30041: Archief van het Stedelijk Museum

Algemene kenmerken

Toegangsnummer:

30041

Periode:

1895 - 1979

Inleiding

Deze inventaris ontsluit het archief van het Stedelijk Museum dat voor een groot gedeelte gevormd werd door het secretariaat, over de periode 1895 tot en met 1979. Enkele stukken dateren van eerdere data, deze zijn opgenomen om een compleet mogelijk beeld te vormen over het ontstaan van het museum. Verder bevinden zich archiefbescheiden van de in 1949 opgericht gemeentelijke Dienst der Gemeentemusea in dit archief. Deze dienst beheerde, als overkoepelend orgaan, de gemeentelijke musea Stedelijk Museum, Amsterdams Historisch Museum, Museum Willet Holthuysen, Museum Fodor en het Geschiedkundig Medisch Pharmaceutisch Museum.

Er volgt eerst een beknopte geschiedenis van het Stedelijk Museum in de periode van de archief vorming. Hierna volgt een toelichting op het gebruik van de inventaris. Tot slot een lijst van de gebruikte literatuur.

Geschiedenis van het archiefvormend orgaan

- Het gebouw

Het Stedelijk Museum werd financieel mogelijk gemaakt met het legaat van de weduwe Sophia Augusta Lopez Suasso. Hierdoor noemde de Amsterdammers in den beginne het ook wel het Suasso Museum. Zij is sinds 1891 bij het museum betrokken.(1)

Onlosmakelijk verbonden met het ontstaan van het Stedelijk Museum is ook de Vereeniging tot het Vormen van eene openbare verzameling van Hedendaagsche Kunst te Amsterdam (VVHK), “de vereniging met de lange naam’’(2). Deze vereniging was een burger-initiatief, geleid door C.P. van Eeghen. De oprichting van de VVHK was in 1874.

De VVHK had geen gebouw om haar aankopen te tonen. Amsterdam was in 1892 aan de beurt om een Tentoonstelling van Levende Meesters te organiseren, na de steden Rotterdam en ’s-Gravenhage. Vooralsnog moest een houten loods “naast de kermis op de Pijpenmarkt aan de Nieuwzijds Voorburgwal”(3) dienst doen. De roep om een tentoonstellingsgebouw groeide en leidde uiteindelijk tot het gemeentelijk besluit tot het bouwen van het Stedelijk Museum gebouw aan de Paulus Potterstraat. Deze plek werd waarschijnlijk gekozen vanwege de nabijheid van het Rijksmuseum en het Concertgebouw.

Met het legaat van de weduwe Lopez Suasso en financiële steun van de familie Van Eeghen kon in 1891 er ook daadwerkelijk een museum worden gebouwd. Op 14 september 1895 opende het Stedelijk Museum haar deuren aan de Paulus Potterstraat. Het ontwerp was van de architect Weissman.

Naast de tentoonstellingen van de VVHK, moest het gebouw van meet af aan onderdak bieden aan een scala van andere collecties, waaronder de stijlkamers van de Suasso-collectie(4). Hierdoor ontstond bij de oplevering al ruimtegebrek. En de gemeentelijke moderne kunst verzamelingen moesten hier ook nog onderdak krijgen.

- De collectie

Vanaf het ontstaan ontving het museum schenkingen en legaten. In 1909 weigerde de VVHK een schilderij van Jan Toorop, voorstellend een portret van dr. Frederik Muller, aan te kopen. Toorop schonk vervolgens het schilderij aan het Stedelijk Museum. Dit werd het begin van een eigen verzameling moderne kunst(5).

De aankopen werden voor het museum verricht door een gemeentelijke commissie van toezicht. Het museum had geen directeur: de hoogste functionaris in de organisatie noemde men conservator. Dit was Jan Eduard van Someren Brand, schoolvriend van Weissman. Daar het museum voornamelijk bedoeld was als uitstalkast van de aankopen van de VVHK, en de door Amsterdam gekochte kunst, werden de verrichtingen van de twee eerste conservatoren, Van Someren Brand en vanaf 1905 C. Baard, met interesse gevolgd. De constructie, waarbij de leidinggevende van het museum verantwoording had af te leggen aan de Wethouder voor Kunstzaken, en uiteindelijk aan de Gemeenteraad, bleef voortduren.

De gemeente Amsterdam startte in 1910 met het aankopen van beeldende kunst(6). De hierdoor verkregen werken vormden samen met de aankopen van de VVHK en de andere collecties – zoals de Suasso stijlkamers - de attractie van het museum. In 1920 kreeg Baard de functieaanduiding van directeur. Tien jaar eerder kwam hij in contact met verf- en lakfabrikant Pierre Alexandre Regnault. Regnault was kunst gaan verzamelen en leende soms schilderijen uit aan Baard. Met het in bruikleen geven van avant-garde stukken door Picasso, Braque en De Chirico kwam het Stedelijk Museum in de jaren dertig op de kaart te staan. De Regnault-collectie is nog steeds een belangrijke kern van de museumcollectie(7).

Amsterdam ontwikkelde in de jaren twintig een kunstbeleid, gebaseerd op de visie van wethouders Wibaut, Vliegen en Boekman. Vooral de beslissing om werk aan te kopen van levende kunstenaars, in 1923, maakte het verzamelen van actuele beeldende kunst mogelijk.

In 1924 stelde de gemeente Amsterdam voor het eerst een subsidiebedrag ter beschikking voor de aankoop van schilderijen door het Stedelijk Museum. In 1939 moesten de entreegelden het budget voor de aankopen opbrengen(8).

- Directeur David Roëll en tentoonstellingsmaker Willem Sandberg

In 1935 trad David Cornelis Röell aan als directeur. Röell was de eerste museumdirecteur in de moderne zin van het woord(9). Het Stedelijk Museum maakte, sinds zijn aantreden, deel uit van de Dienst der Gemeentemusea. De stijlkamers en de collectie van de familie Lopez Suasso werden in 1963 overgedragen aan het Amsterdams Historisch Museum.(10)

In de jaren twintig vormden de bruiklenen aan het museum van Regnault en Boendermaker nog de nucleus van het getoonde bezit. Ook de grote bruikleen van ir. Vincent Willem van Gogh, van in totaal 157 schilderijen van Vincent van Gogh was van 1930 tot 1973 een enorme publiekstrekker.

Roëll besefte dat een moderne kunst museum ook tentoonstellingen zou moeten kunnen opzetten vanuit eigen ‘bezit’. Na het vertrek van conservator Van Regteren Altena, die gepasseerd was bij de opvolging van Baard, trok Roëll, Willem Sandberg aan als tentoonstellingsmaker. Sandberg was typograaf en grafisch vormgever. Samen met hem ontwikkelde Roëll een museumpresentatie waarin de gemeenteaankopen, de VVHK aankopen en de bruiklenen één geheel vormden.

- Tweede Wereld Oorlog 1940-1945

Roëll en Sandberg beschermden het bezit van het Stedelijk Museum tijdens de Tweede Wereldoorlog(11). De kunstwerken werden eerst bewaard in Lichterschepen en daarna, omdat deze nog gebouwd moesten worden, in kluizen bij Zandvoort en Castricum. Niet alleen het kunstbezit van het Stedelijk werd hier in bewaring genomen, ook kunst van particulieren veelal van Joodse afkomst, werd veilig gesteld.

Beide heren waren actief in het verzet(12). Na de aanslag op het Amsterdamse Bevolkingsregister in 1943 waar Sandberg indirect bij betrokken was dook hij onder(13). Roëll werd gearresteerd door de bezetter en zat een maand vast in het Huis van Bewaring aan de Weteringschans(14).

- Directeur Willem Sandberg en zijn visie voor het Stedelijk

Willem Sandberg werd in september 1945 benoemd tot directeur van het Stedelijk Museum. Tegenover Sandberg stond de wethouder voor kunstzaken van de gemeente Amsterdam, sociaaldemocraat mr. Ab de Roos. Deze verleende telkens toestemming voor de tentoonstellingen die Sandberg wilde organiseren. De Roos was tevens wethouder van Financiën en wist zich in de gemeenteraad verzekerd van een grote socialistische meerderheid. Hij bekleedde hierdoor een machtspositie. De Roos zette de lijn van zijn voorganger Emanuel Boekman voort: beeldende kunst moest voor iedereen toegankelijk zijn. Hiermee zaten zij op één lijn.(15)

Sandberg’s opvattingen over wat beeldende kunst kon zijn, of moest zijn, leest men wellicht het beste af in zijn keuze van de tentoonstellingen die hij aan de Paulus Potterstraat presenteerde(16). Vanaf het moment van zijn aantreden was het gebruikelijk dat er tientallen tentoonstellingen per jaar in het Stedelijk werden gerealiseerd. Hij was de exponent van een “expositiekoorts” die zich na de Tweede Wereldoorlog manifesteerde.(17) Echter, sommige tentoonstellingen vergden weinig werk, omdat ze kleinschalig waren of werden overgenomen van elders.(18)

Onder hem groeide het museum uit tot een volwaardig instituut, met een Bibliotheek, een Prentenkabinet, een Reproductieafdeling, een Museumwinkel, een Aula voor het geven van concerten en een eigen restauratieafdeling(19).

Karel Appel werd uitgenodigd om twee ruimtes van het museum met muurschilderingen op te sieren. In 1953 werd een apart tentoonstellingsgebouw gerealiseerd, de Nieuwe Vleugel, gelegen aan de drukke Van Baerlestraat, waarin onder meer de jaarlijkse tentoonstellingen van de kunstenaarsverenigingen tot hun recht konden komen. Het doorzichtige gebouw toonde beeldende kunst vanaf het trottoir met de bedoeling uit te nodigen tot bezoek.

Het afscheid van Sandberg in 1963 was voor menigeen aanleiding om hem te bedanken voor zijn inspanningen voor Amsterdam en de beeldende kunst. In het archief van het Stedelijk Museum bevindt zich een dossier met gelukstelegrammen, bedankbrieven en ansichtkaarten.

Een groep kunstenaars besloot hem bij zijn afscheid een collectie van hun werk aan te bieden. In het archief wordt dit unieke initiatief Collectie Sandberg(20) genoemd.

- Directeur Edy de Wilde en de verzakelijking van het Stedelijk

Met de komst van Edy de Wilde in 1963 trad onmiskenbaar een verzakelijking op in de dagelijkse gang van zaken. “Het museum kreeg dus een duidelijke structuur, die hiërarchisch bleef, en werd professioneler(21).

Conservator en adjunct-directeur Hans Jaffé kwam in 1936 bij het Stedelijk Museum, als volontair. Aanvankelijk was hij assistent van Van Regteren Altena, later conservator(22).

In 1952 werd hij adjunct-directeur. Zoals Van Regteren Altena was gepasseerd bij de opvolging van Baard, zo werd Jaffé gepasseerd bij de opvolging van Sandberg. Deze had aanvankelijk Pontus Hulten, directeur van het Moderna Museet in Stockholm als opvolger willen hebben. Hulten bedankte voor de eer. De nieuwe directeur van het Stedelijk Museumwerd mr. Edy de Wilde, die op zijn zesentwintigste als directeur van het Eindhovense Van Abbemuseum was benoemd(23).

De Wilde vond een antwoord op het vertrek van 157 schilderijen van Vincent van Gogh in 1973 naar het nieuwe Rijksmuseum Vincent van Gogh(24). De vrees van zijn voorganger bleek ongegrond, dat door dit onvermijdelijke verlies het Stedelijk Museum een stuk minder interessant zou worden voor voornamelijk de buitenlandse toeristen. Hij slaagde erin een presentatie te geven van hedendaagse Amerikaanse kunst, waar men in Amerika zelf jaloers op was, volgens oud conservatrice Rini Dippel(25).

Roëll en Sandberg maakten een begin van de verzameling van 20ste eeuwse kunst. De bijdrage van De Wilde aan de verzameling heeft zich voor het grootste gedeelte beperkt tot de kunst na 1960(26). Zo heeft hij bijvoorbeeld de Popart verzameling verrijkt met een werk van Andy Warhol; Bellevue II met behulp van de Vereniging Rembrandt(27). Daarnaast was de start van de collectie videokunst opmerkelijk. Edy de Wilde nam in 1984 afscheid als directeur van het Stedelijk Museum.

De volgende directoraten en verdere geschiedenis zullen kort worden toegelicht in de inleiding van de inventaris van het archief Stedelijk Museum 1980-2005. Dit archief zal op een later tijdstip worden overgebracht naar het Stadsarchief Amsterdam.

Structuur van het archief

Het archief, behalve het personeelsarchief en de financiële administratie, werd altijd bijgehouden door het Secretariaat. Ten behoeve van de overbrenging van het archief naar het Stadsarchief Amsterdam is er, speciaal voor de bewerking hiervan, een medewerker aangesteld in het museum. Bij de inventarisatie is gekozen om zoveel mogelijk archiefmateriaal bij het Secretariaatsarchief te voegen en langs algemene lijnen te inventariseren. Het is geordend langs de lijnen van het Registratuurplan dat het secretariaat destijds gehanteerd heeft(28). Deze valt uiteen in drie delen respectievelijk: Organisatie, Personeel en Taak. In totaal bevat het archief iets meer dan 107 strekkende meter.

Het loopt van inventarisnummer 1 t/m 6130. De volgende inventarisnummers bestaan om diverse redenen niet meer: 225, 973-974, 979-986, 1409-1412, 1555-1559, 1743-1746, 1767-1768, 1771, 2579, 5860-5919, 5932-5949, 6075-6076 en 6111.

In 2017 is een afgedwaald archiefbescheid toegevoegd aan het archief. Dit betreft een kopieboek met doorslagen van uitgaande brieven betreffende de Stedelijke Tentoonstelling van Kunstwerken van Levende Meesters uit 1912 (inv.nr. 6130). Het archiefbescheid is aan het Stadsarchief geschonken door de dochter van een oud secretariaatsmedewerker van het Stedelijk Museum.

Hieronder wordt uiteengezet wat er per onderdeel in het archief te vinden is.

- Organisatie

Dit onderdeel bevat de schriftelijke neerslag van de dagelijkse gang van zaken binnen het museum. Hier vindt men de algemene correspondentie die op een aantal verschillende wijze is geordend. Het oudste materiaal zijn de Brievenboeken. Dit zijn boekdelen met afgeschreven ingekomen en uitgaande correspondentie van 1895 tot en met 1956. Vervolgens komen de Brieven op nummer, alleen uitgaande stukken, van 1947 tot 1956. Deze beiden zijn niet nader ontsloten. Maar van de Algemene ingekomen en uitgaande stukken, 1931-1979 is er een samenvatting en een classificatie te vinden in de Fichedoorschrijfboeken. Dit zijn drie à vier stuks per jaar, gedupliceerd in een los kaartensysteem dat op onderwerp is geordend(29). Op het fiche vindt men de adressant en de korte inhoud van de brief, de Registratuurcode en het nummer van de brief. In de meeste gevallen is ook het onderwerp waarop de brief is gearchiveerd vermeld. Op dit onderwerp kan men vervolgens het origineel vinden. Het fiche verwijst naar de originele brief. De correspondentie van directeuren en andere stafleden met functies als conservator, restaurator en andere stafleden, hebben een aparte subrubriek.

In der loop der jaren is er veel veranderd binnen de structuur van de afdelingen van het museum. Hoe de afdelingen zijn gevormd en de functies hierbij, wordt het beste weergegeven in de jaarverslagen onder beleidsaangelegenheden.

Een groot onderdeel zijn de Commissies en de Comité’s. Hierin zijn ondergebracht alle commissies, stedelijk, provinciaal en nationaal, die zich bezig hielden met de aankoop van beeldende kunst. Men treft er ook de gremia aan waarin de directeur en medewerkers van het museum zitting hadden. Dit gedeelte van het archief weerspiegelt duidelijk de maatschappelijke positie en werking van het museum. Qua onderwerpen is het ook sterk gerelateerd aan de rubriek Personen, organen en instellingen.

- Personeel

Dit onderdeel van de inventaris geeft de schriftelijke neerslag aangaande het personeel van het museum weer. Het Personeelsarchief evenals het financieel archief was geen onderdeel van het archief zoals gevormd door het secretariaat. Bij de inventarisatie is gekozen om zoveel mogelijk archiefmateriaal bij het Secretariaatsarchief te voegen en langs algemene lijnen te inventariseren. Daarnaast zijn een aantal personeelsdossiers bewaard en apart opgenomen. Dit betreft dossiers van directeuren en medewerkers die een bijzondere bijdrage aan het museum hebben geleverd. Ook de correspondentie van de medezeggenschapscommissie valt onder deze rubriek.

- Taak

Het laatste onderdeel van het archief is de schriftelijke neerslag van de taakvervulling van het museum. Dit gedeelte omvat acquisitie, beheer, informatie en presentatie.

In het onderdeel Inlichtingen treft men de correspondentie aan die ontstaan is op basis van vragen van derden. Dit is geordend op jaar maar een nadere toegang is te vinden in de fichedoorschrijfboeken.

Aankopen, legaten, schenkingen, ruilen en bruiklenen in de collectie geven een nauwkeurig beeld van de groei van de collectie.

De algemene correspondentie over aankopen en aanbiedingen zijn geordend op jaar. Dossiers van aankopen ten bate van de permanente collectie zijn geordend op naam van vervaardiger. Schenkingen en legaten zijn geordend op naam schenker/legaat gever (alfabetisch en op jaar), aangezien het vaker voorkomt dat meerdere werken van verschillende kunstenaars door één bepaalde schenker of legaat gever aan het museum wordt geschonken. Zie inventaris nummers 1741 en 1742 voor de nadere toegang op de legaten en schenkingen.



Bij het woord bruiklenen dient de onderzoeker in de schoenen van het museum te staan. Een bruikleen in wil zeggen dat de collectie van het museum wordt aangevuld met een in bruikleen gegeven kunstwerk. Dit kan kort- of langdurig zijn: een bruikleendossier strekt zich meestal over meerdere jaren uit. Een bruikleen uit wil zeggen dat een kunstwerk het museum verlaat en wordt uitgeleend aan een derde, eveneens kort of langdurig. De dossiers over deze Bruiklenen uit zijn vindbaar op naam van de vervaardiger van het uitgeleende werk en op die van de bruikleennemer. De Tentoonstellingen vormen naast de Aankopen het grootste onderwerp in de Taak van het museum. De dossiers van tentoonstellingen die door het museum zelf werd georganiseerd en gehouden in het museumgebouw zijn gesplitst in 5 periode blokken, nl. 1895-1939, 1940-1949, 1950-1959, 1960-1969,1970-1979 om het wat overzichtelijker maken. De Tentoonstellingsdossiers zijn ongemoeid gelaten om een zo volledig mogelijk beeld van de wording van de tentoonstelling te geven, soms inclusief inspiratiebronnen, persreacties, financiële bescheiden, verzekering- en transportpapieren. Ook de chronologie is intact gelaten: het is niet uitzonderlijk dat een tentoonstelling jaren later nog aanleiding geeft tot correspondentie.

Terwijl uit sommige andere dossiers origineel materiaal overgeheveld is, is dit bij de tentoonstellingsdossiers niet gebeurd. Dit overhevelen heeft vooral plaatsgevonden bij de brieven van beeldend kunstenaars: het originele materiaal met kunstwaarde is ondergebracht in het documentatiemateriaal van de afdeling Documentatie en Onderzoek(30).

Ook zijn er een aantal tentoonstellingen georganiseerd voor andere (gemeente)musea, en is medewerking verleend aan elders gehouden tentoonstellingen. Deze categorieën hebben een eigen subrubriek gekregen. Het betreft overigens geen volledige dossiers. Het kwam ook wel eens voor dat tentoonstellingen in hun geheel werden overgenomen van andere, Nederlandse of buitenlandse musea of aanverwante instellingen. Of dat tentoonstellingen buiten de verantwoording van de directie werden georganiseerd, maar wel gehouden in het museumgebouw. Het beste voorbeeld van die laatste categorie zijn de jaarlijks terugkerende tentoonstellingen van de verschillende kunstenaarsverenigingen in de Nieuwe Vleugel. In deze gevallen is weinig tot geen archiefmateriaal aangetroffen.

De correspondentie over tentoonstellingen die niet zijn doorgegaan is ook opgenomen in het archief.

De Taak van het museum sluit af met het onderwerp Experimenten. Hieronder wordt verstaan elke manifestatie binnen het museum die niet als tentoonstelling kan worden aangemerkt.

Noten

1) Vellekoop, M. Het Stedelijk Museum: oprichting, bouw en opening. Vereniging Vrienden van het Stedelijk Museum, 1995, p. 3 en volgende.

2) Het archief van de VVHK bevindt zich in het Gemeente-archief Amsterdam. In de Bibliotheek van het Stedelijk Museum bevinden zich de Jaarverslagen van de VVHK. Overigens wordt de Vereniging voor de behartiging van de belangen des boekhandels ook aangeduid als de vereniging met de lange naam.

3) Jansen van Galen, J. en Schreurs, H., Het huis van nu, V en K Publishing, Inmerc, 1995, p. 10.

4) Dosi Delfini, L., The furniture collection Stedelijk Museum Amsterdam p.25 e.v.

5) Notitie de Wilde, E. 26 september 1965 (inventaris nummer 2753); voor de gang van zaken rond aankopen zie Roodenburg-Schadd, Expressie en ordening: het verzamelbeleid van Willem Sandberg voor het Stedelijk Museum 1945-1962, Amsterdam, Stedelijk Museum, Rotterdam: Uitgeverij 010, p. 96-97.

6) Interne notitie Stedelijk Museum van Marijke Knies 26 mei 2003.

7) Roodenburg-Schadd, C., Goed modern werk : Regnault in Het Stedelijk. Zwolle, Waanders, 1995.

8) Notitie de Wilde, E. 26 september 1965 (zie inventarisnummer 2753).

9) Röell werd voorgedragen tezamen met dr. J.Q. van Regteren Altena. Op 22 november 1935 werd hij benoemd. Gemeenteblad Amsterdam, 1935, Eerste Afdeling, deel 2, p. 2087 en Tweede Afdeling, deel 2, p. 1800.

10) Dosi Delfini, L., The furniture collection Stedelijk Museum Amsterdam p. 26.

11) Zie rubriek 1.852.13/.07.351.53 Kunstwerken: Bescherming en Beveiliging.

12) Soeting, M. Het Stedelijk Museum in Amsterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog. p.21

13) Zie inventarisnummers 907 en 2684.

14) Op 15 mei 1943 stuurt de administrateur van het Stedelijk Museum een briefje aan het Huis van Bewaring aan de Weteringschans, met het verzoek de daar nog aanwezige kleren van de heer D.C. Roëll aan de brenger van het briefje mee te geven. Roëll is uit het Huis van Bewaring ontslagen op 12 mei 1943 Zie: Soeting, Margreeth. – Het Stedelijk Museum in Amsterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog. In: Jong Holland jrg. 17 (2001), nr. 2, p.11-24. 15) Het huis van nu, p.134-135.

16) Zo presenteert hij in 1950 een tentoonstelling van negentien Haitiaanse schilders, in de Volkskrant aangeduid als “negerschilders” (zie inventarisnummer 3403) en in 1951 een tentoonstelling van kindertekeningen van over de hele wereld (zie inventarisnummer 3388).

17) Roodenburg-Schadd, C. Expressie en ordening: het verzamelbeleid van Willem Sandberg voor het Stedelijk Museum 1945-1962, Amsterdam, Stedelijk Museum, Rotterdam: Uitgeverij 010, p.16.

18) Door deze twee oorzaken is niet van elke tentoonstelling in het archief een dossier te vinden.

19) In catalogus 9 jaar Stedelijk Museum 1945-1954 wordt de groei binnen collectie, personeel en afdelingen duidelijk weergegeven.

20) Zie inventarisnummers 2795-2811.

21) Dippel, R. Stedelijk Museum Personeelsmagazine, 7e jrg, nr. 6/7 december 2005/januari 2006.

22) Het huis van nu, p. 112.

23) Het huis van nu, p.147.

24) Dit was al in 1960 besloten door de toenmalige minister van OK en W, Cals, in samenspraak met ir. Vincent Willem van Gogh.

25) Dippel, R. Stedelijk Museum Personeelsmagazine, 7e jrg, nr. 6/7 december 2005/januari 2006.

26) de Wilde, E. 20 jaar verzamelen; aanwinsten catalogus Stedelijk Museum Amsterdam 1963-1984, 1984, p. 7.

27) Vereniging Rembrandt NFK, jaarverslag 1978, p. 58-60.

28) Dit registratuurplan is gebaseerd op de Basis Archief Code van de Vereniging Nederlandse Gemeente. Zie inventarisnummer 1716.

29) De fiches geordend op jaar zijn opgenomen in dit archief. De kaartenbak van dubbele fiches op onderwerp gesorteerd bevind zich in de bibliotheek van het Stedelijk Museum.

30) Voornamelijk tekeningen van kunstenaars, ansichtkaarten en foto’s met kunstwaarde werden uit de dossiers gelicht en in de museumcollectie opgenomen. Een (kleuren)kopie is ter vervanging in het betreffende dossier geplaatst, zoals afgesproken met het Stadsarchief.

Literatuurlijst

- Dippel, R., in Stedelijk Museum Personeelsmagazine, 7e jrg, nr. 6/7 december 2005/januari 2006.

- Dosi Delfini, L., The furniture collection Stedelijk Museum Amsterdam. Rotterdam, Nai Publishers, Amsterdam: Stedelijk Museum, 2004.

- Gemeenteblad 1935.

- Grevenstein, A. van, e.a., Een interview met E. de Wilde in 20 jaar verzamelen; aanwinsten catalogus Stedelijk Museum1963-1984. Amsterdam; Stedelijk Museum, 1984.

- Jaffé, H.L.C., In Memoriam Dr. D.C. Roëll. Vertaald door W.R. Burke in: Delta; a review of arts life, and thought in the Netherlands.1962, p.18 e.v.

- Jansen van Galen, J. en Scheurs, H., Het huis van nu, waar de toekomst is: een kleine historie van het Stedelijk Museum Amsterdam, 1895 – 1995. Naarden, V en K Publishing, Inmerc, 1995.

- Knies, M., De verzameling van de Vereniging tot het Vormen van eene openbare verzameling van Hedendaagsche Kunst te Amsterdam (de VVHK) in het Stedelijk Museum. Interne notitie Stedelijk Museum Amsterdam, 26 mei 2003.

- Petersen, A., Sandberg vormgever van het Stedelijk., Rotterdam, Uitgeverij 010, 2004.

- Roodenburg-Schadd, C., Expressie en ordening : het verzamelbeleid van Willem Sandberg voor het Stedelijk Museum 1945 – 1962 Stedelijk Museum, NAi Uitgevers Rotterdam, 2004.

- Roodenburg-Schadd, C., Goed modern werk : Regnault in het Stedelijk. Zwolle: Waanders, 1995.

- Soeting, M., Het Stedelijk Museum in Amsterdam tijdens de Tweede Wereldoorlog. In: Jong Holland jrg. 17 (2001), nr. 2, p.11-24.

- Vellekoop, M., Het Stedelijk Museum : oprichting, bouw en opening. Vereniging Vrienden van het Stedelijk Museum, 1995.

- Vereniging Rembrandt Nationaal Fonds Kunstbehoud, jaarverslag 1978, p. 58-60.

Archiefvormer

Stedelijk Museum Amsterdam
© Stadsarchief
Disclaimer / Colofon
<

Gegevens over mogelijk nog levende personen mogen alleen worden gebruikt voor historisch (waaronder genealogisch), wetenschappelijk of statistisch onderzoek.

Door het aanklikken van onderstaande button verklaart u zich te houden aan het Reglement voor raadpleging en gebruik van het Stadsarchief.