338: Archief van de Ambachtsheerlijkheid Ransdorp en de Gemeente Ransdorp

Algemene kenmerken

Toegangsnummer:

338

Periode:

1625 - 1922

Inleiding

I. Samenstelling en bevoegdheden van het bestuur.

De ban Ransdorp, een ambachtsheerlijkheid in het voormalig baljuwschap Waterland in Holland, werd in het Oosten begrensd door de Zuiderzee, in het Zuiden door het IJ, in het Westen door den ban Schellingwoude en den ban Zunderdorp en in het Noorden door den ban Zuiderwoude.

Hij was verdeeld in vier kwartieren Bloemendaal, Poppendam, Durgerdam en Holysloot. De beide eerstgenoemden vormden samen het eigelijke dorp Ransdorp, terwijl het kwartier Durgerdam slechts 2/3 van het dorp van dien naam omvatte daar een derde in den ban Schellingwoude lag. Bovendien behoorde nog tot deze ban een zeer klein deel van het dorp Uitdam, waarvan de rest onder Zuiderwoude viel.

Regeten van den ban waren een schout, 4 schepenen, 4 burgermeesters (uit elk kwartier één), 24 vroedschappen (uit elk kwartier zes) benevens een secretaris.

Schout en secretaris werden gekozen door burgemeesters en vroedschappen, maar kregen hun last van en werden beëdigd dóór den baljuw van Waterland.

Burgemeester en schepenen werden jaarlijks, op den laatsten April, door den baljuw gekozen; de eerstegenoemden elk uit een drietal, opgemaakt door de drie aftredende burgemeesters; laatstgenoemden elk uit een tweetal, opgemaakt door schout en burgemeesters. Dit duurde tot 1731, in welk jaar de ambachtsheerlijkheid der zes Waterlandsche hoofddorpen door de Staten van Holland aan de regenten dier dorpen voor 36000 gld werd verkocht en dus de regenten dit benoemingsrecht kregen.

Een der vier burgemeesters werd door burgemeesters en vroedschappen tot oud-burgemeester benoemd, om het volgende jaar in de regeering te blijven.

De vroedschappen werden door de gezamenlijke burgemeesters en vroedschappen gekozen elk uit een voordracht van drie personen, opgemaakt door den burgemeester en de overige vroedschappen van dat kwartier, waarin de vroedschapsplaats was opengevallen. Zij bleven voor hun geheele leven in functie. Hun nieuwe instructie d.d. 19 Sept. 1759 (ter vervanging van die van 10 Oct. 1631) bepaalde, dat in verband met het afnemen der bevolking het getal vroedschappen voortaan tot 16 zou worden beperkt.

Bovendien waren er voor den ban twee armenvoogden en had Durgerdam ook nog twee armenvoogden, welk college in 1867 werd opgeheven. Deze armenvoogden legden jaarlijks rekening en verantwoording van hun bewind af aan burgemeesters en vroedschappen, respectievelijk van den ban en van Durgerdam. Het dorp Ransdorp had een college van 2 kerkmeesters, die hun jaarlijksche rekening aan burgemeesters en vroedschappen van dat dorp deden.

Burgemeesters en vroedschappen vormden de bansregeering. Op hen rustte het toezicht óp en het onderhoud van de burggen en wegen in den ban. Zij maakten de keuren en schouwden dammen en sloten der landerijen. De leggers der huizen en landerijen berustten onder hen en ze hadden de politie over de landerijen en gemeene vaarten en wateren in den ban.

Burgemeesters indien oorspronkelijk de verponding, den omslag van dijkgraaf en negen heemraden van Waterland en den omslag voor de bansonkosten. Sedert 1737 inde de secretaris als verpondingen schotgaarder de beide eerste belastingen en voegde zijn jaarrekening bij die van burgemeesters, welke gezamenlijk door regeerende burgemeesters en de vroedschap werden afgehoord.

In 1619 was tusschen de zes Waterlandsche hoofddorpen of bannen Ransdorp, Zuiderwoude, Landsmeer, Zunderdorp, Broek en Schellingwoude een Unie gesloten hoofdzakelijk tot gemeenschappelijke bescherming hunner rechten en vrijheden. Men vergaderde beurtelings in één dier hoofddorpen en elk hoofddorp zond twee burgemeesters als gedeputeerden uit den magistraat, terwijl de secretaris van het hoofddorp, waar men vergaderde, dan als secretaris van 'gemeen Waterland' optrad. De beschrijving ter vergadering geschiedde bans- en niet dorpsgewijze. De laatste vergadering had 27 Dec. 1811 te Landsmeer plaats.

Vervolgens waren er nog bemoeiingen met het hoogheemraadschap Waterland. Hiertoe behoorden behalve de zes gecombineerde dorpen ook nog de steden Monnikendam en Purmerend en de heerlijkheid Purmerland. Het bestuur bestond uit de baljuw van Waterland als dijkgraaf met negen heemraden en een secretaris, die altijd één der secretarissen van Monnikendam was. De benoeming van heemraden geschiedde door Gecommitteerde Raden voor den tijd van drie jaren uit een voordracht van twee personen, opgemaakt door burgemeesters en de vroedschap van het dorp of de stad, in welke een der heemraden moest worden vervangen. Uit deze negen heemraden werden jaarlijks vier gemachtigd, waarvan twee spasteekenvoogden werden genoemd en twee gecommitteerden heemraden. De eerste hadden het dagelijksch bestuur over den dijk, de laatsten over de molens en sluizen. Het afhooren hunner rekeningen en het vaststellen van den omslag over het volgende jaar geschiedde door steden en dorpen van Waterland als hoofdingelanden. Deze bemoeiingen duurden voort tot de vaststelling van het 'Bijzonder reglement van bestuur voor het hoogheemraadschap Waterland' door de Staten der provincie Noordholland op 5 Nov. 1857, waarbij een geheel andere bestuursorganisatie werd ingevoerd. Hoofdingelanden worden sindsdien gekozen door de stemgerechtigden in de negen bannen, waarin het hoogheemraadschap is verdeeld. De band met het gemeentebestuur werd dus verbroken.

Bij octrooi van de Staten van Holland d.d. 26 Maart 1624 was aan regenten van Monnikendam, Ransdorp, Zuiderwoude en Broek vergunning verleend tot het bedijken van het Buiksloter meer, een der drie Waterlandsche meren, welke te zamen het hoogheemraadschap der Waterlandsche meren vormden. Uit een voordracht door burgemeesters en vroedschappen van twee personen werd door hoofdingelanden een hoogheemraad van de Waterlandsche meeren gekozen voor den tijd van drie jaren.

Schout en schepenen oefenden voornamelijk de contentieuse en voluntaire rechtspraak uit, doch de contentieuse alleen in civiele zaken en wel zonder hooger beroep mits niet meer dan 30 gld. Bedragende. De crimineele rechtspraak in eersten aanleg was opgedragen aan den baljuw en hooge vierschaar, zijnde de 24 schepenen der zes Waterlandsche hoofddorpen. De zittingen hadden plaats in het dorp, waar de misdadiger was gegrepen. Civiele zaken in hooger beroep werden eveneens door deze hooge vierschaar berecht, welke in dat geval door den schout van het dorp, waar men de zaak in eersten aanleg had gediend, werd bijeengeroepen. Opmerking verdient nog dat de baljuw ook als dijkgraaf en dan met heemraden van Waterland rechtspraak uitoefende.

Hoever de bevoegdheid van de beide colleges strekte was nergens omschreven. Dit gebrek gaf dan ook menigmaal aanleiding tot competentiegeschillen.

Onder de voluntaire rechtspraak viel vooreerst de certificatie, oorspronkelijk slechts van akten van eigendomsoverdracht en bezwaring van onroerende goederen, later en in concurrentie met de notarissen van alle overige rechtsakten. Deze taak werd in den loop der tijden ook over nieuwe handelingen uitgebreid bijv. het verlijden van akten van ondertrouw ingevolge de Politieke Ordonnantie van Holland van 1580 en het Echtreglement van 1656. Verder viel onder hun voluntaire rechtspraak de regeling van boedels.

De weeszaken werden door weesmeesters, als vertegenwoordigers van burgemeesters en vroedschappen, als oppermomboiren over de 'personae miserabiles' in den ban, geregeld. Jaarlijks werden door burgemeesters en vroedschappen een oude en twee (sinds de nieuwe Ordonnantie van 1784 drie) nieuwe weesmeesters of weesvoogden benoemd, die te zamen de weeskamer vormden en die tevens als armeweezenvoogden fungeerden. Na de opheffing der weeskamer in 1811 bleven laatstgenoemden voortbestaan, om in 1849 met de algemeene armenvoogden der gemeente Ransdorp te worden vereenigd.

De plaatselijke regeeringen der drie dorpen Ransdorp, Durgerdam en Holysloot bestonden uit gedelegeerden van het bansbestuur. Deze behartigden de particuliere dorpszaken en financiën, hetgeen intusschen van weinig belang was, aangezien de uitgaven van den ban het dubbele bedroegen an die der drie dorpen te zamen. De secretaris van den ban en schepenbank was tot 1795 tevens secretaris van het dorp Ransdorp, terwijl Durgerdam steeds een eigen secretaris heeft gehad.

Als secretaris van den ban, later gemeente, fungeerden sedert het einde der 16e eeuw ' vroegere namen werden niet aangetroffen '

H. Lastmans 1595-1620;

P.J. Kadt 1620-1624;

P.J. Bruijn 1627-1654;

J.H. Lammers 1654-1658;

J.D. v. Sanen 1658-1681;

C.S. Gilden 1681

G.P. Hoen 1681-1687;

J. Roos 1688-1693;

R.G. Doele 1693-1699;

S. v.d. Veer 1699-1736;

H. Lammers 1736-1795 (hij had een adj. Secr. J. Gesner Fockens);

C. Jong Visscher 1795-1838;

J. Jong Visscher 1838-1848;

J. Dekker 1848-1868;

J.E.F. Wijnveldt 1868-1891;

P.J. Rijkens 1891-1904;

D.P. Zuideveld 1904-1906;

D.C. Mees 1906

J. Kastelein 1907-1915;

H.J. Calkoen 1915-1920;

En als secretaris uitsluitend van het dorp Ransdorp K. Dikker (1797-1811).

Secretarissen van het dorp Durgerdam waren:

A. Visscher 1688-1714;

C. Visscher 1714-1734;

D. Vlug 1734-1786;

P. Vink 1786-1793;

C. Baan 1793-1811. Door de secretarissen werden ook de 'fiscale' zaken n.l. de ining en verantwoording van bepaalde landsbelastingen bezorgd. Bij de Ordonnantie op het middel van het klein zegel van 1803 werd deze taak weliswaar aan een bijzonderen landsdienaar, den gequalificeerde, opgedragen, maar in de parktijk was deze de secretaris.

Sedert de revolutie van 1795 begint de hier geschetste verdeeling der bevoegdheden zich te wijzigen.

Allereerst trachtten de dorpsregeeringen meer en meer zelfstandig op te treden, ook in die zaken, welke vroeger uitsluitend aan de bansregeering toekwamen. Deze machtsverschuiving culmineert in de benoeming van drie provisioneele maires in 1811 voor de drie dorpen naast den provisioneelen maire van den ban. Daarnaast begon de band tusschen bansregeering en waterschapsbestuur steeds losser te worden. Het 'Reglement voor het gemeentebestuur van den ban', vastgesteld door het departementaal bestuur van Holland op 23 Aug. 1804, beval n.l., dat dit gemeentebestuur uit zijn midden drie wethouderen zou benoemen (één uit ieder dorp) die zich speciaal zouden bezig houden met de financiën en de banswerken. Tevens zouden zij altoos geassisteerd zijn door den secretaris van het gemeente bestuur, welke notulen van hun handelingen zou houden. Er ontstond dus een nieuw en vrij zelfstandig college.

Het Keiz. Decr. Van 18 Oct. 1810 (Bull. No. 322) aangevuld bij Keiz. Decr. Van 21 Oct. 1811, dat de Grondwet is geweest waarnaar Nederland tot 1813 is bestuurd geworden, werd, wat betreft de organisatie van het binnenlandsch bestuur en van de rechtspraak, is 1811 van kracht. Vanaf dat jaar waren de drie dorpen tot één gemeente Ransdorp vereenigd en was de rechtsprekende macht van schout en schepenen van den ban vervallen.

De drie wethouderen van den ban werden voortaan poldermeesteren genoemd en tot 1857 door het bestuur der nieuwe gemeenten benoemd. Het Reglement van 1857 verbrak ook hier den band met het gemeentebestuur.

De bevoegdheden van het bansbestuur in zake het polderbestuur zijn dus overgegaan op het college van poldermeesteren, die in zake rechtspraak op den staat, terwijl de overige in handen van het nieuwe gemeentebestuur werden gelegd. De ambachtsheerlijke rechten waren bij de artt. 24. E.v. van de Algemeene beginselen der Staatsregeling van 1798 vervallen verklaard, doch werden bij K.B. van 26 Mrt. 1814 gedeeltelijk weer als rechtsgeldig erkend.

Deze gemeente Ransdorp vormde met de gemeenten Nieuwendam, Marken, Landsmeer, Buiksloot, Broek en Monnikendam, het kanton Monnikendam, onderdeel van het arrondissement Hoorn, zelf gelegen in het departement van de Zuiderzee. Zij werd voortaan bestuurd door een maire, die alle macht in handen had, bijgestaan door een adjoint. Daarnaast stond het gemeentebestuur als eenvoudig adviseerend lichaam. De drie algemeene armenvoogden werden benoemd dóór en legden jaarlijks rekening en verantwoording af aan den Gemeenteraad.

Na de verdrijving der Franschen in 1813 werd deze bestuursorganisatie door den Staat der Vereenigde Nederlanden provisioneel ongewijzigd gelaten.

De Grondwet van 29 Mrt. 1814 en die van 24 Aug. 1815 eischten de samenstelling van een 'Reglement van bestuur voor het platteland der provincie Holland'. Bij dit Reglement, gearresteerd op 9 Oct. 1816, werd de gemeente Ransdorp geplitst in drie zelfstandige gemeenten Ransdorp, Durgerdam en Holysloot, welke echter met ingang van 1 Jan. 1818 wederom hereenigd werden tot één gemeente Ransdorp.

Het bestuur werd opgedragen aan een door den Koning, op voordracht van den heer der heerlijkheid, benoemden schout en een gemeenteraad, waarvan de leden door de Staten van de provincie uit een voordracht van den heer der heerlijkheid werden benoemd. Bovendien waren er een secretaris en een gemeenteontvanger. De schout werd in sommige gevallen door twee leden van den gemeenteraad, welke daartoe speciaal door de Staten der provincie gecommitteerd werden, geassisteerd z.g. assessoren. Hij oefende het oppertoezicht uit in alles wat tot de handhaving en uitvoering der bestaande keuren, reglementen e.a. plaatselijke verordeningen betrekkelijk was en was belast met de uitvoering der rijkswetten en provinciale verordeningen en het opmaken der akten van den burgerlijken stand. Hij presideerde alle vergaderingen van den gemeenteraad en van assessoren. Hij deed met assessoren de schouw voorzooverre deze niet aan andere besturen was opgedragen en had met hen het toezicht op de armendirectiën, de wees- en gasthuizen e.d. en het beheer en bestuur over de goederen der gemeente. Hij teekende met één der assessoren de ordonnantiën. De gemeenteraad, schout en raden, maakte de plaatselijke verordeningen, keuren en ordonnantiën, beraamde de begrootingen en nam de rekening en verantwoording der plaatselijke financiën en van die der algemeene armen op. De secretaris werd op voordracht van den heer der heerlijkheid door de Staten benoemd en hield notulen van de vergaderingen.

Op den 23en Juli 1825 werd een nader 'Reglement op het bestuur ten platten lande in de provincie Holland' gearresteerd, waarbij het bestuur in de gemeente Ransdorp samengesteld werd uit één burgemeester, twee assessoren en een gemeenteraad, in totaal zeven personen. De burgemeester werd benoemd door den Koning op voordracht van den heer der heerlijkheid, de assessoren door den gouverneur in de provincie uit de aanwezige leden van den gemeenteraad en de leden van den gemeenteraad door de Provinciale Staten op voordracht van den heer der heerlijkheid. Alle benoemingen geschiedden voor den tijd van zes jaren, terwijl om de twee jaar een derde der gemeenteraadsleden aftrad. De gemeenteraad vergaderde jaarlijks tot opneming der rekeningen van gemeente- en armbestuur en tot opmaking der gemeentebegrooting en die van het armbestuur; tevens maakte hij de plaatselijke verordeningen overeenkomstig art. 155 van de Grondwet. Hij benoemde de leden van het bestuur over de godshuizen en gestichten van liefdadigheid, alsmede van het algemeen armbestuur.

De burgemeester was alleen of met assessoren belast met de zorg voor de uitvoering der gemeenteraadsbesluiten. Verder oefende hij het dagelijksch bestuur en het oppertoezicht uit in alles, wat de gewone politie, de handhaving en uitvoering der keuren, de beheering der geldmiddelen en gebouwen enz. betrof. Hij regelde met assessoren de broodzetting, deed de schouw, verleende vergunning tot het oprichten van fabrieken, behandelde alles, wat militaire huisvesting en inkwartiering betrof, had het oppertoezicht over openbare armenadministratiën en gods- en weeshuizen en andere openbare stichtingen, nam elke drie maanden de kas van den gemeenteonvanger op, voerde processen namens de gemeente en zorgde voor de uitvoering van alle wetten enz. van het algemeen bestuur. Tevens maakte hij, of één der assessoren alleen, de akten van den burgerlijken stand op.

De secretaris werd door den Koning op voordracht van den heer der heerlijkheid benoemd. Hij hield notulen en teekende alle stukken, die van gemeentewege uitgingen, verleende hulp bij het opmaken der begrootingen en der rekeningen van den ontvanger der gemeente, van de algemeene armen en dergelijke instellingen. Hij bewaarde het gemeente-archief, dat in het raadhuis of in de raadkamer moest berusten, en was verplicht tot het houden van repertoire en verdere registers, die de wetten omtrent het recht van registratie vorderden. De plaatselijk ontvanger werd door de Staten benoemd uit een voordracht door den gemeenteraad. Hij deed de betalingen voor de gemeente op bevelschriften, door den burgemeester met één der assessoren en den secretaris onderteekend.

Deze toestand heeft voortgeduurd, totdat de in de Grondwet van 1848 geeischte organieke wet, regelde de samenstelling, inrichting en bevoegheid der gemeentebesturen, op 29 Juli 1851 tot stand was gekomen, welke wet, zij het ook herhaaldelijk gewijzigd, thans nog van kracht is.

Voortaan werd de administratie in de eerste plaats beïnvloed door de scheiding der functiën in die van autonomie (d.i. de bevoegdheid om verordeningen vast te stellen) en zelfbestuur (d.i. de bevoegdheid om de wetten te doen uitvoeren door eigen gekozen organen), welke scheiding wel reeds eerder bestond, maar tot de Grondweg van 1848 weinig op den voorgrond is getreden.

Het bestuur der gemeente Ransdorp bestond sedert 1851 uit raad, burgemeester en wethouders. Bovendien waren er een secretaris en een ontvanger, die beiden door den gemeenteraad werden benoemd. De leden van den gemeenteraad werden rechtstreeks gekozen door de kiezers. De burgemeester werd voor zes jaren benoemd; hij was voorzitter van den raad en had, zoo hij geen lid was, alleen een adviseerende stem. Hij was als hoofd van den raad en van het college van B. en W. belast met de uitvoering der genomen besluiten. Tevens droeg hij zorg voor de uitvoering der rijkswetten, indien en voorzoover de uitvoering daarvan was opgedragen aan de gemeente.

De beide wethouders werden door den raad uit zijn midden benoemd en traden te gelijk af. De dagelijksche leiding der zaken en de uitvoering der besluiten van den gemeenteraad waren opgedragen aan het college van B. en W., ook wel 'Dagelijksch bestuur' genoemd.

Raad, dagelijksch bestuur en burgemeester werden bijgestaan door den secretaris, wiens instructie door den raad werd vastgesteld.

De invordering van alle inkomsten der gemeente en het doen van alle betalingen uit de gemeentekas was opgedragen aan den gemeente-ontvanger. Betalingen deed hij slechts op bevelschriften (mandaten) van B. en W., die aanwezen het bedrag en den post der begrooting, waaruit het bedrag moest worden voldaan. Jaarlijks deed hij aan B. en W., die ook om de drie maanden de boeken en gemeentekas opnamen, rekening van het gevoerd beheer.

Was de uitvoerende macht in de gemeente in handen van B. en W. of B. alleen, de wetgevende macht berustte bij den raad. De bevoegdheden van B. en W., op het gebied der autonomie zijn limitatief opgesoms in art. 179 en die van den B. en art. 193 der gemeentewet. De raad hief de belastingen om te voorzien in de behoefte der gemeente en in de kosten van hetgeen door den Staat aan de gemeente was opgedragen, als het openbaar onderwijs, de armenverzorging, enz. De jaarlijksche begrooting der inkomsten en uitgaven moest door Gedeputeerde Staten worden goedgekeurd. Over elk dienstjaar werd door B. en W. aan den raad rekening en verantwoording gedaan van de inkomsten en uitgaven onder overlegging van de rekening van den ontvanger. Deze rekening en verantwoording moest vervolgens worden goedgekeurd door Gedeputeerde Staten. De kohieren der hoofdelijke omslagen en andere directe plaatselijke belastingen werden eveneens door dat college goedgekeurd.

De ban Schellingwoude-Buiksloot, eveneens een Waterlandsche ambachtsheerlijkheid, grensde in het Oosten aan den ban Ransdorp, in het Zuiden aan het IJ, in het Westen aan den ban Landsmeer en in het Noorden aan den ban Zunderdorp.

Hij werd door dat deel van den ban Zunderdorp, waarin Nieuwendam ligt, in twee, vrijwel zelfstandige, helften gescheiden, waarvan de ban Schellingwoude het dorp van dien naam alsmede een derde van het dorp Durgerdam omvatte. De ban Buiksloot omvatte alleen het gelijknamige dorp.

De regeering van den ban Schellingwoude-Buiksloot, wier benoeming op gelijke wijze als te Ransdorp geschiedde, bestonden uit een schout en vier schepenen, vier burgemeesteren (twee van Schellingwoude en twee van Buiksloot), 20 vroedschappen (5 van het dorp Schellingwoude, 5 van Durgerdam en 10 van Buiksloot), benevens 2 secretarissen. De secretaris van den ban Buiksloot was tevens secretaris van de schepenbank. Bovendien waren er in Schellingwoude 2 en in Buiksloot 4 kerkmeesteren. Opmerking verdient nog, dat schout en schepenen tevens als weesmeesteren fungeerden.

De beide deelen van den ban hadden ieder een eigen zelfstandige bansregeering, maar gemeenschappelijke contentieuse rechtspraak en rechterlijk boedelbeheer. Bij de voluntaire rechtspraak traden schepenen echter voor elk der beide bansgedeelten afzonderlijk op, geassisteerd door den desbetreffenden banssecretaris.

Secretaris van het bansgedeelte Schellingwoude waren:

T. Vredenhuijs 1673;

C.P. Vredenhuijs 1680-1690;

P.C. Vredenhuijs 1690-1711;

C. Visscher 1711-1714;

P. Coomen 1714-1765;

P. Bakker 1765-1778;

S. Bakker 1778-1789;

J. Aldercamp 1789-1802;

P. Clemens 1802-1811;

H. v. Luiken 1817-1828;

H. Pauws 1828-1832;

R.P. Spannemat 1833-1851;

J. Dekker 1852-1857.

Omtrent de bevoegheden en bemoeiingen der verschillende regenten en colleges geldt hetzelfde als omtrent die van Ransdorp is medegedeeld.

In 1811 werd Schellingwoude met Zunderdorp en Nieuwendam tot één gemeente vereenigd, doch daarvan, ingevolge het Reglement van 1816, wederom afgescheiden; vervolgens door de wet van 13 Juni 1857 bij de gemeente Ransdorp gevoegd, om daarmede in 1921, evenals de sedert 1811 zelfstandige gemeente Buiksloot, door de gemeente Amsterdam te worden geannexeerd, ingevolge de wet van 28 Dec. 1920 (Stbld. No. 919).

In 1811 telde het dorp Ransdorp 220 inwoners, Durgerdam 553, Holysloot 142 en Schellingwoude 133. Deze getallen waren bij de vereeniging in 1857 geklommen tot 1018 voor Ransdorp c.a. en 140 voor Schellingwoude om in 1920 als totaalcijfer voor de geheele gemeente ruim 2000 inwoners te bereiken. Voor Buiksloot waren deze getallen in 1811 551 en in 1920 ruim 1800.

Omtrent de geschiedenis dezer dorpen, voor zooverre dit voor administratie en archief van belang kan zijn, valt het volgende op te merken. In 1573 veroverde de Graaf van Bossu den Waterlandschen dijk en werden Schellingwoude en Ransdorp een prooi der vlammen. Bij de overstroomingen van Waterland in 1665 en 1825 leden alle dorpen natuurlijk zeer, terwijl Schellingwoude en Durgerdam het in 1775 nog eens extra moesten ontgelden. Laatstgenoemd dorp werd in 1687 bovendien bijna geheel door brand vernietigd.

II. Inrichting der administratie.

Hoe de administratie van den ban Ransdorp vóór 1573 was ingericht, kan ten gevolge van het verbranden van het dorp van dien naam in genoemd jaar, waarbij ook het archief te loor ging, alleen veronderstellenderwijs worden nagegaan. De afdeeling der zaken van algemeenen aard bevatte oorspronkelijk alleen de losse stukken, waaruit rechten (privilegiën) en sinds den bourgondischen tijd verplichtingen (ordonnantiën) blijken. De resolutiën, aanvankelijk evenals elders waarschijnlijk op losse blaadjes opgeteekend, zullen sinds het begin der 17e eeuw in een resolutieboek zijn geregistreerd (uit een extract blijkt dat dit in 1620 reeds bestond), dat na 1798 in een notulenboek overging. In hoofdzaak zijn de overige registers voor de administratieve handelingen uit dit resolutieboek ontstaan.

De voornaamste afdeeling der bijzondere onderwerpen en zelfs die van het gansche archief, is die der financiën, welke oorspronkelijk alleen door de rekeningen werd gevordm. Deze beginnen in het bansarchief thans eerst met het jaar 1646. Sedert 1736 werd het protocol der rekeningen in duplo opgemaakt, een exemplaar voor het bansarchief en het andere voor rendanten, waarschijnlijk echter niet zoozeer te hunner décharge als wel ten gebruike hunner administratie op hun reizen door den ban. Dit semi-officieele archief ging steeds in handen hunner opvolgers over en nam gaandeweg een officieel karakter aan, vooral sedert het reglement van 1804, toen zooals gezegd o.a. de financieele bevoegdheden van burgemeesteren op een vrij zelfstandig college van wethouderen, sinds 1811 poldermeesteren geheeten, overgingen.

Wat de rechtspraak aangaat, kan men aannemen, dat de dingrol eerst tegen het einde der 16e eeuw is aangelegd. Het oudste jaar, waarin van het bestaan blijkt, is 1651. Hierin werden de processueele handelingen en ook die, welke boedelbeheer (desolate boedels en weeszaken) sloegen, geregistreerd.

Het protocol der voluntaire jurisdictie is mogelijk een eeuw vroeger dan de rol aangevangen, maar pas in 1628 vinden wij dit 'transpoortboeck' vermeld. Toen secretaris H. Lammers, in de 18e eeuw, de transportregisters van letters voorzag, moeten er echter nog verscheidene oude aanwezig zijn geweest, immers het oudste thans nog aanwezige deel, dat de acten over de jaren 1702-1724 bevat, draagt de letter L. Reeds de Ordonnantie van keizer Karel d.d. 1529, nader ingescherpt bij het Plakkaat van de Staten van Holland d.d. 1580, schreef het houden van deze registers van overdrachten en bezwaringen van onroerende goederen uitdrukkelijk voor. Mogelijk zijn in dit protocol later ook andere akten opgenomen, die echter, toen hun aantal toenam, in afzonderlijke registers werden ingeschreven of tot aparte serieën losse minuutakten werden vereenigd. Na 1 Juli 1808 werden alle minuutakten wegens de zegelbelasting op losse vellen geschreven in plaats van in een register.

De resolutiën der vergaderingen van de zes gecombineerde dorpen, gehouden te Ransdorp, werden in een afzonderlijk resolutieboek geregistreerd. De ingezonden copieën van de resolutiën der in de vijf andere dorpen gehouden vergaderingen der zes Waterlandsche dorpen en die der vergaderingen van de steden en dorpen van Waterland, gehouden te Monnikendam of elders, werden in één serie opgelegd en gecopiëerd in één en hetzelfde register, respectievelijk tot 1811 en 1823. De civiele rol van Ransdorp bevatte tevens de civiele en crimineele rol van baljuw en hooge vierschaar en van dijkgraaf en heemraden der te Ransdorp gehouden zittingen. De toegezonden copieën van de rol der in de andere dorpen gehouden zittingen werden in een serie opgelegd en eveneens in het bovenvermelde register tot 1811 gecopiëerd.

Doordien de secretaris van den ban tevens secretaris van het dorp Ransdorp was, is er in administratief opzicht een nauwere band tusschen deze beide lichamen geweest dan tusschen den ban en het dorp Durgerdam, hetgeen blijkt uit het gemeenschappelijk gebruik van sommige registers.

Het Fransche bestuur voerde een nieuwe wijze van registratie in, die feitelijk tot 1921 in beginsel was blijven bestaan, zij het technisch vervolmaakt. Een register van notulen werd weliswaar ook thans aangelegd, doch daarnaast ontstonden verschillende agenda's (van maire, van maire en assessoren en van gemeenteraad) van ingekomen en uitgaande stukken. De ingekomen stukken werden volgens deze orde opgelegd; de minuten der uitgaande in een brievenboek ingeschreven. Dossiervorming scheen aanvankelijk uitgesloten, maar nam door den drang der omstandigheden later steeds grooter uitbreiding aan. De administratief nauwe band tusschen de nieuwe gemeente en den ouden ban blijkt uit het ononderbroken voortzetten in 1811 van enkele oude registers van den ban.

De geringe overblijfsels van het oud archief van Schellingwoude geven weinig aanleiding tot beschouwingen in zake de inrichting van de administratie, die trouwens in hoofdzaak wel zal zijn overeengekomen met die van Ransdorp. Vermelding verdient alleen het feit, dat de registratie van acten van voluntaire rechtspraak voor de beide bansgedeelten in afzonderlijke protocollen geschiedde, die betreffende Schellingwoude door den secretaris van Schellingwoude en die betreffende Buiksloot door den secretaris van Buiksloot. Dit was een gevolg van het destijds algemeene misverstand, dat de voluntaire jurisdictie tot de administratie rekende.

III. Bewaring en ordening van het archief.

Waar het archief van den ban en dat van het dorp Ransdorp vóór 1652, het jaar waarin het nog bestaande raadhuis door Pieter Pieterse van Saerdam werd gebouw, werden bewaard, is onbekend. Mogelijk komt hiervoor de 'raetcamer', waarvan in de rekening van 1646/7 herhaaldelijk sprake is, in aanmerking. Zeker is, dat de beide archieven er sinds genoemd jaar tot de overbrenging naar het gemeentelijk archiefdepôt van Amsterdam gebleven zijn met uitzondering van het zoogenaamde oude rechterlijke archierf en het archief der weeskamer, die in 1811 naar de arrondissementsrechtbank te Hoorn werden overgebracht en vandaar krachtens het K.B. d.d. 8 Maart 1879 en naar aanleiding van de wet van 14 Nov. 1879 naar het rijksarchiefdepôt te Haarlem. In 1881 werden ook de archieven van de dorpen Durgerdam en Holysloot naar het raadhuis te Ransdorp overgebracht. In 1857 waren de overblijfsels van het archief van Schellingwoude, dat evenzeer in 1811 van zijn stukken van rechterlijken aard beroofd, en van 1811-1817 bij het archief van Zunderdorp-Nieuwendam was gevoegd geweest, naar de secretarie van Durgerdam overgebracht. Bovendien werden van oudsher de archieven van kerkmeesteren, armenvoogden en poldermeesteren op het raadshuis te Ransdorp bewaard, terwijl er als vreemde bestanddeelen werden aangetroffen gaardersarchieven, tot het jaar 1919 verzamelingen van kerkelijke doop-, trouw- en begraafregisters en tot het jaar 1842 van notarieele protocollen, het archief van de zes gecombineerde Waterlandsche dorpen, dat tot 1820 in den toren van Ransdorp was bewaard geworden, en een deel van het archief van den polder IJdoorn.

Na den dood van den secretaris P.J. Bruijn, in 1654, vernemen we voor het eerst iets omtrent een ordening van het archief, door een post in de rekening d.d. 8 April van dat jaar en luidende als volgt: 'by die burgemeesters nagesien ende geinventariseert des dorpspampieren, deselven oock geleyt in des dorps spynties ende die kist verkocht'.

Met deze kist kan bedoeld zijn de bewaarplaats van het archief vóór het betrekken van het raadhuis in 1652 of de in het Plakkaat van de Staten van Holland d.d. 1580 voorgeschrevene, welke moest dienen tot bewaring van de protocollen der eigendomsoverdrachten en bezwaringen. Ook op 24 en 25 April daaraanvolgende werden door burgemeesters 'de dorps-pampieren gevisiteert'.

Zooals reeds vermeld werden de transportregisters in de 18e eeuw door den secretaris H. Lammers in dorso van letters voorzien. Hij deed dit uitsluitend om in de leggers der verponding, in geval van verandering van eigenaar, op gemakkelijke wijze naar de plaats van de transportakte te kunnen verwijzen. Naar aanleiding van het decreet van het Vertegenwoordigend lichaam d.d. 29 Mei 1800, waarbij de municipaliteiten gelast werden om, in verband met de scheiding tusschen administratie en rechtspraak, te doen inventariseeren alle archieven onder hen berustende werd den secretaris C. Jongh Visscher opgedragen 'omme zo spoedig mogelijk te inventariseeren alle de archiven, boeken en papieren op de secretarie dezer banne berustende en dezelve zoveel mogelijk te sorteeren, in dier voege als bij gemeld decreet word vereischt'.

Op diens verzoek zond het bestuur van den ban het volgende antwoord: 'dat op secretarie van deze gemeente voorhanden zijn een aantal boeken en papieren, zo tot ons departement, als tot dat van de justitie behoorende, welke, zo door ouderdom als andere oorzaaken, bijna onlees- en onhandelbaar zijn, al 'twelk de inventarisatie van dezelve ondoenlijk maakt en daar dezelve veelal zaken behelsen waarbij niemand thans eenig belang heeft, zoo verzoeken wij om ons te dispenseeren van de executie van het decreet'.

Daarop volgde het decreet van 20 Aug., waarbij gelast werd de inventarisatie te beginnen met 1 Jan. 1760 en deze inventaris vóór 31 Jan. 1801 in te leveren. Waarschijnlijk door de in 1801 gevolgde verandering in het landsbestuur hooren we verder niets meer over deze zaak.

Het reglement van 1825 schreef voor, dat het gemeente-archief steeds in het gemeentehuis zou moeten berusten en dat de secretaris voor de bewaring verantwoordelijk zou zijn.

In 1848 werd door den nieuw benoemden secretaris J. Dekker een procesverbaal van overneming van het archief opgemaakt; hierop kwamen echter de stukken van vóór 1811 niet voor.

Het gemeenteverslag over 1851 zegt over de gemeente-archieven: 'dezelve bevinden zich in goeden staat en worden geborgen en wel bewaard in drie verschillende goed geslotene kassen; van dezelven bestaat een inventaris en zijn de stukken allen in geregelde orde gerangschikt en bestaan uit niet anders als gewone stukken'. De hier bedoelde inventaris bestaat thans niet meer. Het verslag over 1881 zegt, dat bij het overbrengen van de secretarie van Durgerdam naar Ransdorp het archief opnieuw geregeld en beschreven is.

Toen Durgerdam in 1687 voor het grootste deel was afgebrand, werd uit de opbrengst van een gehouden loterij o.a. het raadhuis herbouwd. Oorspronkelijk was het een kerkgebouw, vandaar nog de latere naam 'de Kapel', waarmede men dan dit raadhuis bedoelde. Eigenlijk werd het gebouw als school gebruikt en diende slechts een bovenkamer als secretarie. Den schoolmeester-secretaris werd in 1793 verboden om zonder consent van de regeerende burgemeesters boeken, papieren of eenige bescheiden hoe genaamd aan iemand af te geven.

Door de schaarschte aan archivalia valt omtrent bewaring en ordening van de archieven van Holysloot en van Schellingwoude niets te zeggen. Waarschijnlijk stond het raadhuis te Schellingwoude er reeds in de 17e eeuw.

Reeds in 1602 is er sprake van een stuk 'tot Ransdorp inde toorn besloten', welke toren kort na 1502 moet zijn gebouwd. Binnen deze toren, in den zuidelijken muur, 4.5 M. hoog, bevindt zich een uitgehouwen gat van 50 c.M. diepte, waarin tot 1820 een kistje inhoudende het archief der zes Waterlandsche dorpen stond. Voor het gat waren, volgens 'De tegenwoordige staat van Holland 1750', drie deuren. Op elk der secretarieën van Ransdorp, Zuiderwoude en Landsmeer werd één sleutel bewaard. In 1663 werd een inventaris van de stukken opgemaakt, tellende 25 omslagen gemerkt met de letters A-Z en AA. Burgemeesteren en vroedschappen van de zes dorpen schreven in 1710 aan Gecommitteerde Raden 'dat wy ons bevinden in den selven staat waarinne te meermalen haar hebben bevonden en dagelyks nog bevinden niet alleen particulieren ende dorpen, maar ook selfs steden en collegien, d.i. dat hunne privilegien, charters en papieren door de bekende troubelen van eerder tijden, door brand en veele andere toevallen niet sijn voorhanden, maar werden vermist'. Bij de genoemde stukken werden in 1712 door Broek vier pakken stukken in linnen zakken gedeponeerd, tellende 207 nummers, waaraan thans de eerste 81 nummers ontbreken (mogelijk berusten hiervan nog enkele in het rijksarchiefdepôt te Haarlem). Successievelijk groeide dit aantal tot 235 en werd er een nieuwe inventaris van opgemaakt. In 1765 werd nummer 259 bijgevoegd, terwijl men er in 1780 over gedacht schijnt te hebben om sommige stukken uit dit archief te doen drukken.

Naar aanleiding van een geschil over de limietscheiding tusschen Nieuwendam en Buiksloot eener- en Amsterdam anderzijds werd op 4 Juli 1820 het kistje uit de toren gehaald, in bijzijn van gedeputeerden uit Ransdorp, Nieuwendam, Buiksloot en Landsmeer, ter raadpleging der zich daarin bevindende archivalia. Na afloop werd de schout van Ransdorp geauthoriseerd: 'om het kistje, waarin de stukken in de toorn geweest zijn en waarvan de slooten (door dien de sleutels daarvan, die te Zuiderwoude en te Landsmeer berustende geweest waren, vermist waren geraakt) met de andere slooten in de tooren moeten opgebrooken worden, om alle deselve slooten, voor rekening van gemeen waterland, in order te laten maken: en na de afloop van de thans hangende zaak alle de stukken, die in het kistje geweest zijn, in het zelve kistje te doen en het dan wederom in de tooren te Ransdorp te laten bezorgen'. Waarschijnlijk is dit nimmer gebeurd en zijn de stukken langzamerhand met die der gemeente vermengd. Hiervoor pleit een schrijven d.d. 1852 van den toenmaligen burgemeester van Ransdorp aan den Amsterdamschen gemeente-archivaris Dr. P. Scheltema, waarin hij zegt: 'dat de menschen die voor ruim 30 jaren het gat in den toren hebben leeggehaald reeds overleden zijn'.

Verschillende secretarissen der gemeente Ransdorp waren tevens leden van het bestuur der polder IJdoorn, zoodoende zijn ook archivalia daarvan met die der gemeente vermengd geraakt.

Toen ingevolge de wet van 28 Dec. 1920 de gemeente Amsterdam werd uitgebreid met de gemeente Ransdorp, werd op den 11en Februari 1921 het archief van laatstgenoemde gemeente, zijnde ongeveer 17 strekkende meter, overgebracht naar het Gemeentearchief van Amsterdam. Op den 25en October van datzelfde jaar werden de oude rechterlijke archieven, de doop-, trouw- en begraafboeken en registers van successie benevens de protocollen en acten der notarissen geresideerd hebbende in de voormalige gemeente Ransdorp, zijnde te zamen 6 strekkende meter, door den Rijksarchivaris in Noordholland in bewaring afgestaan, waarna in 1926 de definitieve ordening van het geheel tot stand kwam.

Archiefvormers

    De nummers achter de archiefvormers verwijzen naar het corresponderende inventarisdeel of het inventarisnummer. Door er op te klikken opent zich de inventaris op dat onderdeel of nummer.
    • Ambachtsheerlijkheid Buiksloot en Schellingwoude; dorp Schellingwoude; burgemeesters en vroedschappen : 3.1, 3.2.1, 3.2.2, 3.2.3
    • Ambachtsheerlijkheid Ransdorp; burgemeesters en vroedschappen : 1, 1.1
    • Buiksloot en Schellingwoude, ambachtsheerlijkheid; dorp Schellingwoude : 3.3
    • Buiksloot en Schellingwoude, ambachtsheerlijkheid; dorp Schellingwoude; kerkmeesters : 3.4
    • Buiksloot en Schellingwoude, ambachtsheerlijkheid; schout en schepenen : 3.2.5
    • Ransdorp, ambachtsheerlijkheid; armenvoogden : 1.5
    • Ransdorp, ambachtsheerlijkheid; dorp Ransdorp (kwartieren Bloemendaal en Poppendam) : 1.6
    • Ransdorp, ambachtsheerlijkheid; dorp Ransdorp (kwartieren Bloemendaal en Poppendam); kerkmeesters : 1.7
    • Ransdorp, ambachtsheerlijkheid; kwartier Durgerdam : 1.8
    • Ransdorp, ambachtsheerlijkheid; kwartier Durgerdam; armenvoogden : 1.9
    • Ransdorp, ambachtsheerlijkheid; kwartier Holysloot : 1.10
    • Ransdorp, ambachtsheerlijkheid; schout en schepenen : 1.2
    • Ransdorp, ambachtsheerlijkheid; weesmeesters : 1.3
    • Ransdorp, ambachtsheerlijkheid; weesmeesters als armewezenvoogden : 1.4
    • Ransdorp, gemeente; algemene armenvoogden : 2.3
    • Ransdorp, gemeente; dorp Durgerdam; armenvoogden : 2.5
    • Ransdorp, gemeente; dorp Ransdorp; armewezenvoogden : 2.4
    • Ransdorp, gemeente; Levensmiddelencommissie : 2.7
    • Ransdorp, gemeente; poldermeesters : 2.6
    • Ransdorp; ambachtsheerlijkheid secretarie Ransdorp; gemeente secretarie
    • Ransdorp; gemeente secretarie : 2.1, 2.2, 5
    • Schellingwoude, gemeente : 4.1, 4.2
    • Schellingwoude, gemeente; poldermeesters : 4.3
© Stadsarchief
Disclaimer / Colofon
<

Gegevens over mogelijk nog levende personen mogen alleen worden gebruikt voor historisch (waaronder genealogisch), wetenschappelijk of statistisch onderzoek.

Door het aanklikken van onderstaande button verklaart u zich te houden aan het Reglement voor raadpleging en gebruik van het Stadsarchief.