkregen, zodat men al op 10 januari 1857 tot openbare aanbesteding kon overgaan. Daarbij werd de bouw, voor f.86.500, gegund aan de laagste inschrijver, aannemer H. Lucassen te Lent (Gdl).

Aangezien mét de afbraak van de oude zaalkerk ook de pastorie daaronder zou worden gesloopt, kocht het kerkbestuur ook nog het huis op de Prinsengracht naast en ten westen van de kerk, om dat tot pastorie in te richten.

Op 28 april 1857 legde pastoor Kok de eerste steen voor de nieuwe kerk en op 12 december d.a.v. kon hij de in-ruwe-steen- opgetrokken kerk inzegenen, waarna deze onmiddellijk in gebruik werd genomen.

Ten behoeve van het Monumentenregister wordt deze schepping van Molkenboer als volgt beschreven: 'Neoclassicistische kerk met een zandstenen voorgevel, geïnspireerd op de vroege Romeinse barokfaçades met dubbele pilasterstellingen, kroonlijsten en inspringend bovengedeelte, geflankeerd door vleugelstukken met obelisken en bekroond door een fronton. Driebeukig schip, dat zich naar het koor toe ontwikkelt tot een,binnen de vlucht van de zijbeuken beschreven,achthoekige centrale aanleg. Boven de zijbeuken galerijen, aan de zijde van de voorgevel twee galerijen boven elkaar.'

In 1864 luchtte het kerkbestuur, in een brief aan de bisschop, zijn wrevel over het laatdunkend oordeel dat J.W.Brouwers, priester van het diocees en rector van 'Sint Bernardus' te Amsterdam, in zijn brochure 'Antwoord aan de 63' over de kwaliteiten zowel van de nieuwe kerk als van achitect Th. Asseler, destijds bouwkundig-opzichter bij de bouw van de kerk en nog steeds de zeer gewaardeerde bouwkundig-adviseur van het kerkbestuur, had geveld. (Zie archiefstukken onder nr 279).

De verontwaardiging van het kerkbestuur was wel begrijpelijk. Het had voortvarend en toch weloverwogen, en in alles in overleg met en onder goedkeuring van de kerkelijke overheid, gehandeld. Trouwens, de huidige beoordelaars zijn al weer heel wat positiever in hun oordeel dan destijds de adepten van de 'alleen-zaligmakende' neo-gotiek.

Gelukkig hebben kerkbestuur noch parochianen er een minderwaardigheidscomplex aan overgehouden, en met veel liefde en offervaardigheid hebben zij het interieur van hun kerk verfraaid. Het 'Registrum Memoriale' geeft, onder zijn 2e titel:, 'Dona et nomina benefactorum', daarvan een indrukwekkend beeld. Bijzondere vermelding verdienen de imposante gebeeldhouwde preekstoel, in een Antwerps atelier vervaardigd, een geschenk van één der kerkmeesterst en het orgel met positief, dat nog steeds geroemd wordt, en dat door de leden van het zangkoor 'Cantemus Domino ' werd bijeengespaard en gecollecteerd en óók bijeengezongen in muziekuitvoeringen in 'Odéon', alles onder de stuwende leiding van de wel-wat-eigenzinnige maar bijzonder bekwame directeur-organist Kupers.

Bij gelegenheid van de voltooiing van het orgel, zo'n twintig jaar later, in 1882, schreef pastoor Rijp in het ' Registrum Memoriale':

'De Hr Kupers heeft voor het orgel alles over, men zoude het met recht zijn orgel kunnen noemen. Aan hem heeft de parochie het bezit van het orgel te danken'.

Dit door de orgelmaker R.C.Smits uit Reek gebouwde instrument wordt, met de orgels van de Oude-, de Nieuwe en de Ronde Lutherse kerk en met dat van de 'Mozes en Aäron', blijkens de onlangs opgestelde orgelnota, gerekend tot de zes a zeven waardevolste (rubriek superieur, klasse A) van de ruim veertig Amsterdamse orgels, die men op de gemeentelijke monumentenlijst wil plaatsen. Kupers wist dus wel wat hij wilde!

Ook bouwpastoor Gerardus Kok mag zelf, met zijn familieleden, onder de grote weldoeners van de kerk gerekend worden.

Tenslotte mag zeker niet ongenoemd blijven Bartha Pyselman.

Het was háár huis naast de kerk, dat zij in 1857 bereidwillig ontruimde, om tot pastorie te worden bestemd, en dat zij op zeer redelijke condities aan het kerkbestuur verkocht.

Zij was pastoor Kok en zijn kerkmeesters een grote steun in hun financiële zorgen; droeg bij aan de verfraaiïng van het kerkinterieur en de aanschaf van paramenten en bedacht de kerk ook in haar testament.

Bij haar heeft men zeker geen 'onmin ingelopen', zoals 'door het miskennen van eenen onbeduidenden wensch' pastoor Offerman destijds tot zijn schade 'bij een aanzienlijke en tot milde giften gereede Dame' zou zijn overkomen, want al in 1843 stond men deze buurdame van de kerk toe, om zich vanuit haar woning een directe toegang tot de kerk te maken, en ook na haar verhuizing, in 1857, naar een ander aan de kerk grenzend pand, werd het haar (was zij invalide? ) opnieuw mogelijk gemaakt zich binnendoor naar de kerk te begeven. De notulen, die altijd keurig werden bijgehouden -een kwalificatie die de notulen van andere kerkbesturen dikwijls niet verdienen- geven de probIemen, waarmee het kerkbestuur worstel- de,steeds duidelijk weer. Dat de financiële problemen, na de nieuwbouw van de kerk in 1857, verre van gering waren, ligt voor de hand. Zelfs nog niet helemaal uit de schulden, aange- gaan bij de bouw van 1796, had er van vooraf fondsen vormen voor de bouw van 1857 natuurlijk geen sprake kunnen zijn.

Men kwam dan ook opnieuw diep in de schulden te zitten, en deze drukten des te zwaarder omdat de grotere toeloop van gelovigen, waarop de kerk was berekend en die men, wegens de omvang van het toegewezen territoir, mocht verwachten, maar moeizaam op gang kwam. Opnieuw, in het voorjaar van 1868,richtte het kerkbestuur zich in een circulaire tot de parochianen, om hen van de precaire financiële situatie op de hoogte te brengen en dringend om ruimere geldelijke hulp te vragen. Dit adres werd tevoren aan de bisschop, mgr G.P. Wilmer, ter beoordeling voorgelegd. Deze keurde het niet alleen goed, maar ondersteunde het krachtig in zijn antwoordbrief van 24 mei 1868. In deze brief, die het kerkbestuur desgewenst kon publiceren, legde de bisschop duidelijk de vinger op de wonde, namelijk dat velen de kerk, die zij vóór de parochiale indeling zich hadden uitgekozen, bleven bezoeken en ondersteunen, ten nadele van hun parochiekerk.

De rustige en milde toon van deze brief, kenmerkend voor monseigneur Wilmer, die de kunst van overreding zo goed verstond, miste z'n uitwerking niet. Zonder overdrijving kan men zeggen dat dit herderlijk schrijven een duidelijke wending ten goede teweegbracht. Op het einde van zijn kroniek, die hij op 1 juli 1869 afsloot, mocht pastoor Kok deze verheugende ommekeer nog met vreugde en voldoening constateren.

De laatste jaren reeds ziekelijk, overleed pastoor Gerardus Kok -tevens de historieschrijver van 'het Vrededuifje'- toch nog plotseling op 22 juni 1870, pas 58 jaar oud. Zijn opvolger, Coenradus Leonardus Rijp, tevoren pastoor/deken van Ouderkerk aan de Amstel, begint zijn voortzetting van de kroniek in het 'Registrum Memoriale' met de woorden:

'Pastoor Kok heeft de geschiedenis niet kunnen vervolgen, den 22 Juny 1870 onverwachts tot een beter leven geroepen, om de belooning te ontvangen voor al de moeyelijkheden en de druk wegens den bouw der kerk en den financiëlen nood ondervonden. Zijn sterk gestel scheen daar niet tegen bestand.'

Wat van bisschop Wilmer hierboven werd gezegd, dat kan ook van pastoor Kok worden getuigd. Met name uit de notulen van het kerkbestuur blijkt duidelijk, hoe hij zijn mede-werkers en parochianen wist te stimuleren en voor de goede zaak te begeesteren, en ze toch, tegelijk, in hun waarde te laten. Hij was ongetwijfeld, wat men noemt, een geliefd herder. Zonder in zwart-wittekening te willen vervallen, moet toch worden geconstateerd, dat de figuur van zijn opvolger, pastoor Rijp, daarmee sterk contrasteerde. Aan zijn persoon en werk wordt in 'In Vrijheid Herboren' (Katholiek Nederland 1853-1953) ruime aandacht besteed. Als publicist, speciaal in het tijdschrift 'de Katholiek', wordt hij daar ( bladz.314) getekend

als iemand 'die bijna als ketterjager iedere katholieke stelling tot het uiterste meende te moeten doordrijven' en op bladzijde 358 lezen we: 'Nog vier jaar na zijn Proeve (van een program voor een Katholieke Partij, 1883) had Schaepman zich te verdedigen tegen pastoor C.L.Rijp, een der meest steile conservatieven uit het katholieke kamp'. Tegen deze pastoor moest Schaepman nog betogen, dat inderdaad de constitutionele staat uit de revolutie stamt en veel uit de revolutie kan hebben behouden, maar dat hij op zichzelf een der vele regeringsvormen is, die de Kerk kan accepteren'.

Men moet de verleiding weerstaan om nog heel wat meer van deze kwalificaties te citeren, maar wel moet worden gezegd dat Coenradus Rijp ook als pastoor van 'de Duif' zijn aard niet verloockende en er af en toe aardig in slaagde kerkmeesters en parochianen tegen zich in 't harnas te jagen. Tekenend voor dit alles -maar dan ook weer voor de ootmoed, die uit de volgende zelfbeschuldiging spreekt- is, wat pastoor Rijp, in 1873, in het 'Registrum Memoriale' (bladz.256) aantekent, als volgt:

'Den 13 Augustus is in deze kerk getrouwd 'met weduwe van (een overleden broer van de bruidegom) met dispensatie in 1affinitatis coll. et 2a consanguinitatis.

Deze trouwing had dit merkwaardigs, dat de geheele familie ontevreden, ik mag zeggen vertoornd was, wegens het puntje van den Pastoor. De Pastoor had gesproken over de verpligtingen, welke voor hen uit de verleende dispensatie voortvloeiden en daarbij hunne halstarrigheid tegen hunne ouders, hun Pastoor en Bisschop, het slechte voorbeeld voor hunne kinderen niet onvermeld gelaten. Twee gemaakte opmerkingen zijn der vermelding waard. Vooreerst de Pastoor had dit in de biecht of onder vier oogen moeten zeggen; vervolgens het was niet noodig om deze zaak publiek te maken en de familie (van de bruidegom) te compromitteeren. Moge God Zijnen zegen aan dit huwelijk schenken en de ouders er vreugde aan beleven.' Na zijn 12,5-jarig pastoraat begin 1883 te hebben gevierd, vroeg en verkreeg pastoor Rijp, in september van datzelfde jaar, overplaatsing naar Monster. De samenwerking met het kerkbestuur was vrij stroef geweest, maar de financiële situatie, mede door- dat de kerkmeesters de koorden van de beurs stevig in handen hadden gehouden, was aanmerkelijk verbeterd. Illustratief is in dit verband, wat pastoor Rijp begin 1872 noteert: 'opmerkenswaard is dat de leden van het kerkbestuur geweigerd hebben om iets bij te dragen (voor de aanschaf van een kelk, ter gedachtenis aan het 25-jarig pasuschap van Pius IX ). Gelijk zij in het algemeen niet gaarne zien dat iets gegeven wordt tot andere doeleinden dan tot afdoening van schuld'. Ook de volgende notitie, einde 1880, is tekenend: 'Twee kerkmeesters, de Heeren..en.. herdachten dit jaar hun 12.5 jarig huwelijksfeest, zonder door enig geschenk de kerk te gedenken'.

Uit de aantekeningen daarvan in het 'registrum Memoriale', ook door pastoor Rijp getrouw voortgezet, blijkt overigens dat ook tijdens zijn pastoraat vele vaak kostbare paramenten en ornamenten aan de kerk werden geschonken.

De opvolger van pastoor Rijp was Willem J.van Grossel. Tijdens zijn kort pastoraat ( hij overleed, in functie, op 3 juni 1890: werd de huidige pastorie gebouwd, met daarachter een sacristie en kapel aan de Utrechtsedwarsstraat. Architect was P.J.Huibers, eerder opzichter bij P. Cuypers, bij de bouw van het Centraal Station. Zijn zoon, Joannes Petrus Huibers, de latere bisschop van Haarlem, werd 15 november 1875 binnen de parochie geboren en diezelfde dag in 'de Duif' gedoopt. Tegen het einde van het pastoraat van pastoor Van Grossel bereikte 'de Duif' haar hoogste zielenaantal. Het aantal dopelingen, in 1850 nog maar 87, nam,uiteraard,na de verheffing tot parochiekerk en de toedeling van een uitgestrekt territoir, sterk toe. De bebouwing, in de volgende decennia, van de schansen (Weteringschans en dwarsstraten en Muiderschans (Sarphatistraat) en dwarsstraten ), droeg bij tot een verdere toeneming, vóór de ontvolking van de binnenstad begon en de ontkerstening van de brede massa inzette met een tegengesteld effect. E.e.a. blijkt uit de aantallen dopen, als volgt: in 1860: 138; in 1870: 190; in1880: 197; in 1890: 206 en in 1900: 170.

Voor onze kijk op het wedervaren van parchie en kerk onder pastoor W.J. van Grossel, 1883 tot (+)1890, en onder diens opvolgers Andreas G.R. Feijen, 1890 tot (+)1906, en Petrus A.F. Thier, 1906 tot 1908, is het zeker te betreuren dat zij de kroniek, door pastoor Kok begonnen en door pastoor Rijp vervolgd, niet hebben bijgehouden.

Met de verfraaiIng van het kerkinterieur ging men gestadig voort. Zij vond, tegen het einde van het pastoraat van pastoor Feijen, opnieuween hoogtepunt in de vervaardiging van het hoofdaltaar met het imposante ciborium ( baldakijn), waarvoor de parochie maar liefst f.13.000 bijeen had gespaard.

Voorts rijpte tijdens dit pastoraat het plan om een parochiale jongensschool (voor de meisjes was er al een school, onder leiding van de zusters van liefde van Tilburg) en een jongens- patronaat te stichten. In 1905/1906 kocht het kerkbestuur hiervoor de nodige percelen in de Nieuwe Looiersstraat en Focke Simonszstraat. Tijdens het kortstondig pastoraat van Petrus

Thiert die in 1908 tot deken van Rotterdam werd benoemd, werden school en patronaat gebouwd en begin 1908 in gebruik genomen.

Pastoor Thier maakte plaats voor de Warmondse dogmatiek-professor Gerardus van Noort. Deze, pas 46 jaar oud, had zich in de vijftien jaren van zijn professoraat een reputatie als theoloog verworven tot ver buiten de grenzen van diocees en vaderland. Maar, evenals de grote canonist Vlaming, die al in 1906 aan de modernisten-jagerij ten offer was gevallen, en zijn Warmondse professoraat voor een pastoraat in het landelijke Berkel-Rodenrijs had moeten verruilen, werd nu ook Van Noort, door het drijven van overbezorgden, van 'Warmond' verwijderd. Voor de beoefening van de theologie een groot verlies, maar voor 'de Duif' een grote winst. Want pastoor Van Noort gaf zich volledig -en dat was bij een priester van zijn formaat heel wat!- aan zijn nieuwe taak.

Een van de blijken van hoe consciëntieus de nieuwe herder zigh taak opvatte is dat hij, van meet af aan, weer al wat er aan gedenkwaardigs in de parochie voorviel in het 'Registrum Memoriale' aantekende. Hieraan danken we een duidelijk beeld van het parochieleven in de jaren van zijn pastoraat (1908- 1929) en dat van zijn opvolgers: J.Th. Winkelman (1929- 1946) en Jac.Duyves (1946- 1965 ), die de kroniek getrouw vervolgden.

Eén van de eerste zorgen van pastoor Van Noort gold een goede echt-menselijke hulpverlening aan de behoeftigen. De manier, waarop in Amsterdam nog steeds de katholieke armenzorg door één centraal bedeelkantoor voor de gehele stad geschiedde, was hem een doorn in 't oog. Op zijn instigatie begon zijn kerkbestuur al in 1909 te ijveren voor de oprichting van een katholiek armbestuur voor de eigen parochie. Alleen op die manier zou een contact van mens tot mens, van parochiaan tot mede-parochiaan, bij de beoefening van de caritas mogelijk zijn. Dat zulke armbesturen tenslotte, na moeizame onderhandelingen, op 15 september 1920 voor alle Amsterdamse parochies gelijktijdig werden opgericht en dat deze per 1 november d.a.v. de eeuwenoude taak van het R.C. Oude-Armenkantoor op een redelijke financiële basis konden overnemen, was aan zijn initiatief te danken.

Zorg voor de behoeftige parochianen was trouwens in 'de Duif' een goede traditie. De pastoor hield er een eigen armenfonds op na en, al in de jaren van pastoor Kok, verstrekte men er de armen, dank zij de belangeloze medewerking van de kerkmeesters dokter Rombouts en apotheker Bouvy, gratis medische hulp en medicijnen. En ten tijde van het schuilkerkje in de Kerkstraat kon de pastoor -zoals eerder vermeld- de hem-kwijtgescholden huur aan de armen besteden.

Naast zorg voor de materiële nood van zijn parochianen, schonk de theoloog Van Noort uiteraard ook alle aandacht aan hun gezonde geloofsbeleving. Zo werden in de wintermaanden -voor het eerst in 1910/1911- cursussen in de godsdienstleer gegeven, meestal door de pastoor zelf. Enkele van zijn cursussen verschenen daarna in druk, sommige beleefden zelfs een herdruk. Opvallend is ook dat pastoor Van Noort er dadelijk in slaagde bij zijn parochianen waardering en juist begrip te wekken voor de vervroegde kinder-communie. Met voldoening kennelijk, tekent hij in mei 1911 aan: 'Degenen,die weigerden hun jonge kinderen tot de H.Communie toe te laten,waren zeer weinig in aantal; onder degenen, die wat hooger stonden, was er slechts één. Zonder moeite hebben allen zich geschikt naar den wensch der bisschoppen, om de kinderen ( ook die van 11 jaar ) te kleden in gewone zondagskleederen. Zeer weinige zijn nog met rijtuigen gekomen; van de aanzienlijken deed niemand het. Daartegenover heeft de pastoor zich beijverd om te zorgen, dat de eerste H.Commusie 'in de kerk met passende plechtigheid gevierd' werd (Zendbrief der Bisschoppen van 1 Febr. 1911).'

De stroom van geschenken voor de kerk ging gestadig voort. Pastoor Van Noort vermeldde ze vol dankbaarheid en gaf daarbij -en trouwens ook bij de vermelding van jubilea en andere blijde of droevige gebeurtenissen- bij voortduring blijk van de wederzijdse waardering en vriendschap, die in de parochie heersten. Deze kwamen ook tot uiting in en werden nog versterkt door het parochieweekblad 'het Vrededuifje', dat sinds 1923 verscheen.

Ook het onderhoud van de kerk eiste in deze jaren weer veel zorg. In 1909 werd de kerk, inwendig, geheel gewit en schoongemaakt. In 1912 beschilderde C.Dunselman het priesterkoor. De pastoor gaf van die beschildering een beschrijving, die in druk verscheen ( nr 323 van dit archief ).

N.B. In de vijftiger jaren is deze beschildering, die toen blijkbaar niet meer in de smaak viel, door witwerk vervangen.

In 1920 werd de kerk voorzien van hete-luchtverwarming.

In 1926 moest het gehele gestucadoorde plafond der kerk vernieuwd worden.

In 1926 werd pastoor Van Noort in het kathedraal kapittel opgenomen en op 4 februari 1929 werd hij benoemd tot deken van Amsterdam. Voor deze krasse priester was de leeftijd van bijna 68 jaar in 't geheel geen beletsel om die taak nog te aanvaarden. Maar liefst nog 16 jaar lang zou hij deze nieuwe functie, met groot beleid en uitzonderlijk gezag, vervullen. Voor 'de Duif' betekende zijn heengaan een groot verlies, al was men verheugd dat deze benoeming hem was ten deel gevallen en dat men hem in Amsterdam mocht behouden. Met de hem eigen bondigheid besluit pastoor Van Noort het door hem geschreven deel van de kroniek als volgt: 'En hiermede eindigt het pastoraat van G.van Noort over 'het Duifje',dat hij ongaarne verlaat maar gaarne overdraagt aan pastoor Winkelman! Ad multos annos!

Theodorus H.J. Winkelman was, vóór hij op 15 februari 1929 in 'de Duif' zijn intrede deed, volgens het getuitgenis waarmede hij de kroniek voortzet, '11 jaar de gelukkige pastoor geweest van het dorp Wormer'. Hoewel, uiteraard, heel wat jonger dan zijn voorganger, was Winkelman, vergeleken bij de levendige Van Noort, een bedaagde verschijning. Toch blijkt uit alles dat hij spoedig met z'n parochianen vertrouwd was en zij, wederkerig met hem. In moeilijke jaren van crisis en bezetting, heeft hij hartelijk samengewerkt met kapelaans en kerkbestuur en het godsdienstig leven op het hoge peil gehandhaafd, zoals uit het onverminderd aantal communien blijkt. Veel zorgen hadden hij en z'n kerkmeesters om de parochiale jongensschool, waarvan het aantal leerlingen, vooral door het vertrek van kinderrijke gezinnen, sterk terugliep. Omzetting in een gemengde school, nadat, na moeizaam overleg, de niet-parochiale meisjesschool in de Nieuwe Looiersstraat was opgeheven, bracht weer wat verademing.

Bij gelegenheid van het 40-jarig priesterfeest van pastoor Winkelman, in 1942, schonk de parochie, als feestgave, gelden voor de voltooiïng, door de firma Ademat van de hoognodige restauratie van het kostbare kerkorgel. In 1946 vermeldt de kroniek:

'Op Zondag 15 September overleed Mgr Dr Gerardus Van Noortt, Deken (toen niet meer!) van Amsterdam, oud pastoor van onze parochie.'

en,-merkwaardige coïncidentie- meteen daarna:

'Sinds lang was de toestand van Pastoor Winkelman van dien aardt dat hij niet meer in staat was zijn functie naar behooren waar te nemen. Op zijn verzoek kreeg hij eervol ont- slag van den Bisschop en werd 16 September als zijn opvolger benoemd Pastoor Jac Duyvest die pastoor was te Rinnegom.'.

Aangezien we nu zijn aangeland in een periode van tijdgenoten, dient hier dit historisch overzicht te eindigen. Vermeld zij nog dat pastoor Winkelman, na een emeritaat, door gebracht in het Sint-Bavogesticht te Heemstede, op 19 mei 1962 overleed, en dat pastoor Duyves tot augustus 1965 het pastoraat van 'de Duif' heeft bekleed en daarna in Heemskerk van zijn 'otium cum dignitate' is gaan genieten.

Geraadpleegde litteratuur

L.J. Rogier. Geschiedenis van het katholicisme in Noord- Nederland in de 16e en 17e eeuw. 1945. Urbi et Orbi, Amsterdam.

L.J. Rogier en N.de Rooy. In Vrijheid Herboren. Katholiek Nederland 1853-1953. 1953. N.V. Uitgeversmij Pax, 'sGravenhage.

Dr I.H. van Eeghen. De eigendom van de katholieke kerken in Amsterdam ten tijde van de Republiek, met bijlagen. 'Haarlemse Bijdragen', jaargang 64, 1957, bladz. 217 e.v..

Drs H.P.R. Rosenberg. De 19e-eeuwse kerkelijke bouwkunst in Nederland. Staatsuitgeverij. 's Gravenhage 1972.

Archiefvormers

    De nummers achter de archiefvormers verwijzen naar het corresponderende inventarisdeel of het inventarisnummer. Door er op te klikken opent zich de inventaris op dat onderdeel of nummer.
    • Parochie van de Heilige Willibrordus binnen de Veste (de Duif); kerkbestuur : 2
    • Parochie van de Heilige Willibrordus binnen de Veste; armbestuur : 4
    • Parochie van de Heilige Willibrordus binnen de Veste; broederschap van het Heilige Hart van Jezus; Apostolaat des Gebeds : 7
    • Parochie van de Heilige Willibrordus binnen de Veste; broederschap van het Heilige Hart van Maria : 6
    • Parochie van de Heilige Willibrordus binnen de Veste; Genootschap van de Eeuwige Memorie : 5
    • Parochie van de Heilige Willibrordus binnen de Veste; parochiaal comité voor de stichting der Rooms-Katholieke universiteit : 8
    • Parochie van de Heilige Willibrordus binnen de Veste; pastoor : 1
    • Parochie van de Heilige Willibrordus binnen de Veste; schoolbestuur : 3
© Stadsarchief
Disclaimer / Colofon
<

Gegevens over mogelijk nog levende personen mogen alleen worden gebruikt voor historisch (waaronder genealogisch), wetenschappelijk of statistisch onderzoek.

Door het aanklikken van onderstaande button verklaart u zich te houden aan het Reglement voor raadpleging en gebruik van het Stadsarchief.