30628: Archief van de Nederlandse Vereniging voor Psychoanalyse

Algemene kenmerken

Toegangsnummer:

30628

Periode:

1887 - 2008

Inleiding

Op 28 april 1917 vond in Amsterdam de eerste vergadering plaats van de 'Nederlandsche Vereeniging voor Psycho-Analyse' (NVPA), die ruim een maand eerder, op 24 maart, was opgericht. Voorzitter dr. A.W. van Renterghem hield tijdens deze vergadering een heldere inleiding over de reden van de oprichting en de stand van de psychiatrie op dat moment (inv.nr. 114).

Hij memoreerde dat in de opvattingen van geneeskundigen nu eens de fysiologisch-anatomische, dan weer de psychologische richting domineerde. Deze laatste richting had in de medische wetenschap na 1860 langzaam maar zeker aan invloed gewonnen. Franse medici als Liébault, Charcot en Janet hadden er voor gepleit, nu eens niet de vermoedelijke veranderingen in de hersenen, maar rechtstreeks psychische processen te bestuderen om de pathologie van de geest te verklaren. De middelen hiervoor waren hypnose en suggestie, die langzaam maar zeker erkend werden als nuttig voor de psychotherapeutische behandeling. Dr. Sigmund Freud uit Wenen sloeg een ander pad in. Hij ontwikkelde de leer van de 'psycho-analyse', waarin hij een grote rol toekende aan het (verdrongen) onbewuste als ook aan de sexualiteit als bron van mentale ziekte en gezondheid. Freud erkende dat hij met zijn leer slechts een fundament had gelegd en hoofdlijnen had aangegeven. 'Gelukkig voor ons, zijn leerlingen en medestrevers, medewerkers aan de stichting der nieuwe psychologische wetenschap, is hij nog in de volle kracht van het leven en kunnen wij verwachten hem nog jarenlang als onzen leidsman en voorganger te zullen mogen behouden' sprak de voorzitter tot zijn medebestuursleden, de artsen A. van der Chijs, J.E.G. van Emden, J.H. van der Hoop, A.F. Meijer, A. Stärcke en J. Stärcke. Allen hadden zich voor deze eerste vergadering al diepgaand met de theorie van Freud beziggehouden en zijn werk gelezen. Hun enthousiasme voor deze nieuwe opvattingen over bijvoorbeeld de kracht van het onbewuste luidde voor de psychiatrie een nieuw en verrassend tijdperk in.

De NVPA ontwikkelde zich tot een bloeiende vereniging. Zij sloot zich aan bij de Internationale Psychoanalytische Verein, later de International Psychoananalytical Association (IPA) en breidde hierdoor haar internationale contacten uit. In 1920 organiseerde zij het zesde congres van de IPA in Den Haag. De vereniging telde in 1930 dertig leden.

In deze beginperiode waren er verschillende onderwerpen van discussie, die in de loop der tijd met een zekere regelmaat aan de orde bleven komen. In de eerste plaats de kwestie van de orthodoxie: in hoeverre waren de opvattingen van Jung bijvoorbeeld strijdig met de leer van Freud? Verder het vraagstuk van de zo genoemde lekenanalyse: in hoeverre konden niet-medici toegang krijgen tot het vak en de vereniging? Een derde punt, dat nauw samenhing met de eerste twee, was de opzet en inhoud van een opleiding.

De oprichting door J. van Ophuijsen van een opleidingscommissie, officieel genoemd 'Nederlands Instituut voor Psychoanalyse' moest hiervoor een oplossing bieden maar deze opleidingscommissie kwam in deze jaren niet goed van de grond omdat niet alle bestuursleden overtuigd waren van het nut van een opleiding.

Smeulende conflicten over de lekenanalyse kwamen tot uitbarsting, toen in 1933 Duitse Joden als Th. Reik, K. Landauer, A. Watermann en M. Levy-Suhl, gevlucht voor de groeiende macht van Hitler, de gelederen van de vereniging wilden versterken. Een deel van het bestuur, onder wie dr. A.J. Westerman Holstijn verzette zich tegen hun aansluiting, vanwege het feit dat zij 'leken' waren. Als gevolg van deze impasse richtte Van Ophuijsen in 1933 een nieuwe vereniging op: de Vereniging van Psychoanalytici in Nederland, waarvan de Duitse immigranten lid werden. In het archief zijn brieven van Freud en zijn dochter Anna te vinden, waaruit blijkt dat voor hen deze nieuwe vereniging welkom was. Toen de 'oude' vereniging haar aversie tegen de lekenanalyse liet varen en ook niet-artsen als leden accepteerde, kon een eind komen aan een ongelukkige situatie. In 1938 gingen de beide verenigingen samen verder.

Ook de opleidingscommissie kreeg nu meer armslag en invloed. De aanmelding van nieuwe leden zoals het echtpaar Hans en Jeanne Lampl-De Groot, afkomstig uit Wenen, bracht bovendien een nieuw elan voor de vereniging. Het echtpaar Lampl sloot zich aan bij de Amsterdamse Werkgroep, die rond 1933 ontstaan was omdat Amsterdamse leden frequentere bijeenkomsten wilden, met het houden van referaten van casuistische aard.

Het uitbreken van de oorlog in mei 1940 had grote gevolgen voor de NVPA. Een groot aantal leden bedankte omdat zij geen lid van een vereniging wilden zijn, waar Joden uitgesloten werden. In Amsterdam ging de Werkgroep - die formeel onafhankelijk was van de NVPA - clandestien verder en een aantal latere prominente leden zou gedurende deze periode in deze Werkgroep een opleiding krijgen van de leeranalytici Le Coultre en Jeanne Lampl.

Na de oorlog werd in 1946 het Psychoanalytisch Instituut opgericht met H.A. van der Sterren als eerste directeur. De Opleidingscommissie ontwikkelde zich in de volgende jaren tot een omvangrijke en sterke organisatie. Een leeranalyse duurde ruim vijf jaar. De opleiding bestond naast de leeranalyse uit theoretische cursussen en het volgen van technische seminars.

De meningsverschillen met Westerman Holstijn en Van der Hoop konden niet meer opgelost worden. De twee richtten in 1947 het Nederlands Psychoanalytisch Genootschap op.



De NVPA maakte in deze jaren na de oorlog een periode van bloei door. Het aantal leden nam toe en zij organiseerde verschillende malen congressen in Nederland. Ze sloot zich aan bij de European Psychoanalytical Federation (EPF). In Midden-Europa organiseerde men de zo genoemde Arbeitstagungen (Duitssprekend): seminars, waar over uiteenlopende zaken gesproken werd.

Het volgen van een leeranalyse is een tamelijk kostbare aangelegenheid en financieel niet altijd makkelijk op te brengen. Anders dan bij een 'therapeutische' analyse werden de kosten niet vergoed. Om aan deze bezwaren tegemoet te komen, richtte de NVPA in 1958 een stichting op, die gelden moest verwerven en verstrekken: de Stichting Psychoanalytische Fondsen.

In 1966 richtte de NVPA in samenwerking met de Stichting voor Kindertherapie in Leiden een opleiding voor kinderanalyse op: de Subcommissie Kinderanalytische Opleiding, later de Kinderanalytische Werkgroep genoemd. Deze commissie maakte deel uit van de Opleidingscommissie en werkte met steun van supervisoren van de Hampstead Clinic in Londen. Dr. Elisabeth Frijling-Schreuder was de eerste hoogleraar in kinderpsychiatrie; zij had grote betekenis voor de uitbreiding van de kennis betreffende de kinderanalyse. Zowel zij als Jeanne Lampl stonden in professioneel en vriendschappelijk contact met Anna Freud.

In 1985 telde de NVPA 136 leden en 185 opleidingskandidaten; het was een decennium van grote bloei. Hieraan kwam tamelijk abrupt een einde door een aantal ontwikkelingen aan het einde van de twintigste eeuw. In de eerste plaats ontstonden er verschillende andere therapievormen, soms ook op Freuds' gedachtengoed gebaseerd maar vaak korter van duur en minder intensief en veranderden - net als een eeuw eerder - de opvattingen over de invloed van psychologische en biologische processen, die van invloed zijn op de geest. Er waren inmiddels ook vele psychofarmaca, die soms werden gezien als de oplossing voor alle psychische problemen. Wat zeker ook een grote rol heeft gespeeld, is het feit dat de overheid de financiële tegemoetkomingen in de geestelijke gezondheidszorg fors aan banden legde.

Verantwoording van de inventarisatie

Het archief werd in overwegend ordelijke staat aangeleverd. Een aantal archiefvormers maakte formeel geen deel uit van de NVPA. Hun archieven zijn in de inventaris geplaatst onder: gedeponeerde archieven. Bij de inventarisatie bleek een groot aantal documenten voor vernietiging vatbaar te zijn; hiervan werd een lijst opgesteld. De lengte van het archief bedraagt nu 21 meter.

De strubbelingen rond de organisatie van een opleiding vinden hun weerslag in de inventaris. Aanvankelijk kwam de opleiding moeizaam van de grond. Na de splitsing in 1933 pakte de nieuwe vereniging de zaken hieromtrent voortvarend aan en maakte een begin met een 'Opleidingscommissie'. Na de fusie in 1938 verzandde dit en in de oorlogsperiode nam de Amsterdamse Werkgroep de de taken van een opleiding op zich. In 1946 werd het Psychoanalytisch Instituut (toen nog onderdeel van de NVPA, later zelfstandig) opgericht. Het Psychoanalytisch Instituut (PAI) had samen met de in 1945 opnieuw opgerichte Opleidingscommissie de verantwoordelijkheid voor de opleiding.

Stukken, behorende bij de 'Opleidingscommissie' van de in 1933 afgesplitste vereniging werden aangetroffen bij de stukken van deze Opleidingscommissie. Hoewel de stukken archieftechnisch geplaatst moeten worden onder de afgesplitste vereniging, is de aangetroffen samenhang niet verstoord.

Tot slot

Op het gebied van ontsluiting van archieven van het SAA heeft zich als het ware een nieuw onderwerp aangediend: de archieven betreffende de psychiatrie en de psychoanalyse. Het begin hiervan ontstond in 2010, toen het omvangrijke archief van de Vereeniging Centraal Israëlietisch Krankzinnigengesticht (CIK) in Nederland (toegangsnr. 1066) werd ontsloten. Een onderdeel hiervan zijn de archieven van Het Apeldoornsche Bos, met onder meer materiaal, nagelaten door de artsen J. Kat en N.J. Lobstein. De laatste verzamelde, in het kader van zijn onderzoek naar erfelijkheid van geestesziekten, gegevens van krankzinnigen in 19-de eeuwse inrichtingen over de periode 1849-1883. Dit materiaal is als het ware een goudmijn voor het onderzoek naar de geschiedenis van de psychiatrie.

In 2011 werd het archief van dr. Herman Musaph ontsloten. Musaph (1915-1992) was psychiater en hoogleraar in de seksuologie. Zijn archief (toegangsnr. 1547) bevat interessant materiaal over zijn vakgebied en de ontwikkelingen daarin.

Een verdere verdieping ontstond door de ontsluiting van de archieven van de Nederlandse Vereniging voor Psychoanalyse. Het feit dat aan het begin van de inventarisatie twee onbekende brieven van Jeanne Lampl- de Groot opdoken, veroorzaakte een kleine sensatie onder de betrokkenen. De archiefcommissie van de Vereniging maakte de brieven bekend in het tijdschrift van de NVPA in maart 2012.

In de hier genoemde archieven zijn veel dwarsverbindingen en raakvlakken te vinden: zo hield Musaph lezingen voor de NVPA en waren er vanuit de NVPA contacten met psychiaters, die aangesloten waren bij de Vereeniging CIK.

Archiefvormer

Nederlandse Vereniging voor Psychoanalyse
© Stadsarchief
Disclaimer / Colofon
<

Gegevens over mogelijk nog levende personen mogen alleen worden gebruikt voor historisch (waaronder genealogisch), wetenschappelijk of statistisch onderzoek.

Door het aanklikken van onderstaande button verklaart u zich te houden aan het Reglement voor raadpleging en gebruik van het Stadsarchief.