323: Archief van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen; Departement Amsterdam

Algemene kenmerken

Toegangsnummer:

323

Periode:

1784 - 1952

Inleiding

Organisatie

Op 16 november 1784 werd in Edam een ‘Genootschap van Konsten en Weetenschappen, onder de zinspreuk: Tot Nut van ’t Algemeen’ opgericht, later omgedoopt tot Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen – kortweg ’t Nut. Het initiatief kwam van de doopsgezinde predikant Jan Nieuwenhuijzen. Zijn zoon, de arts Martinus Nieuwenhuijzen, werkte de plannen uit. Doel van de Maatschappij was het bevorderen van het welzijn van het volk, door onderwijs en mogelijkheden om zich te ontwikkelen aan te bieden aan mensen die dat anders niet konden betalen.

Een van de bestuursleden van het genootschap was de Amsterdamse leermeester in de wis- en sterrenkunde Gerrit Brender à Brandis. Mede dankzij zijn enthousiasme meldden zich in Amsterdam zoveel leden dat er op 1 april 1785 een eigen Amsterdamse afdeling werd opgericht. Het was het eerste departement van het Nut. Het aantal leden bleef in Amsterdam zo snel groeien dat er in april 1790 een tweede departement bij kwam. Het eerste departement zou vijfhonderd leden gaan tellen, het tweede vierhonderd. Het werden er nog meer: in 1840 had het eerste departement 584 en het tweede 693 leden. Allemaal mannen. Pas vanaf 1858 werd een deel van de bijeenkomsten ook opengesteld voor vrouwen. Toen het totale ledental in 1877 was teruggelopen naar 520 werden de twee departementen samengevoegd. Dat bleef zo, ook al steeg het aantal leden in de jaren daarna, onder andere door een verlaging van de contributie, weer tot 1200.

De eerste jaren vergaderde het Amsterdamse departement van het Nut in verschillende logementen: eerst in De Zon aan de Nieuwendijk, bij de Gravenstraat, vanaf het najaar van 1787 in De Koning van Poolen, en het jaar daarop in Het wapen van Embden of Groot Keizershof, ook op de Nieuwendijk. Op de vergaderingen bespraken de leden de lopende zaken, daarna trad een spreker op – de ‘Nutslezing’ – en na afloop kon er nog wat gedronken worden. Op 1 april 1802 kochten de twee Amsterdamse departementen samen voor 13.250 gulden het gebouw De Vergulde Son, een voormalige doopsgezinde kerk aan Singel 118, bij de Blauwburgwal. In 1823 ruilden de departementen dat gebouw, met een bijbetaling van 25.000 gulden, met makelaarsfirma Loth Gijzelman en Benjamin van Bleijenburg tegen een monumentaal pand aan Nieuwezijds Voorburgwal 212. Tijdens een grondige verbouwing kreeg dat onder meer een grote gehoorzaal. Het bleef tot 1918 het gebouw van het Amsterdamse Nut. Toen was het te klein geworden voor de intussen 1926 leden. Het Amsterdamse departement verkocht het gebouw aan de staat en kocht zelf voor 110.000 gulden een terrein aan de Nassaukade, om daar een groter gebouw neer te zetten. Door de hoge kosten van bouwen na de Eerste Wereldoorlog kwam dat er nooit van.

Onderwijs

De twee departementen droegen met een hele reeks initiatieven bij aan met name het onderwijs in Amsterdam. In 1795 brachten ze een advies uit aan het stadsbestuur over de verbetering van de stadsarmenscholen. Het jaar daarop stichtte het eerste departement zelf een kweekschool voor schoolmeesters en nog datzelfde jaar zette het tweede departement een leer- en kweekschool op voor de zonen van leden, drie jaar later gevolgd door een school voor ‘jonge dochters’. Voor de kleuters kwam er in 1843 een bewaarschool aan de Anjeliersstraat. Op 2 november 1865 openden de Amsterdamse departementen ten slotte in een huis aan de Herengracht de Industrieschool voor Vrouwelijke Jeugd, waar meisjes konden leren wat ze nodig hadden om in hun eigen levensonderhoud te voorzien, bijvoorbeeld als onderwijzeres in tekenen of handwerken, als boekhoudster of apothekersbediende. De school was een groot succes en kreeg in 1881 een eigen gebouw aan de Weteringschans.

Ook met de ontwikkeling van volwassenen hield het Nut zich bezig. Tussen 1811 en 1838 verzorgden de Amsterdamse departementen onderwijs in de proefondervindelijke natuurkunde, voor leden en voor betalende toehoorders. En in 1826 startte de Maatschappij met gratis Volksonderwijs, een soort theoretische ambachtsschool voor volwassen meesters, meesterknechten en gezellen, met lessen in natuurkunde, scheikunde, meetkunde, werktuigkunde en tekenen. Het Volksonderwijs bleef bestaan tot de gemeente in 1868 een avondschool met een vergelijkbaar lesprogramma opende.

Ontwikkeling

Op de zolder van het gebouw aan het Singel opende in 1814 een Teekenschool voor zonen van leden en vanaf 1842 konden Amsterdammers aan de hand van een nieuwe methode leren zingen bij verschillende zangscholen van het Nut. In 1851 startten de twee departementen in de Westerhal op de Westermarkt een ‘normaalschool’ voor gymnastiek, voor onderwijzers, onderwijzers in opleiding en ook voor arme en minvermogende leerlingen, waaraan tien jaar later ook een afdeling voor orthopedische behandeling verbonden werd. De gymnastiekschool werd in 1867 overgedragen aan de onderwijzers. Het Nut streefde ernaar dat alle instellingen die het opzette op den duur onafhankelijk konden blijven bestaan.

De leeskamer die leden van de departementen sinds 1864 konden gebruiken werd in 1877 uitgebreid en tegen een contributie van vier gulden opengesteld voor iedereen. Deze Leesinrichting, waar boeken gelezen én geleend konden worden, werd enorm populair en kreeg verschillende filialen. Toen de gemeente Amsterdam vanaf 1908, met financiële steun van het Amsterdamse departement van het Nut, openbare leeszalen opende, nam het bezoek aan de leesinrichtingen af, zeker toen het gebouw aan de Nieuwezijds Voorburgwal sloot en de grootste leesinrichting in 1920 verhuisde naar een pand aan de Vondelstraat. In 1927 werd de Leesinrichting opgeheven. In plaats daarvan begon het Nut toen een reeks leeszalen speciaal voor kinderen.

Steun

Ook op andere gebieden ondersteunden de Amsterdamse departementen de minvermogende Amsterdammers. Zo had het Amsterdamse Nut tussen 1819 en 1835 een eigen spaarbank, en eind 1892 werd de Amsterdamse Volksbank opgericht, die kleine voorschotten verstrekte om te voorkomen dat Amsterdammers in handen van woekeraars zouden vallen. Op 16 maart 1870 besloten de Amsterdamse departementen samen eetgelegenheden op te zetten waar arbeiders voor weinig geld een goede en voedzame maaltijd konden eten of afhalen: de volksgaarkeukens. De eerste opende op 12 september in de Spuistraat en in de jaren daarna kwamen er drie bij. Nog in 1927 startte het Nut een grote gaarkeuken aan Overtoom 31, maar daarna liep het aantal bezoekers snel terug.

Aan het begin van de twintigste eeuw telde Amsterdam intussen allerlei andere organisaties die zich bezighielden met de ontwikkeling van het volk. De meeste instellingen van het Nut waren zelfstandig geworden of opgeheven. In plaats van te werken voor de eigen leden begon het Amsterdamse departement toen met de rente op het kapitaal bijdragen te leveren aan liefdadigheidsverenigingen en sociale instellingen. Tegenwoordig is het departement Amsterdam van de Maatschappij tot Nut van ‘t Algemeen een zelfstandige stichting met als doel het verlenen van financiële steun op filantropische grondslag.

Archief

Op 30 januari 1964 droeg de secretaris van het departement Amsterdam, J.P. Willeumier, twaalf kisten met het archief in bruikleen over aan het toenmalige Gemeentearchief Amsterdam, nu het Stadsarchief. Het archief loopt van 1785 – de resoluties van de allereerste vergadering op 1 april van dat jaar – tot ongeveer 1938, waarbij een van de notulenboeken van de ledenvergaderingen is voortgezet tot 1952.

Archiefvormers

    De nummers achter de archiefvormers verwijzen naar het corresponderende inventarisdeel of het inventarisnummer. Door er op te klikken opent zich de inventaris op dat onderdeel of nummer.
    • Industrieschool voor vrouwelijke jeugd : 8
    • Inrichting voor de gymnastiek : 12, 389
    • Inrichting voor natuurkundig onderwijs : 9
    • Instituut voor tekenkundig onderwijs : 10
    • Leer- en Kweekschool voor jonge dochters : 7
    • Leer- en Kweekschool voor jongelingen : 6
    • Maatschappij tot Nut van het Algemeen; commissie voor de bewaarschool : 375 (1843 - 1871), 376 (1843 - 1887), 377 (1868 - 1900), 378 (1842 - 1843), 379 (1874), 380 (s.d.), 381, 382, 383, 384 (1870 ca.), 385 (1861 - 1895), 386, 387 (1843 - 1852)
    • Maatschappij tot Nut van het Algemeen; eerste departement : 1, 15
    • Maatschappij tot Nut van het Algemeen; gezamelijke departementen : 3
    • Maatschappij tot Nut van het Algemeen; landelijk : 14
    • Maatschappij tot Nut van het Algemeen; leesinrichting : 4
    • Maatschappij tot Nut van het Algemeen; spaarbank : 13
    • Maatschappij tot Nut van het Algemeen; tweede departement : 2
    • Maatschappij tot Nut van het Algemeen; Volksonderwijs : 5
© Stadsarchief
Disclaimer / Colofon
<

Gegevens over mogelijk nog levende personen mogen alleen worden gebruikt voor historisch (waaronder genealogisch), wetenschappelijk of statistisch onderzoek.

Door het aanklikken van onderstaande button verklaart u zich te houden aan het Reglement voor raadpleging en gebruik van het Stadsarchief.