30838: Archief van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap, alsmede van Gedeponeerde Archivalia

Algemene kenmerken

Toegangsnummer:

30838

Periode:

1858 - 1997

Inleiding

Dit archief is momenteel in bewerking. De inventarisatie zal onder voorbehoud rond begin 2014 zijn afgerond. Tot die tijd is inzage slechts bij uitzondering en alleen op afspraak mogelijk. Volg daarvoor de procedure waarnaar hier boven wordt gelinkt.

Oprichting van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap

Geboren uit armoede! Zo mag het ontstaan van het Koninklijk Oudheidkundig Genootschap (K.O.G.) wel getypeerd worden. Omstreeks het midden van de 19e eeuw was het namelijk treurig gesteld met de openbare musea in Nederland. Na een krachtig begin onder koning Lodewijk Napoleon en tijdens de eerste jaren van zijn opvolger Willem I geraakte het museumwezen in de dertiger jaren van de 19e eeuw ten gevolge van economische neergang en gebrek aan belangstelling van regeringszijde in het slop. Geld voor beheer en aankopen werd mondjesmaat ter beschikking gesteld en Thorbecke's beruchte uitspraak 'Kunst is geen overheidszaak' fungeerde in die dagen als leidraad voor het beleid ten aanzien van het openbaar kunstbezit.

Niet iedereen was gelukkig met deze situatie. Vooral vanuit de particuliere hoek werden initiatieven ontplooid om aan deze deplorabele toestand een einde te maken en de Rijksoverheid te bewegen meer verantwoordelijk-heidsgevoel voor het behoud van het cultureel erfgoed te tonen. Zo organiseerden in 1854 een aantal kunstliefhebbers en kunstenaars in de sociëteit Arti et Amicitiae te Amsterdam een tentoonstelling van kunst- en nijverheidsvoorwerpen ter stimulering van het kunstbesef om zo te komen tot de oprichting van een museum. Het initiatief resulteerde evenwel niet in de beoogde doelen. Vier jaar later, in 1858, werd opnieuw een soortgelijke expositie opgezet in Arti. Buiten het feit, dat het aantal tentoongestelde voorwerpen dat van de voorganger verre overtrof (2650 tegen 800), kreeg de onderneming ditmaal wel een vervolg.

Al tijdens de voorbereidingen werden plannen gesmeed tot de oprichting van een genootschap, waar geschiedkundigen, kunsthistorici en liefhebbers op beide terreinen met elkaar van gedachten konden wisselen. Daarbij zou ondermeer door voordrachten de belangstelling voor het cultureel erfgoed gewekt en verder ontwikkeld kunnen worden. Een driemanschap uit de tentoonstellingscommissie, Jan Pieter Six, Leonard Marius Beels van Heemstede en David van der Kellen Jr, namen in de stichting het voortouw. Op 8 juli 1858 vond in het huis van Six aan de Amsterdamse Herengracht de oprichtingsvergadering plaats van het Oudheidkundig Genootschap. Al op 19 juli werd het Voorlopig Reglement aangenomen en twee weken later kwam het bestuur van de jonge vereniging voor de eerste maal bijeen. Daags tevoren had koning Willem III als blijk van zijn warme belangstelling te kennen gegeven als mede-oprichter beschouwd te willen worden. Dit lidmaatschap mondde eind 1858 uit in de aanvaarding van het beschermheerschap en de verlening van het predikaat 'Koninklijk'. Sedertdien is de hechte band tussen het Nederlandse koningshuis en het K.O.G., slechts met een onderbreking in de Tweede Wereldoorlog, nimmer verbroken geweest.

Organisatie en leden

Het bestuur van de vereniging, die na een mislukte poging in 1859 pas in 1874 officieel als rechtspersoon werd erkend, bestond lange tijd uit een voorzitter, ondervoorzitter, twee secretarissen, een penningmeester en een paar conservatoren. Pas in recente jaren is de samenstelling van het bestuur gewijzigd. Eén secretaris is overgebleven, terwijl het aantal conservators werd vermeerderd tot zeven.

De officiële vertegenwoordiging van het K.O.G. wordt gevormd door de voorzitter en secretaris. Het takenpakket van de voorzitter omvat ondermeer het bijeenroepen en leiden van de bestuurs- en ledenvergaderingen, de ondertekening van officiële stukken, alsmede de benoeming van leden van commissies, waarvan hij rechtens voorzitter is. Daarnaast doet de voorzitter tijdens de jaarlijkse algemene ledenvergadering, die vroeger in april en thans in mei plaatsvindt, verslag van de voornaamste activiteiten, aanwinsten en verliezen van het K.O.G. In geval van ziekte of afwezig om andere redenen vervangt de vice-voorzitter hem. De werkzaamheden van de secretaris bevinden zich voornamelijk op het administratieve vlak, zoals het notuleren van vergaderingen en het verzorgen van de correspondentie. De financiële zaken worden behartigd door de penningmeester, die daarin gecontroleerd wordt door een jaarlijks gekozen kascommissie van twee leden. Tevens verschaft hij tijdens de jaarlijkse algemene vergadering de leden inzicht in de geldelijke positie van het K.O.G.

Het beheer van de collecties kunst- en historische voorwerpen en de bibliotheek is op een voor het K.O.G. karakteristieke wijze geregeld. Naast de conservatoren, die de verantwoordelijkheid hebben voor het beheer en de inventarisatie van de collecties, is in de loop der tijd een aantal commissies ingesteld, die bepaalde verzamelingen onder hun hoede kregen. In de algemene ledenvergadering van 9 mei 1887 werden maar liefst vijf commissies tegelijk in het leven geroepen: de Commissie voor de Bibliotheek, die deze taak overnam van de secretarissen, de Commissie voor de Atlas van Amsterdam en de Commissie voor de atlas van Afbeeldingen betreffende Zeden en Gewoonten. De twee overige ingestelde commissies, de 'Commissie van toezicht tot instandhouding van gebouwen en voorwerpen, die belangrijk zijn voor de kennis van het leven van het voorgeslacht' en de 'Commissie voor de uitgave en ondersteuning van periodieke en andere werken' bleken geen lang leven beschoren te zijn, want zij zijn op 19 mei 1924 weer opgeheven. In 1889 bleek nog een zesde commissie te bestaan: de Commissie voor het Munt- en Penningkabinet. Daarna stokte de uitbreiding tot 1927, toen in dat jaar de collectie van de ontbonden Vereniging tot Behoud van Gevelstenen onder de hoede kwam van de Commissie tot Behoud van Gevelstenen. Omstreeks 1935 kreeg deze commissie ook de zorg voor de verzameling bouwfragmenten toevertrouwd en is haar naam daarop aangepast. De zesde commissie dankte zijn instelling aan min of meer gelijkwaardige omstandigheden. Nadat in 1928 de verzameling prenten, tekeningen en penningen van de stichting ‘De Historische Verzameling der Schutterij te Amsterdam’ in bruikleen aan het K.O.G. was gegeven, werd in 1932 ter gelegenheid van de invoering van een nieuw Huishoudelijk Reglement een speciale Commissie voor de Verzameling betreffende Burgerbewapening en Schutterij ingesteld. De vooralsnog laatste commissie, de Commissie voor de Sfragistiek, zag het levenslicht in 1934. Hij strekte zijn zorg uit over de zegels en oorkonden, die het K.O.G. al sedert lange tijd in bezit had. Met de bruikleenafstand van deze verzameling aan het Rijksarchief te Utrecht in 1991 hield het bestaansrecht van deze commissie echter weer op.

Het K.O.G. kent naast het bestuur verschillende typen leden: gewone leden, ereleden, ereleden van het bestuur en donateurs. Aanvankelijk kon men alleen lid worden door een voordracht, die dan in een ledenvergadering door tenminste driekwart van de aanwezigen diende te worden goedgekeurd. Naderhand is dit gewijzigd in een schriftelijke aanmelding door een lid van nieuwe leden aan het bestuur, dat over de toelating beslist. Onder de leden is van oudsher een sterk element ‘Amsterdammers’ vertegenwoordigd geweest, hoewel het K.O.G. zich niet specifiek in zijn doelstellingen en activiteiten op de hoofdstad gericht heeft. Tot erelid en erelid van het bestuur kon men benoemd worden wegens grote verdiensten. Deze eer is ondermeer toegevallen aan de directie van Teyler’s Stichting te Haarlem, jhr H. Teding van Berkhout, mr Chr.P. van Eeghen, Frits Lugt en mw I.H. van Eeghen. Schenkers van waardevolle voorwerpen, zoals jhr W. van Loon, konden op voordracht van het bestuur benoemd worden tot donateur.

Verzamelen en vervreemden

Uit het voorgaande moge duidelijk zijn, dat het K.O.G. van meet af aan meer beoogde te zijn dan een samenkomst van geïnteresseerden in kunst en geschiedenis. Het stelde zich tevens ten doel 'de kennis der Oudheden te bevorderen, inzonderheid als bronnen voor Geschiedenis, Kunst en Nijverheid'. Dit diende te geschieden door 'a. het aanleggen en onderhouden van verzamelingen op het gebied van oudheidkunde, kunst en geschiedenis; b. het bespreken in vergaderingen der leden van al wat op oudheidkunde, kunst en geschiedenis betrekking heeft;', 'c. het houden en bevorderen van en het medewerken aan tentoonstellingen' en 'd. zodanige andere wettige middelen als zullen geacht worden aan het doel bevordelijk te zijn.' De eerste trits aan doelstellingen wordt in het 'Huishoudelijk Reglement' nader gespecificeerd tot het verzamelen van voorwerpen en documentatie op het gebied van oudheidkunde, kunst en geschiedenis, het bijeenbrengen van boeken en afbeeldingen als bronnen voor de bestudering daarvan, de organisatie of ondersteuning van tijdelijke tentoonstellingen op de voornoemde gebieden, alsmede tot het houden van lezingen en het uitgeven van publicaties. Daarnaast zet het Genootschap zich in voor het behoud van Nederlandse monumenten van geschiedenis en kunst en voor samenwerking met stichtingen en verenigingen met een gelijksoortig doel.

Wat betreft het verzamelen sloeg het K.O.G. al kort na zijn oprichting een grote slag door de aankoop van een aantal voorwerpen op de veiling van de collectie J. Moyet in het voorjaar van 1859. De gelden daarvoor werden door de leden zelf bijeengebracht, waarbij met name koning Willem III zich niet onbetuigd liet met een schenking van 1000 gulden. Een van de topstukken onder de aankopen was de zg. Nassause wapenrok, die voor 50 gulden werd verworven. In korte tijd is het Genootschap erin geslaagd een indrukwekkende verzameling kunst- en historische voorwerpen aan te leggen. Het merendeel daarvan is verkregen uit schenkingen en legaten. Tot de eerste categorie behoren ondermeer een collectie tekeningen, prenten en kaarten van G.A. Heineken in 1886, een aantal schilderijen van mw M.A. Domela Nieuwenhuis-Meijer in datzelfde jaar, een verzameling prenten en tekeningen door Corn. Troost van A. VerHuell in 1895, een omvangrijke collectie zegels en oorkonden door jhr dr J. Six en jhr W. Six in 1899, een collectie Delfts aardewerk van douairière S.I. van der Wijck-Loudon in 1929, een uitzonderlijke verzameling sleutels van E. Vita Israël in 1937 en een unieke handgekleurde vogelvluchtkaart van Amsterdam door Cornelis Anthonisz. van jkvr. H.M.A.F. Six. Onder de legaten, die aan het K.O.G. in de loop der jaren zijn vermaakt, mogen niet ongenoemd blijven de antiekverzameling van J.W. Pieneman in 1860, de verzameling glaswerk van D. Henriques de Castro Dzn in 1890, de collectie antiquiteiten, prenten en boeken van D. Franken Dzn in 1898, de Atlas Amsterdam van J. van Eck in 1946 en de verzameling Amsterdamse stadsgezichten van Joh. M. Coffeng in 1966. Aankopen deed het K.O.G. in mindere mate aangezien zijn financiële positie daarvoor veelal niet toereikend was. Toch getuigt het van een fijne neus, dat het Genootschap ondanks de beperkte middelen toch de hand heeft weten te leggen op enkele waardevolle stukken. De zojuist genoemde Nassause wapenrok is daar een goed voorbeeld van. In 1862 werd voor 300 gulden een laat-gotische kast van het proveniershuis Paling en Van Foreest in Alkmaar gekocht. Andere fortuinlijke aankopen waren tien houten orgelkastpanelen uit de S. Vituskerk te Naarden in 1881, een plafondschildering door Jacob de Wit in 1932 en een eikehouten beeld van S. Agnes door Adriaen van Wesel in 1939. Eén element in de taakstelling van het K.O.G. ontbreekt als zodanig in de 'Wet' en het 'Huishoudelijk Reglement': de mogelijkheid tot vervreemding. Toch worden sinds jaar en dag voorwerpen uit de eigen collectie in bruikleen gegeven en af en toe zelfs in eigendom overgedragen. Met name het Amsterdamse Rijksmuseum, waarmee het K.O.G. een bijzondere band onderhoudt, heeft in hoge mate van deze beleidslijn geprofiteerd, doordat het belangrijke onderdelen uit de verzameling en bibliotheek van het K.O.G. in langdurige bruikleen of voor de (korte) duur van een expositie ontving. Hetzelfde geldt voor vele andere musea en culturele instellingen in Nederland. Hoewel het Genootschap zich primair richt op de uitbreiding van de eigen verzameling, schroomde het bij tijd en wijle niet dubbelen of mindere stukken daaruit te verkopen of voorwerpen over te dragen aan instanties, waar zij geacht werden beter op hun plaats te zijn. Zo ontvingen in 1895 verschillende rijks- en gemeentearchieven oorkonden en mocht in 1955 de gemeente Leiden zich verheugen in de teruggave van het in 1867 door J. Kneppelhout geschonken z.g. Rectorspoortje van de Latijnse school.

Huisvesting

Verwerven en eventueel vervreemden zijn niet de enige handelingen met de kunst- en historische voorwerpen. Zoals hierboven al genoemd, stelt het K.O.G. zich tot taak het eigen bezit te exposeren. In de beginjaren legde men zich toe op een permanente tentoonstelling van de snel groeiende collectie, hoewel de ruimte en de middelen daartoe niet altijd optimaal waren. Het eerste onderkomen, de sociëteit Arti et Amicitiae aan het Rokin, werd reeds op 1 november 1858 verruild voor de zaal De Duizend Kolommen op de Oudezijds Voorburgwal. Dit nieuwe onderkomen bleek al spoedig te klein. De verhuizing in 1861 naar het pand Herengracht 248, dat bekend stond onder de naam Tecum Habita (vrij vertaald 'oost west, thuis best') bleek evenwel geen wezenlijke verbetering. In 1865 verhuisde have en goed naar de bovenruimte van de sociëteit Concordia op de hoek van de Nieuwezijds Voorburgwal en de S. Luciënsteeg. Nu werd het voor het eerst, zij het op bescheiden wijze, mogelijk de tentoongestelde voorwerpen ook voor niet-leden te exposeren. Ter gelegenheid hiervan verscheen een (voorlopige) Wegwijzer van de hand van conservator David van der Kellen Jr. Negen jaar later, in 1874, zag het K.O.G. zich opnieuw genoodzaakt van huis te wisselen wegens ruimtegebrek. Bierbrouwer en lid, G.A. Heineken, stelde tegen een vriendenprijs het pakhuis De Klok en de belendende panden ter beschikking. De grote ruimte bood de mogelijkheid voor een goede rangschikking van de collectie, die in 1876 gedocumenteerd werd door een nieuwe catalogus van de hand van Van der Kellen. In 1877 volgde een kort en jammerlijk mislukt experiment om in de Oudemanshuispoort het Amsterdamsch Museum te vestigen. Dit museum, dat voortvloeide uit de in 1876 gehouden succesvolle 'Historische tentoonstelling van Amsterdam' heeft bij gebrek aan publieke belangstelling slechts vier maanden bestaan. Ook nu weer ging de expostie vergezeld van een catalogus, die ditmaal was samengesteld door de K.O.G.-leden A.D. de Vries Az. en D.C. Meijer Jr. Na de vroegtijdige sluiting van het museum werden de voorwerpen weer terugvervoerd naar De Klok en naburige gebouwen, alwaar zij bleven tot 1885. In dat jaar, waarin het Rijksmuseum voor publiek werd geopend, is het grootste deel van de collectie van het K.O.G. naar dit museum overgebracht. Het K.O.G. had zich in de decennia daarvoor herhaaldelijk in woord, geschrift en daad sterk gemaakt voor de stichting van een nieuw nationaal museum. In de beginjaren '80 rijpte binnen het bestuur de gedachte om de collectie na voltooiing daarheen te brengen tegen het gebruik van enkele zalen als contraprestatie. In 1885 was het zover en vond de invulling van de eerder gesloten overeenkomst plaats. De zogenoemde Oud-Hollandse Regentenkamer in de toren aan de zuidkant links van de 'onderdoorrit', waar in de tympaan boven de ingangsdeur heden ten dage nog steeds de inscriptie 'Oudheidkundig Genootschap' prijkt, werd ingericht voor het K.O.G., terwijl een groot deel van de collectie als langdurige bruikleen in het Rijksmuseum werd opgenomen.

Niet alles van het K.O.G. ging over naar het Rijksmuseum, zodat de domicilie aan de Spuistraat gehandhaafd bleef voor ondermeer ledenvergaderingen en de opslag van het restant aan voorwerpen. In 1886 verliet men ook dit pand en na een kortstondig onderkomen in het gebouw d'Geelvinck aan het Singel betrok het K.O.G. in februari 1887 het Muntgebouw. Daar bleef het Genootschap tot in 1916 de gemeente Amsterdam te kennen gaf de Munt tot politiepost te willen inrichten. Als uitvloeisel van de in 1885 overgekomen regeling 'kunst in ruil voor ruimte' kreeg het K.O.G. nu enige zalen in het Fragmentengebouw aan de zuidzijde van het Rijksmuseum toegewezen. De zaal in de toren werd echter volledig bij de expositieruimten van het museum getrokken. Het Genootschap is tot op de dag van vandaag in het Fragmentengebouw woonachtig, alhoewel het door de aanleg in 1996 van een publieksingang in dit zalencomplex wel aan beschikbare ruimte heeft moeten inboeten. Hierdoor is o.a. de vergaderzaal opgeofferd aan de nieuwe bestemming. Sinds de overkomst van het K.O.G. naar het Rijksmuseum is het accent in het expositiebeleid verschoven van een vaste opstelling naar tijdelijke tentoonstellingen. Het hoogtepunt hierin lag onmiskenbaar in de jaren '30.

Bevordering van kunst en cultuur

Ten behoeve van het beheer en de bewerking van de verzamelingen werden een bibliotheek, inventarissen en documentatie aangelegd. Naast de aankoop en ontvangst van schenkingen of legaten van boeken en tijdschriften heeft het K.O.G. zich van meet af aan toegelegd op zoveel mogelijk ruilverkeer met zusterinstellingen in binnen- en buitenland. Verder werd het kunstzinnig en historisch gevoel ontwikkeld door het geregeld houden van lezingen en voordrachten, alsmede in de beginjaren door de organisatie van excursies. Daarnaast werden in de jaarverslagen en in aparte uitgaven allerlei onderdelen van de eigen collectie en andere algemene culturele onderwerpen belicht. Voorbeeld van het laatste is ondermeer het zevendelige seriewerk Noord-Hollandse Oudheden door G. van Arkel en A.W. Weissman, dat tussen 1891 en 1905 verscheen.

Los van het bevorderen in woord en geschrift van het cultureel besef in eigen gelederen is het bestuur regelmatig in de bres gesprongen voor verwaarloosd of bedreigd cultureel erfgoed in Nederland. Het K.O.G. kan op dit vlak bogen op een traditie, die opklimt tot de prille beginjaren van zijn bestaan. Menigmaal leenden de aangeschreven instanties een gewillig aan het verzoek, zoals bij de voorgenomen sloop van de Grote Kerk te Veere 1875 en de van Bourgondische toren van slot Duurstede te Wijk bij Duurstede in 1882. Soms was het pleidooi evenwel bestemd dovemansoren, zodat succes tot behoud werd afgewisseld met de teleurstelling van een niet te verijdelen afbraak, demping of andere vorm van aantasting. Tot de inspanningen op nationaal cultureel niveau behoorde ook het masseren van de publieke opinie en de het pogen te veranderen van de jarenlang afwijzende houding van de regering om te komen tot de stichting van een geschikt Rijksmuseum. Zelfs is het initiatief genomen tot de oprichting van een fonds ter ondersteuning van de financiering van de bouw, hoewel dat niet de beoogde som opleverde. De ingezamelde gelden zijn toen uiteindelijk aan andere doelen besteed. Desalniettemin typeren al deze zaken het K.O.G. als een vereniging, die zich op velerlei terreinen heeft ingezet en zich nog steeds sterk maakt voor het nog maar al te vaak ongewisse bestaan van het culturele erfgoed in ons land.

ARCHIEFVORMING

Het archief van het K.O.G. is, evenals elk ander archief, een direct gevolg van en gevormd vanuit de administratievoering. Primair verantwoordelijk hiervoor vanaf de oprichting in 1858 zijn de beide secretarissen geweest. Zij verdeelden in onderling overleg de werkzaamheden, als het voeren van de correspondentie, het convoceren en notuleren van vergaderingen, alsmede het bijhouden van de ledenadministratie. Hoe dit praktisch precies in zijn werk is gegaan, valt evenwel nauwelijks neer te achterhalen. Eerst in de statuten van 1981 staat vermeld, dat één van de secretarissen expliciet belast is met de zorg voor het archief. De tweede belangrijke administrateur/archiefvormer is de penningmeester. Terwille van het beheer over de verschillende fondsen houdt hij de boekhouding bij en voert hij zijn eigen financiële correspondentie. De voorzitter, conservatoren en leden van de diverse beheerscommissies behoren eveneens, zij het in mindere mate dan de secretaris en penningmeester, tot diegenen, die stukken opmaken en ontvangen. Alle bescheiden van deze afzonderlijke personen vormen tezamen het archief van het K.O.G.

Er zijn aanwijzingen, dat in de jonge jaren van het K.O.G. de adminstratievoering door de secretarissen deels in het verenigingsgebouw en ten dele thuis werd uitgevoerd. Zo leverde D. Franken Dzn na zijn aftreden als secretaris in mei 1871 een aantal bescheiden bij het K.O.G. in. Hieronder bevonden zich ondermeer ingekomen stukken, kopieboeken van uitgaande brieven, alsmede notulen-, presentie- en ledenregisters. De administratievoering en archiefvorming van de penningmeester heeft tot op de dag van vandaag vrijwel altijd in de huiselijke sfeer plaatsgevonden.

Aangezien het K.O.G. een vereniging is, die wordt geleid door een bestuur, dat op gezette tijden verantwoording verschuldigd is aan de leden, vormen de series notulen van de bestuurs- en algemene ledenvergaderingen de ruggegraat van het archief. Daarnaast zijn andersoortige bescheiden gevormd, zoals een serie ingekomen stukken en (registers van) uitgaande stukken, een serie rekeningen en andere financiële stukken, kas- en grootboeken, alsmede een hoeveelheid dossiers over bepaalde aangelegenheden en gebeurtenissen. Sommige zaken ondermeer over de verwerving van voorwerpen beperken zich tot één of enkele lossen stukken. Dat het op poten zetten van een deugdelijke administratie, die resulteert in een overzichtelijk en ook naderhand goed toegankelijk archief, niet iedere secretaris gegeven is, kwam in de eerste decennia van deze eeuw pijnlijk aan het licht toen meermalen het terugvinden van enkele benodigde stukken een schier onmogelijke opgave bleek. Toen in 1919 A.J.J.Ph. Haas als (tweede) secretaris aantrad, was een van zijn eerste voornemens het in slechte staat verkerende archief, zoals hij zelf meedeelt, 'op chronologische en systematisch wijze te ordenen'. Toch verstreken er nog acht jaren, voordat hij aan dit voornemen gestalte kon geven. In januari 1927 startte hij met de herordening, die hij in december 1929 voltooide. Zijn werkzaamheden mogen zeker niet onverdienstelijk worden genoemd en waren door de wijze van berging van de bescheiden in stevige kartonnen dozen, beplakt met groen gemarmerd papier en voorzien van houten glijlatjes, voor die tijd zelfs voortreffelijk. Maar Haas was op de eerste plaats secretaris en geen archivaris en daarom zondigde hij tegen enkele fundamentele archivistische principes, zoals het zoveel mogelijk in tact laten van de oude ordening. Hij herschiep daarentegen in sommige gevallen het archief volledig naar eigen inzichten en opvattingen en schonk daarbij de meeste aandacht aan de stukken over belangrijke gebeurtenissen uit de levensloop van het K.O.G. en de verwerving en bruikleen van kunst- en historische voorwerpen. De secretarissen uit het post-Haas tijdperk trachten hun administratie zoveel mogelijk te modelleren naar diens archiefindeling. Na verloop van tijd kwam hierin echter weer de klad, hetgeen uiteraard de toegankelijkheid van de jongere bescheiden niet ten goede kwam. Een ander negatief gevolg van onvoldoende archiefbeheer is het optreden van enkele lacunes in het archief. Zo gapen er drie gaten in de serie notulen van bestuursvergaderingen door het ontbreken van de registers over de jaren 1870-1872, 1900-1909 en 1919-1925 en zijn uit de eerste twee decennia van het K.O.G. vrijwel geen kasboeken en andere financiële bescheiden bewaard gebleven. Ernstiger van aard is het grotendeels ontbreken van de boekhouding uit de periode van penningmeester H.P. Rahusen (1947-1967).

VERANTWOORDING VAN DE INVENTARISATIE

Hoewel zojuist is gesteld, dat verschillende bestuursleden zich hebben beziggehouden met de adminstratievoering en archiefvorming, is het archief van het K.O.G. uit de aard van de vereniging en het functioneren van het bestuur toch als één geheel te beschouwen. Daarnaast is uit praktische overwegingen is gekozen voor een engere benadering ten aanzien van de omvang van het archief. Wanneer de definitie van archiefbescheiden, zoals geformuleerd in het 'Lexicon van nederlandse archieftermen' in ruime zin wordt opgevat, dan zou daartoe tevens zo niet alle, dan toch het merendeel van de door de conservatoren en diverse commissies vervaardigde documentatie behoren. Het gevaar bestaat, dat uiteindelijk een schemerachtige zone wordt betreden, waarin 'zuivere' archivalia zich moeilijk laten onderscheiden van andere documentaire bescheiden. De totstandkoming van de inventaris zou bovendien veel meer tijd hebben gevergd.

De indeling van het archief is ontleend aan de 'Handleiding voor het ordenen en beschrijven van archieven van verenigingen en instellingen' en de 'Inventaris van de archieven van het Rijksmuseum te Amsterdam ---'. De hoofdindeling is als volgt: allereerst de stukken van algemene aard, met ondermeer de notulen en ingekomen en uitgaande stukken. Dan volgen de stukken betreffende bijzondere onderwerpen, die in hoofdzaak verdeeld zijn in middelen, met rubrieken als organisatie, leden, huisvesting en inrichting, financiën, en in doel, met verwerving, vervreemding, beheer en culturele activiteiten. Tot slot volgen de rubrieken externe bemoeienis en faciliteiten voor derden.

De beschrijvingen binnen de verschillende rubrieken zijn chronologisch ingedeeld. Slechts in enkele gevallen, zoals bij de subrubriek gewone leden en boekhouding is daarvan afgeweken. Voor de goede orde wordt tevens opgemerkt, dat in de subrubriek langdurige bruikleenafstand de datering van de stukken is weergegeven en niet de looptijd van de opgesomde bruiklenen. Beide stemmen dikwijls niet met elkaar overeen. Aan de einddatum van de inventaris, namelijk 1996, ligt geen organisatorische verandering ten grondslag. Dit tijdstip is volkomen willekeurig tot stand gekomen. Bovendien geldt voor vele onderdelen, dat hun ‘afbreekpunt’ al eerder in de tijd ligt.

Ten aanzien van de vernieting van stukken is, na overleg met bestuur, een terughoudend beleid gevoerd om het archief ook in dit opzicht zoveel mogelijk intact te laten. Slechts girostrookjes en rekeningafschriften, fotokopieën van stukken, dubbelen van drukwerk e.d. zijn vernietigd.

Archiefvormer

Koninklijk Oudheidkundig Genootschap
© Stadsarchief
Disclaimer / Colofon
<

Gegevens over mogelijk nog levende personen mogen alleen worden gebruikt voor historisch (waaronder genealogisch), wetenschappelijk of statistisch onderzoek.

Door het aanklikken van onderstaande button verklaart u zich te houden aan het Reglement voor raadpleging en gebruik van het Stadsarchief.