30173: Archief van de Amsterdamse Raad voor de Monumentenzorg

Algemene kenmerken

Toegangsnummer:

30173

Periode:

1980 - 2005

Inleiding

Oprichting en taken

De Amsterdamse Raad voor de Monumentenzorg was een door de Gemeenteraad in 1980 ingestelde, multidisciplinair samengestelde adviesraad. (Gemeenteblad 1981 afd. 3 nr. 45) (1)

De taak van de Amsterdamse Raad voor de Monumenten, hierna ARM genoemd is:

-het gevraagd adviseren van stadsdelen en de centrale stad over de aanwijzing van objecten als beschermd monument;

-het gevraagd en uit eigen beweging adviseren over het te voeren beleid op het gebied van monumentenzorg, archeologie, de bescherming van gebouwen en stadsgezichten in een brede maatschappelijke betekenis van het woord.

Doel van de Raad was dat beslissingen over het al dan niet aanwijzen van gebouwen als beschermd monument zorgvuldig werden gemotiveerd door een advies van een onafhankelijke monumentencommissie met een zekere status. Zeker met het oog op het voorkomen van bezwaar- en beroepsprocedures. Een beslissing op grond van het advies van de terzake deskundige ARM kon alleen met een eveneens deskundig gemotiveerd tegenadvies worden bestreden. Bij advisering over de aanwijzing als beschermd monument betrok de ARM de monumentenbeschrijving van Bureau Monumenten en Archeologie. Laatstgenoemd bureau functioneerde in opdracht van het college, terwijl de ARM een onafhankelijk adviescollege was (2).

De Raad vergaderde gemiddeld tien keer per jaar. Aanvankelijk in het Bureau Monumentenzorg. Later bepaalde het hoofdonderwerp van de vergadering de vergaderlokatie. De raad nodigde de betrokken partijen uit op haar vergaderingen (ambtenaren, politici en particulieren), initieerde het gesprek en nam er zelf aan deel. Niet elk gesprek leidde tot een formeel advies. Het op gang brengen van de discussie over bepaalde onderwerpen kon ook een doel zijn.

Samenstelling

De raad bestond uit een breed samengesteld gezelschap van architecten, architectuurhistorici, stedebouwkundigen, restauratie- en landschapsarchitecten. Daarnaast waren er ambtelijke adviseurs, die de raad informeerde over actuele projecten, en een "vriendenkring"van niet-leden voor een bijdrage over hun specialisme. De raad telde 20 leden en 7 adviseurs, in oktober 1988 werd het ledenaantal teruggebracht naar 10, dit in verband met bezuinigingen (3). Tussen 1996 en 2005 was er sprake van 15 leden. De raad besliste zelf welke onderwerpen bij de vergaderingen ter sprake kwamen. Wel kon een adviesaanvraag daarop van invloed zijn (4).

Verbreding werkterrein

Met de inwerkingtreding van de Monumentenwet 1988 werden de belangrijkste taken en bevoegdheden op het gebied van de monumentenzorg overgedragen van het Rijk naar de gemeenten. Bij de instelling van de Stadsdelen rond 1990 zijn deze gedecentraliseerd naar de stadsdelen, met eigen monumentenverordeningen. Ook inhoudelijk deden zich accent verschuivingen voor. De voorheen vooral objectgerichte benadering veranderde in een bredere, meer op de omgeving en stedenbouwkundige samenhang gerichte visie. Door de uitvoering van het Monumenten Inventarisatie Project en Monumenten Selectie Project verlegde de aandacht van de monumentenzorg zich ook in de tijd. Voor rijksmonumenten gold toen 1940 als ouderdomsgrens, gemeentelijke monumenten konden voortaan van jongere datum zijn. Ook voor de ARM betekende deze ontwikkeling een verbreding van het werkterrein. De raad probeerde een bijdrage te leveren aan de discussie rond de ontwikkeling en het beheer van de bebouwde openbare ruimte. Doel was om opdrachtgevers en bestuur te overtuigen om in een vroeg stadium cultuurhistorische waarden bij de ontwikkeling van plannen te betrekken.

De raad streefde er naar om contacten met de stadsdelen te verstevigen en discussiethema's die bij de stadsdelen aan de orde zijn systematisch in haar adviezen te betrekken.

Integratie van adviesraden

In 1999 werd besloten de Secretariaten van de adviesraden in de ruimtelijke sfeer buiten de Bestuursdienst te plaatsen en samen te voegen tot het Geïntegreerd Secretariaat Adviesraden Ruimtelijke Sector (GISAR). Vanaf 1 januari 2000 ondersteunde het GISAR de Amsterdamse Raad voor de Stadsontwikkeling (ARS), de ARM en de Amsterdamse Commissie Milieuhygiëne (ACM) bij het uitbrengen van adviezen aan het Gemeentebestuur. Uitgangspunt van deze integratie was dat de adviesraden hun zelfstandigheid en onafhankelijkheid bleven behouden, zowel ten opzichte van het Gemeentebestuur als ten opzichte van elkaar. In 2000 was dit secretariaat op het stadhuis Amstel 1 gevestigd, in 2002 op het Rijnspoortplein 1 en vanaf maart 2003 in de Jodenbreestraat 25. De vergaderingen van de ARM zelf werden op wisselende locaties gehouden.

Een evaluatie-onderzoek in 2002 wees uit dat deze organisatorische integratie geen onverdeeld succes was. Integratievoordelen zoals meer samenwerking en doelmatigheid bleven uit (5).

Bezuinigingen en opheffing

In 2003 werd door de Gemeenteraad besloten om te bezuinigen op ambtelijke ondersteuning van adviescommissies. Aanvankelijk waren er plannen de adviesraden die onder de GISAR vielen op te heffen en hun taak, samen met de Amsterdamse Adviesraad voor het Binnenwater, onder te brengen bij één nieuwe adviescommissie die de betreffende beleidsterreinen zou bestrijken. Een multidisciplinaire koepelraad met het halve budget van alle raden afzonderlijk.

De ARM was hier, evenals ander betrokken raden, tegen. Deskundigheid en onafhankelijkheid zouden aldus niet gewaarborgd zijn, nuances zouden verloren gaan en zaken zouden onderbelicht blijven. Ook een voorstel van het college van Burgemeester en Wethouders om de ARM en ARS samen te voegen ondervond weinig enthousiasme (6).

Begin 2004 werd besloten om de autonome adviesfunctie van de ARM te behouden.

Wel werd in het kader van deze bezuiniging in de Gemeenteraad het voorstel gedaan om vanaf 1 januari 2005 de advieskosten van de ARM door de stadsdelen te laten betalen naar rato van advies (motie Olij, Partij van de Arbeid). Dit stuitte op tegenstand van de stadsdelen. Het kwam neer op het overdragen van taken aan de stadsdelen zonder de daarvoor benodigde middelen. De stadsdelen zouden in dat geval niet meer bereid zijn om van de diensten van de ARM gebruik te maken, zodat het bestaansrecht van de ARM toch in gevaar kwam.

Uiteindelijk werd door de ARM zelf en de Commissie van Welstand en Monumenten (CWM) het voorstel geformuleerd om binnen de CWM een subcommissie in te richten (Commissie 4 genaamd) die de onafhankelijke adviestaak van de ARM zou overnemen. Op 7 maart 2005 ging de plenaire vergadering van de ARM akkoord met dit voorstel. De voordelen hiervan waren dat één en ander efficiënter geagendeerd, behandeld en afgehandeld zou kunnen worden.

Na een moeizame overbruggingsperiode, waarin nogal wat onduidelijkheid was met betrekking tot de financiële dekking van het werk van de raad voor het jaar 2005, werd het voorstel uitgevoerd. De kosten voor 2005 van de ARM werden door de CWM als frictiekosten aangemerkt.

Per 1 januari 2006 werd de nieuwe subcommissie bij de CWM ingesteld in het kader van een nieuwe verordening op de CWM 2005 (Raadsbesluit 21 dec. 2005). Vier deskundigen zouden hier zitting in hebben, aangevuld met leden met een specifieke expertise. Met de instelling van de Commissie 4 werd de ARM opgeheven (7).

Verantwoording van de inventarisatie

Het archief is in twee perioden ingedeeld. Het deel over de periode 1997-2005, dat zich bevond bij GISAR, is in 2006 fysiek overgebracht naar het Stadsarchief; en het deel over de periode 1980-1997, dat zich op het stadhuis bevond, in 2016. De omvang van het gehele archief betreft 7,5 strekkende meter, en loopt van de inv.nrs. 1-590.

De serie brieven met adviezen, uitgebracht in de jaren 1992 t/m 2005 (inventarisnummers 100 t/m 112), is volledig voor wat betreft deze periode. Deze serie bevat uitsluitend de adviezen zelf.

De serie 119 t/m 392 bevat voor een deel dezelfde adviezen, nu echter met de daar aan ten grondslag liggende stukken. Dit zijn de dossiers met betrekking tot de adviezen. Deze dossiers bevatten, naast het advies van de raad, ook het verzoek om advies, de beschrijving van het monument door het Bureau Monumentenzorg, besluiten van Burgemeester en Wethouders en van stadsdeelraden, adviezen van raadscommissies van advies op andere terreinen, brieven van verenigingen op het gebied van monumentenbehoud, brieven van de Rijksdienst voor de Monumentenzorg met verzoek om advies en informatie naar aanleiding van een verzoek een pand op de Rijksmonumentenlijst te plaatsen, met als bijlagen kaarten, foto's, plattegronden, plannen, rapporten en publicaties met betrekking tot het object als bijlagen. Deze dossiers zijn in afzonderlijke dozen bij de Dienst Milieu en Bouwtoezicht aangetroffen. De volledige serie brieven vult de serie met hiaten bestaande uit de dossiers aan.

De inventarisnummers 393 en 394 zijn een toegang op de brieven en de dossiers (inventarisnummers 100 t/m 112 en 119 t/m 392), respectievelijk als chronologische toegang en alfabetische index op straatnaam. Deze toegangen gelden voor de adviezen vanaf 1994.

Toelichting op de inventaris

Deze inventaris bevat een opsomming van beschrijvingen van de aanwezige archiefbescheiden (stukken, series, dossiers) volgens rubriek, daarbinnen volgens subrubriek en vervolgens chronologisch. Elke beschrijving verwijst naar het inventarisnummer, waaronder het stuk of de stukken in dozen opgeborgen zijn.

Noten:

1) Inv. nr. 70

2) Inv. nr. 78

3) Inv. nr. 69

4) Inv. nr. 75

5) Inv. nr. 75

6) Inv. nr. 78

7) Inv. nr. 78

Archiefvormer

Amsterdamse Raad voor de Monumentenzorg
© Stadsarchief
Disclaimer / Colofon
<

Gegevens over mogelijk nog levende personen mogen alleen worden gebruikt voor historisch (waaronder genealogisch), wetenschappelijk of statistisch onderzoek.

Door het aanklikken van onderstaande button verklaart u zich te houden aan het Reglement voor raadpleging en gebruik van het Stadsarchief.