30223: Archief van de Universiteit van Amsterdam; Faculteit Psychologie

Algemene kenmerken

Toegangsnummer:

30223

Periode:

1932 - 1998

Inleiding

Institutionele geschiedenis

De wetenschap van de Psychologie kon in de periode 1896-1932 aan de Universiteit van Amsterdam slechts als bijvak worden gestudeerd. In deze periode lag de nadruk bijna geheel op het onderwijs, dat door privaatdocenten werd verzorgd. De eerste in deze reeks van privaatdocenten was D.G. Jelgersma die vanaf 1896, vier jaar nadat de Psychologie als experimentele wetenschap in Nederland was geïntroduceerd, in Amsterdam enige jaren onderwijs gaf in de 'zielkunde' (1). Het onderwijs in de Psychologie kreeg in de jaren 1907-1932 meer structuur door toedoen van de hoogleraar Wijsbegeerte prof.dr. T.J. de Boer, die afwisselend een jaar 'algemene' en een jaar 'speciale psychologie' doceerde. In het kader van de speciale psychologie gaf De Boer tevens praktische oefeningen.

Het jaar 1932 mag gelden als het beginjaar van de Psychologie als zelfstandige discipline aan de Universiteit van Amsterdam. In dat jaar werd de leerstoel van De Boer gesplitst in een leerstoel Wijsbegeerte en een leerstoel Psychologie. Voor de vervulling van het professoraat Wijsbegeerte werd dr. H.J. Pos aangetrokken. De nieuwe zelfstandige leerstoel Psychologie viel toe aan dr. Geza Révész, die sedert 1922 als docent 'psychologie van het bedrijfsleven' was verbonden aan Faculteit der Handelswetenschappen die in het laatstgenoemde jaar was opgericht aan de Universiteit van Amsterdam. Met de keuze voor Révész, die het eerste Psychologisch Laboratorium in Hongarije had opgericht maar die in 1919 uit vrees voor de politieke ontwikkelingen in zijn geboorteland naar Nederland was gevlucht, koos Amsterdam voor de meer experimentele richting binnen de psychologie. Dat gebeurde overigens pas nadat er een intensief debat in de Amsterdamse Gemeenteraad had plaatsgevonden, waarbij de Amsterdamse psychiater H.C. Rümke, die meer de stroming van de 'dieptepsychologie' vertegenwoordigde, de voornaamste tegenkandidaat van Révész was geweest (2).

Van een eigen psychologische faculteit was in 1932 nog geen sprake en Révész trad dan ook na zijn aanstelling tot hoogleraar in de Psychologie aanvankelijk toe tot de Faculteit der Wis- en Natuurkunde. Het Psychologisch Laboratorium waarover hij de directie voerde, kreeg een onderkomen op de eerste verdieping van het kantoor van de Gemeenteontvanger op de Herengracht 91. Hier kreeg Révész de beschikking over zeven kamers, die vooralsnog voldoende ruimte leken te bieden voor de twee - en na de aanstelling van de kersverse gepromoveerde psycholoog H.C.J. Duijker in 1938 drie - assistenten en de zeven hoofdvak studenten, die in de eerste zeven jaar de studie Psychologie vorm zouden geven. Niettemin bestond er bij de staf wel vanaf het begin een behoefte aan een verdere professionalisering van de discipline, waaraan in 1939, althans wat de huisvesting betreft, een eerste gevolg kon worden gegeven. In december van dat jaar verhuisde Psychologie naar de Keizersgracht 613, waar Révész de beschikking kreeg over een echt laboratorium, met verschillende werkruimtes, een donkere kamer, een collegezaaltje en een observatieruimte met een zogenaamd 'one-way-vision-screen'.

Ten tijde van de Tweede Wereldoorlog kwam de psychologiestudie door de verschillende Duitse bezettingsmaatregelen spoedig volledig tot stilstand om echter direct na de Bevrijding met een ongekende bloeikracht terug te keren. Al in 1945 meldden er zich maar liefst 125 studenten aan, waardoor Révész en zijn staf zich genoodzaakt zagen om organisatorische maatregelen te treffen. Binnen het Psychologisch Laboratorium werden twee afdelingen gecreëerd, waarover zijn eerste assistenten, de lectoren Maria Bos en J. Huiskamp, de scepter gingen zwaaien. Zij kwamen aan het hoofd te staan van de afdeling 'Kinderpsychologie' respectievelijk 'Psychotechniek'. Révész zelf bleef het onderwijs in de 'Algemene Psychologie' verzorgen, waarvoor verder geen speciale afdeling werd ingericht. In 1949 werd de tweede hoogleraar Psychologie aangesteld, namelijk H.C.J. Duijker, die zich ging toeleggen op de 'Experimentele Psychologie'.

In 1950 nam Révész afscheid van het Psychologisch Laboratorium, waarna Bert Duijker hem opvolgde als hoogleraar-directeur. De leeropdracht van Duijker werd daarbij uitgebreid met de 'Algemene Psychologie'. In hetzelfde jaar werd dr. A.D. de Groot, die toen reeds enkele jaren aan het Psychologisch Laboratorium verbonden was, tot buitengewoon hoogleraar in de 'Toegepaste Psychologie' benoemd. De benoeming van De Groot werd spoedig gevolgd door de aanstelling van een derde hoogleraar Psychologie aan de universiteit, namelijk dr. J. Koekebakker, die 'Groepspsychologie' als werkterrein kreeg. In universitair organisatorisch opzicht was Psychologie inmiddels geworden tot de 'Afdeling Psychologie van de Verenigde Faculteiten van de Faculteiten der Wis- en Natuurkunde en [der] Letteren en Wijsbegeerte'. Door het wetenschappelijk personeel van de Afdeling Psychologie, met name door Duijker, werd behalve voor deze twee faculteiten, ook onderwijstaken verzorgd voor de Faculteit der Politieke en Sociale Wetenschappen die in 1948 was opgericht.

De studie Psychologie zou in de jaren vijftig en zestig een steeds groeiend aantal studenten trekken, waarop de staf zo goed mogelijk trachtte te reageren met verzoeken om uitbreiding van personeel en huisvestingsruimte. Deze verzoeken hadden wisselend succes. Wel was het directe gevolg van de gestage instroom van studenten dat de studie aan het eind van de jaren '60 over zo'n vijftien plaatsen in de stad was verspreid.

Aan het eind van de jaren '50 leverde Duijker, die jarenlang de spil was waarom het Psychologisch Laboratorium draaide, een belangrijke bijdrage voor de structurering van de studie met de publicatie van zijn nomenclatuur en systematiek van de Psychologie. De ideeën die hij in zijn leerboek ontvouwde, zouden de basis worden van de inrichting van de studie in de decennia vanaf 1960 en daarmee tevens een leidraad voor de modellering van het Psychologisch Laboratorium. Als basisvakken onderscheidde Duijker: functieleer, ontwikkelingsleer, persoonlijkheidsleer en gedragsleer. Hieraan voegde hij 'methodenleer' als steunvak toe. Voor elk van deze vakken werden - of waren reeds - lectoren en/of professoren aangetrokken, waarbij de voorlopige kroon op het werk in 1962 werd gezet met de aanstelling van dr. J.T. Barendregt tot hoogleraar 'Persoonlijkheidsleer'. Na deze programmatische voltooiing kon een jaar later, in 1963, een organisatorische herstructurering worden doorgevoerd, waarbij de Afdeling werd omgezet in de 'Interfakulteit Psychologie'.

De periode als interfaculteit bleek van zeer korte duur te zijn. Bij de oprichting van de Faculteit der Sociale Wetenschappen in 1965 werd de interfaculteit, die inmiddels was uitgebreid met de afdeling 'Psychologie van Beroep en Beroepskeuze', samen met de afdeling 'Psychologie Opleiding voor Andragologen' en de afdeling 'Groepspsychologie', een subfaculteit binnen de nieuwe faculteit. In intern organisatorisch opzicht bracht de omzetting van de interfaculteit in een subfaculteit aanvankelijk niet veel verandering. Duijker bleef als hoogleraar-directeur de centrale figuur binnen het bestuur van het Psychologisch Laboratorium, waarbij zijn optreden als bestuurder door de medewerkers, zo werd althans bij zijn afscheid in 1980 naar voren gebracht, steeds is ervaren als 'niet- autoritair'.(3) Veelzeggend in dit verband is ook dat hij al vroeg met democratisering en inspraak experimenteerde en dat hij nog voor de Wet op de Universitaire Bestuurshervorming (WUB) van 1970 een 'stafvergadering' invoerde, waarin ook studenten zitting hadden.

De invoering van de Wet op de Universitaire Bestuurshervorming, waarbij de rechtstreeks gekozen Subfaculteits- en Faculteitsraden en het organisatiemodel met Vakgroepen werden ingevoerd, viel bijna samen met de verhuizing van de opleiding Psychologie van het gebouw aan de Keizersgracht en de vele dependances, naar - zo was althans de bedoeling - één centrale locatie aan de Weesperstraat. Het gebouw dat in 1971 werd betrokken, moest de 1.600 studenten, 25 hoogleraren en zeven vakgroepen, waartoe de subfaculteit inmiddels was uitgegroeid herbergen, maar bleek niettemin spoedig toch weer te klein. 'Ontwikkelingspsychologie' bleef vooralsnog gehuisvest in de dependance aan de Vondelstraat en het relatief nieuwe 'Psychofysiologie' moest noodgedwongen uitwijken naar het Jan Swammerdam Instituut, destijds aan de Eerste Constantijn Huygensstraat. Pas na de reorganisaties en geforceerde inkrimping in de jaren tachtig zou de gehele opleiding Psychologie in het gebouw Weesperstraat 91 zijn verenigd; een gebouw dat overigens al voor de officiële opening als de "Doodskist" bekend stond.(4)

De laatste periode in de geschiedenis van de Psychologie aan de Universiteit van Amsterdam die voor het hier geïnventariseerde archief van betekenis is, brak aan in 1987 toen in het kader van de verschillende reorganisaties van het universitair onderwijs, de subfaculteit geheel op eigen benen kwam te staan en in de 'Faculteit der Psychologie' werd omgezet. De faculteit bestond in dat jaar uit 'zes Vakgroepen, te weten: 'Ontwikkelingspsychologie', 'Psychologische Methoden', 'Psychonomie', 'Klinische Psychologie', 'Sociale, Arbeids- en Organisatiepsychologie' en 'Psychologie voor Andragogen en Pedagogen', terwijl er aan de oprichting van een afzonderlijke Vakgroep 'Sociaal-Wetenschappelijke Informatica' werd gewerkt. In totaal konden er in het studiejaar waarin de subfaculteit in een faculteit werd omgezet, 1.650 psychologiestudenten worden geteld aan de Universiteit van Amsterdam.(5)

De overgang van subfaculteit naar faculteit hield vanzelfsprekend in, dat per 1 september 1987 de Faculteitsraad de Subfaculteitsraad verving als hoogste bestuurlijke orgaan. In 1991 vond een belangrijke interne organisatorische wijziging plaats met de invoering van het Facultair Beheersorganisatieplan. In de nieuwe beheersorganisatie kwamen zes afdelingen te functioneren, waarbij de centrale beheersleiding in handen van een directeur kwam.(6) De opleiding Psychologie had in de maanden voorafgaand aan de invoering van de nieuwe beheersorganisatie haar gebouw aan de Weesperstraat na een verblijf van bijna twintig jaar verlaten om een nieuw onderkomen te vinden in het zogenaamde 'Gebouw A' van het Roeterseilandcomplex (REC). De opening van dit nieuwe faculteitsgebouw en de festiviteiten rond deze gebeurtenis vonden plaats in mei 1991.(7)

Door toedoen van de Wet op de Modernisering van het Universitair Bestuur (MUB) veranderde de universitaire en daarmee facultaire organisatie in 1997 grondig. De Faculteitsraad van Psychologie kwam voor het laatst bijeen op 28 oktober 1997. De leden werden uitgenodigd om op een plechtige wijze de 'geschiedenis' te besluiten van dit instituut.(8)

Verantwoording van de inventarisatie

De inventarisatie van het archief van de Faculteit der Psychologie en voorgangers vond plaats in het kader van het Archiefproject van de Universiteit van Amsterdam, dat begin 2002 werd gestart. In het verlengde van de uitvoering van de Archiefwet van 1995 zijn de archieven van de diverse universitaire instellingen van vóór 1997, de invoering van de MUB, opgespoord. Daarbij gaat het vooral om archieven van (sub)faculteiten en vakgroepen, die nadat ze zijn opgespoord, worden geordend en beschreven en vervolgens worden overgedragen aan het Gemeentearchief Amsterdam.

Evenals bij de meeste andere faculteitsarchieven dateert verreweg het meeste archiefmateriaal van de Faculteit der Psychologie en voorgangers van na 1970. Voor die tijd was de organisatorische structuur relatief eenvoudig. Bovendien droeg deze nog een sterk persoonlijk stempel, waarbij de archieven van de afzonderlijke afdelingen en instelling in zijn geheel, min of meer samenvielen met de archieven van de onderscheiden hoogleraren, respectievelijk dat van de hoogleraar-directeur.

Het oudste stuk van het archief dateert van 1932, het jaar waarin de afzonderlijke leerstoel voor Psychologie werd gesticht. Het betreft een kasboek dat de periode 1932-1952 beslaat. Meer materiaal van de periode vóór 1946 is niet bewaard gebleven. Enkele administratieve stukken van de Afdeling Psychologie uit het laatste deel van de jaren veertig en het begin van de jaren vijftig zijn terecht gekomen in het persoonlijk archief van de toenmalige secretaris prof.dr. L.E.J. Brouwer. Brouwer heeft dit materiaal in 1951 aan zijn opvolger prof.dr. A.D. de Groot overgedragen, die de stukken op zijn beurt, afgaande op de envelop waarin deze werden aangetroffen, een halve eeuw later aan de Faculteit ter beschikking heeft gesteld. Het merendeel van het archiefmateriaal van voor de WUB bestaat verder uit correspondentie van de hoogleraar-directeur van het Psychologisch Laboratorium prof.dr. H.C.J. Duijker. A.D. de Groot heeft zijn eigen archief geschonken aan het Archief- en Documentatiecentrum Nederlandse Psychologie in Groningen.

Het leeuwendeel van het archief bestaat uit de vergaderstukken van de Subfaculteitsraad, van de Faculteitsraad, van het Dagelijks Bestuur en vanaf 1 september 1987 het Faculteitsbestuur. Van deze series zijn die van de Faculteitsraad en het Faculteitsbestuur zo goed als compleet.(9) De notulen van de Subfaculteitsraad beginnen echter pas in december 1975 met vergadering nummer '12'; terwijl in de archiefstukken van het Dagelijks Bestuur van de Subfaculteit in 1984 een hiaat van circa acht maanden zit.

Op het moment dat de inventarisatie werd begonnen, was het archief in het kader van het DIV-project al van de Faculteit naar een verzameldepot overgebracht en nagekeken op en zoveel mogelijk geschoond van stukken van financiële en personeels-administratieve aard. Binnen het overgebleven archief bleken de stukken van algemene aard, met name de grote series vergaderstukken en correspondentie, vrij eenvoudig fysiek te scheiden van de rest van het archiefmateriaal. De verzameling van de bijzondere stukken had in hoge mate het karakter van een verzameling van 'werk'-dossiers. Bij de bewaring van deze dossiers werd door de Faculteit vanaf 1987 een eigen en vanaf december 1991 een universitair archiveringsstelsel gevolgd. Door de ordening per dossier en het gevolgde bewaarstelsel bleken de dossiervormende instanties zelf nauwelijks nog als subeenheid in de ordening herkenbaar te zijn. Voor de inventarisatie had dit de consequentie dat de verschillende (sub)facultaire afdelingen en commissies vrijwel niet als zelfstandige eenheden in de inventaris zijn terug te vinden; zo ontbreekt bijvoorbeeld een afzonderlijke categorie van archiefstukken van een Vaste Commissie Wetenschapsbeoefening. Bij het inventariseren is in principe zoveel mogelijk uitgegaan van de bestaande orde. Niettemin is bij het uiteindelijk opstellen van de inventaris, mede ook omdat de twee bewaarstelsels nogal uiteen liepen wat de rubrieken betreft, toch gekozen voor een eigen nieuwe beschrijving en ordening. Bij deze beschrijving en ordening zijn zoveel mogelijk de algemene richtlijnen van het DIV-project voor het beschrijven en ordenen van facultaire archieven gevolgd.

In de correspondentie van Duijker bevindt zich tenslotte nog een inzichtelijke brief van december 1957 over het archiefbeleid, in het bijzonder het bewaarbeleid dat in het verleden bij Psychologie werd gevolgd. In deze brief meldt de directeur van de Vereniging Hulp voor Onbehuisden (HVO) de leiding van het Psychologisch Laboratorium 'de goede ontvangst van een hoeveelheid archief-papier' die hij eerder in die maand had mogen afhalen bij het psychologisch laboratorium. Blijmoedig voegt de directeur van HVO hieraan nog toe: 'Wij verzekeren U dat aan de verwerking van dit papier alle mogelijke zorg zal worden besteed. Voor deze gift, waardoor U aan ons sociale werk steun verleent, betuigen wij U onze hartelijke dank'.(10)

Overdracht en openbaarheid

Bij de aanvang van de bewerking van het archief van de Faculteit der Godgeleerdheid bij het Archief-project bleek uit de periode tot 1997 ongeveer 30 meter te zijn bewaard. Van deze hoeveelheid is uiteindelijk 15 meter overgedragen aan het Gemeentearchief.

In 2007 zijn de archieven van de faculteit over de periode 1877-1960, toen de universiteit een gemeentelijke instelling was, overgebracht naar het Gemeentearchief van Amsterdam; de archieven over de periode 1961-2000 zijn op ¿ datum (conform de Archiefwet 1995 en het KB van 1 mei 2001, Stb. 229) formeel overgebracht naar het Rijksarchief in Noord-Holland, dat tegelijkertijd een uitleningsovereenkomst heeft gesloten met het Gemeentearchief Amsterdam, zodat er geen noodzaak is het archief te splitsen in een 'gemeentelijk' deel en een 'rijks'-deel, wat trouwens praktisch een onmogelijke exercitie zou zijn.

Het College van Bestuur van de Universiteit van Amsterdam heeft vooral met het oog op de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer de openbaarheid van een gedeelte van het archief vanaf 1975 voor dertig jaar beperkt. Deze stukken mogen alleen met toestemming van de gemeentearchivaris en onder beperkende voorwaarden worden geraadpleegd. Van de overbrenging zijn de examenregisters uit de laatste veertig jaar uitgesloten. Zij worden bewaard bij de afdeling Documentaire Informatievoorziening van de Universiteit van Amsterdam.

In 2013-2016 heeft vanwege verhuizing van de faculteit naar Roeterseiland een grootschalig archiefopruimproject plaatsgevonden. Dit resulteerde in de overdracht van ca. 6 meter archiefmateriaal uit de periode 1963-1999 (tot het moment dat Psychologie onderdeel werd van de nieuw opgerichte Faculteit der Maatschappij en Gedragswetenschappen). Deze archiefstukken zijn in de inventaris terug te vinden als A-nrs en in rubriek 4.3.

  1. Een korte beschrijving van de geschiedenis van de Faculteit der Psychologie van de Universiteit van Amsterdam is te vinden in een ongepubliceerde notitie van M. Brand, P.v.d. Dool, L. Kauffeld en A.v. Loon, die tot stand kwam in het kader van de viering van dertig jaar Faculteit der Politieke en Sociale Wetenschappen (1978); zie inventarisnummer 346. Zie voor de stichting van het eerste Psychologisch Laboratorium in Nederland aan de Rijksuniversiteit Groningen in 1892 (door Gerard Heymans) o.a. in het eindverslag 'Eeuwfeest Nederlandse Psychologie (1892-1992)'; zie inventarisnummer 351.
  2. Zie hiervoor ook: de notitie opgesteld bij het afscheid van prof.dr. H.C.J. Duijker, 11 maart 1981; zie inventarisnummer 348.
  3. Notitie opgesteld bij het afscheid van prof.dr. H.C.J. Duijker, 11 maart 1981; zie inventarisnummer 348.
  4. Zie 'De geschiedenis van het Psychologisch Lab' in: Mededelingenblad Faculteit Psychologie Universiteit van Amsterdam (1990), zie inventarisnummer: 361 en voor de totstandkoming van de bijnaam de "Doodskist", inventarisnummer 505.
  5. Zie: Basisprogramma faculteit Psychologie van 5 januari 1987, Vergaderstukken Subfaculteitsraad, 19 januari 1987, zie inventarisnummer 216.
  6. De Afdelingen waren: Algemene Zaken, Financiële Zaken, Onderwijs & Onderzoek, Personeel & Organisatie, Technische Infrastructuur en Bibliotheek en Informatievoorziening. Zie: Gids van de Universiteit van Amsterdam 1991-92 (1991) 303.
  7. Het REC in zijn totaliteit werd pas in november 1992 officieel geopend, zie ook inventarisnummers: 361-363.
  8. Zie inventarisnummer 315.
  9. Van de Faculteitsraad ontbreken vergaderstukken uit de laatste periode (4 juni 1996 - 28 oktober 1997). De Raad kwam in die periode echter onregelmatig bijeen. De laatste notulen van het Faculteitsbestuur in de aanwezige reguliere reeks zijn van 10 juni 1997 (zie inventarisnummer 174).
  10. Zie inventarisnummer 252.

Archiefvormer

Universiteit van Amsterdam; Faculteit Psychologie
© Stadsarchief
Disclaimer / Colofon
<

Gegevens over mogelijk nog levende personen mogen alleen worden gebruikt voor historisch (waaronder genealogisch), wetenschappelijk of statistisch onderzoek.

Door het aanklikken van onderstaande button verklaart u zich te houden aan het Reglement voor raadpleging en gebruik van het Stadsarchief.