30293: Archief van de Universiteit van Amsterdam; Faculteit der Pedagogische en Onderwijskundige Wetenschappen en rechtsvoorgangers

Algemene kenmerken

Toegangsnummer:

30293

Periode:

1969 - 1997

Inleiding

Research Instituut voor Toegepaste Psychologie (RITP)

Het RITP van de Universiteit van Amsterdam werd op 1 januari 1957 als particulier instituut opgericht door prof.dr. Adriaan Dingeman de Groot (1914-2006). De organisatie was in de beginjaren niet geformaliseerd. In de praktijk werd duidelijk dat dit de groei van het instituut belemmerde. In 1961 werd daarom opgericht de para-universitaire Stichting Research Instituut voor de Toegepaste Psychologie. Er vond nauwe samenwerking plaats met de Universiteit van Amsterdam, in de vorm van financiële subsidie, en later van universitaire formatieplaatsen en op het gebied van facilitaire zaken als huisvesting. Vanaf 1961 ging het instituut zich specialiseren in onderwijsresearch. In opdracht van het Ministerie van Onderwijs en Wetenschappen en van de Stichting voor Onderzoek van het Onderwijs (SVO) heeft het instituut school- en studietoetsen geconstrueerd. In 1968 werd het Centraal Instituut voor Toetsontwikkeling opgericht: dit ontlastte het RITP grotendeels van de organisatieperikelen, die een massale toetsafname met zich meebrengt. Het RITP was een federatief verband van onderzoekers. Als beleidsorganen fungeerde het stichtingsbestuur. Vanaf het begin van de jaren ’70 was er een Algemene Vergadering, een projectleidersvergadering en vanaf 1974 een Instituutsraad. Er was een directie van directeur met vanaf 1972 een adjunct-directeur, een wetenschappelijke staf, wetenschappelijke assistenten en projectassistenten en een secretariaat. Na 1970 groeide de organisatie sterk. Prof.dr. De Groot werd in 1972 als directeur opgevolgd door drs. H.P. Stroomberg. De ondersteunende afdelingen werden uitgebreid. Wetenschappelijke medewerkers werden projectleiders, het aantal projectmedewerkers nam toe. In een paar jaar nam het aantal medewerkers toe van 17 in 1971 tot 57 in januari 1974. Een kwart daarvan was niet in dienst van het RITP, maar van de UvA, SVO of ZWO. Een van de belangrijkste door het RITP uitgevoerde onderzoeken is het Innovatie Project Amsterdam (IPA) was een grootschalig educatieproject, uitgevoerd op initiatief van de gemeente Amsterdam. Het project liep van augustus 1971 tot augustus 1978. Het project werd uitgevoerd in samenwerking met het Advies en Begeleidings Centrum voor Educatie in Amsterdam (ABC) en een aantal Amsterdamse basisscholen. Het project stond onder leiding van dr. J.J.M. (Co) van Calcar verbonden aan het RITP. Het RITP is in 1981 samengegaan met het Kohnstamm Instituut onder de naam Stichting Centrum voor Onderwijsonderzoek (SCO), het kennis- en onderzoekscentrum op het gebied van onderwijs, opleiding, opvoeding en jeugdzorg (vanaf 1992 SCO-Kohnstamm Instituut, sinds oktober 2009 Kohnstamm Instituut binnen de UvA Holding).

Kohnstamm Instituut

De Stichting Kohnstamm Instituut voor Onderwijsresearch van de Universiteit van Amsterdam, waarin naast de universiteit ook de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen deelneemt, werd opgericht in 1969. Het door deze stichting beheerde Kohnstamm Instituut is een voortzetting van de Afdeling Research van het Nutsseminarium voor Pedagogiek (voor dit archief zie toegangsnummer 211: Archief van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen). Het instituut is genoemd naar de natuurkundige, filosoof en pedagoog Philip Abraham Kohnstamm (1875-1961), oprichter van het Nutsseminarium (1919). De stichting had ten doel het door middel van studie en onderzoek dienstbaar maken van wetenschappelijke inzichten en methoden aan de kennis en verbetering van onderwijs en vorming. De stichting bedoelde mede bijdragen te leveren aan de opleiding en vorming van de onderzoekers aan de Universiteit van Amsterdam. In het bestuur van de stichting zaten vertegenwoordigers van het College van Bestuur van de universiteit van Amsterdam, vertegenwoordigers van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen en vertegenwoordigers van het personeel van het Instituut. Het Kohnstamm Instituut zelf werd bestuurd door een directeur en een instituutsraad. Vanaf 1978 was er een personeelsraad, gekozen door en uit de instituutsraad. De directeur vergaderde maandelijks met de personeelsraad die daarmee het beleid controleert. Het onderzoek werd uitgevoerd binnen onderzoeksgroepen, terwijl twee ondersteunende afdelingen het werk mede mogelijk moesten maken. Namens het bestuur van de stichting voerde de directeur in de Coördinatie Commissie beleid in overleg met de coördinatoren van de twee afdelingen en onderzoeksgroepen. Een onderzoeksgroep is een samenwerkingsverband van kleine projectgroepen, die in wisselende samenstelling onderzoeksprojecten rond één hoofdthema uitvoerden. Vanaf 1973 is het instituut min of meer van de grond af aan opnieuw opgebouwd en kon, mede dankzij een aantal grote SVO-projecten, een zwaartepuntenbeleid worden ontwikkeld. In 1978 waren er binnen het Instituut vier onderzoeksgroepen: Volwasseneneducatie, Kunstzinnige vorming, Onderwijsvoorzieningen 16-18 jarigen, en Algemene Studies. En er waren studiegroepen, waarin onderzoekers uit verschillende groepen samenwerkten aan één thema. In 1978 waren dat de Studiegroep Onderwijs en Maatschappelijke Ongelijkheid, de Studiegroep Vrouwen en Onderwijs, en de Studiegroep Functies van Onderzoek.Daarnaast werden in 1969 nog twee stichtingen opgericht, die ten dienste stonden van het instituut, te weten de Stichting Kohnstamm Fonds voor Onderwijsresearch, en de Stichting Waarborgfonds Pensioenrechten Kohnstamm Instituut voor Onderwijsresearch. Vertegenwoordigers van het personeel van het instituut hebben zitting in de besturen van deze stichtingen. Begin 1978 heeft de Stichting voor Onderzoek van het Onderwijs een beleid bekend gemaakt gericht op reductie van het aantal instituten voor onderwijsresearch. Dit zou moeten worden gerealiseerd door een fusie te bewerkstelligen tussen de instituten in resp. Amsterdam en Nijmegen. Doel van dit streven was de indirecte kosten die met het instandhouden van para-universitaire instituten gemoeid zijn, zowel absoluut als relatief terug te brengen. Dit vond plaats in het kader van een algehele bezuiniging die in vergelijking met de aanvankelijke beleidsvoornemens noodzakelijk was geworden.Zodoende moesten RITP en Kohnstamm Instituut fuseren. Zij werden opgeheven in 1981 en gingen voortaan samen verder als Stichting Centrum voor Onderwijsonderzoek van de UvA.

Stichting Centrum voor Onderwijsonderzoek (SCO)

Stichting Centrum voor Onderwijsonderzoek van de UvA werd opgericht op 5 december 1980. De stichting heeft ten doel onderzoek te verrichten van onderwijs en andere educatieve voorzieningen om op deze wijze bij te dragen aan de kennis en de verbetering daarvan. De stichting heeft mede ten doel gelegenheid te geven tot praktische oefening in het kader van het wetenschappelijk onderwijs van studenten aan de UvA op het hiervoor vermelde terrein. Zij tracht deze doeleinden onder meer te bereiken door het aangaan van daartoe strekkende overeenkomsten met de UvA, de Stichting voor Onderzoek van het Onderwijs (SVO), alsmede met anderen.

De stichting wordt bestuurd door een bestuur bestaande uit vijf leden. De voorzitter van het bestuur wordt aangewezen door de Universiteitsraad op voordracht van het College van Bestuur. De dagelijkse leiding van de stichting beruste bij de directie, benoemd door het College van Bestuur. Door het bestuur van de stichting wordt een Wetenschappelijke Adviesraad ingesteld. Deze heeft als taak het bestuur te adviseren inzake het onderzoeksbeleid, zoals dat tot uitdrukking zal komen in beleidsplan, onderzoeksprogramma's en projectplannen. Het ten behoeve van de stichting werkzame personeel is in dienst van de UvA. Uit en door het ten behoeve van de stichting werkzame personeel, met uitzondering van de directie, wordt een Stichtingsraad gekozen (5 tot 7 leden). Bevoegdheden worden geregeld in het personeelsstatuut. De stichtingsraad bracht aan het bestuur advies uit over elk door dat bestuur voorgenomen besluit. Over de voorbereiding en uitvoering van zijn/haar taken overlegt de directeur regelmatig met de plaatsvervangend directeur, het hoofd administratie en de directie-assistent. De Afdeling Centraal Secretariaat verleent diensten aan directie en bestuur. Een sectie bestaat uit één of enkele onderzoeksgroepen, waarin een cluster van programmatisch samenhangende projecten wordt uitgevoerd. Een onderzoeksgroep die onder leiding staat van een senior-projectleider (lid van de wetenschappelijke kernstaf), bestaat uit een groep projectleiders, projectmedewerkers en kandidaatsassistenten. In en onderzoeksgroep worden enkel projecten tegelijkertijd uitgevoerd, die onderling en programmatische samenhang vertonen. Het Stafoverleg Beheer en het Stafoverleg Onderzoek zijn officiële adviesorganen van de directeur in de beleidsvoorbereiding en beleidsuitvoering.

In 1988 is de organisatie iets gewijzigd. Er zijn dan 8 programmagroepen met ieder een programmaleider, te weten Taalonderwijs; Hoger Onderwijs; Beleid en organisatie van onderwijs; Motivatie en Onderwijsdeelname; Onderwijs, Cultuur en Ongelijkheid (OCO), later genoemd: Cultuur en Ongelijkheid, Beroep en Onderwijs (COBO); onderwijs en informatietechnologie; Wisselwerkingen tussen Onderwijs en Arbeid (WAO); Algemene vorming en basisvorming in het onderwijs. De onderzoeksproject van het SCO werden meestal uitgevoerd in opdracht van Stichting voor Onderzoek van het Onderwijs (SVO), die het onderzoeksbudget van het Ministerie van Onderwijs beheerde. Behalve het SCO waren er nog drie onderzoeksinstituten waarmee de SVO een meerjarencontract had afgesloten: de RION, ITS, en OCTO. Op grond van de ingediende onderzoeksvoorstellen werden de SVO-opdrachten in onderlinge concurrentie tussen de onderzoekinstituten verworden. Een commissie bestaande uit vier hoogleraren beoordeelde de concurrerende voorstellen.

SCO-Kohnstamm Instituut (SCO-KI)

Het SCO werd 30 juni 1992 opgeheven en vervangen door het SCO-Kohnstamm Instituut. Dit instituut had als doelstelling het doen van wetenschappelijk onderzoek naar ontwikkelingen en verschijnselen in alle sectoren van het onderwijs, de jeugdzorg en de opvoeding in en buiten het gezin. Het instituut opereerde zelfstandig op de markt van onderzoeks- en adviseringsprojecten en maakte als onderzoeksinstituut deel uit van de Afdeling Pedagogiek en Onderwijskunde van de Faculteit der Maatschappij- en Gedragswetenschappen (FMG) van de Universiteit van Amsterdam. Het instituut maakt sinds oktober 2009 deel uit van de UvA Holding, is gespecialiseerd in opdrachtonderzoek en opereert zelfstandig op de markt van onderzoeksprojecten.

Verantwoording van de inventarisatie

Begin 2002 is in opdracht van het College van Bestuur van de Universiteit van Amsterdam het Archiefproject van start gegaan. Doel van dit project is het opsporen en toegankelijk maken van de archieven van de faculteiten, de sub- en interfaculteiten, de instituten en de vakgroepen, die daarna conform de Archiefwet 1995 overgebracht worden naar een archiefbewaarplaats. Gekozen is om alle archieven tot 1997 te bewerken, waardoor aan de overbrengingstermijn van twintig jaar ruimschoots voldaan is. Voor de eindtermijn 1997 is gekozen omdat de invoering in dat jaar van de Wet Modernisering van het Universitair Bestuur (MUB) een belangrijke cesuur vormt voor vrijwel alle geledingen van de universitaire organisatie, zo ook het SCO-Kohnstamm Instituut. De inventarisatie van het archief van het SCO-Kohnstamm Instituut en rechtsvoorgangers is in het kader van dit project tot stand gekomen. Bewerking vond plaats in 2007, 2010 en 2013/2014. De totale omvang van het archief bedroeg vóór bewerking ruim 250 meter, na bewerking 150 meter. De archieven beslaan de periode 1966-1997, archieven van het SCO-Kohnstamm Instituut en voorgangers beslaan de periode 1957-2009, archief van het Instituut voor de Lerarenopleiding (ILO) beslaat de periode 1986-2009. Bij de uiteindelijke indeling van de bewaarde archieven is vooral uitgegaan van de aangetroffen orde. De meeste series zijn intact gelaten. Vernietigd zijn onder andere dubbelen, personeelsdossiers, financiële administratie (kasstukken). Daarnaast kon veel ruimtewinst worden behaald door vernietiging van de ter kennisneming toegestuurde stukken van het college van bestuur en de universiteitsraad. Bij de selectie van het archief is vooral gekeken naar het bewaarniveau. Zo zijn de vergaderstukken van het college van bestuur, de universiteitsraad en het college van decanen vernietigd. De originelen daarvan bevinden zich immers bij de desbetreffende organisaties. Een groot deel van het onbewerkte archief betrof onderzoeksmateriaal van diverse projecten. Hiervan zijn de ruwe onderzoeksdata niet opgenomen in het archief, maar wel de projectadministratie (onderzoeksplan, subsidieaanvraag, voortgangsrapportages, onderzoeksrapporten, eventueel aanwezige vergaderstukken, correspondentie, voorbeelden van gebruikt onderwijs en/of testmateriaal).

Overdracht en openbaarheid

De archieven zijn in 2007 (conform de Archiefwet 1995 en het KB van 1 mei 2001, Stb. 229) formeel overgebracht naar het Rijksarchief in Noord-Holland (thans Noord-Hollands Archief), dat tegelijkertijd een uitleningsovereenkomst heeft gesloten met het Stadsarchief Amsterdam. De fysieke overdracht vond plaats in 2011. Het College van Bestuur van de Universiteit van Amsterdam heeft vooral met oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer de openbaarheid van een gedeelte van het archief voor dertig jaar beperkt. Deze stukken mogen alleen met toestemming van de gemeentearchivaris en onder beperkende voorwaarden worden geraadpleegd.

Archiefvormer

Universiteit van Amsterdam; Faculteit der Pedagogische en Onderwijskundige Wetenschappen
© Stadsarchief
Disclaimer / Colofon
<