398: Archief van de Ambachtsheerlijkheid Weesperkarspel en Hoogbijlmer, de Gemeentes Weesperkarspel en Bijlmermeer en van de Directeuren der Veenderijen in de Hollands-Ankeveense en Andere Polders

Algemene kenmerken

Toegangsnummer:

398

Periode:

1355 - 1924

Inleiding

Weesperkarspel en Hoogbijlmer

Het gebied van Weesperkarspel en Hoogbijlmer bestond uit een groot aantal polders of gedeelten daarvan. Het grensde in het noorden aan Muiden, Muiderberg en Diemen, in het oosten aan Naarden en Hilversum, in het zuiden aan 's-Graveland, Ankeveen, Nederhorst den Berg, Overmeer, Nigtevecht en Abcoude, in het westen aan Ouderamstel en het omsloot aan 3 zijden de stad Weesp.

Rond 1600 werd het Weesperkarspel een zelfstandig baljuwschap. Daarvoor was het, met een eigen bestuur en rechtbank, een deel van het baljuwschap Gooiland.

Op het bestuur had de stad Weesp grote invloed. De hoofdofficier van Weesp, de baljuw van Gooiland, was ook hoofdofficier van Weesperkarspel.

De zittingen van het bestuur werden gehouden in het raadhuis van Weesp.

Onder Weesperkarspel ressorteerden ook de Bijlmerlanden (Hoogbijlmer), die wel een eigen schepenbank, maar geen eigen plaatselijk bestuur hadden.

De Bijlmermeer met de eraan grenzende landerijen werd in 1627 van Hoogbijlmer afgescheiden en tot een afzonderlijk rechtsgebied met een eigen plaatselijk bestuur verheven, nadat amsterdamse kooplieden in 1622 octrooi hadden verworven tot droogmaking.

Het Weesperkarspel was onderverdeeld in 4 stokken: de Overvecht (waaronder de Uitermeer), het Gein, de Gaasp en de Bijlmer.

Het bestuur werd gevormd door schout, schepenen en buurtmeesteren.

Crimineel en civiel was het gebied verdeeld over 2 rechtbanken, één voor de stokken Overvecht, Gein en Gaasp en één voor de Bijlmer.

De baljuw van Gooiland, drost van Muiden, hoofdofficier van Weesp, Weesperkarspel en Hoogbijlmer benoemde de schout of stedehouder (die ook altijd schout van Weesp was).

Ook de schepenen werden jaarlijks door de beljuw benoemd. Voor de Overvecht, het Gein en de Gaasp waren dat er 7. Volgens de resolutie van de Staten van Holland en Westfriesland van 20 maart 1663, moest de baljuw het enie jaar 4 schepenen kiezen die in de stokken woonachtig waren en 3 ingelanden zonder vaste verblijfplaats in de stokken, het andere jaar 3 ingezetenen en 4 ingelanden. Voor de Bijlmer benoemde hij 5 schepenen. Het ene jaar 3 ingezetenen en 2 ingelanden, het andere jaar 2 ingezetenen en 3 ingelanden.

Het college van buurtmeesteren werd in 1557 opgericht 'bij solemnele buurspracke van alle de gemeene buuren', ten overstaan van schepenen van het hele Weesperkarspel. De 4 buurtmeesteren, 1 voor elke stok, vertegenwoordigden de ingelanden van het Weesperkarspel en werden door de schepenen benoemd uit degenen die de meeste belasting betaalden. Jaarlijks op 22 februari traden 2 buurtmeesteren af en werden weer 2 nieuwe benoemd.

De secretaris (tevens secretaris van Weesp), werd benoemd door de Rekenkamer der Domeinen, later door de Gecommiteerde Raden van Holland en West-Friesland.

Schout en schepenen voerden de civiele rechtspraak en hadden bemoeingen met het drijven van de schouw.

De buurtmeesteren regelden de financiële-, en belastingaangelegenheden en legden daarover jaarlijks rekening en verantwoording af aan schout en schepenen.

Hoe precies de verdeling en inhoud der taken was is (nog) niet gebleken. Wellicht zullen daarover gegevens gevonden kunnen worden in het archief van Weesp. In de definitieve inventaris zal dit aspect uitvoeriger worden behandeld. Weesperkarspel en Hoogbijlmer sinds 1795.

Nadat op 7 maart 1795 schout, schepenen en buurtmeesteren hun functies hadden neergelegd, werden op dezelfde dag door de burgers van Weesperkarspel een schout, 7 provisionele vertegenwoordigers of rechters, 4 thesaurieren (het comité van financiën) en een secretaris gekozen. Op 25 februari 1804 werd het oude bestuur eervol ontslagen en werd door het Departementaal Bestuur van Holland het gemeentebestuur aangesteld dat uit 4 leden bestond en dat werd bijgestaan door de secretaris. Eén van de 4 leden fungeerde als voorzitter.

In 1811 werd Weesperkarpsel met Hoogbijlmer bij keizerlijk decreet bij Weesp gevoegd, van welke stad het bij K.B. van 13 december 1815 (met ingang van februari 1816) weer gescheiden werd.

Op 1 mei 1817 trad het 'Reglement van bestuur voor het platteland der provincie Holland' (K.B. van 9 oktober 1816) in werking.

De schout werd nu benoemd door de koning, de gemeenteraad, bestaande uit 7 leden door de Provinciale Staten. Twee leden uit de raad werden benoemd tot assessoren. Ook de secretaris werd door de Provinciale Staten benoemd. De schout was belast met het dagelijks bestuur, de handhaving van de openbare orde en met de uitvoering van de burgerlijke stand.

Schout en assessoren behartigden samen de huishoudelijke belangen van de gemeente. De raad beraadslaagde en besloot met name over de financiële belangen en stelde plaatselijke verordeningen, keuren en ordonnanties vast. De secretaris had tot taak de assessoren en de raad te assisteren, behoorlijk van alles notulen te maken en hij was belast met het beheer van het archief.

De gemeenteontvanger, benoemd door de raad, was belast met de financiële administratie.

Bij K.B. van 23 juli 1825 werd een nader 'Reglement op het bestuur ten plattenlande voor de provincie Holland' vastgesteld.

In plaats van de schout werd door de koning de burgemeester benoemd. De raad werd benoemd door de Provinciale Staten, de assessoren uit de leden van de raad door de gouverneur.

De burgemeester was belast met het dagelijks bestuur en het oppertoezicht in het algemeen over alles wat niet afzonderlijk aan de gemeenteraad was opgedragen. Dat deed hij alleen of samen met de assessoren.

De raad maakte de plaatselijke verordeningen en vergaderde over de gemeenterekening.

De secretaris, benoemd door de koning, hield notulen, beheerde het archief en ondertekende alle uitgaande stukken van het gemeentebestuur.

De ontvanger werd benoemd door de Staten.

Op 5 juli 1851 trad de Gemeentewet in werking. In Weesperkarspel kwam het nieuwe bestuur voor het eerst bijeen op 1 oktober van dat jaar. Het bestond nu uit een raad, burgemeester en wethouders en er waren een secretaris en een ontvanger.

De raad, bestaande uit 7 leden, werd rechtsstreeks door de kiezers gekozen. De raad benoemde 2 van haar leden tot wethouders. De burgemeester werd door de koning benoemd, de secretaris en de onvanger door de raad.

De raad bepaalde het beleid, maakte plaatselijke verordeningen en hief plaatselijke belastingen. Burgemeester en wethouders vormden het dagelijks bestuur. De burgemeester was belast met de uitvoering van de besluiten van de raad en van het college van burgemeester en wethouders, met de uitvoering van het zelfbestuur en i.h.a. met het toezien op het naleven van de wet en het waken voor het algemeen belang. Raad, dagelijks bestuur en burgemeester werden bijgestaan door de secretaris. De ontvanger was belast met het invorderen van alle inkomsten uit de gemeente en het doen van alle betalingen uit de gemeentekas.

In 1966 werd de gemeente opgeheven en opgedeeld tussen Amsterdam, Weesp, 's-Graveland en Naarden.

Het archief.

Het oudste stuk in het archief is een schouwregister dat begint in het jaar 1666 (inv. Nr. ).

Het eerste resolutie-, en notulenboek van het bestuur van Weesperkarspel begint op 7 november 1744 met de volgende verklaring: '.. is goed gevonden en verstaan, dat van nu voortaan alle saaken, raakende de secretarije ende schepenen van Weespercarspel, ofte haere jurisdictie, sullen werden gestelt en aangeteekent, in Boeken die onderscheijden sijn van de Boeken waerin aangeteekent werden soodaenige saacken, die tot de Regtbank en scheepenen van de stadt Weesp sijn behorende. En sullen ten dien eijnden separaat werden geformeert en gehouden de navolgende boeken:

  1. Register van de Huwelijken
  2. Prothocollen
  3. Ordinaris Rolle
  4. Taxatieboeck
  5. Minut Register
  6. Confessie Register
  7. Schouts Rolle
  8. Publique Vercoopinge
  9. Resolutie off Notulboek'
Het bestuur van Weesperkarspel vergaderde in het raadhuis van Weesp, waar ook de rechtzittingen werden gehouden en de huwelijken werden gesloten. Bovendien hadden Weesp en Weesperkarpsel dezelfde schout en dezelfde secretaris. Vele zaken Weesperkarpsel betreffende zullen gevonden kunnen worden in het archief van Weesp.

In inv. Nr. bevindt zicht voorin een lijst van privilegiën en andere documenten (van 1355-1669) rakende Weesp en Weesperkarspel, 'berustende ter secretarie van Weesp in de gemeene kist van Weesp en Weesperkarspel van welke kist Weesp en Weesperkarspel ieder een sleutel hebben'.

Bij de afscheiding van Weesperkarspel van Weesp in 1816 werd o.a. bepaald dat door de regering van Weesp 'zullen worden overgegeven alle charters en papieren, bewijzen van eigendommen en eigendommen zelve, welke voor de combinatie in het bijzonder bezit van Weesperkarspel zijn geweest'.

Op 3 januari 1848 deelde de burgemeester mee dat het bestuur van Weesp verzocht had de kamer op het stadhuis, tot dan toe door Weesperkarspel gebruikt tot berging van het archief, af te staan 'tot ene bewaarplaats van gegijzelden, tegen genot van enig ander vertrek tot berging als voren'.

Vanaf 1851 worden in de gemeenteverslagen (voor zover aanwezig) soms mededelingen over het archief gedaan.

In 1851 wordt gezegd dat de staat en omvang van het archief is 'dat van een gewoon plattelands archief' en dat het in goede orde is bijgehouden, dat er geen buitengewone vermeerdering heeft plaats gehad en dat er dan ook geen bijzondere maatregelen genomen zijn t.a.v. de beschrijving. Enige malen wordt vermeld dat geen vermeerdering heeft plaats gevonden, in 1864 dat het in behoorlijke staat verkeert. In 1866 dat de gemeentearchieven zich in goede staat bevinden, dat ze bewaard worden in daartoe expresselijk ingerichte archiefkasten, dat ze behoorlijk geinventariseerd zijn in het jaar 1866 (inv. Nr. ) en jaarlijks worden begewerkt. Verder wordt vermeld dat 'dezelve onbelangrijk zijn' en dat ze 'gevoeglijk verdeeld kunnen worden in charters van voor 1795 en van 1795 tot op heden'.

In 1966 is het gedeelte van het archief dat loopt tot 1958 (31 meter) naar de Gemeentelijke Archiefbewaarplaats van Amsterdam overgebracht. In 1968 volgende nog 35 meter en 8 kasten, die werden overgebracht van het Gemeentelijk Bureau voor Documentatie en Registratuur. Het archief werd geregistreerd als particulier archief nr. 398.

De rechterlijke archieven 1) en de DTB's bevinden zich in het Rijksarchief in Noord-Holland te Haarlem.

De Bijlmermeer.

In 1622 werd door de Staten van Holland en West-Friesland octrooi verleend aan Abel Matthijsz. Burch en andere amsterdamse kooplieden om de Bijlmermeer te bedijken, droog te maken en in eigendom te behouden. Zij kregen het recht om een dijkgraaf, heemraden en een penningmeester aan te stellen en ze kregen de lage jurisdictie. Toen de meer droog was, werd hen bovendien de hoge jurisdictie verleend en werden dijkgraaf en heemraden tevens baljuw en schepenen. Nadat de polder nog verschillende malen onder water was gelopen, is de definitieve droogmaking voltooid in 1825. In 1795 werd de Bijlmermeer die nog geen 100 inwoners telde, (volgens de franse normen te weinig om een zelfstandige gemeente te kunnen vormen), bij Weesp gevoegd.

Bij K.B. van 9 augustus 1816 werd de Bijlmermeer een zelfstandige gemeente (met ingang van 1 mei 1817), die echter bij K.B. van 20 december 1846 (met ingang van 1 januari 1848) werd opgeheven en werd gevoegd bij de gemeente Weesperkarspel. Bij de opheffing van deze gemeente in 1966 werden de Bijlmermeer en de Oostbijlmerpolder toegewezen aan Amsterdam t.b.v. de stadsuitbreiding.

Krachtens het 'Reglement voor het bestuur van het platteland der provincie Holland' (K.B. van 9 oktober 1816, inwerking treding 1 mei 1817), werd in de gemeente Bijlmermeer bij K.B. van 14 februari 1817 een schout, tevens secretaris benoemd en werden bij besluit van Gedeputeerde Staten van 3 april 1817 4 raadsleden benoemd, uit hun midden weer 2 assessoren. De taakverdeling was gelijk aan die van het bestuur van Weesperkarspel, zie p. 2.

Krachtens het 'Reglement op het bestuur ten plattenlande voor de provincie Holland' (K.B. van 23 juli 1825), werd de burgemeester/secretaris benoemd door de koning.

De raad moest voortaan bestaan uit 7 leden, waarvan 2 assessoren, benoemd door de gouverneur, maar 'gezien de geringe bevolking der gemeente en de veelal mingegoedheid der ingezetenen' werd, op verzoek van de gemeente door Gedeputeerde Staten goed gevonden dat de gemeenteraad 'tot het daar zijn van geschikte personen' uit 5 leden zou bestaan, de burgemeester daaronder begrepen.

Het archief.

Toen de Bijlmermeer in 1817 een zelfstandige gemeente was geworden, namen de schout en een assessor van de burgemeesteren van Weesp een aantal 'papieren en documenten over de gemeente concernerende'. Het betrof vnl. registers van de burgerlijke stand. Over de geschiedenis van het archief is verder niets bekend.

Het oud-archief is in beheer bij het waterschap Bijlmer in Ouderkerk aan de Amstel. De oud-rechterlijke archieven (zie noot p. 4). En de DTB's bevinden zich in het Rijksarchief in Noord-Holland te Haarlem.

De veenderijen in de Hollands Ankeveense-, Heintjes Rak-, en Broekerpolders.

Bij de Resolutie van de Staten van Holland en West-Friesland van 13 april 1775 werd toestemming verleend tot vervening aan de gezamenlijke eigenaars van de veenlanden onder het dorp Ankeveen, op 't Hollands einde, in de Hollands Ankeveense-, Heintjes Rak-, en Broekerpolders, ingevolge het placcaat van 1595.

In 1778 werd het definitieve reglement (een eerste reglement dateert van 1777) tot de verveningen vastgesteld (inv. Nr. ).

De directie en het beheer van de veenderijen kwamen aan de belangrijkste geinteresseerden, die gekozen werden door de hoofdingelanden bij meerderheid van stemmen en aan de 2 poldermeesters van de Hollands Ankeveensepolder. De vergaderingen werden gehouden in het polderhuis te Ankeveen. Jaarlijks moest in maart ter secretarie aangifte gedaan worden van de te vervenen roetalen, in augustus van de in werkelijkheid verveende roetalen. De secretaris hield daarvan een register bij.

De verveners betaalden waarborgpenningen. 'Aan de verwaarborging ligt het denkbeeld ten grondslag dat de vervening, ondanks de landvernietiging die zij veroorzaakt, geen ongunstige invloed op de opbrengst der grondlasten ' onverschillig of deze door de provincie, het gerecht of de polder worden geheven ' mag uitoefenen'. (Th.F.A. Dolk, Het veenrecht inde provincie Utrecht van 1592-1916, Utrecht, 1916). Het bedrag der inleggelden was vastgesteld door de gewestelijke overheid. Het bedroeg 300 gulden voor iedere morgen van 600 roeden en het werd gestort op naam van schout en schepenen van Weesperkarspel, die ook het beheer van de gelden hadden. Als bewijs van storting ontving de vervener een obligatie of waterbrief. De inlegpenningen moesten worden belegd ten comptoire generaal van de provincie of van de ontvanger van de gemene lands middelen te Amsterdam. Jaarlijks werden de renten daarvan aan de verveners uitbetaald. Ter bestrijding van de kosten van bedijking, afwatering, sluizen, bruggen, het overnemen van onverveenbare landen, ed., werd door de directeuren, met goedvinden van de hoofdparticipanten, een belasting gelegd op de roetalen slik. Van het kapitaal daarvan werd jaarlijks rekening en verantwoording afgelegd ten overstaan van schout en schepenen, aan de present zijnde ingelanden. Na het doen van de rekening werd het kapitaal in handen gesteld van een kassier in Amsterdam.

In het verslag van de bespreking in 1966 gehouden over het oud en lopend archief van Weesperkarspel, wordt vermeld dat de 'waterbrieven Hollands Ankeveen met archief van belang zijn voor de nieuwe gemeente 's-Graveland'. Een aantal waterbrieven is waarschijnlijk nog in omloop.

Verantwoording.

De in het archief aangetroffen orde werd waarschijnlijk aangebracht door M.F. Pluim Mentz, die in 1943 een inventaris van het archief maakte. ('Inventaris van het archief van Weesperkarpsel', opgemaakt door M.F. Pluim Mentz e.a., Haarlem, 1943). De stukken waren ondergebracht in een aantal afdelingen, zonder dat er rekening gehouden was met het feit dat er in de loop der tijd verschillende besturen gefungeerd hebben. Hoewel het college van buurtmeesteren eigenlijk een apart archief gevormd heeft, met een eigen resolutie-, en notulenboek, is de neerslag van hun werkzaamheden zodanig verweven met die van schout en schepenen, dat het niet zinvol leek de archieven van deze 2 colleges te scheiden.

Van de hoeveelheid losse stukken heb ik een aantal kunnen terugbrengen naar de plaats waar zij naar alle waarschijnlijkheid oorspronkelijk thuis hoorden. Andere losse stukken heb ik apart moeten beschrijven, waardoor zij misschien een wat onevenredig groot gewicht hebben gekregen.

Het door mij geinventariseerde gedeelte van het archief loopt tot 1924, aangezien men in dat jaar is begonnen te ordenen volgens de code V.N.G. Ook bij stukken die niet volgens de code geordend zijn, zoals bv. De notulen van de gemeenteraad en van burgemeester en wethouders, die series vormen tot 1966, heb ik 1924 als grens aangehouden.

Het ligt in mijn bedoeling het hele archief tot 1966 te inventariseren, zodat uiteindelijk het archief van de gemeente Weesperkarspel als één geheel in de inventaris zal kunnen worden opgenomen.

Bij het inventariseren is gebruik gemaakt van enige recente inventarissen van archieven van voormalige gemeenten.

De lengte van het archief tot 1924 bedraagt ongeveer 15 strekkende meter, uitgezonderd de registers van de burgelijke stand en de bevolkingsregisters. 1) Zie B.M. de Jonge van Ellemeet, 'Inventaris der oud-rechterlijke en weeskamer-archieven', 's-Gravenhage, 1932.

Archiefvormers

© Stadsarchief
Disclaimer / Colofon
<

Gegevens over mogelijk nog levende personen mogen alleen worden gebruikt voor historisch (waaronder genealogisch), wetenschappelijk of statistisch onderzoek.

Door het aanklikken van onderstaande button verklaart u zich te houden aan het Reglement voor raadpleging en gebruik van het Stadsarchief.