349: Archief van het Nieuwezijds en het Oudezijds Huiszittenhuis en van de Regenten over de Huiszittende Stadsarmen

Algemene kenmerken

Toegangsnummer:

349

Periode:

1382 - 1870

Inleiding

I. Samenstelling en bevoegdheden van het bestuur.

Gelijk de titel aangeeft betreft deze inventaris het Huiszittenhuis aan de oude zijde en dat aan de nieuwe zijde, wier administraties op 1 Augustus 1808 werden vereenigd onder één college van regenten over de huiszittende-stadsarmen, dat zitting namen in het voormalige Nieuwezijdshuiszittenhuis.

Reeds vanaf de oudste tijden heeft men zorg gedragen voor ondersteuning der behoeftige ingezetenen. Aanvankelijk waren de kerkmeester met de armbedeeling belast doch blijkens een ongedateerde keur, geregistreerd in het oudste keurboek (1), werden daartoe later jaarlijks 'van tsgherechts weghen' tegelijk met kerkmeesteren gekozen 'vier guede eersamighe knapen'(2) . Deze 'beraders' of 'bewairres der armer huyssittenen' werden kort na de stichting der tweede parochiekerk, althans vóór 1419, onderscheiden in huiszittenmeesters van St. Nicolaasparochie of aan de oude zijde en huiszittenmeesters van Onze Lieve Vrouwe Parochie of aan de nieuwe zijde. Zij bezaten verschillende woningen hier en daar in de stad, waarin zij behoeftige lieden om niet lieten wonen en deden in hun parochiekerken van tijd tot tijd uitdeelingen aan de armen.

De huiszittenmeesters of regenten van de O.Z. verkregen in 1610 van de stad een groot erf achter het Leprozenhuis in de Amstelstraat, waarop zij vier turfpakhuizen bouwden. Op den 2den Juli 1654 berichtten burgemeesteren aan regenten, dat op verzoek van kerkmeesteren de uitdeeling van brood, boter en kaas niet langer in de Oude Kerk zou geschieden en dat zij hun daartoe een plaats zouden aanwijzen. Hun 'cantoor' in de Oude Kerk mochten zij echter behouden. Daarop bouwden regenten op den grond van den tuin der Leprozen een eigen huis, dat in 1809 tot Koninklijke drukkerij en later een tijdlang tot Rijksarsenaal werd ingericht en waarin de eerste uitdeeling op 20 December 1655 plaats vond. Sedert dien werd het 'cantoor' in de Oude Kerk alleen nog maar gebruikt om er de gecollecteerde penningen te tellen en te bewaren. In 1761 werd het waarschijnlijk door kerkmeesteren in gebruik genomen en werd aan de tegenovergestelde zijde van de kerk nl. de noordzijde van een nieuw vertrek opgetrokken voor huiszittenmeesteren.

Aanvankelijk had ondersteuning alleen plaats van Kerstmis tot Paschen en wel met brood, boter, kaas en turf en bovendien 20 st. per week in geld aan kraamvrouwen. De Aalmoezeniers, aangesteld 29 Januari 1613, deden hetzelfde gedurende den zomer met de behoeftigen, die 3 jaren in de stad hadden gewoond, totdat in 1682 hun werkkring werd beperkt tot het Aalmoezeniersweeshuis en regenten van de beide huiszittenhuizen ook de zomeruitdeelingen op zich namen. Bij resolutie van de Vroedschap dd. 23 October 1675 werd bepaald dat alleen zij die 7 jaren achtereen in de stad gewoond hadden, mochten worden bedeeld. Aan de O.Z. werden in het jaar dat Wagenaar het Godshuis bezocht (1765) voor den winter ruim 1800 en voor den zomer ongeveer 700 huishoudens of partijen ingeschreven. In het begin der 19e eeuw waren deze getallen meer dan verdubbeld. De inkomsten bestonden uit de opbrengst van huizen, landerijen, rentebrieven en obligaties welke het Godshuis bezat. Hierbij kwam nog het recht van de op- en afscheping der beesten, de collecten des Zondags en des Donderdags in de predikatiën in de Oude Kerk en de schaalcollecten door de wijkmeesters langs de huizen benevens in lateren tijd de subsidiën uit de stadskas. Verder hingen er op verschillende openbare plaatsen bussen voor aalmoezen en waren de huiszittenhuizen volgens een keur van 4 Januari 1530 erfgenamen van hen, die door hen onderhouden waren en geen nakomelingen achterlieten.

Het O.Z. huiszittenhuis stond onder toezicht van 6 huiszittenmeesters of regenten, die evenals de regenten der andere Godshuizen, door burgemeesteren werden aangesteld. Reeds in 1681 hadden zij hun werkzaamheden in 3 commissiën verdeeld nl. landerijen, bouwerij en bakkerij, elk van 2 regenten. Het oudste reglement voor regenten voor de bediening van het 'comptoir' dat bewaard is, dateert van 20 December 1639. Hierbij werd o.a. bepaald dat elke regent gedurende 2 maanden president zou zijn. Het reglement van 1673 beperkten den duur van het presidium tot 1 maand, terwijl bij de uitdeelingen en bij het inschrijven van de armen 2 regenten moesten tegenwoordig zijn. Volgens het reglement van 1697 fungeerde een der regenten als kassier en moest de kas op den laatsen Zaterdag van elke maand worden overgedragen. Volgens een resolutie van den Oud-raad van burgemeesteren dd. 23 Juli 1750 waren regenten van beide zijden verplicht om de 3 maanden bijeen te komen om te overleggen wat gewenscht was om bestuur en uitdeeling op een eenparigen voet te brengen. Het reglement van 1766 bepaalde, dat alle gewoonten van inschrijving en van het notuleeren door den president van hetgeen gedurende den tijd van zijn presidium voorviel, als van ouds zouden blijven. Wijzigingen van beteekenis werden sindsdien vóór 1808 niet meer in het reglement aangebracht. Op 4 Januari 1684 werd door regente, ingevolge een verzoek door burgemeesteren gedaan, een boekhouder aangesteld. In 1695 werd een nieuwe boekhouder op een instructie aangesteld. Hij moest de gewone en extra-ordinaire kantoordagen in het huiszittenhuis aanwezig zijn van 3-8 uur.

Voor den binnenvader werd in 1682 een instructie vastgesteld. Deze hield de uitdeelingen op schriftelijken last van regenten, welken schriftelijken last hij op den eerstvolgenden kantoordag moest inleveren en hij toezicht op de suppoosten, bedienden en behoeftigen. In hetzelfde jaar kregen de 6 suppoosten (later wijkmeesters geheeten), die de bedeeling deden, een instructie. Bij elk turfschip, dat gelost werd, moest een hunner aanwezig zijn ter controle en zij gaven de turf uit en brachten die thuis bij de behoeftigen. In 1695 werd besloten dat voortaan door geen der regenten consent tot thuisbezorging zou worden verleend op eenige cedullen, tenzij de suppoost der wijk, waarin de gealimenteerde woonde, in dorso er van het nummer van de wijk en zijn naam had aangeteekend en dat op die consent-cedullen aan niemand anders de portie zou worden gegeven dan aan de consentvrouw van die wijk, welke vrouwen aangesteld waren om de portie's thuis te bezorgen. Alle suppoosten moesten bij de inschrijving present zijn en de inschrijfcedullen ieder in zijn wijk rondbrengen en controleeren of de opgaven naar waarheid gedaan waren. Zij moeten het brood, de boter en de kaas tellen en afwegen en naar de uitgeefplaats brengen en aldaar aan den "contrarolleur van de fourneringen' toetellen, terwijl zij hiervan schriftelijke verantwoording aan den binnenvader moesten afleggen.

Krachtens het reglement dd. 1682 voor den 'binnenvader van het Weduwenhof en contrarolleur van de fourneringen en uitgift' moest deze evenals de binnenvader van het huiszittenhuis wekelijks van zijn aanteekeningen een copie inleveren aan de regenten, die de uitgifte hadden gedaan.

De huiszittenmeesters of regenten van de N.Z. verkregen in 1614 van de stad een erf op de Prinsengracht, benoorden de Leliegracht, waarop zij een bakkerij en een turfhuis bouwden. Zij bleven voortgaan met het doen der gewone uitdeelingen in de Nieuwe Kerk, totdat het verbranden van deze kerk op 11 Januari 1645 aanleiding gaf tot het stichten van een eigen huis naast de bovengemelde bakkerij en het turfhuis, waartoe nog twee pakhuizen werden aangekocht. Dit huis werd in 1649 voltooid en op 20 December van dat jaar vond er de eerste uitdeeling plaats. De bakkerij werd in 1690 geheel vernieuwd en het turfhuis werd verplaatst, terwijl omstreeks 1762 de groote uitdeelplaats, die begin te verzakken, opnieuw geheid en hersteld werd en de groote boterkelder dieper gemaakt werd. Sinds 1873 staat op de plaats van dit N.Z. huiszittenhuis een brandweerkazerne.

Voor de ondersteuning, die verleend werd, gold hetzelfde als wat hierboven van de O.Z. is gezegd. Het aantal ondersteunden bedroeg in 1765 voor den winter ruimt 5300 en voor den zomer ruim 900 partijen, terwijl deze getallen voor het jaar 1800 respectievelijk 8300 en 2400 bedroegen. De inkomsten waren van gelijken aard als die van de O.Z. alleen hadden regenten van de N.Z. in plaats van het recht op de op- en afscheping der beesten, de helft van het recht van de kraan.

De 6 regenten die het huis bestuurden, werden door burgemeesteren aangesteld, maar hadden in tegenstelling met die van de O.Z. het recht om een voordracht van 3 personen te mogen doen. Het college verdeelde zich met het oog op de werkzaamheden in commissiën voor Huishouding, Bouw, Bakkerij en Turfschuren en Boterkelder. De giften werden uitgedeeld ten overstaan van drie regenten. Ook hier werd na het verzoek van burgemeesteren in 1682 een boekhouder aangesteld. Krachtens zijn instructie van 1745 moest de binnen vader toezicht houden op de bedienden en op het opslaan van de levensmiddelen en de turf, en assisteeren bij de inschrijving.

Zooals gezegd, bezaten de huiszittenmeesters van beide zijden van ouds hier en daar woningen voor behoeftige weduwen. De voornaamste waren de Voldershuizen aan de noordzijde van den Heiligen Weg tegenover het Clarissenklooster, die in 1584 door de stad waren verkocht aan Ytgen Willem Schepelsdr. als woningen voor arme vrouwen. Deze 18 woningen stelde zij onder beheer van de huiszittenmeesteren van beide zijden, van regenten der gasthuizen en van regenten van het weeshuis. Toen men in 1649 besloot den grond der hand- en voetboogsdoelen achter de Voldershuizen als erven uit te geven, werden deze woningen verkocht en de opbrengst, met die van eenige andere dergelijke woningen, besteed tot den bouw van een nieuw Weduwenhof op een deel van den grond van het Karthuizerklooster, dat de stad kocht van het Burgerweeshuis, waaraan dit klooster was afgestaan. Dit Weduwenhof, in 1650 gebouwd, en dat thans nog dezelfde bestemming heeft, bevatte 101 woningen voor behoeftigen. De stad, die het grootste deel van de bouwkosten gedragen had, liet onderhoud en beheer er van over aan de beide huiszittenhuizen. De woningen der O.Z. werden met A, B, E enz., en die der N.Z., met 1, 2, 3 enz. geteekend. Sinds 1669 stelden de regenten van elke zijde een binnenvader op het Weduwenhof aan. Een reglement van 1650, door regenten van beide zijden opgesteld, bepaalde wie op het hof werden aangenomen en dat de binnenvaders van het overlijden van de bewoonsters terstond aan regenten kennis moesten geven. De bewoonsters genoten van de N.Z. brood, kaas, turf en geld en van de O.Z. brood, boter, turf en geld.

In 1745 besloot de vroedschap tot oprichting van 3 scholen, die onder beheer van gemachtigden uit den Kerkenraad en van regenten der twee huiszittenhuizen zouden staan. Doch sinds 1751 lieten burgemeesteren het beheer dier scholen geheel over aan de gemachtigden uit den Kerkenraad en richtten successievelijk een vijftal nieuwe scholen op, die uitsluiten onder het beheer van regenten der huiszittenhuizen gesteld werden. (2 onder die van de O.Z. en 3 onder die van de N.Z.). Zij waren verplicht om verslag uit te brengen aan 4 commissarissen over de scholen uit de vroedschap, die door burgemeesteren werden aangesteld. Er werden bijna uitsluiten kinderen toegelaten wier ouders onderstand genoten van de huiszittenhuizen. De schoolmeester en zijn vrouw werden aangesteld door regenten. Hij was verplicht om op de wekelijksche kantoordagen in het huiszittenhuizen verslag uit te brengen over de vorderingen der leerlingen. Regenten deden van hun uitgaven tot onderhoud der scholen jaarlijks verantwoording aan heeren commissarissen. Eens per jaar werd een collecte ten behoeve der scholen gehouden en het ontvangen geld op de Thesaurie gebracht. De Thesaurie betaalde de huren der huizen benevens de wedden van de schoolmeesters en de verschotten van regenten.

In 1803 werden het college van curatoren der Nederduitsche scholen en de daaronder ressorteerende commissie van bestuur over de stadsarmenscholen, die beiden in 1797 ingevolge de scheiding van kerk en staat waren opgericht, samen gesmolten onder den titel van 'Curatoren over de Nederduitsche en stadsarmenscholen'. Hierin zaten van beide zijden twee leden.

Tengevolge van een gift in 1751 ten behoeve van de schoolkinderen werd besloten om het z.g. meubelbeursje, dat gevormd werd uit de penningen, die op de een of andere wijze overschotten en diende tot aankoop van meubelen e.d., in het vervolg te gebruiken om van tijd tot tijd uitdeelingen van hemden in de scholen te doen. Sindsdien kwam de naam meubel- en linnenbeursje of alleen linnenbeursje in zwang.

Het Kon. Decreet dd. 2 October 1807 bepaalde dat de directie der beide huiszittenhuizen zou worden gecombineerd en de uitdeelingen in beide op een gelijkvormigen voet gebracht. Uitvloeisel daarvan was de resolutie van B. en W. dd. 30 Juni 1808, waarbij de Thesaurier gemachtigd werd om in het N.Z. huiszittenhuis te bewerkstelligen 'de weinige locale veranderingen welke vereischt werden ten einde in hetzelve de gecombineerde werkzaamheden te verrichten'. Bij resolutie van B. en W. dd. 6 Juli 1808 werd besloten de nieuwe administratie met 1 Augustus een aanvang te doen nemen. Benoemd werden 8 regenten, onder wie één R. Katholiek, welke zich op 19 Juli als 'Regenten der huiszittende stadsarmen' constitueerden.

Bedeeld werden ook nu de behoeftigen die niet trekkende waren van eenige diakonie of kerkelijk armbestuur met roggebrood en turf, doodkisten en een vrij graf op een der 4 stadskerkhoven en kraanvrouwen gedurende 3 weken met kraamgeld. De behoeftigen, die wel trekkende waren van eenige diakonie enz. kregen alleen in Januari en Februari turf. In 1850 werden in den zomer ruim 2500 en in den winter ruim 3700 huisgezinnen bedeeld, terwijl in den winter bovendien nog aan ruim 8600 huisgezinnen turf werd verstrekt. Renten van fondsen en vaste goederen, schaalcollecten aan de huizen der ingezetenen en subsidie uit de stadskas waren de middelen ter bestrijding der uitgaven.

Het getal regenten aanvankelijk 8, werd later tot 6 verminderd. Zij werden uit een voordracht van B. en W. door den stedelijken raad benoemd. Twee hunner werden steeds gedelegeerd bij het college van curatoren over de stadsarmenscholen. Blijkens hun reglement duurde het presidium 2 maanden. Het college van regenten verdeelde zich in bijzondere commissiën voor: Huishouding, Bouw, Bakkerij, Turf en boter, Zeeburg en de Kraan.

Voor het huishoudelijke van het Weduwenhof, als staande onder het geheele college, was geen bijzondere commissie. Onder regenten stonden als voornaamste beambten de 1e hoofdsuppoost of binnenvader en moeder, de 2e hoofdsuppoost of buitenvader (tot 1813) een 1e en een 2e boekhouder (tot 1846), een vader en moeder van het Weduwenhof, suppoosten, consentvrouwen enz., die allen in 1809 een instructie ontvingen.

Op 1 October 1856 traden in werking de 'Verordening op het Burgerlijk Armbestuur' en als uitvloeisel daarvan het 'Reglement voor het Huiszittenhuis'. Dit laatste, als bij den bestaanden toestand aansluitend, bevatte geen nieuws. Bovenvermelde verordening droeg het burgerlijk armbestuur op aan B. en W. voor zoover dit niet onder hun toezicht werd uitgeoefend door de stedelijke instellingen van weldadigheid, waaronder het Huiszittenhuis (waarbij gevoegd het Weduwenhofje) waarvan de regenten thans door den raad werden gekozen uit een voordracht van twee personen door het bestuur der instelling, vermeerderd met een tweetal door B. en W. daaraan toe te voegen. Telken jare trad één lid af. De hoofdsuppoost en de hoofdsuppoostin werden eveneens door den raad benoemd, het overige personeel echter door het bestuur der instelling. In 1870 trad een wijziging der Armenwet in werking en als gevolg daarvan werd in de raadsvergadering van 9 November 1870 het besluit genomen tot opheffing der colleges van regenten over de in de verordening genoemde instellingen, waaronder het Huiszittenhuis.

II. Inrichting der Administratie.

Door het ontbreken van archivalia is hieromtrent betreffende den

oudsten tijd niets bekend. Pas van den toestand in de eerste helft der 16e eeuw hebben we dienaangaande bij de O.Z. iets dat eenig licht geeft, nl. een rentelegger, aangelegd in 1545. Hieruit blijkt, dat de rentebrieven werden gecopieerd in een copieboek, terwijl de charters zelf in laden werden gelegd nadat er in dorso het ladenummer op was aangeteekend. In dien rengelegger werd op de linkerpagina's een extract dier brieven met het ladenummer en de folio van het copieboek opgenomen, terwijl op de rechterpagina's aanteekening werd gehouden van elken betaalden termijn. Aangezien in deze legger herhaaldelijk naar het 'oude register' wordt verwezen, is het mogelijk dat deze wijze van administratie reeds in het laatst der 15e eeuw gebruikelijk was. De inleiding, welke voor in dit register geschreven staat, eindigt met de woorden: 'bidden en begeeren daarom deze tegenwoordige huiszittenmeesteren alle navolgende huiszittenmeesters dat zij dit voornoemde boek also tselve begonnen is achtervolgen willen tot tijd en wijle tot zij andere bekwame middelen zullen kunnen vinden'. Als in 1673 nog in gebruik, wordt genoemd het 'lijff-ende losrenteboek beginnende op 16 April 1588 sijnde gebonden in root kalffsleer werdende met een gesp toegedaen'. Het oudste protocol van resolutiën bij de O.Z. (1639-1703) bestaat uit een drietal dunnere protocollen, waarvan elk oorspronkelijk een eigen pagineering had. Behalve resolutiën bevat het presentielijsten, staten van het personeel, instructies enz. en vertoont dus nog duidelijk de kenmerken van het algemeene protocol, waaruit zich later de verschillende bijzondere hebben afgescheiden. Van de bijlagen van dit protocol werden alleen de uit administratief oogpunt belangrijkste bewaard in laden na in dorso met het ladenummer te zijn voorzien, waarnaar in het protocol werd verwezen. De rest werd terstond of periodiek opgeruimd. Ten slotte worden als nog in 1750 bestaande vermeld het 'maanboek' begonnen in 1624, het 'inschrijfboek der bedeelden' vanaf 1637 en het 'uitgifteboek' eveneens vanaf 1637. Aan het einde der 17e eeuw werd ten gevolge van de benoeming van een boekhouder een Journaal en Grootboek met hulp- en bijboeken aangelegd. De rekeningen loopende van 1 Mei tot ultimo April werden sinds de resolutie van burgemeesteren dd. 18 October 1679 gesloten op ultimo Januari. Zij werden afgelegd aan burgmeesteren die in 1682 aan regenten een model voor 'de grote reekeningh' ter hand stelden. In het midden van de 18e eeuw zijn de thans verloren schoolnotulenboeken, waarvan er in 1808 nog 2 stuks aanwezig waren, aangelegd. De bijlagen daartoe behoorende werden in de laden bij de bijlagen van de gewone notulenboeken bewaard.

De presideerende regent zorgde voor de inschrijving der notulen. Het reglement van 1766 bepaalde, dat de president als naar ouder gewoonte het kasboek gedurende de maand van zijn presidium gehouden, in het net moest overschrijven. Twee regenten deden de inschrijvingen van de bedeelden. De boekhouder hield de financiële boeken bij en zorgde dat in Januari de balans en de rekening terstond konden worden opgemaakt. Hij moest de inventarissen der verkochte boedels, die hem door den binnenvader van het Weduwenhof of door den suppoost in wiens wijk het sterfgeval had plaats gehad, werden ter hand gesteld, in een register inteekenen. Wekelijks moest hij nagaan hoeveel iedere turfboer toekwam, hoeveel de turfdragers hadden verdiend en hoeveel turf was uitgedeeld. Hij moest kunnen opgeven hoeveel koren, boter en kaas ingeslagen en uitgegeven was en hoeveel brooden de bakker had afgeleverd. Hij scheef de kwitanties wegens huur e.a. schulden uit een stelde die, nadat ze door den president en de kassier geteekend waren, met een verzamelstaat in handen van de binnenvader. Vier weken daarna gaf hij aan de president op, welke posten niet waren binnengekomen. De binnen vader hield aanteekening van de ontvangen en op schriftelijken last van regenten uitgegeven doodkisten.

Omtrent de 16e eeuwsche administratie van de N.Z. is niets bekend. Alleen wordt genoemd als in dien tijd bestaande 'het oude vicaryboek' en verder heeft notaris P. Outgers in 1704 nagezien 'het Grootboek genaamt de Segger No. 1, 2, 3 enz.", en waarvan No. 1 eindigde in 1524, No. 2 in 1555, No. 3 in 1585 enz. Wat echter de inhoud er van was, blijkt niet. Het oudste bewaarde protocol van resolutiën (1672-1686) is in dorso geteekend No. 3. De beide ontbrekende registers waren reeds in 1824 niet meer aanwezig. Van de bijlagen tot dit protocol behoorende, werden ook hier alleen de uit administratief oogpunt belangrijkste bewaard.

Genoemd als in de 17e eeuw nog aanwezig, wordt nog 'het boeck genaemt lanthuur ende huyshuur', het turfboek en het inschrijfboek. Ook hier werd met de benoeming van een boekhouder de Italiaanse boekhouding ingevoerd, en werden de rekeningen sinds 1679 gesloten op 31 Januari, terwijl men zich na 1682 hield aan het model van de rekening door burgemeesteren voorgeschreven. Van de regenten maakte de president van alles wat er voorviel korte notulen. Deze werden op den volgenden kantoordag geresumeerd en gearresteerd, terwijl ieder lid memorie's kon indienen betreffende in de notulen behandelde zaken, die apart bewaard werden. Elke president moest de notulen van zijn presidium, dat 1 maand duurde, binnen een maand inschrijven. De vice-president schreef het kasboek van de vorige maand bij. De boekhouder hield Journaal en Grootboek bij en zorgde dat in Januari balans en rekening terstond konden worden opgemaakt. Blijkens zijn instructie van 1761 moest hij van toen af, aan het eind van elke maand, het kladkasboek in het net overschrijven. In 1804 berichtten regenten van de N.Z. aan hun collega's der O.Z. 'dat zij begonnen zijn aan te leggen nieuwe boeken op een alfabetische wijze de toenamen voor en de voornamen achteraan stellende'.

De op 1 Augustus 1808 in werking getreden administratie begon wel is waar met een nieuw protocol van notulen en nieuwe financiële registers, maar het inschrijfboek van bedeelden, tot toen in gebruik bij de N.Z., werd na 1 Augustus 1808 op precies dezelfde wijze voortgezet. Evenzoo werden het dispositieboek van de regenten van de N.Z. en de legger der oud-eigens van de N.Z. voortgezet. In 1832 werd in verband met de cholera een afzonderlijk doodkistenboek aangelegd. De president van het regentencollege maakte de notulen, die elke week goedgekeurd moesten worden en overhandigde ze na zijn aftreden aan den boekhouder, die ze in het net scheef, waarna de president ze teekende. Elke 2 maanden werd door een commissie uit de regenten geassisteerd door den boekhouder, de kas opgemaakt. De rekening werd thans op 31 December gesloten. In verband met het in werking treden van de Gemeentewet van 1854 ontvingen regenten diverse aanschrijvingen omtrent inrichting der begrooting e.d. Het raadsbesluit van 9 November 1870, waarbij het college van regenten werd opgeheven, maakte aan deze administratieve periode een einde.

III. Bewaring en ordening van het archief.

Voordat ze in 1655 over een eigen gebouw beschikten, bezaten de

huiszittenmeesters van de O.Z. een vertrek in de Oude Kerk dat in een notariële acte van 1578 de 'aerme voechden camer' werd genoemd. Bij hun mededeeling in 1654 dat de uitdeelingen niet langer in de Oude Kerk mochten plaats hebben, verklaarden burgemeesteren uitdrukkelijk dat regenten hun 'cantoor' aldaar mochten behouden. Dit laatste was dus de plaats hunner administratieve handelingen geweest, zoodat dan ook aldaar hun archief zal zijn bewaard. De rentebrieven en eigendomstitels van huizen en landerijen werden in met witte Romeinsche cijfers genummerde laden opgeborgen, waarvan ik nog een 26-tal terugvond in het huidige archief-depot van de N.Z. Kapel. Dit is begrijpelijk; immers na het vertrek der huiszittenmeester uit de Oude Kerk hebben Kerkmeesteren deze laden voor de bewaring van hun eigen archief in gebruik genomen.

Het in 1655 voltooide O.Z. huiszittenhuis, welks gevel op het Westen uitzag, had één verdieping, waarboven een zolder. Deze verdieping bestond uit een voorhuis, dat in het midden was gelegen. Zuidelijk van het voorhuis was een fraaie zaal en noordelijk het 'comptoir' van regenten. Naar aanleiding van een verzoek van Wagenaar in 1765 om inzage van het archief te mogen hebben, stelden regenten den binnenvader ter hand 'de sleutels van de cas in het comptoor benoorden de (aan de Oostzijde) gelegen schoorsteen alsmeede de looper van de cassen bezuiden de schoorsteen' om aan Wagenaar de noodige archivalia te kunnen geven. Enkele dagen later brachten deze de stukken terug, welke gelegd werden in de kas benoorden de schoorsteen in de laden 1, 2, 3, 4, 11 en 12'.

De charters werden ook hier in genummerde laden bewaard. Ook de belangrijkste bijlagen van de notulen werden in de laden opgeborgen, terwijl de deelen in de genoemde cassen werden geplaatst. Sinds 1802 werden alle bijlagen van de notulen bewaard, genummerd en in portefeuilles opgelegd. In 1761 werd besloten een inventaris van het archief te maken. Daartoe werden gecommitteerd de regenten J. Willinck Meures, Mr. J.J. van Beaumont en G. van der Goot, van wie de beide laatstgenoemden in 1758 reeds een register op de notulen hadden samengesteld, dat, evenals alle notulen in 'egale banden' werd gebonden. Deze inventaris is waarschijnlijk nooit tot stand gekomen, maar toch worden sporen van de werkzaamheid dier commissie aangetroffen. Verschillende charters vertoonen namelijk in dorso aanteekeningen die er op zijn gesteld door Willinck Meures en van Beaumont, terwijl ook de inhoud van de laden werd veranderd.

Art. 17 van de Instructie waarop in Februari 1772 een nieuwe boekhouder werd aangesteld, luidde als volgt: 'Alle boeken, charters en papieren het Gotshuijs concernerende en onder zijn bewaring zijnde zal hij nauwkeurig custodieeren, de quitantien jaarlijks in bundels zaamen binden ende bergen in doosen off kassjes die hij door den schilder zal laten inscribeeren tegens de zijden zoodanig dat men zien kan van welk jaar in yder derselve te vinden zijn, de quitantien der schoolen concernerende zal hij leggen in separate doosen en de quitantien concernerende het linnenbeursje zal hij leggen in eene off meerder bysondere doosen tegens welker zijde behalve de jaartallen zal staan quitantien wegens het linnenbeursje. Noopens alle de voorsz. quitantien zal hij beginnen met de rekeningen die zeedert primo deezer zijn betaald en de voorige oude zal hij in meest convenabelste tijden zoo veel mogelijk opsoeken en sorteeren in dosen. Alle de voorsz. doosen zullen met en benevens de afgelegde boeken worden geborgen op zoodanige charterkamer als in tijd en wijlen op resolutie van regenten zal werden gemaakt en hem aangewesen'.

Hem wordt tevens opgedragen het bijhouden van het register op de notulen. In April 1780 besloten regenten 'dat de kamers thans bekent onder de naamen van de schilderij- en charterkamers zullen worden voorzien van behoorlike meubelen'. Deze charterkamer was blijkbaar gevormd door een gedeelte van den zolder met een muur af te schutten. De instructie voor den boekhouder d.d. 1795 spreekt in art. 17 nog van de charterkamer, terwijl die van 1799 in hetzelfde artikel weer spreekt van 'zodanige charterkamer als in tijd en wijlen op resolutie van regenten zal worden gemaakt'.

Ingevolge de vereeniging der beide huizen sinds 1 Augustus 1808 werd door de regenten van het voormalige O.Z. huiszittenhuis op 13 September aan het nieuwe college overgelegd een 'specificatie der boeken en papieren gepakt in de kisten No. 1-8 en drie manden' uitmakende het archief dier instelling. Deze inventaris is te vinden als No. 14 van de bijlagen van het notulenboek No. 1.

Genoemd huis welks gevel op het westen uitzag, had 2 verdiepingen waarboven een zolder. Gelijkvloers in het midden lag het voorhuis ten noorden waarvan het 'comptoir' van regenten. Achter het voorhuis lagen naast elkaar een portaaltje en het kantoor van den binnenvader en daarachter een overwelfd vertrek de z.g. hel, alwaar, volgens Wagenaar 'het geld en de papieren-effecten van 't huis bewaard worden'. Ook reeds in de 17e eeuw was dit het geval blijkens een aanteekening in de notulen d.d. 1681, luidende: 'gelegt in de lade van de obligatien in de helle' terwijl in 1708 sprake is van een stuk 'in de blikke doos in de hell'.

De belangrijkste bijlagen van de notulen werden sedert de 17e eeuw opgelegd in laden (doozen?) welke verschillende benamingen hadden als: de lade van ongedaene dingen, de lade van confrater Barnouli, de lade van de caerten'. Of deze laden eveneens in gemeld portaal, dan wel in het kantoor waren, blijkt niet. Naar aanleiding van een resolutie van Gecommitteerde Raden in zake vrijstelling van verponding, worden in 1739 'alle charters naargesogt' maar niets gevonden. Regenten schreven daarop aan Gecomm. Raden 'dat zij niet hebben konnen reusseeren overmits alle de saaken van ons Godshuys door onse voorsaten in voorige tijden soo duister en overstaanbaar te boek sijn gebragt dat daar niet uijt konnen koomen'. (zie Not. boek blz. 290). In 1750 werd een stuk gelegt in 'een doos in 't comptoir geteekent littera A'. Toen Wagenaar in 1765 het gebouw bezocht, werden hem ter hand gesteld "eenige oude schepenenbrieven van renten en erfpachten ten behoeve van 't Godshuis'.

Achter het regentenkantoor lag een ruim portaal alwaar een boekenkast stond ter berging van archivalia blijkens een aanteekening op een dossier d.d. 1767 luidende: 'register van de navolgende papierens berustende in een gebruineert kistje staande in de boekekas in het portaal tusschen der regenten comptoir en de zaal'. In 1777 wordt gesproken van 'de cas der gewone boecken en papieren' en 'een blikke trommel, bus, lade of doos, in de geldkast op 't comptoir' terwijl regenten in het volgende jaar een groote ijzeren geldkist lieten maken waarin blikke doozen en die geplaatst werd in de hel.

Een besluit van regenten d.d. 1779 om registers op de notulen te maken, schijnt geen resultaat te hebben opgeleverd.

Sedert 1785 werd een commissie benoemd tot het nazien van de papieren in de blikken doos, die echter geen rapport van zijn bevindingen heeft uitgebracht.

Ingevolge de vereeniging der beide huizen sinds 1 Augustus 1808 werd door de regenten van het voormalige N.Z. huiszittenhuis op 13 September aan het nieuwe college overgelegd een 'Nota der voorhanden zijnde boeken en papieren' en een lijst der 'Papieren in de blikke doos uit de cas achter het dubbel slot, zijnde de overige papieren geborgen in de cas op de zolder'. Deze inventarissen zijn te vinden als Nos. 22 en 25 van de bijlagen van het notulenboek van dat jaar.

Het archief van het college van regenten der huiszittende stadsarmen, dat 1 Augustus 1808 optrad en dat onder het opzicht van een der regenten stond, werd geplaatst in boekenkasten in de bekende regentenkamer, terwijl de gelden ook thans in de hel werden bewaard. In 1824 werd door den regent J. van Halmael een register op de notulenboeken van het N.Z. huiszittenhuis vervaardigd, terwijl daarna ook op de notulenboeken van na 1808 dergelijke registers werden gemaakt en bijgehouden tot 1868. In 1841 had een onderzoek en schifting der oude manuscripten in het Godshuis berustende, plaats door G. van Enst Koning. Deze rangschikte de verschillende oude stukken in doozen en maakte daarvan 'eenen beredeneerden catalogus' op. Regenten gaven hem daarvoor als blijk van erkentelijkheid een bankbiljet van f. 100,--.

Omstreeks 1857 werd een lijst opgesteld van de stukken in de blikken doos, waaruit blijkt dat de oorspronkelijke inhoud verstrooid was en plaats had gemaakt voor een heterogeene massa oudere en nieuwe stukken zonder eenig verband.

In de vergadering van 31 December 1870 verschenen twee wethouders der Gemeente welke de gelden, de boeken en papieren overnamen (zie de inventaris in de notulen van dien datum), waarna aan regenten acquit en décharge van hun beheer werd verleend.

Het archief verhuisde 14 Juni 1873 naar het Stedelijk Armenhuis en vandaar in Juli 1912 naar het nieuwe Huiszittenkantoor in de Reguliersdwarsstraat, totdat het in den loop van het jaar 1923 naar het Gemeente-archief werd overgebracht. Hier werden de stukken, te zamen ongeveer 12.5 strekkende meter, in 1925 definitief geordend. Daarbij bleek dat het ondanks verschillend opgezette pogingen niet mogelijk was om alle rentebrieven en eigendomstitels op hun plaats te brengen, zoodat een 'Appendix' moest worden gevormd. De seriën bijlagen van de notulen van de O.Z. en die van de N.Z. moesten worden gereconstrueerd, daar deze bijlagen door van Enst Kooning tot dossiers betreffende diverse onderwerpen waren vereenigd. (1) Keurboek A. fo. 17.

(2) Volgens Commelin moet de uitvaardiging dezer verordening geschied zijn tusschen 1370 en 1380.

Archiefvormers

© Stadsarchief
Disclaimer / Colofon
<