334: Archief van de Portugees-Israëlietische Gemeente

Algemene kenmerken

Toegangsnummer:

334

Periode:

1582 - 1968

Inleiding

HET ONTSTAAN VAN DE GEMEENTEN BET JACOB, NEVE SALOM EN BET ISRAËL EN HUN FUSIE IN 1639 TOT EEN GEMEENTE TALMUD TORA GENAAMD.

Na de verdrijving van de joden uit Spanje (1492) en de invoering van de Inquisitie, vestigden velen van hen zich in Noord-Afrika, Turkije, Italië en Portugal. Uit dit laatste land werden ze echter ook spoedig verbannen en toen daar in 1536 de inquisitie ingevoerd werd, trachtten vele joden het land te verlaten. Anderen waren in hun land gebleven en hadden in schijn het katholieke geloof aangenomen, maar zich in het geheim aan de joodse traditie gehouden, waardoor zij zich dus blootstelden aan de gevaren van de inquisitie. Velen van deze schijn-christenen uit Portugal, marranen genaamd, hebben zich mettertijd in Antwerpen gevestigd. In deze stad vond men na 1531, toen de beurs geopend was, vertegenwoordigingen van alle handeldrijvende laden. De Portugese Natie genoot aldaar een grote zelfstandigheid en de druk van de inquisitie werd hier minder gevoeld dan in het moederland, vandaar dat deze Portugese Natie in Antwerpen ook Spaans en verdwenen de gunstige omstandigheden voor de marranen. Toen Antwerpen in 1585 door Parma veroverd werd verlieten vele kooplieden, kunstenaars en geleerden de stad. Onder deze uitgewekenen bevonden zich vele marranen, waarvan een gedeelte zich vestigde te Amsterdam. Hier hoopten zij hun handel te kunnen voortzetten. Ook de geloofsvrijheid die bij de Unie van Utrecht in Noord-Nederland ingevoerd was zal invloed gehad hebben op de keus van de plaats van hun vestiging. Deze uitgeweken Antwerpse marranen vormden waarschijnlijk de kern van de circa 1600 te Amsterdam opgerichte Portugees-Israëlitische gemeente Bet Jacob (Huis Jacob's). Later is de kern aangevuld door marranen die rechtstreeks uit Spanje en Portugal kwamen. In 1608 ontstond een tweede gemeente Neve Salom (Verblijf van de vrede). Men veronderstelt dat deze gemeente gevormd werd door marranen die uit Spanje kwamen.

Aanvankelijk was de kennis betreffende de joodse traditie onder de gemeenteleden van de beide gemeenten, allen marranen, gering en werden hun leiders, de rabbijnen, van elders aangetrokken. Maar in 1618 bleek hun kennis reeds zo toegenomen dat er onder de lidmaten heftige disputen op religieus gebied plaatsvonden, met het gevolg dat enige leden van Bet Jacob zich afscheidden en een nieuwe gemeente Bet Israël (Huis van Israël) vormden wegens een meningsverschil van principiële aard met de overige leden (1).

Ondanks dergelijke geschillen werkten de drie gemeenten nauw samen op verschillende terreinen. Sedert 1614 bezaten ze een gezamenlijke begraafplaats te Ouderkerk aan de Amstel (2) die aanvankelijk door de parnassim (bestuurders) bestuurd werd, maar later door drie administrateuren, waarvan iedere gemeente er een benoemde. In 1639 werd echter de behoefte gevoeld als eenheid naar buiten op te treden, waarschijnlijk speciaal tegenover de Hoogduitse gemeente die in 1635 te Amsterdam gesticht was. De drie Portugees-Israëlitische gemeenten gingen toen over in een gemeente, Talmud Tora (Studie van de wet) die tot op heden bestaat.

Van de indeling van de administratie van de oudste gemeenten is ons weinig bekend, daar de besluiten van de gemeenten Bet Jacob en Neve Salom verloren zijn gegaan. Het oudste register met termos (besluiten) dat bewaard gebleven is behoort aan de gemeente Bet Israël en dateert uit 1618, het jaar waarin de gemeente opgericht werd. Uit de besluiten van het College van afgevaardigden van de drie gemeenten dat ingesteld was om de impost binnen de gemeenten te regelen, blijkt dat iedere gemeente door vijf parnassim bestuurd werd, waarvan er een de functie van penningmeester bekleedde.

Het zojuist genoemde college werd in 1622 in het leven geroepen met als voornaamste doel behoeftige personen van reisgeld te voorzien om van hier naar het buitenland te vertrekken. Iedere gemeente vaardigde twee personen af om in het college zitting te nemen. Deze afgevaardigden regelden op den duur niet SAMENSTELLING EN BEVOEGDHEDEN VAN DE BESTUURSCOLLEGES VAN DE GEMEENTE TALMUD TORA

In 1639 kwam een fusie van de drie gemeenten Bet Jacob, Neve Salom en Bet Israël tot stand en ontstond de gemeente Talmud Tora, die tot op heden bestaat. In een vergadering van de Gedeputeerden van de drie gemeenten werd besloten dat de synagoge (3) van Bet Israël gebruikt zou worden door Talmud Tora en dat de bestuurderen van Neve Salom voorlopig aan zouden blijven. Onder de voorwaarden die bij de fusie werden opgesteld bevonden zich vele artikelen die de eenheid voor altijd te bewaren tot doel hadden. Er werd bepaald dat het op straffe van de ban verboden was een andere synagoge te Amsterdam op te richten (art. 2). Niet sephardische joden mochten alleen met toestemming van de mahamad (4) de synagoge betreden (art. 3). Uit de vijftien parnassim van de drie congregaties zou een mahamad van zeven personen worden benoemd, waarvan een als penningmeester zou fungeren. Deze mahamad koos zelf zijn opvolgers (art. 6). Tweemaal per jaar vonden er verkiezingen plaats, telkens van drie parnassim. Het tweemaandelijkse presidentschap werd door loting geregeld. De macht van de parnassim was zeer groot. Niemand mocht zich tegen hun besluiten verzetten of schriftelijk protesteren (art. 12). Niemand mocht een geloofsgenoot voor het gerecht dagen zonder zich eerst tot de mahamad te wenden om met beider goedvinden scheidsrechter te benoemen. Men mocht pas gaan procederen wanneer de partijen niet tot overeenstemming konden komen. In het huishoudelijk reglement van 1639 werd de macht van de mahamad nog nader omschreven. Zij moesten ieder ongehoorzaam lid van de gemeente verplichten in het openbaar 'van de theba' (5)vergiffenis vragen (art. 1). Zonder toestemming van de mahamad zou niemand boeken mogen laten drukken (art. 37). Verder bevatte dit reglement verscheidene bepalingen betreffende de ceremoniën en erefuncties in de synagoge. In het algemeen heeft de gemeente zijn zelfstandigheid goed weten te bewaren, ook in de franse tijd, toen herhaalde pogingen zijn gedaan de Hoogduitse en de Portugese gemeenten te verenigen. Verder dan tot een gemengd 'Opperconsistorie' is het niet gekomen. De onderlinge verhouding van de beide kerkgenootschappen werd geregeld in het zogenaamde 'Concordaat' van 1810. Bij terugkeer van de soevereine vorst is deze organisatie tenietgedaan, met behoud van het concordaat.

Op 26 februari 1814 werd een Consulerende Commissie benoemd onder voorzitterschap van de 'Commissaris-generaal voor Binnenlandse Zaken'. In deze commissie hadden vertegenwoordigers zitting van de Portugese en Hoogduitse gemeenten in ons land. In dit zelfde jaar was een organiek besluit tot stand gekomen waarbij het 'Opperconsistorie' werd vervangen door de 'Hoofdcommissie voor zaken der Israëlieten'. Verder werd het land verdeeld in twaalf hoofdsynagogen, waarbij de gemeenten van Maarssen, Naarden en Vreeland onder Amsterdam ressorteerden. Gedurende deze tijd had het bestuur van de gemeente slechts een tijdelijke verandering ondergaan. Van 9 mei 1813 tot 11 januari 1814 werd het bestuur gevormd door twee administrateuren en een rabbijn. Na de terugkeer van de vorst werd het college van Provisionele Parnassim ingesteld.

Op 8 juni 1815 trad de Hoofdsynagoge in werking, met aan het hoofd het oorspronkelijke bestuur van Parnassim. Een van de eerste bezigheden van de mahamad was de nieuwe reglementen, die 14 april 1814 door de Secretaris van Staat waren bekrachtigd, in de synagoge af te kondigen (art. 200). Terstond na de in diensttreding van de parnassim zou de zogenaamde 'liquidatie-commissie' worden ingesteld, die belast werd met de liquidatie van alle openstaande rekeningen (art. 186). De eerste parnassim zouden worden gekozen door de koning (at. 15), vervolgens door de Grote Kerkenraad (art. 16), die bestond uit de leden van de Commissie tot zaken van de Israëlieten, parnassim en penningmeester en ouderlingen, t.w. oud-parnassim (art. 86). Ook de keuze van een Opperrabbijn berustte bij de Grote Kerkenraad. De raad kon niet zelf samenkomen (art. 90), maar moest worden opgeroepen door de parnassim(art. 53). Dit gebeurde bij zaken van groot belang, zoals het wijzigen van de reglementen, het nazien van rekening en verantwoording, regeling quotisatie van de leden en goedkeuring tot het voeren van processen van de gemeente, waaraan hoge kosten zijn verbonden (art. 87). Het dagelijks bestuur berust bij de parnassim. Tot hun werkzaamheden behoren: het opmaken van de begroting, zorg voor de predikaties, toezicht op de penningmeester, het geven van plaatsen in de synagoge en het handhaven van de kerkelijke ceremoniën (art. 34). Het personeel dat diensten bij de eredienst verrichtte bleef ongewijzigd (art. 105), behalve dat er twee voorlezers werden benoemd (art. 102). De vleeshal zou onder toezicht staan van een gecombineerde commissie van de Hoogduitse en de Portugese gemeenten (art. 129). De parnassim werden verdeeld in drie secties. De sectie eredienst hield zich bezig met zaken betreffende het personeel, begrafenissen en de zitplaatsen in de kerk. De administratie van de voogdijen had de sectie administratie in handen. De bedelingen werden geregeld door de sectie van financiën.

Deze verdeling in drieën werd in het reglement van 1850 weer tenietgedaan. Deze parnassim werden slechts in twee afdelingen gesplitst, n.l. Kerkbestuurderen en Armbestuurderen. Deze laatstgenoemden waren belast met de algemene ziekenverzorging, wezenzorg en de bedeling van de behoeftigen. Ook het Leenfonds, in 1855 door particulier initiatief tot stand gekomen, werd geheel onder de Armbestuurderen geplaatst. Het fonds was bedoeld om leningen te verschaffen aan kleine neringdoenden. Het bedrag moest in wekelijkse termijnen terugbetaald worden. De taken van de Armbestuurderen kwamen dus overeen met die van de vroegere sectie van financiën. De Kerkbestuurderen werden belast met hetgeen in 1815 door de secties eredienst en boedeladministratie werd verricht. Overigens was dit reglement bijna gelijk aan dat van 1815. Nadat men omstreeks 1850 nog eens had geprobeerd een fusie van de beide Israëlitische kerkgenootschappen tot stand te brengen, besloot men in 1870 dat het staatsgezag met de kerkelijke aangelegenheden van de Israëlieten behoorde op te houden (6). Van deze tijd af heeft het Portugees-Israëlitische Kerkgenootschap in Nederland en afzonderlijke organisatie, waarbij een Hoofdcommissie aan het hoofd staat.

INRICHTING VAN DE ADMINISTRATIE VAN TALMUD TORA

Bij de fusie van 1639 werd de administratie opnieuw geregeld, meestal naar het voorbeeld van de oude gemeenten, zoals het reglement van de impost (art. 5). De penningmeester kreeg een assistent die de geldofferingen zou aantekenen en de financiële boeken moest bijhouden (art. 4).

Ingrijpende veranderingen vonden plaats in 1728, toen volgens een besluit van 6 Nissan 5488 een commissie ingesteld werd ter reorganisatie van de administratie van de gemeente. Deze commissie voerde een afzonderlijke administratie van voogdijen in. Als penningmeesters werden benoemd de drie parnassim die elk half jaar aftraden. Deze commissie gaf ook opdracht de termos zodanig te splitsen dat naast het oorspronkelijke register er drie bijzondere termosboeken ingesteld werden. Namelijk een register houdende termos die betrekking hebben op verkiezingen, een termosboek betreffende legaten en schenkingen en tenslotte een register waarin de besluiten betreffende de 'finta' (verplichte bijdrage aan de gemeente) worden aangetekend. Een andere verandering in de administratie die door genoemde commissie tot stand gebracht is, is de splitsing van het grootboek in een 'Livro C' voor de boedeladministratie en een 'Livro A' voor de overige gelden. Ook zijn zij overgegaan tot het systematisch registreren van de effecten die de parnassim onder hun beheer hadden. Hiervoor richtten zij het 'Livro B' in. Deze commissie heeft ook als eerste, en tot voor kort als enige, een inventaris opgemaakt van alle documenten die zich in het archief van de gemeente bevonden.

Zoals we reeds hierboven zagen, had het jaar 1815 enige verandering in de administratie gebracht. Elk van de toen ontstane secties stelde zijn besluiten op schrift. Deze besluiten zijn echter weer terug te vinden in de uitvoerige notulen die de parnassim van toen af bijhielden. Aanvankelijk hielden zij alleen een termosboek bij, war zij slechts de belangrijkste beslissingen in vermeldden. Dit termosboek is voortgezet tot 1814. Reeds in 1659 waren de parnassim er toe overgegaan incidenteel resoluties op te tekenen (nrs. 24 en 25 van de inventaris) die niet belangrijk genoeg waren om in het termosboek ingeschreven te worden. Eerst in 1751 werd besloten dat alle besluiten van de mahamad waarvan geen melding gemaakt werd in de verschillende termosboeken, in een afzonderlijk register ingeschreven dienden te worden. Zoals we reeds zagen, stelde de commissie van 1728 naast dit algemene termosboek bijzondere termosregisters in.

Uit het reglement van 1815 blijkt verder dat toen eerst de ledenadministratie krachtig ter hand is genomen. Er werden alfabetische registers van lidmaten aangelegd. De registers van geboorten, huwelijken en sterfgevallen werden, voor zover aanwezig, vervolgd, of anders nieuw ingesteld (art. 8). De trouwboeken beginnen al in 1673. Het zijn eigenlijk registers van huwelijkscontracten. Bij het sluiten van Joodse huwelijken ontstond in het algemeen geen gemeenschap van goederen en daarom werd een contract opgemaakt, de zgn. kethuba. Dit instituut van Joods recht heeft echter in Holland weinig betekenis gehad, omdat al terstond in de 17e eeuw voor de joden het burgerlijk huwelijk verplicht was gesteld en zij sindsdien ook overigens leefden naar burgerlijk Hollands recht. In dit reglement werd vermeld (art. 49), dat de notulen van de parnassim in de nederlandse taal moesten worden gesteld. Eerst in 1870 werd besloten alle boeken in het nederlands bij te houden.

Het reglement van 1850 heeft in de administratie weinig verandering gebracht. De drie secties werden vervangen door twee afdelingen die elk een nieuw notulenregister instelden.

VERENIGINGEN EN INSTELLINGEN VAN DE GEMEENTE TALMUD TORA

In de loop van de tijden zijn er verschillende verenigingen opgericht door de leden van de Portugees-Israëlitische gemeente (7). Vele van deze verenigingen stonden onder toezicht van de parnassim. Dit hield in dat de parnassim de bestuursleden benoemden, de rekening en verantwoording moesten goedkeuren, toestemming moesten geven tot vervreemding van kapitaal en goedkeuring moesten verlenen aan de reglementen. Een groot aantal van de instellingen was echter zelfstandig, maar onderhield toch een zekere relatie met de gemeente. Veelal plaatsten zij vrijwillig hun kapitaal onder beheer van parnassim en bijna altijd gebruikten ze op gezette tijden de gebouwen van de gemeente en plaatsten hun archieven aldaar. Na de franse tijd zijn alle vrome gestichten en instellingen van de gemeente onder de superintendentie van parnassim geplaatst volgens een koninklijk besluit van 25 juni 1814.

TALMUD TORA EN ETS HAIM

Bij de oprichting van de eerste Portugees-Israëlitische gemeente heeft men onmiddellijk de organisatie van het onderwijs ter hand genomen. De leerschool Talmud Tora (Studie van de wet) (8) ontstond circa 1600. Deze school hield zich bezig met het geven van lager en hoger godsdienstonderwijs aan de zonen van de gemeenteleden. De oudste stukken die bewaard bleven van deze instelling dateren uit 1616. Het betreft een overeenkomst tussen de gemeente Bet Jacob en Neve Salom, waarbij bepaald werd dat in genoemd jaar de instellingen Talmud en Tora en Bikur Cholim gescheiden zouden worden en bovendien dat er maar een vereniging Talmud Tora zou zijn. Hieruit is op te maken dat voor 1616 iedere gemeente een vereniging Talmud Tora bezat en een vereniging Bikur Cholim (Ziekenbezoek) die beide onder een bestuur stonden. De vereniging Bikur Cholim, die zich bezighield met de verzorging van de zieken, heeft geen archief nagelaten. Talmud Tora had een bestuur dat door de leden gekozen werd en dat bestond uit twee parnassim en een penningmeester. In 1624 was het aantal leden zo toegenomen dat het onmogelijk was ieder zijn stem te laten uitbrengen. Er is toen besloten dat de mahamad van Bet Jacob tezamen met het bestuur van Talmud Tora elk jaar het nieuwe bestuur zou verkiezen. Tussen 1624 en 1631 werd het bestuur op zes leden gebracht.

Na verloop van tijd bleek dat vele studenten hun studie staakten omdat ze genoodzaakt waren geld te gaan verdienen om in hun levensbehoeften te kunnen voorzien. Daarom werd in 1637 de gebroederschap Ets Haim (Boom des levens) in het leven geroepen, die tot doel had financiële steun te verlenen aan de leerlingen van Talmud Tora. De parnassim van deze laatstgenoemde vereniging stelden de reglementen op voor de nieuwe gebroederschap. In 1639 werden de twee verenigingen samengevoegd. Een van de parnassim van Talmud Tora fungeerde tevens als penningmester van Ets Haim. Deze verenigingen zijn dus zeer nauw met elkaar verbonden en worden dan ook altijd in een adem genoemd. In 1728 kwam een nieuw reglement tot stand, speciaal om de financiële toestand van de vereniging te verstevigen. De financiën bleven echter een moeilijk punt vormen en in 1760 zag men zich genoodzaakt de 'aspaca' (maandelijkse uitkering) aan de studenten met 15% te verminderen. Later heeft men deze maatregel weer ongedaan kunnen maken, maar in 1810 moest men nogmaals zijn toevlucht nemen tot een dergelijke maatregel. In 1756 besloot men het bestuur terug te brengen tot vier parnassim en een penningmeester, omdat het moeilijk was geschikte personen te vinden. Het bestaan van Talmud Tora en Ets Haim heeft in 1826 gevaar gelopen. Koning Willem I koesterde namelijk het plan een Algemeen Israëlitisch Seminarium te Amsterdam op te richten, waarin de onderwijsinstellingen van de Hoogduitse gemeente en die van de Portugese gemeente samengevoegd zouden worden. Dit plan is echter niet doorgevoerd toen Ets Haim beloofd had verschillende verbeteringen in haar onderwijs aan te brengen. Gedurende het verdere verloop van de 19e eeuw hebben zich tot 1872 geen wezenlijke veranderingen voorgedaan bij het onderwijs van de Portugees-Israëlitische gemeente. In genoemd jaar zijn namelijk door de Hoofdcommissie voor de zaken van het Portugees-Israëlitische Kerkgenootschap verordeningen ingesteld voor de examina van godgeleerden en godsdienstonderwijzers. Ets Haim werd nu gedwongen klassikaal onderwijs te verstrekken, ook in de profane wetenschappen.

SANTA COMPANHIA DE DOTAR ORFAS E DONZELAS

Gewoonlijk spreekt men niet van de 'Santa companhia de dotar orfas e donzelas' (De heilige gebroederschap tot het uithuwelijken van weesmeisjes en jongedochters) maar eenvoudig van 'Dotar'. Deze vereniging werd in 1615 opgericht door de 'chagam' (rabbijn) Jozef Pardo naar het voorbeeld van een dergelijke gebroederschap te Venetië, op aanraden van Jacob Coronel te Hamburg. Het eerste besluitenregister van de vereniging formuleert het als volgt: 'instituida por o haham roby Joseph Pardo a imitação da hebra de orfans do kahal de Talmud Thorah de Veneza a pedimento de Jaacob Coronel de Amburgo'. Het doel van de vereniging was het geven van huwelijksgelden aan weesmeisjes en behoeftige jongedochters van de Portugese en Spaanse natie die het joodse geloof aanhingen en die woonachtig waren in het gebied tussen St. Jean de Luz en Dantzig en in Engeland. Als leden werden toegelaten alle joden, waar ook ter wereld die behoorden tot de Spaanse of Portugese natie. Het entreegeld werd gesteld op een minimum van twintig vlaamse ponden (d.i. f 120,--). Het lidmaatschap is eeuwigdurend en gaat over van vader op zoon.

Het bestuur werd gevormd door een penningmeester en twee administrateurs. Daarnaast werden twee plaatsvervangende penningmeesters aangesteld en twee plaatsvervangende administrateurs. Deze zeven bestuursleden werden jaarlijks door de leden gekozen. De vergaderingen en trekkingen hadden afwisselend in de synagoge van Bet Jacob, Neve Salom en Bet Israël. Na 1639 werd vergaderd in de synagoge van Talmud Tora. In 1628 werden de reglementen herzien, hoofdzakelijk over de verhoging van 1657. In de jaren 1665 en 1726 zijn er enige onbelangrijke wijzigingen aangebracht, maar eind 1755 is een geheel nieuw reglement samengesteld, waarbij de huwelijksgelden weer verhoogd werden en waarbij om de drie jaren te houden extra-lotingen ingevoerd werden. Bovendien werd bepaald het kapitaal in de Oost-Indische Compagnie te ruilen voor Engelse fondsen. In dit gunstige financiële verloop kwam echter in 1812 verandering. Men zag zich toen genoodzaakt de huwelijksgelden met 50% ter verminderen. Uit 1825 dateren verschillende veranderingen. In de eerste plaats werden de huwelijksgelden weer met 10% verhoogd. Vervolgens werd besloten dat de penningmeesters en administrateurs in het vervolg twee achtereenvolgende jaren in functie zouden blijven. Het ene jaar zouden een penningmeester en twee administrateurs gekozen worden en het andere jaar twee penningmeesters en twee administrateurs. Bovendien kreeg men toestemming van de parnassim van de gemeente om de archiefstukken van de gebroederschap ter secretarie te deponeren. Nadat er in 1843 nog enige wijzigingen aangebracht waren in het reglement, voelde men in 1861 de behoefte aan een geheel nieuw reglement in de Nederlandse taal. De 27ste november 1861 (27 Kislef 5622) is dit reglement inderdaad tot stand gekomen.

HONEN DALIM

De vereniging Honen Dalim (Bescherming van de armen) werd in 1625 opgericht met het doel leningen te vestrekken, op panden, aan behoeftige joden, tot een maximum van twintig gulden per jaar. Iedereen kon als lid toetreden, tegen een entreegeld van tien gulden. In navolging van de vereniging Dotar werd bepaald dat het lidmaatschap over zou gaan van vader op zoon. Reeds bij de oprichting telde de instelling 74 leden. Uit hun midden werd het bestuur gekozen, bestaande uit twee parnassim en een penningmeester. De mahamad van iedere gemeente koos een bestuurslid. Het lot besliste dat de eerste penningmeester gekozen zou worden door de gemeente Bet Jacob, het volgende jaar zou Bet Israël deze verkiezing verrichten en ten slotte Neve Alom. Veranderingen in de reglementen konden alleen aangebracht worden in een gezamenlijke vergadering van de afgevaardigden van de drie gemeenten en de bestuursleden van Honen Dalim

In 1646 werden enige maatregelen getroffen om de administratie te verbeteren. Er werd toen onder andere een alfabetische ledenlijst samengesteld. Kort daarop, in 1651, werd het maximum bedrag dat uitgekeerd mocht worden per jaar per hoofd gebracht op f. 40,-.

Ingrijpende veranderingen in de reglementen vonden niet plaats. Het enige register dat van deze vereniging bewaard is gebleven loopt tot 1684. Naar het schijnt heeft Honen Dalim echter bestaan tot 1690 (9). Waarschijnlijk is de taak van deze vereniging overgenomen door de gemeente, door de 'misva de Emprestimo' (Leenbank) en later, in 1855, door het Leenfonds.

GEMELUT HASSADIM, ABODAD-HA-KODESJ, MISJMERETH-HA-BAJITH EN HESED WEËMET

De vereniging Gemelut Hassadim (Het verrichten van liefdewerken) is waarschijnlijk in 1639 opgericht met het doel liefdewerken te verrichten bij stervenden en overledenen en het houden van leeroefeningen. Het oudste reglement dat van deze instelling bewaard is gebleven dateert van 1666. De administrateur werd eenmaal pe jaar door de parnassim van de gemeente Talmud Tora gekozen. Hij werd bijgestaan door een 'adjunto'. Belangrijke beslissingen werden genomen door dertien afgevaardigden uit de leden tezamen met het bestuur. De leden zijn onderworpen aan een kleine maandelijkse contributie. In 1667 werden de reglementen veranderd en werd besloten dagelijks leeroefeningen te houden in een daarvoor te huren lokaal. Het bestuur werd gevormd door twee administrateurs en een penningmeester, die door de leden op zondag voor Hanuca (Inwijdingsfeest) gekozen werden. In 1685 is het bestuur uitgebreid met twee administrateurs waarvan de verkiezing op de tweede dag van de Sebuot (Wekenfeest) plaatsvond.

Vervolgens werd er in 1757 een college van tien 'adjuntos' in het leven geroepen dat de administrateurs en penningmeester bij eventuele afwezigheid zou kunnen vervangen. In 1821 heeft men de reglementen herzien waarbij het bestuur op zeven leden is gebracht, te weten zes administrateurs die ad vitam worden gekozen en een penningmeester die slechts een jaar aanblijft, maar die wel herkiesbaar is. Verder wordt in dit reglement uitdrukkelijk bepaald dat geen gelden aangewend mogen worden voor bijzondere doeleinden zonder toestemming van parnassim van de gemeente. Ook veranderingen in de reglementen kunnen slechts tot stand gebracht worden met goedkeuring van de parnassim.

In 1705 zijn verschillende onderafdelingen van Gemelut Hassadim ontstaan: Abodath-ha-Kodesj (Heilige dienst) hield zich bezig met het dragen van de lijken naar de schuit. Aanvankelijk werd de tocht naar Ouderkerk namelijk per schuit gemaakt via de Amstel. De afdeling Misjmereth-ha-Bajith (Taak in huis) had de speciale taak de lijken op de baar te plaatsen.

Behalve de twee bovengenoemde afdelingen is in 1705 de vereniging Hesed Weëmet (Liefde en waarheid) opgericht die onder toezicht van Gemelut Hassadim stond en die tot taak had het volgens Israëlitisch gebruik reinigen en kisten van de lijken. Het bestuur bestond uit drie administrateurs en vier 'Velhos' (Ouden). Onder leiding van deze laatsten vond het wassen plaats. Het oppertoezicht van al deze verenigingen berustte bij parnassim.

ABY JETOMIM

De vereniging Aby Jetomin (Vader van de wezen) werd in 1648 opgericht met het doel steun en onderwijs te verschaffen aan vaderloze jongens en ondersteuning aan behoeftige reizigers en vreemde geloofsgenoten. In 1757 werd een huis gekocht "op de Breestraat nabij de St. Anthoniesluis" (10).

Er werd bepaald dat de vereniging zich alleen bezig zou houden met het geven van steun en onderwijs aan vaderloze jongens van de Portugees-Israëlitische gemeente en beoefening van de Godgeleerde studie ging tot de dagelijkse bezigheden behoren. Het bestuur werd uit de leden gekozen en zou bestaan uit vier administrateurs en een penningmeester. Bij belangrijke zaken zou een vergadering van adjuncten bijeen geroepen worden om samen met het bestuur de beslissing te nemen. De gebroederschap is heel lang zelfstandig geweest, maar naar aanleiding van het eerder genoemde K.B. van 25 juni 1814 werd besloten dat een gemengde commissie van parnassim en regenten van Aby Jetomim nieuwe reglementen op zou stellen. Er werd toen bepaald dat vaderloze jongens geheel in het huis opgenomen zouden worden en onderwijs zouden ontvangen in de godgeleerde en maatschappelijke studie. Er werden dames regentessen aangesteld om bij de huiselijke bezigheden van het gesticht behulpzaam te zijn. Pas in 1857 zijn deze reglementen weer herzien. Dit nieuwe reglement bestaat uit twee delen. Het eerste bevat het hoofd-reglement dat aan de goedkeuring van heren adjuncten en aan bekrachtiging van het college van parnassim van de gemeente onderworpen blijft. Het tweede deel bevat het reglement van orde, inhoudende alle artikelen van inwendig beheer die slechts de bekrachtiging van de adjuncten vereisen.

ASUTA HABRAYA EN UGBUL ALMANA

De gebroederschap Asuta Habraya (Gezondheid van de geleerden) is in 1688 in het leven geroepen om steun te verlenen aan zieke leraren van Ets Haim. Het doel van de gebroederschap is in 1787 uitgebreid. Men besloot toen over te gaan tot het uitkeren van een pensioen aan de weduwen van bovengenoemde leraren. De naam van de vereniging werd toen: Asuta Habraya Ugbul Almana.

SJOMERIM-LA-BOKER

Deze gebroederschap Sjomerim-la-Boker (Wachters op de morgen) houdt zich bezig met wetsbeoefening en organiseert diensten in de vroege ochtend. Waarschijnlijk is deze vereniging in de tweede helft van de 17e eeuw opgericht, maar de juiste datum is niet bekend.

HASE HAMAHARACHA

De gebroederschap Hase Hamaharacha (Brandstapel op het altaar) werd in 1713 opgericht door Aron de Chaves, David Salom de Azevedo, Abraham Lopes Melhado, Ishac Jeuda Leao Templo, Moseh de Jos. Belmonte, Selomoh de Jacob Mocatta, Jacob Curiel de Prado, Benjamin Jesurun de Jonge, Jos. Vaz Nunez Junior en Jonathan Abaz. Het doel van de vereniging was de contributie van de leden aan te wenden om brandhout te verschaffen aan de behoeftigen van de gemeente. Uit het eerste reglement blijkt dat de armen zichzelf moesten aanmelden en dat het brandhout door loting werd toegekend (art. 2). Iedere roshodes Hanuca (1ste dag van de maand waarin het Inwijdingsfeest plaats vond) werd er door de stichters en de aftredende penningmeester een nieuwe penningmeester gekozen (art. 3). Wanneer er een vacature ontstond in het college van stichters en penningmeesters vulde dit college zichzelf aan (art. 4). Wanneer de bestuurders bijeen zouden zijn, hetzij voor de loting, hetzij voor een verkiezing, dan zouden er lezingen worden gehouden en er werd miseberah (zegenwens) gezegd voor de gebroederschap en ascaba (gebed voor de zielsrust) voor de overleden leden (art. 5). Het aantal stichters werd in 1731 met twee vermeerderd en in 1737 is hun aantal op dertien gebracht.

Van de lotgevallen van de gebroederschap in de jaren 1740 tot 1870 is ons weinig bekend, daar de besluiten en notulen uit die tijd niet voor handen zijn. Uit een reglement van 1871 blijkt dat het bestuur weer uit twaalf leden bestond waarvan er een als penningmeester fungeerde. Iedere Portugese Israëliet kon lid van de vereniging worden. In het bestuur konden alleen zitting hebben contribuerende leden van de Portugees-Israëlitische gemeente te Amsterdam. Het doel van de vereniging is steeds ongewijzigd gebleven.

MEIL SEDACA

De gebroederschap Meil Sedaca (Mantel van de liefdadigheid) werd in 1735 opgericht door enige leden van de Portugees-Israëlitische gemeente met het doel winterjassen uit te reiken aan behoeftige leden van genoemde gemeente. Het bestuur bestaat uit tien stichters en een penningmeester die jaarlijks door de stichters uit de leden gekozen werd. In 1849, bij herziening van de reglementen, is bepaald dat het bestuur zal bestaan uit elf leden waarvan een tot penningmeester wordt verkozen voor de tijd van twee jaar. De uitreiking van de jassen vindt plaats door middel van loting. De uitgereikte jassen mogen niet beleend worden.

HET OUDE MANNENHUIS MISHENET ZEQUENIM

De gebroederschap Mishenet Zequenim (Steun van de ouden) werd in 1750 opgericht door twaalf stichters, te weten: Joseph Cohen d'Azevedo, dr. Ishac de Abm Dias, Moseh Abendana Mendes, Abraham Vaz d'Oliveira, Daniel de Jos. De la Penha, Jahacob Sasportas, Rephael Curiel, Selomoh Lumbrozo de Mattos, Aharon de Sel. Lopes Colaço, David Franco Mendez, Abraham de Raph. Mendes da Costa en Ishac de Crasto. Het doel van de vereniging was het kosteloos verzorgen van oude lieden van boven de zestig jaar in een tehuis. Voor dit doel werd op 15 mei 1750 een huis aangekocht in de Weesperstraat bij de Nieuwe Keizersgracht (11).

Het bestuur werd gevormd door de bovengenoemde stichters. Wanneer er een vacature ontstond kozen zij uit de leden een nieuwe stichter. Bij de verkiezing moesten minstens negen stichters vóór stemmen. Lid kon iedereen van de Portugese en Spaanse Natie worden wanneer hij jaarlijks een kleine contributie betaalde.

Zoals alle vrome en charitatieve instellingen werd ook Mishenet Zequenim in de franse tijd onder superintendentie van de parnassim van Talmud Tora gesteld. Dit hield in dat er geen gelden van de vereniging vervreemd mochten worden zonder kennis van de parnassim en dat ze de reglementen moesten goedkeuren.

In 1843 is er enige verandering in het bestuur gekomen. Er werd toen een dagelijks bestuur ingesteld dat bestond uit drie personen die door de stichters uit hun midden gekozen werden en een jaar aanbleven. Ieder jaar zou er een gekozen worden. Door loting werd bepaald, wie de eerste keer respectievelijk drie, twee of een jaar aan zou blijven. Tot de taak van dit dagelijkse bestuur behoorde het toezicht op het tehuis, het uitvoeren van de verordening van de algemene vergadering van de stichters, het oproepen van deze vergadering bij belangrijke gebeurtenissen, bemoeiing met de huishouding en het bijhouden van de boeken.

In 1870 is het reglement nogmaals herzien, waarbij het aantal regenten op elf werd gesteld (art. 4) en waarbij bepaald werd dat zij voor vijf jaren gekozen werden uit de leden (art. 5). Zoals we reeds zagen is het doel van de stichting het verzorgen van oude lieden. Aanvankelijk werden ook vrouwen toegelaten, maar later heeft men bepaald dat alleen mannen opgenomen mochten worden. Zij verplichtten zich hun bezittingen aan het huis af te dragen en zij mochten buiten het tehuis geen arbeid verrichten.

Door een schenking was men in 1794 in het bezit gekomen van twee huizen op de Herengracht. Deze huizen werden in orde gebracht om dienst te doen als Oudemannenhuis en in 1796 werd dit betrokken. Het oude gebouw in de Weesperstraat werd verhuurd en is later, in 1818, verkocht.

NOTEN-LECHEM-LA-DAL

De gebroederschap Noten-Lechem-la-Dal (Hij geeft de arme brood) is waarschijnlijk omstreeks 1750 opgericht met een tweeledig doel: het uitreiken van brood aan behoeftige Portugees-Israëlieten en het houden van godsdienstige lezingen op sabbath en de feestdagen. Het bestuur bestond uit vijf leden: een president, een penningmeester, een secretaris en twee bestuurderen.

HABERIM MAGSIBIM

De gebroederschap Haberim Magsibim werd opgericht vóór 1768. Het doel van de instelling was het houden van lezingen en de uitdeling van brood aan behoeftige Portugees-Israëlieten. Het bestuur bestaat uit zes stichters en een penningmeester. De penningmeester wordt ieder jaar opnieuw gekozen. Opdat altijd het vereiste aantal leden (tien) voor godsdienstoefeningen aanwezig zullen zijn worden assistenten in dienst genomen, voor een salaris van acht broden per jaar. Wanneer het nodig bleek te zijn werden zij opgeroepen om het getal van de samengekomen leden op tien te brengen.

HANAGATH-HA-NEHARIM

De vereniging Hanagath-ha-Neharim (Leiding voor jongelingen) werd in 1790 opgericht met een tweeledig doel: het houden van lezingen op sabbath en het uitdelen van hemden aan 'arme lieden'. De uitdelingen vonden twee maal per jaar plaats, met Pasen en met Nieuwjaar. De benodigde gelden hiervoor werden opgebracht door contributie van de leden, die bij de oprichting een stuiver per maand bedroeg. Het betuur bestond uit zes leden waarvan een als penningmeester fungeerde.

MATSEBET ABEN

In 1800 werd de gebroederschap Matsebet Aben (Steenplaatsing) opgericht met het doel voor ieder lid bij zijn overlijden een zerk op zijn graf te plaatsen. Later, in 1858, is het doel van de vereniging enigszins veranderd en is de gebroederschap herschapen in een begrafenisfonds voor lidmaten van de Portugees-Israëlitische gemeente.

MAHOZ-LADAL EN HUKAT-APASAH

De Commissie van Financiën van de gemeente, die in 1805 aan de parnassim verslag uit bracht over de toestand van de Armenkas, adviseerde voor de bedeling van turf en paasbrood enige gebroederschappen op te richten, omdat de gemeentegelden hiertoe niet meer voldoende waren. In 1806 zijn daarop de gebroederschappen Mahoz-Ladal en Hukat-Apasah ontstaan. De eerste instelling had tot doel de turfbedeling onder de armen van de gemeente en de laatstgenoemde regelde de paasbrood bedeling. De verenigingen werden aanvankelijk voor zes jaar opgericht. In 1812 zijn ze nogmaals met drie jaar verlengd, maar in 1815 zijn ze opgeheven, omdat de toestand van de Armenkas ondertussen verbeterd was. Het bestuur van de verenigingen werd gevormd door vijf leden. Het eerste bestuur werd gekozen door de parnassim. De daarop volgende besturen zijn gekozen door het aftredende bestuur en parnassim gezamenlijk uit een aantal personen die voorgedragen werden door de gebroederschappen. De leden werden verdeeld in drie klassen naar de bijdrage die ze leverden: een gulden, tien stuivers of zes stuivers per maand.

DE PORTUGEES-ISRAËLITISCHE ARMENSCHOOL

In 1814 werd de Portugees-Israëlitische Armenschool (12) opgericht. Hij was bestemd tot het geven van kosteloos onderwijs aan kinderen van zes tot tien jaar van behoeftige leden van de Portugees-Israëlitische gemeente te Amsterdam. In 1816 kreeg de school een eigen gebouw in de Kerkstraat. Daarvoor was hij ondergebracht in een van de gebouwtjes rond de synagoge. Aanvankelijk werd er alleen maatschappelijk onderwijs gegeven, maar in 1820 werd er een overeenkomst met Ets Haim gesloten, waardoor ook het lager godsdienstig onderwijs op de school werd gegeven. Jaarlijks vonden er een of twee 'huiselijke' examina plaats en van tijd tot tijd was er een openbaar examen. De school werd onderhouden door jaarlijkse vrijwillige bijdragen van de gemeenteleden. Het bestuur bestond uit vijf bestuurders en drie bestuurderessen. Toen het moeilijker werd gelden voor de school bijeen te brengen gingen er stemmen op tot opheffing van de school. Vooral voorstanders van het openbaar onderwijs pleitten voor de opheffing. In 1871 is de school inderdaad opgeheven en met een subsidie van de toen vrijgekomen gelden is de Godsdienstschool opgericht.

HET OUDE VROUWEN- EN ZIEKENHUIS MESIB NEFES

Lange tijd is de verzorging van de zieken van de Portugees-Israëlitische gemeente geregeld door de vereniging Bikur Cholim. Voor 1639 bezat iedere gemeente een vereniging van die naam. Na 1639, toen de vereniging van de drie toenmalige gemeenten plaats had gevonden, bestond er slechts een instelling Bikur Cholim die meestal werd aangeduid als de 'Hebra' (Gebroederschap). Deze Hebra werd bestuurd door zes parnassim die jaarlijks gekozen worden door de parnassim van de gemeente en het aftredende bestuur van Bikur Cholim. De gelden voor deze instelling werden bijeen gebracht door de jaarlijkse bijdragen van de leden. Wanneer dit niet voldoende was sprong de gemeente bij met gelden uit de gemeentekas.

In 1833 vatten enige gemeenteleden het plan op een ziekenhuis op te richten voor de behoeftige zieken van de gemeente. In dit tehuis zouden ook gezonde behoeftige oude vrouwen opgenomen kunnen worden. In 1834 is het Oude Vrouwen- en Ziekenhuis, Mesib Nefes (Zielsverkwikking) tot stand gekomen. Uit het reglement ervan blijkt dat de Hebra bleef bestaan en dat het bestuur van deze Hebra in een gecombineerde vergadering met parnassim van de gemeente het bestuur van de ziekenverzorging koos. Onder de ziekenverzorging werd begrepen: het Oude Vrouwenhuis, het Ziekenhuis en de verzorging van de behoeftige zieken van de gemeente thuis. Het bestuur bestond uit vijf leden die lidmaten van de gemeente moesten zijn (art. 5). Van deze vijf leden moesten er twee uit de groep van ouderlingen gekozen worden (art. 2). Zij werden benoemd voor vijf jaar en waren herkiesbaar (art. 4). Ieder jaar trad een lid van het bestuur af en werd een nieuw lid gekozen in een gecombineerde vergadering van het bestuur van de ziekenverzorging en parnassim, waarbij ieder college drie kandidaten stelde (art. 8). De regenten benoemde drie regentessen die zich bezig moesten houden met de huishoudelijke aangelegenheden van de inrichting (art. 7). De vader en moeder van het tehuis alsmede de 'doctoren, chirurgijn en apothecar' werden in een gecombineerde vergadering in overleg met parnassim benoemd (art. 14, 15). Al het overige personeel werd alleen door de regenten benoemd (art. 17). De opname in het Oude Vrouwenhuis stond open voor behoeftige vrouwen van de Portugees-Israëlitische gemeente die de leeftijd van zestig jaar bereikt hadden en niet ziek waren (art. 19). Het aantal op te nemen vrouwen werd bepaald op tien. De beslissing betreffende de opname berustte geheel bij de regenten (art. 16). Zij waren echter verplicht een geneeskundig onderzoek te laten vooraf gaan en te informeren bij de gemeente naar de graad van hun behoeftigheid. De regenten moesten hun begroting door parnassim laten goedkeuren en later rekeningen en verantwoording afleggen (art. 10 en art. 12).

In 1842 werd het reglement van 1834 tot in details uitgewerkt. De hoofdbepalingen bleven echter onveranderd. In art. 4 stond nog eens duidelijk dat 'het beheer van de algemeene ziekenverzorging is opgedragen aan en wordt waargenomen in naam van parnassim van de Portugees-Israëlitische gemeente door een college onder de naam van 'Regenten van de algemeene Ziekenverzorging'. Ook werd een apart hoofdstuk gewijd aan de zieken. Er werd bepaald dat alleen zieken opgenomen mochten worden waarvan genezing mogelijk was. Alle behoeftige zieken van de gemeente die niet in het gesticht opgenomen werden, ook kraamvrouwen, genoten thuis gratis geneeskundige hulp (art. 35).

In 1850 is de gehele ziekenverzorging direct onder de parnassim van de gemeente gekomen en wel onder de armbestuurderen. Eerst in 1916 werd een belangrijke stap vooruit gedaan bij de verzorging van de zieken door het in gebruik nemen van het Portugeesch-Israëlitisch Ziekenhuis in de Plantage Franschelaan.

DE PORTUGEES-ISRAËLITISCHE BEWAARSCHOOL

Op initiatief van de parnassim van de gemeente is in 1847 de bewaarschool opgericht. Kinderen van drie tot zes jaar van behoeftige ouders konden op de school toegelaten worden. Het eerste jaar vond het onderwijs plaats in een hulplokaal, maar daarna heeft men een gebouw in de Kerkstraat bij de Amstel kunnen betrekken. De benodigde gelden hiervoor waren bijeen gebracht door gemeenteleden en een aanzienlijke gift van het Fernandes-Nunes fonds. Behalve voor de oprichting werden door de gemeenteleden ook jaarlijks gelden bijeen gebracht voor de instandhouding van de school in de vorm van contributie en vrijwillige bijdragen. Andere bronnen van bestaan waren een toelage van Ets Haim en een subsidie uit de gemeentekas. Uit de reglementen voor de school die in 1848 opgesteld zijn valt op te maken dat het bestuur van de school bestond uit een regent en drie regentessen die door de parnassim verkozen werden voor de tijd van drie jaar en herkiesbaar waren (art. 2, 3). Het bestuur moest de begroting door parnassim laten goedkeuren en vervolgens rekening en verantwoording afleggen (art. 9). De administratieve taken die zich bij het beheer van de school voordoen moesten waargenomen worden door de regent, de huishoudelijke plichten zouden door de regentessen vervuld worden (art. 5). Het personeel van de school werd door het bestuur benoemd (art. 6).

De school heeft tot 1927 bestaan. De parnassim trokken toen de subsidie in omdat de school volgens hen niet meer aan zijn doel beantwoordde. De leermethode was verouderd, het personeel niet voldoende geschoold, het lokaal voldeed niet meer en het aantal Portugees-Israëlitische kinderen dat de school bezocht was teruggelopen tot minder dan tweevijfde van het totale aantal. Zonder subsidie van de gemeente kon men de school niet voortzetten en zo werd deze in 1927, na tachtig jaar bestaan te hebben, opgeheven.

BEWARING EN ORDENING VAN DE ARCHIEVEN

Uit het besluitenregister van parnassim blijkt dat men in 1677 een begin heeft gemaakt met het samenstellen van lijsten van archiefstukken die de parnassim onder hun beheer hadden. In de 'termo', warbij de eed afgenomen werd aan de nieuw verkozen mahamad, werd tevens een lijst vermeld van stukken die bij het aanvaarden van hun ambt aan hen toevertrouwd werden. De commissie van 1728 heeft dit gebruik afgeschaft, maar zoals we reeds zagen een systematische inventaris samengesteld die voornamelijk de losse stukken bevatte. Van de delen is een lijst opgemaakt in 1815. Vele register die hierop voorkomen zijn echter niet teruggevonden en moeten als verloren beschouwd worden. De archieven werden bewaard op de secretarie van de gemeente die gevestigd was in de Rapenburgerstraat 197, in een van de gebouwtjes die om de synagoge heen staan.

Uit de stukken van omstreeks 1835 bleek dat de delen en losse stukken van 1820 tot 1835 en een enkel iets vroeger gedateerd stuk opgeborgen werden in de 'Prezidenten-kast'. Waarschijnlijk had dus de president de zorg voor de archieven van de parnassim. In de notulen van een zitting van 30 mei 1830 lezen we dat in genoemd jaar een kist met oude papieren is gevonden. Men besluit de kist op zolder te zetten en de papieren die belangrijk genoeg zijn om in het archief opgeborgen te worden eruit de halen. Over het algemeen krijgt men de indruk dat in deze tijd wel enige zorg aan de archieven besteed werd. Vaak werden commissies benoemd om de archieven van parnassim te ordenen en in 1837 schenkt Abraham Oribio de Castro driehonderd gulden om de 'archievenkamer' in orde te maken. Van deze 'archievenkamer', een vertrek achter de secretarie, bestaat nog een inventaris uit 1868. Deze inventaris vermeldt wat zich plank voor plank in de kasten bevond. Hieruit blijkt dat alles vrij willekeurig bijeen gezet werd. Van vele delen was de beschrijving niet juist en de oudste losse stukken werden niet vermeld.

Wanneer we de instructies van de ambtenaren nagaan komen we niet meer aan de weet over het beheer van de archieven dan dat de eerste secretaris sinds 1852 belast is met het toezicht over de archieven van de boedeladministratie. Over de andere archieven wordt niets medegedeeld.

De archieven zijn tot 1940 bewaard op de secretaris van de gemeente, maar in de oorlogsjaren zijn ze grotendeels overgebracht naar de bewaarplaats van de Gemeentelijke Archiefdienst van Amsterdam, omdat het gevaar dreigde dat de bezetter er zich meester van zou maken. In de zomer van 1956 werd met de ordening en beschrijving een aanvang gemaakt, voorlopig beperkt tot de registers en de enkele daarin aangetroffen losse stukken. Blijkens de op de ruggen van de delen aangebrachte opschriften (letters en nummers) zijn in verschillende tijden ordeningen aangebracht en de series van notulen, kopieboeken, kas- en grootboeken steeds scherp onderscheiden. Ook de archieven van Dotar en Ets Haim toonden dergelijke sporen van ordening.

In 1958 zijn er nog een aantal delen en losse stukken naar het Gemeentearchief overgebracht. Deze bestanddelen, totaal zes meter archief, zijn in zeer slechte staat aangekomen. De delen waren veelal van hun banden ontdaan en losse stukken lagen chaotisch door elkaar.

In oktober 1961 zijn alle archiefstukken tot 1870 die nog berustten onder de Portugees-Israëlitische Gemeente naar het Gemeentearchief overgebracht. Hierbij bevonden zich ook archivalia uit de bibliotheek van Ets Haim (onder andere inv.nr. 8). De totale lengte van de archieven bedraagt ongeveer zestig strekkende meters. De scheiding die gemaakt is tussen de stukken vóór 1870 en na 1870 is van zuiver praktische aard en berust niet op een verandering in de administratie. Om dezelfde reden zijn ook enige stukken van na 1870 opgenomen.

Bij de laatste overgebrachte stukken bevond zich ook de inventaris die in 1728 opgesteld was. De vondst was van groot belang voor het ordenen van de losse stukken die door talrijke verhuizingen in grote wanorde waren geraakt. Aan de hand van die inventaris is de oorspronkelijke orde van de stukken zoveel mogelijk hersteld, uitgaande van het restauratiebeginsel dat de Handleiding (13) voorschrijft. Waar dit niet mogelijk bleek werd de organisatie tot leidraad genomen zoals die bleek uit de reglementen. Stukken waarvan het niet vaststaat dat zij tot de archieven hebben behoord, maar die door hun samenhang met en langdurige plaatsing bij de archieven daarvan toch niet geheel en al los te maken zijn, werden onder het hoofd 'varia' gebracht.

(1) A.M. Vas Dias, 'Losse bijdragen tot de geschiedenis der Joden in Amsterdam. De scheiding in de oudste Amsterdamsche Portugeesche gemeente Beth Jaacob (1618)', De Vrijdagavond, VII 51, 52 en VIII 1, 2.

(2) In Groet bij Alkmaar had men reeds eerder een begraafplaats, maar deze voldeed slecht wegens de grote afstand van Amsterdam.

(3) De synagogen van Neve Salom en Bet Jacob werden verkocht. De synagoge van Bet Israël heeft dienst gedaan tot 1675. In dit jaar is de nu nog bestaande synagoge, Rapenburgerstraat 197, in gebruik genomen.

(4) Het dagelijks bestuur van parnassim, tevens het vertrek waarin hun vergaderingen plaats vonden.

(5) 'Van de theba' wil zeggen vanaf het spreekgestoelte in de synagoge.

(6) Zie J.S. da Silva Rosa, Geschiedenis der Portugeesche Joden te Amsterdam, 1593 - 1925, (Amsterdam 1925) 140.

(7) J.M. Hillesum, 'Vereenigingen bij de Portugeesche en Spaansche Joden te Amsterdam in de 17e en 18e eeuw', Jaarboek Amstelodamum, Amsterdam 1902.

(8) Dr. M.C. Paraira en J.S. da Silva Rosa, Gedenkschrift uitgegeven ter gelegenheid van het 300-jarig bestaan der onderwijsinrichtingen Talmud Tora en Ets Haim (Amsterdam 1916).

(9) J.S. da Silva Rosa, Geschiedenis der Portugeesche Joden te Amsterdam, 1593-1925, (Amsterdam 1925) 24.

(10) Zie het handschrift van Franco Mendes (inv.nr. 1330).

(11) Gemeentearchief Amsterdam, Kwijtscheldingen T 5, fol. 290.

(12) N.S. Calisch, Liefdadigheid te Amsterdam (Amsterdam 1851) 292.

(13) S. Muller Fzn., J.A. Feith en R. Fruin Th. Azn., Handleiding voor het ordenen en beschrijven van archieven (1897 en ongewijzigd 1920).

Archiefvormers

    De nummers achter de archiefvormers verwijzen naar het corresponderende inventarisdeel of het inventarisnummer. Door er op te klikken opent zich de inventaris op dat onderdeel of nummer.
    • Genootschap Talmide Sadic te 's-Gravenhage : 7.2.3
    • Hollands Portugees-Israëlietische Kerkgenootschap; consulerende commissie tot de zaken van de eredienst : 7.2.4
    • Maatschappij tot Nut der Israëlieten in Nederland; hoofdbestuur : 7.2.8
    • Nederlands Israëlietische hoofdsynagoge : 7.2.7
    • Nederlands Israëlietische hoofdsynagoge te Zwolle : 7.2.6
    • Nederlands Portugees-Israëlietische Synogaal Ressort te Amsterdam; commissie van toezicht over de kerkelijke besnijdenissen : 7.2.5
    • Nederlandsch Portugeesch-Israëlietische Armenschool : 7.1.21
    • Portugees-Israëlietische Gemeente Sur Israel te Brazilië : 7.2.1
    • Portugees-Israëlietische Gemeente te Naarden : 7.2.2
    • Portugees-Israëlietische Gemeente, gemeente Talmud Tora : 8
    • Portugees-Israëlietische Gemeente; Abodath-ha-Chesed : 7.1.8
    • Portugees-Israëlietische Gemeente; Aby Jetomim : 7.1.9
    • Portugees-Israëlietische Gemeente; Asuta Habraya en Ugbul Almana : 7.1.11
    • Portugees-Israëlietische Gemeente; college van afgevaardigden der drie gemeenten ter zake van de impost van de gezamenlijke lidmaten geheven : 4
    • Portugees-Israëlietische Gemeente; gemeente Bet Israël : 10 (1618 - 1648), 11-12 (1626 - 1639)
    • Portugees-Israëlietische Gemeente; gemeente Bet Jacob : 1, 3
    • Portugees-Israëlietische Gemeente; gemeente Neve Salom : 2
    • Portugees-Israëlietische Gemeente; Gemelut Hassadim : 7.1.6
    • Portugees-Israëlietische Gemeente; grote kerkenraad : 6
    • Portugees-Israëlietische Gemeente; Haberim Magsibim : 7.1.17
    • Portugees-Israëlietische Gemeente; Hanagath-ha-Neharim : 7.1.18
    • Portugees-Israëlietische Gemeente; Hase Hamaharacha : 7.1.14
    • Portugees-Israëlietische Gemeente; Hesed Weemet : 7.1.7
    • Portugees-Israëlietische Gemeente; het Oude vrouwen Ziekenhuis Mesib Nefes : 7.1.22
    • Portugees-Israëlietische Gemeente; Honen Dalim : 7.1.3
    • Portugees-Israëlietische Gemeente; Matsebet Aben : 7.1.19
    • Portugees-Israëlietische Gemeente; Meil Sedaca : 7.1.15
    • Portugees-Israëlietische Gemeente; Mishenet Zequenim : 7.1.13
    • Portugees-Israëlietische Gemeente; Nederlandsch Portugeesch-Israëlitische Bewaarschool : 7.1.23
    • Portugees-Israëlietische Gemeente; Noten Lechem la-Dal : 7.1.16
    • Portugees-Israëlietische Gemeente; parnassim : 5
    • Portugees-Israëlietische Gemeente; Santa companhia de dotar orfas e donzelas : 7.1.2
    • Portugees-Israëlietische Gemeente; Sjomerim-la-Boker : 7.1.12
    • Portugees-Israëlietische Gemeente; Talmud Tora en Ets Haim : 7.1.1
    • Portugees-Israëlietische Gemeente; Temine Darech : 7.1.10
    • Portugees-Israëlietische Gemeente; vereniging Mahoz-Ladal : 7.1.20
    • Portugees-Israëlietische Gemeente; Vestiaria : 7.1.4
    • Portugees-Israëlietische Gemeente; Vestiaria dos Talmidim : 7.1.5
    • Portugees-Israëlietische gemeenten in het Heilige Land, gevestigd te Amsterdam; Pekidim en Amarchalim : 7.2.9
    • Portugees-Israëlietische Gemeente
© Stadsarchief
Disclaimer / Colofon
<

Gegevens over mogelijk nog levende personen mogen alleen worden gebruikt voor historisch (waaronder genealogisch), wetenschappelijk of statistisch onderzoek.

Door het aanklikken van onderstaande button verklaart u zich te houden aan het Reglement voor raadpleging en gebruik van het Stadsarchief.