30049: Archief van de Handelsfirma Blikman & Sartorius

Algemene kenmerken

Toegangsnummer:

30049

Periode:

(1590) 1790-1987 (1991)

Inleiding

*Korte Geschiedenis van de Kantoorboekhandel, tevens drukkerij Blikman & Sartorius*

*Inleiding*

Uit het onderhavige bedrijfsarchief komt de firma Blikman & Sartorius (hierna aangeduid met: B. & S.) naar voren als een familiebedrijf. Het was een Amsterdams handelsbedrijf in kantoorartikelen, -meubelen en -machines. Het bedrijf bezat een drukkerij, die voornamelijk produceerde voor de kantoorboekhandels.

Juridisch waren bedrijf en familie tot 1904 niet te scheiden. Eigendom en beheer waren in handen van opeenvolgende generaties van een aantal, al dan niet aan elkaar verwante families. Het was gebruikelijk om testamentair en via de afgesloten vennootschapscontracten onder firma, te zorgen voor opvolging in het bedrijfsbeheer door de komende jonge generatie. Als dit niet lukte, dan zocht men opvolgers in de kring van naaste familie, vrienden en medewerkers (1).

In 1904 werd de firma omgezet in een naamloze vennootschap ter bescherming van het eigen kapitaal van de vennoten en ten behoeve van de kapitaalmarkt. Traditiegetrouw werd de band tussen familie en bedrijf gehandhaafd. De familie was grootaandeelhouder en leidde het bedrijf.

Met de overname van het bedrijf in 1958 door de N.V. Internationale Crediet- en Handelsvereeniging "Rotterdam" werd deze band verbroken. De N.V. B.&S. zou, na de bedrijfsovername, uiteindelijk een werkmaatschappij van bovengenoemde N.V. worden (2).

In 1970 fuseerde de N.V. Internationale Handelsmaatschappij "Rotterdam"met de N.V. W.M. Müller & Co. te Rotterdam tot holding N.V. Internatio-Müller (3). Deze holding zette in 1972 de N.V. B. & S. om in een B.V. , waarbij de drukkerij definitief werd afgesplitst en ondergebracht in een afzonderlijke B.V. Blikman Laporte & Dosse (4).

Als handelsmaatschappij in apparatuur ten behoeve van de grafische sector behield de B.V. haar oorspronkelijke naam "Blikman & Sartorius", welke zij in 1845 definitief kreeg toen de toenmalige eigenaar H. Blikman een compagnonschap aanging met J.C. Sartorius als gevolg waarvan beide namen gecombineerd werden. Overigens waren het leden van de aangetrouwde familie De Flines die het bedrijf vanaf 1860 leidden. A.Q. de Flines, het laatste familielid in die functie, nam in 1959 afscheid als directeur (5).

*Geschiedenis*

De start van het bedrijf is het duidelijkst te plaatsen in het jaar 1749, als H.W. Dronsberg de kantoorboekhandel van zijn echtgenote E. Stuurman voortzet als papierhandel. Met verkocht (gezegeld) papier, plakzegels, kantoorboeken, formulieren, inkt en pennen. Het was een kleine tussenhandel ("winkel") ten behoeve van particulieren, makelaars in onroerend goed en kooplieden op de Amsterdamse beurs. Ook verkocht en drukte het bedrijfje praktisch en goedkoop drukwerk gericht op een groot publiek en ten behoeve van bovengenoemde makelaars, kooplieden en in opdracht van de stedelijke overheid van Amsterdam.

Het is onduidelijk of men gedurende de periode 1749 - 1866 al of niet een eigen drukkerij-werkplaats bezat. Waarschijnlijk niet; allicht zal er een poging in die richting zijn gedaan. In elk geval verstond men het vak van drukker en uitgever en zal men, naast het uitbesteden van drukwerk, van werkplaatsen elders gebruik hebben gemaakt om drukwerk onder eigen naam uit te geven. De eigenaar P.H. Dronsberg was tijdens de jaren 1788 - 1798 stadsdrukker te Amsterdam (6). De eigenaar H. Blikman gaf vanaf ca. 1813 de Algemene Amsterdamsche Stadsprijscourant van koopmanschappen uit (7). Uitgevers van literair werk was men echter niet, uiteindelijk zou het drukwerk ten behoeve van kantoorboekhouding, aansluitend op de handel die men dreef, de hoofdmoot van de produktie gaan vormen.

Gedurende de periode ca. 1750 - ca. 1850 bleef het een kleine, overzichtelijke handelsonderneming met een eenvoudige administratie, waar in principe alle handen geschikt waren voor alle werk. Eén à twee eigenaren-vennoten, met een aantal verkoop- en expeditiemedewerkers, konden er goed van leven, terwijl er voldoende kapitaal overbleef om in het bedrijf te investeren (8). Men hand gedurende vrijwel de gehele periode een boekhouder in dienst, die samen met de beherende eigenaar-vennoot maandelijks de kas en jaarlijks de balans opmaakte. Vanaf 1840 werd de jaarlijkse balans ingeschreven in een register. Bijzonder is dat men vanaf 1797 een register bijhield van de onroerend-goed-veilingen te Amsterdam, om opdrachten te verwerven voor het drukken en aanplakken van veilingbiljetten (9). In het archief zijn bovengenoemde stukken aanwezig vanaf respektievelijk 1870 en 1831.

Geleidelijk kwam vanaf ca. 1850, niet geheel toevallig samenvattend met de algehele industriële opleving in Nederland, verandering in bovengeschetste situatie. De handel in kantoorartikelen breidde zich uit, zowel qua assortiment als wat betreft de afzetmarkt. Men exporteerde naar Nederlands Indië en Zuid-Afrika, alhoewel de binnenlandse markt altijd de belangrijkste zou blijken te zijn. In 1920 gaf men b.v. definitief een poging op om een eigen vestiging in Nederlands Indië op te zetten (10). Voor de binnenlandse markt was er sprake van de eerste aanzet tot een verkooporganisatie. Daarvoor werden in eerste instantie kantoorartikelen in depot gegeven bij boekhandelaren in de grotere provinciesteden (11). In 1882 nam men een eerste vertegenwoordiger in dienst om (toekomstige) klanten af te reizen met een monstercollectie; de eerste gericht reclame werd gemaakt door prijslijsten aan te bieden aan de kantoorboekhandels, waarn adeze hun depotbestellingen konden plaatsen (12). Prijscouranten gericht op alle potentiële klanten begonnen jaarlijks te verschijnen. Vanaf 1882 kan men spreken van een engros-handel voor zowel de Amsterdamse als de Nederlandse markt. Naast de handel in kantoorartikelen werd men tussen 1870 en 1875 zelf depothouder voor de verkoop van postzegels en tramkaartjes (13). Dit was een voortzetting van een voor het bedrijf gebruikelijke serviceverlening.

Na de konklusie getrokken te hebben dat het winstgevender zou zijn, als het eigen bedrijf drukwerk zelf ging drukken, investeerde men in een werkplaats. In 1866 werden een lijnerij en binderij geopend voor het vervaardigen van kantoorboeken uit halffabrikaat. Deze werkplaats werkte zowel voor de verkoop via het eigen bedrijf als direkt in opdracht van derden. In 1872 waren de lijnerij en binderij uitgegroeid tot een stoomdrukkerij (14). Men vervaardigde hoofdzakelijk drukwerk in opdracht, zoals o.a. veilinglijsten, veilingaffiches, almanakken, kantoorboeken, jaarverslagen en kranten. Een poging tot het wekelijks zelf uitgeven van een eigen krant, het "Handelsoverzicht", mislukte (15). Tot de opening van een nieuw gebouwde drukkerij te Sloterdijk in 1913, bleef het bedrijfspolitiek alle werkzaamheden zowel de handel als de produktie in één bedrijfsvestiging te concenteren in het centrum van Amsterdam. Dit lukte niet helemaal. Uiteindelijk, na herhaalde bouw van nieuwe- en verbouw van bestaande bedrijfsvestigingen, had men in 1900 twee hoofdvestigingen, tegenover elkaar gelegen op het Rokin, hoek Nes, met elkaar verbonden door middel van een luchtbrug (16). Het hoofdkantoor, de engros-handel en de winkel waren aan het Rokin gevestigd, de drukkerij aan de Nes.

Afgezien van het feit dat het personeel zich gestaag uitbreidde, nam gedurende de periode ca. 1860 - ca. 1900 het belang van de bedrijfsleiding en boekhouding toe. Beide waren overzichtelijk in één hand en in één pand verenigd. Dat de toenmalige hoofdeigenaar dit ook nastreefde, blijkt uit zijn tevreden konstatering bij de opening van de uitgebreide hoofdvestiging aan het Rokin in 1891: "vanuit het hoofdkantoor, dat als het ware midden in de geheele zaak geleegen en door electrische schellen en spreekbuizen ook met de verschillende afdeelingen verbonden is, ziet men door een spiegelruit in de drukkerij..."(17). Vanaf 1900 zou dit dus via een luchtbrug gaan. En pas in 1906 zou met de gewoonte gebroken worden bedrijfswerkzaamheden met het huishouden van een van de beherende vennoten te combineren in de hoofdvestiging.

Het toenemend belang van de bedrijfsleiding bleek uit de toename van het aantal daadwerkelijk beherende vennoten. Na 1860 groeide "de direktie in aanleg"uit van één man naar vier in 1892. Een begin werd gemaakt met een onderlinge taakverdeling voor het beheer van de diverse bedrijfsonderdelen; taken en bevoegdheden werden omschreven in een huishoudelijk reglement (18). Dit reglement is verloren gegaan.

De boekhouding breidde zich uit, zowel qua personeel als wat betreft het aantal registers dat men bijhield. Naast de al eerder beschreven boeken werden er jaarverslagen met financiële overzichten opgemaakt tussen 1867 - 1892 (19). Vanaf 1892 splitsten deze jaarverslagen zich in direktienotulen, die bijgehouden werden tot 1911 (20) en jaarverslagen met de reguliere financiële jaarstukken, die aanvingen in 1904 (21). In 1889 werd een nieuwe administratie voor de engros-afdeling ingevoerd, terwijl, vanaf ca. 1892 werkstaten werden bijgehouden voor de drukkerij (22). Zowel de stukken betreffende de engros-administratie als de werkstaten zijn verloren gegaan. Vanaf ca. 1900 expandeerde het bedrijf snel, met name onder invloed van technische vernieuwingen op de kantoorboekhandelmarkt en binnen de drukkerij. Na de introduktie van de schrijfmachine in Nederland vanaf ca. 1890, volgden de vernieuwingen ten behoeve van de mechanisatie van kantooradministraties elkaar snel op. Uiteindelijk zou deze ontwikkeling in de jaren '50 leiden tot de introduktie van o.a. geautomatiseerde boekhoudsystemen, kleinschalige drukwerkmachines e.d. Deze ontwikkelingen veranderden het karakter van het bedrijf niet ingrijpend, hoewel het gemoderniseerd werd qua bedrijfsvoering, uitbreiding van de bedrijfsleiding en de nadruk die kwam te liggen op het verder opbouwen van de verkooporganisatie door middel van vertegenwoordigers en nevenvestigingen in de grotere provinciesteden. Het bedrijf was flexibel genoeg om zijn twee belangrijkste bedrijfsonderdelen, handel en produktie, te behouden en aan te passen. Het bedrijfsbeleid was gericht op de verkoop van een zo divers mogelijk handelspakket. En het is in deze periode dat de drukkerij voornamelijk ten behoeve van kantooradministraties gaat produceren. Latere pogingen om de produktie diverser te maken via b.v. deelname aan de N.V. Periodieken drukkerij zouden uiteindelijk stranden (23).

In 1904 werd de firma omgezet in een N.V. om op de kapitaalmarkt te kunnen lenen (24). De "direktie in aanleg" werd een formele direktie, bijgestaan door een raad van commissarissen en een algemene raad van aandeelhouders.

In 1911 werd op advies van het Amsterdamsche Accountantsbureau een boekhoudkundige reorganisatie doorgevoerd. De feitelijk bestaande bedrijfssituatie werd onderbouwd met een doelmatiger boekhoudkundige registratie (25). Op papier werd het bedrijf gesplitst in een handels- en fabrieksafdeling, ieder met hun eigen administratie en afdelingen (26). Vanaf 1911 werden jaarlijks de reguliere jaarstukken opgemaakt, gebaseerd op de diverse hulpboeken; in 1917 zou men een gebroken boekjaar lopend van 1 mei tot 1 mei invoeren.

*Geschiedenis van het archief en verantwoording van de inventarisatie*

In april 1987 gaf het bedrijf zijn oud-archief in bewaring bij het Goudse gemeentearchief (nu: Streekarchief Midden-Holland); aan deze oplossing werd de voorkeur gegeven om de documenten onder handbereik te hebben voor b.v. jubilea (34). Het archief omvatte ruim 20m; waarvan bij aankomst ca. 3 m vernietigd werd. Daarbij ging het om dubbele exemplaren en niet relevante documenten zoals dividendnota's. Na afsluiting van de inventarisatie is nog eens ca. 2m niet relevant materiaal voor vernietiging aangeboden. Na verpakking omvat het archief ca. 17m

De bulk van de nu nog aanwezige archiefbescheiden werd gevormd tijdens de periode ca. 1870 - ca. 1960; tussen het moment dat men binnen het bedrijf een aantal zakelijke feiten systematisch begon te registreren en het moment van bedrijfsovername.

Het jaar 1904, het oprichtingsjaar van de N.V., betekent geen caesuur in de archiefvorming, in tegenstelling tot het jaar 1911, toen een boekhoudkundige reorganisatie werd doorgevoerd. Het jaar van bedrijfsovername 1959 vormt een gedeeltelijke caesuur, omdat toen het oud-archief werd afgesloten. Zowel 1904, 1911, 1959, als de daarop volgende periode van herstrukturering gaven voorlopig geen aanleiding om een caesuur aan te brengen in de inventaris van het archief. Mocht er meer oud-archief worden overgebracht dan zou het jaar 1959 als caesuur gebruikt kunnen worden.

Het archief bevond zich bij de inbewaringgeving in een wanordelijke toestand. Direkte toegangen om enig zicht te geven op de inhoud van het archief waren niet aanwezig. Het vroegste organisatieschema van het bedrijf dat in het archief werd aangetroffen, dateert uit 1948, en laat een afdeling "Propaganda en Verkoopontwikkeling"zien. Verspreid over delen van het archief werden stukken aangetroffen met het stempel of de aantekening "Propaganda en Archief". Naast een aantal andere taken had deze afdeling de opdracht een archief van concurrerende artikelen bij te houden (35). Gezien de naamsverandering, werd de afdeling blijkbaar te eniger tijd (?) aangewezen als zijnde verantwoordelijk voor het gehele bedrijfsarchief. Daar er geen verklarende stukken zijn gevonden, blijft het gissen naar het hoe en wat van een eventuele archiefordening. Ongetwijfeld zitten er hiaten in het archief. B. & S. was een expansief handelsbedrijf - zoals in paragraaf 1 is geschetst. De nevenvestigingen groeiden mettertijd uit tot zelfstandige eenheden en zullen, evenals de diverse afdelingen, hun eigen archief hebben gevormd, meer dan de sporen die daarvan in het bewaard gebleven archief worden aangetroffen. Een ander voorbeeld zijn de belangrijkste boekhoudkundige stukken die rondom 1950 eindigen, waarschijnlijk als gevolg van de invoering van een nieuwe boekhoudkundige methode. Rekeningschema's voor de boekhouding en jaarstukken lopen wel door tot 1959.

Tijdens de inventarisatie bleek er voor een deel sprake te zijn van een oude ordening, zij het niet de oorspronkelijke oude ordening. Zo er al sprake zal zijn geweest van één oude ordening: duidelijk is, dat het archief meegroeide in de loop der tijd met de diverse administratieve verbeteringen en reorganisaties, om te voldoen aan een betere bedrijfsvoering. Verder is het archief herhaaldelijk onderhevig gweeest aan verhuizingen, als gevolg van bedrijfsbouw, -verbouw en -verplaatsingen. Tevens is aan het archief merkbaar, dat er achteraf herhaaldelijk op ingegrepen is, door documenten te herordenen met het doel een bepaalde kwestie nog eens uit te zoeken of zaken opnieuw te rangschikken. Dit vermoeden bestaat o.a. ten aanzien van de eigendomsbewijzen met bijlagen in de rubrieken 2.212.1 en 2.212.2. Ook zijn pogingen gedaan delen van het archief af te sluiten. De serie jaarmappen in rubriek 1.2 onder inv.nr. 10 en volgende is daar vermoedelijk een duidelijk voorbeeld van. Toen in 1959 B. & S. van eigenaar wisselde, heeft men waarschijnlijk dit moment aangegrepen om delen oud-archief "op te ruimen", door konsequent stukken van uiteenlopende aard chronologisch te sorteren. Binnen deze jaarsgewijze ordening bracht men regelmatig weer een zaaksgewijze ordening aan, wat uiteindelijk in een serie gebundelde documenten opleverde, die nauwelijks nog inzichtelijk was. Een ander voorbeeld zijn de boekhoudkundige registers, die uiteindelijk de meeste samenhang vertoonden; deze werden soms gebundeld verpakt, de rest verspreid door het archief aangetroffen. Bovenstaande voorbeelden gelden voor nagenoeg het gehele archief. De inventarisatie bestond, kortom, voor een groot deel uit het weer bijelkaar sprokkelen van enige samenhang, met name series.

Bij de inventarisatie is gebruik gemaakt van de archiefordening, zoals deze bepleit wordt door A.J.M. den Teuling in zijn artikel: "Het inventariseren van bedrijfsarchieven, in het bijzonder produktiebedrijven"(36). De door hem voorgestelde ordening naar bedrijfsfunkties ("het monistisch model") bleek de meest relevante om het onderhavige archief mee te benaderen. Daarbij is zoveel mogelijk respekt betracht voor de aangetroffen oude ordening. Zo zijn b.v. de al eerder genoemde jaarmappen in de rubriek 1.2 gehandhaafd, zij het dat nu de jaarordening konsequent werd doorgevoerd. Wel zijn daarbij boekhoudkundige stukken en stukken die al in andere geregistreerde series ingevoerd konden worden, gelicht. De konsequentie is dat een onderzoeker zich door deze serie jaarmappen heen zal moeten lezen om een totaalbeeld te krijgen van het archief.

Aan de archiefordening naar bedrijfsfunkties volgens Den Teuling is een "bedrijfsmiddel" toegevoegd, namelijk die van ondernemerscapaciteit. Daarin wordt H.B.N.B. Adam nagevolgd, waar hij in zijn artikel: "Een kader voor de inventarisatie van bedrijfsarchieven", ondernemerscapaciteit een afzonderlijke produktiefaktor noemt (37). Hoewel Den Teuling stelt dat documenten die ontstaan als gevolg van "personeelsgebonden funkties" het beste ondergebracht kunnen worden in het persoonlijk archief van de desbetreffende firmanten, behoren o.i. deze documenten thuis in het bedrijfsarchief zelf. Voor een bedrijf is het van vitaal belang, dat zijn management (in dit geval eigenaren-vennoten) know-how hebben en funktioneren in een maatschappelijk netwerk van verwante bedrijven, ondernemersverbanden en politieke organisaties. Besluitvorming ten aanzien van het eigen bedrijf wordt er door gevoed en gestuurd. Adam is in zijn bovengenoemd artikel niet helemaal duidelijk over de plaatsing van een rubriek "ondernemerscapaciteit": al of niet binnen de rubriek personeelszaken. O.i. staat de funktie van ondernemer los van die van het overige personeel. De desbetreffende rubriek is dan ook voorafgaan aan de rubriek personeel geplaatst.

Het bovenstaande zou een argument kunnen zijn om de stukken betreffende de Grafische Beheerscommissie, district Amsterdam, in onder te brengen in de rubriek ondernemerscapaciteit (rubriek 2.23). Deze beheerscommissie werd in 1945 ingesteld door het Militair Gezag, de commissie voor advies voor Rechtsherstel en Beheer en de grafische bedrijfsorganisaties. Deze commissie was verantwoording schuldig aan het Nederlands Beheersinstituut, dat organisatorisch een onderdeel was van de Raad voor Rechtsherstel, ingesteld na afloop van de tweede wereldoorlog. De Grafische Beheerscommisie beheerde ca. 50 drukkerijen. De toenmalige direkteur-eigenaar van B. & S. was, vanaf de instelling, bestuurslid van deze commissie. Alhoewel onderzoek dit zou moeten uitwijzen, versterkte deze funktie waarschijnlijk de marktpositie van zijn eige bedrijf. toch is besloten de stukken te plaatsen in de afdeling gedeponeerde archieven (rubriek 3.1), daar zij zijn opgemaakt en ontvangen door een zelfstandig opererende commissie, die onder toezicht stond van het Nederlands Beheersinstituut. Omdat het familiearchief van de firmanten nagenoeg verwaarloosbaar is, werd deze afdeling achteraan geplaatst.

Ook zijn de stukken betreffende licenties en octrooien afwijkend van het model-Den Teuling geplaatst in de afdeling bedrijfsvoering en niet in de afdeling bedrijfsmiddelen. In tegenstelling tot produktiebedrijven pur sang, waren licenties en octrooien voor dit handelsbedrijf geen verhandelbare kapitaalgoederen.

Om de inventaris zo inzichtelijk mogelijk te maken voor de gebruikers is er voor gekozen om de stukken betreffende nevenvestigingen (de activa uitgezonderd) en de afdeling export, ongeacht hun aard, te plaatsen in afzonderlijke rubrieken in de hoofdrubriek handel (2.42).

Voor de archiefstukken van de stichting Pensioenfonds B. & S. N.V. geldt dat deze vermengd zijn geraakt met het direktiearchief; de stukken zijn daarom in hun geheel ondergebracht in de rubriek personeel.

De archiefstukken betreffende het verkoopbeleid van vertegenwoordigers en verkoopleiders zijn eveneens vermengd geraakt met het direktiearchief, deze stukken zijn geplaatst in de rubriek handel. In 1948 werd begonnen met de verkoop te decentraliseren naar afdeling. De latere archiefstukken met betrekking tot de exploitatie, omzet en verkoop per afdeling, zijn voor de overzichtelijkheid, geplaatst bij de overige stukken in de rubriek verkoop.

De archiefstukken jonger dan 50 jaar zijn slechts te raadplegen met toestemming van de directie van Blikman & Sartorius B.V. 1) Zie bijlage 1 met familiegegevens

2) Zie rubriek 2.12 inv.nr. 119

3) Zie rubriek 1.2 inv.nr. 10 e.v.

4) Zie rubriek 2.245 inv.nr. 310

5) Zie rubriek 2.241 inv.nr. 274

6) Zie rubriek 1.4 inv.nr. 83. Tevens rubriek 2.413 inv.nr. 533

7) Zie rubriek2.412 inv.nr. 504

8) Zie rubriek 2.212.1 inv.nr. 138

9) Zie rubriek 2.412 inv.nr. 505

10) Zie rubriek 2.242.51 inv.nr. 667

11) Zie rubriek 2.314 inv.nr. 414 en rubriek 2.312.3 inv.nr. 403 en bijlage 3 met namen en adressen

12) Zie rubriek 2.425.6 inv.nr. 738, 741, 751-753

13) Zie rubriek 2.312.3 inv.nr. 401 en 2.423.3 inv.nr. 618

14) Zie rubriek 1.3 inv.nr. 79

15) Zie rubriek 2.412 inv.nr. 518

16) Zie rubriek 2.212.1 inv.nr. 138, 2.212.2 inv.nr. 787 e.v. en bijlage 3 met namen en adressen

17) Zie rubriek 1.4 in.nr. 83

18) Idem

19) Zie rubriek 1.3 inv.nr. 79

20) Zie rubriek 1.1. inv.nr. 1

21) Zie rubriek 2.312.1 inv.nr. 352

22) Zie rubriek 1.4 inv.nr. 83

23) Zie rubriek 2.12 inv.nr. 117

24) Zie rubriek 2.11 inv.nr. 110

25) Zie rubriek 2.311 inv.nr. 331, 1.1 inv.nr. 2

26) Zie rubriek 2.312 inv.nr. 353

27) Zie rubriek 2.212.3 inv.nr. 148

28) Zie rubriek 2.211 inv.nrs. 124-135

29) Zie rubriek 2.12 inv.nr. 116

30) Zie rubriek 2.241 inv.nr. 576

31) Zie rubriek 2.11 inv.nr. 115

32) Zie rubriek 1.2 inv.nrs. 10 e.v. en inv.nr. 576

33) Zie rubriek 1.2. inv.nr. 70

34) Zie de overeenkomst van inbewaringgeving d.d. 23-4-1987 in het AVO-dossier

35) Zie rubriek 2.11 inv.nr. 115

36) Zie Nederlands Archievenblad (NAB) 88 (1984) 12 - 33

37) Zie NAB 76 (1972) 1 - 11

Archiefvormer

Blikman en Sartorius
© Stadsarchief
Disclaimer / Colofon
<