30569: Archief van de Universiteit van Amsterdam; Instituut voor Prae- en Protohistorie en van de Subfaculteit Pre- en Protohistorie en opvolger

Algemene kenmerken

Toegangsnummer:

30569

Periode:

1951-1960 en 1960-1997 en 1970-1997

Inleiding

Het vak Prehistorie viel binnen de Universiteit van Amsterdam onder de leeropdracht van Prof. Dr. Kleiweg de Zwaan (geb. 1875), sinds 1924 buitengewoon hoogleraar in de Antropologie en de Prehistorie. Vanaf 1933 was hij gewoon hoogleraar. Op 3 april 1940 benoemde de gemeenteraad van Amsterdam Prof. Albert Egges van Giffen, buitengewoon hoogleraar in de prehistorie van de Germaanse archeologie aan de Rijksuniversiteit te Groningen , tot buitengewoon hoogleraar in de prehistorie aan de Universiteit van Amsterdam. Door de oorlog zag Van Giffen zich in 1943 genoodzaakt ontslag te nemen. In 1946 werd hij herbenoemd en een jaar later hield hij zijn inaugurale rede. In 1951 werd het Instituut voor Prae- en Protohistorie opgericht met Van Giffen als hoogleraar-directeur. Het instituut beoogde bij oprichting een vierledige taak: 1) onderwijs en onderzoek op het gebied van de culturele prehistorie van West- en Midden-Europa en de archeologie van Nederland; 2) onderwijs en onderzoek op het gebied van de oecologische prehistorie van West- en Midden-Europa; 3) onderwijs in oudheidkundig bodemonderzoek; 4) stadskernonderzoek van Amsterdam. Van begin af aan heeft Van Giffen zich ingezet voor de realisering van een universitaire studierichting prehistorie; meer gericht op de literair filosofische kant dan op de oecologische en meer op onderwijs dan op onderzoek. In 1957 nam W. Glasbergen het hoogleraar-directeurschap over. In 1960 werden de doctoraalexamens in de culturele en oecologische archeologie toegevoegd aan het Academisch Statuut. Een reorganisatie en uitbreiding van de staf volgde en het eerste doctoraal examen culturele prehistorie werd afgenomen (student: J.D. van der Waals). Vanwege de invoering van de Wet op de Universitaire Bestuurshervorming (WUB) werd in december 1972 de Subfaculteit der Pre- en Protohistorie opgericht met een vijftal vakgroepen. Deze vakgroepen vervingen de al bestaande afdelingen binnen het Instituut:

  1. Culturele prehistorie (Prof.dr. W. Glasbergen)
  2. Oecologische archeologie (Prof.dr. W. Groenman-van Waateringe)
  3. (Provinciale) Archeologie van de Romeinse tijd (waarnemend voorz. Prof. dr. W. Glasbergen)
  4. Middeleeuwse archeologie (Prof.drs. H.H. Van Regteren Altena)
  5. Prehistorie van West-Azië. (Prof.mr.dr. M.N. van Loon)
In november 1974 werd de naam van het instituut omgedoopt in het Albert Egges van Giffen Instituut voor Prae- en Protohistorie. Vanaf maart 1991 heet het Instituut voor Pre- en Protohistorische Archeologie Albert Egges van Giffen. In september 1987 werd de Subfaculteit Pre- en Protohistorie een vakgroep binnen de Faculteit der ruimtelijke Wetenschappen: de bovenstaande vakgroepen werden voortaan weer afdelingen genoemd. Onder de afdeling Culturele Prehistorie ressorteert het topografisch geordende vondstenarchief. Het Instituut heeft door de jaren heen onderdeel gevormd van verschillende faculteiten en organisatiestructuren:

1924-1962: Faculteit der Letteren en Wijsbegeerte

1963-1970: Verenigde faculteit/Interfaculteit der Wiskunde, Natuurwetenschappen, Letteren en Wijsbegeerte

1970-1982: Subfaculteit der Pre- en Protohistorie/Vakgroep Pre- en Protohistorie van de Interfaculteit der Aardrijkskunde en Prehistorie

1983-1984: Subfaculteit der Pre- en Protohistorie van de Interfaculteit der Geografie en Prehistorie

1984-1986: Subfaculteit der Pre- en Protohistorie van de Interfaculteit der Geologie en Prehistorie

1987-1990: Vakgroep Pre- en Protohistorie van de Faculteit der Ruimtelijke Wetenschappen

1991- 08-1995: Vakgroep Pre- en Protohistorische Archeologie van de Faculteit der Ruimtelijke Wetenschappen

09-1995-1998: Vakgroep Europese Archeologie van de Faculteit der Ruimtelijke Wetenschappen

In 1998 is de Faculteit Ruimtelijke Wetenschappen opgegaan in de Faculteit der Maatschappij en Gedragswetenschappen. De vakgroep Europese Archeologie is vervolgens overgegaan naar de Faculteit der Geesteswetenschappen en aldaar gefuseerd met de Leerstoelgroep Klassieke archeologie en kunstgeschiedenis der Oudheid, die deel uitmaakt van de afdeling Geschiedenis en Regiostudies.

In het archief is opgenomen het archief van W. Glasbergen (1923-1979). Glasbergen was hoogleraar-directeur van het Instituut van 1957 t/m 1972. Hij werd in 1956 benoemd tot buitengewoon hoogleraar met als leeropdracht Prehistorie van West- en Middeneuropa en de archeologie van Nederland. Zijn oratie hield hij in 1957. In 1960 werd zijn extraordinariaat omgezet in een ordinariaat: Glasbergen werd toen hoogleraar in de Prehistorie van West- en Midden Europa en de archeologie van Nederland aan de UvA bij het Instituut voor Pre- en Protohistorie. In 1973 werd de hoogleraar voorzitter van de Interfaculteit der Aardrijkskunde en Prehistorie. In 1975 droeg hij zijn ordinariaat over aan W.F. Heinemeyer.

In het archief is ook opgenomen het archief van de Stichting Regionaal Archeologisch Archiverings Project (R.A.A.P). Vanaf 1983 ontwikkelde de Universiteit van Amsterdam een nieuwe methode voor regionaal archeologisch onderzoek. R.A.A.P. is gestart als werkgelegenheidsproject voor werkloze archeologen. R.A.A.P. inventariseerde op projectbasis archeologisch erfgoed op diverse lokaties in Nederland en wordt gefinancierd met allerhande subsidies. In 1985 werd R.A.A.P. een zelfstandige stichting.

Verantwoording van de inventarisatie

Het archief is alleen wat de vergaderstukken en correspondentie betreft centraal bijgehouden. De correspondentie werd geordend op onderwerp. Stukken betreffende algemene zaken, beheer en huisvesting werden allemaal gearchiveerd onder de letters Z en H. Deze serie is in de inventaris geplaatst bij de stukken van algemene aard. De series correspondentie over financiële zaken (F), archeologisch onderzoek (A) en publicaties (B) zijn geplaatst in de desbetreffende rubrieken. Voor registers van de series tot 1983 zie inv.nrs. 166-175. Vanaf 1972 werden stukken van het Instituut en stukken van de Subfaculteit gescheiden geregistreerd en gearchiveerd (zie ook register, inv.nr. 176). Er zijn ook reeksen vergaderstukken van bestuur en raad van de Subfaculteit aangetroffen. Overig materiaal maakt onderdeel uit van het archief van het Instituut, vandaar dat bij de inventarisatie van het archief niet getracht is om een scheiding aan te brengen tussen Subfaculteit en Instituut. Het grootste deel van het bestuurlijk archief is afkomstig van Ben van Beek, maar ook andere medewerkers hielden soms stukken bij. Bij het archiveren is er veel ontdubbeld. Het archief van de vakgroep/afdeling 5 (Archeologie van West-Azië) ontbreekt geheel. Grote hoeveelheden onderzoeksmateriaal, onder meer protocolboeken (dagrapporten, opgravingsgegevens, veldtekeningen en foto-opnamen) zijn ondergebracht bij het topografische vondstenarchief van het Instituut. Het archief werd verspreid in dozen en (hangmap)ladenkasten aangetroffen op de zolder van het instituut. Ca. 32 meter kwam in aanmerking voor bewerking. Tijdens de bewerking is in totaal 12 meter voor vernietiging afgezonderd. Omvang van het archief is 18 meter.

Archiefvormer

Universiteit van Amsterdam; Instituut voor Prae- en Protohistorie
© Stadsarchief
Disclaimer / Colofon
<

Gegevens over mogelijk nog levende personen mogen alleen worden gebruikt voor historisch (waaronder genealogisch), wetenschappelijk of statistisch onderzoek.

Door het aanklikken van onderstaande button verklaart u zich te houden aan het Reglement voor raadpleging en gebruik van het Stadsarchief.