1499: Archief van de Van de Poll-Wolters-Quina Stichting

Algemene kenmerken

Toegangsnummer:

1499

Periode:

1935 - 1986

Inleiding

Geschiedenis en organisatie van de stichting

De Van de Poll-Wolters-Quinastichting werd op 7 juni 1935 voor notaris D.E. Huender te Utrecht opgericht door Fredrik van de Poll (1860-1937) en zijn zuster Johanna Margaretha Elisabeth van de Poll (1872-1970) om een bij die akte omschreven verzameling voor de familie te bewaren en van vervreemding te vrijwaren (deze akte bevindt zich overigens niet in het archief) en tevens om het publiek door middel van tentoonstellingen daarvan kennis te doen nemen. Dit alles werd ondernomen op aandrang van Hendrik van de Poll (1866-1947), die vreesde dat de collectie wel eens in vreemde handen zou kunnen geraken.

De middelen der Stichting werden bij de oprichting ingebracht en later door schenkingen en legaten aan de Stichting uitgebreid; deze middelen werden zo goed mogelijk beheerd om de collectie daarvan in stand te houden (materiële verzorging, onderdak, beveiliging, verzekering, uitlening en eigen tentoonstellingen). Al het geld, dat dan nog overbleef, ging naar charitatieve doelen.

De beheerder/bestuurder had in den beginne de volle zeggenschap over het reilen en zeilen van de Stichting en hoefde dus aan niemand verantwoording af te leggen. Toen de statuten in 1957 voor het eerst werden gewijzigd, veranderde dat.

De statuten werden in 1957, 1959 en 1964 gewijzigd en gaven de volgende veranderingen te zien. Bij de eerste wijziging werd de Stichting een stichting met een algemeen charitatief doel en verviel de verplichting voor de beheerder de collectie te zijnen huize te bewaren. Bij de wijziging van 1959 werd mogelijk gemaakt dat de na de oprichting verkregen eigendommen vervreemd mochten worden, mits niet van historisch belang voor de familie. De wijzigingen van 1964 vonden om zuiver belastingtechnische redenen plaats.

Een nieuwe bepaling bij de statutenwijziging van 1957 hield in, dat er een Controlecommissie (ook wel Commissie voor Controle en Advies) van drie leden werd ingesteld, die bij belangrijke zaken zijn fiat diende te geven aan de beheerder/bestuurder. Bij de statutenwijziging van 1964 werd de Controle-commissie afgeschaft en kwam er een Meerhoofdig Bestuur voor in de plaats (minimaal 3, maximaal 7 leden) onder een voorzitter/bestuurslid. Tevens moesten vrouwen en niet-familieleden in het bestuur kunnen worden opgenomen. Degene, die voorzitter/bestuurslid was, was ook degene die het beheer over de bezittingen voerde en werd kortweg 'beheerder' genoemd. Verder is er sinds de statutenwijziging van 1964 nog sprake van een niet in die statuten vermelde Kascommissie. Deze commissie werd door het bestuur uit zijn midden gekozen en bestond uit twee leden. Haar taak was de boeken te controleren, voorafgaande aan de jaarlijkse bestuursvergadering, om ter vergadering met een voorstel tot al of niet goedkeuring van en dechargeverlening voor het gevoerde beleid door de beheerder te komen. In 1971 werd een Financiële Commissie benoemd, bestaande uit twee leden en de beheerder en een Culturele Commissie, bestaande uit twee andere leden en wederom de beheerder. Deze laatste commissie moest de collectie inventariseren.

Geschiedenis van de collectie

ontstaan en beheer

Vermoedelijk werd de collectie eind 18e eeuw gevormd door het echtpaar Jacobus van de Poll (1724-1807) en Cornelia Jacoba Wolters (1726-1795) met de bijeenvoeging van hun beider geërfd en anderszins verworven bezit, dat vervolgens bij de dood der laatstlevende in 1807 aan hun zoon Jan Wolters van de Poll (1750-1826) kwam. Zeker is, dat de collectie al in 1826 bestond. In een verklaring uit 1852 namelijk deelt Harmen Jan van de Poll (1809-1870) mee dat de collectie bestaat, waaruit deze bestaat en onder welke voorwaarden de collectie in zijn bezit is gekomen. Hij vermeldt, dat hij de collectie van zijn vader Harmen van de Poll (1774-1834) bij diens overlijden in 1834 heeft ontvangen onder voorwaarden van niet-vervreemding en doorgifte aan de oudste zoon van de oudste tak.

Ook vermeldt deze Harmen Jan van de Poll (1809) in een brief van 1854 aan zijn tante Clara Catharina Bonn (1788-1866) - alleen in afschrift uit de 20ste eeuw aanwezig; volgens de statuten van 1964 bevond het origineel zich in dat jaar nog in het archief - dat zijn vader Harmen van de Poll (1774) de collectie in bezit had gekregen bij het overlijden (1831) van diens tante Sara Maria Dedel-van de Poll (1748-1831) en dat de laatste de collectie verkregen had van haar broer Jan Wolters van de Poll (1750-1826) bij diens overlijden in 1826.

De tak met als beginpunt het echtpaar Jacobus van de Poll (1724) en Cornelia Jacoba Wolters (1726), de ouders van Jan Wolters van de Poll (1750-1826), stierf met het overlijden van de laatste in mannelijke lijn uit. De voorwaarde van vererving van de collectie door de oudste zoon van de oudste tak is mogelijk door bovenvermeld echtpaar, maar niet door een persoon (personen) uit een generatie ervoor, ingesteld, want Harmen van de Poll (1774-1834), de oudste kleinzoon van zijn vaders jongste broer, was erfgenaam en niet Jan van de Poll (1777-1858), de oudste kleinzoon van zijn vaders oudste broer; tevens zou dan niet goed te verklaren zijn, waarom Sara Maria Dedel-van de Poll (1748-1831) de collectie in haar bezit heeft gehad. Hoogstwaarschijnlijk is de bepaling pas door Harmen van de Poll (1774-1834) in de periode 1831-1834 gemaakt. Mocht de bepaling evenwel toch al sinds bovenvermeld echtpaar hebben bestaan, dan kon de laatste rechtmatige erfgenaam bij uitsterving in directe mannelijke lijn in ieder geval zelf bepalen wat er met de verzameling moest gebeuren. Kennelijk heeft Jan Wolters van de Poll (1750-1826) bij zijn erfstelling voor zijn zus Sara Maria Dedel-van de Poll (1748-1831) gekozen en zij weer voor Harmen van de Poll (1774-1834). Harmen (1774) was de oudste nog levende, mannelijke Van de Poll met als gemeenschappelijke voorvader haar grootvader Harmen Hendrik van de Poll (1697-1772); misschien was dat de reden.

In 1852 draagt Harmen Jan van de Poll (1809-1870) de collectie over aan Frederik van de Poll (1780-1853). Na diens dood in 1853 bleef de collectie vervolgens nog een paar maanden bij diens vrouw Clara Catharina Bonn (1788-1866). In 1854 werd de collectie tijdelijk overgebracht naar Jan Jacobus van de Poll (1784-1863), die in 1855 de helft overdroeg aan Frederik Harman van de Poll (1823-1909) en in 1856 de rest. Bij het overlijden van laatstgenoemde in 1909 ging de collectie naar diens zoon Fredrik van de Poll (1860-1937), die toen uiteindelijk de collectie in 1935 in de Van de Poll-Wolters-Quinastichting onderbracht.

inhoud

De collectie bestond dus waarschijnlijk al eind 18e eeuw, maar gezien het bovenstaande zeker in 1826. Volgens de bovenvermelde verklaring van Harmen Jan van de Poll (1809-1870) van 1852 was de verzameling opgebouwd uit de volgende onderdelen:

  1. portretten van de families Quina, Scott, Wolters, Trip en Van de Poll, waarvan 23 olieverf en één pastel; o.a. van de hand van Ferdinand Bol, Caspar Netscher en Johann Friedrich August Tischbein.
Twee wapenborden en één kwartierstaat op perkament en een rozenhouten met parelmoer ingelegd model van de Heilige Grafkerk met een model van het Heilige Graf; in de 17e eeuw door Carel Quina (geb. te Antwerpen 1586) meegebracht van zijn pelgrimage naar Jeruzalem. Hieruit bestond de collectie ook bij de oprichting van de Stichting in 1935.

Delen van de persoonlijke collectie (in de Tweede Wereldoorlog in bomvrije kelders van Het Centraal Museum Utrecht, Agnietenstraat 1 te Utrecht, opgeslagen) op Beek en Royen van de aldaar woonachtige Jonkvrouwen van de Poll werden door Jkvr. J.M.E. van de Poll (1872-1970) aan diverse instellingen geschonken: bijvoorbeeld in 1947 aan het Amsterdams Historisch Museum een zilveren troffel en een mahoniehouten kist wegens de eerstesteenlegging van het Westerdok in 1832 en in 1951 de collectie Van Speyk aan het Scheepvaartmuseum in Amsterdam, maar ook aan de Van de Poll-Wolters-Quinastichting. In de catalogus van nr. 178 staan deze schenkingen en tevens diverse andere schenkingen aan de Stichting vermeld. De collectie bestond dus uit een formeel vastgelegde kern en een niet-omschreven gedeelte, dat aangroeide of afnam, afhankelijk van de visie en bemoeienissen van de op dat moment functionerende bestuurder/beheerder, controlecommissie of bestuur, en van de toevallige omstandigheden der tijd. In 1959 kreeg de Stichting een zeer grote aanvulling op de collectie als erfgenaam van Jkvr. W.A.G. van de Poll (1901-1958). In 1964 was de collectie aangegroeid tot 304 catalogusnummers. In 1970 werd door de nalatenschap van Jkvr. J.M.E. van de Poll (1872-1970) het bezit van de stichting nog eens sterk vergroot.

plaats van bewaring

Sinds de vorming van de collectie heeft deze zich achtereenvolgens bevonden:

Tot 1807: ten huize van Jacobus van de Poll (1724-1807), bewindvoerder van de Verenigde Oostindische Compagnie, wonende vanaf 1863 aan de Herengracht tussen Huiden- en Wolvenstraat en vanaf 1775 aan de Herengracht bij de Reguliersgracht; of op zijn buiten Beekvliet, onder Velsen;

1807-1826: ten huize van Jan Wolters van de Poll (1750-1826), burgemeester van Amsterdam van 1808-1810, wonende aan de Herengracht 48, later nr. 31 bij het Reguliersplein;

1826-1831: ten huize van Sara Maria Dedel-van de Poll (1748-1831), echtgenote van schout-bij-nacht Salomon Dedel, wonende en overleden in 's Gravenhage;

1831-1834: ten huize van Harmen van de Poll (1774-1834), conciërge, wonende in die periode op de Oudezijds Voorburgwal 29 bij de Prinsenhofsteeg;

1834-1852: ten huize van Harmen Jan van de Poll (1809-1870), assistent-griffier, wonende op de Oudezijds Voorburgwal 29 bij de Prinsenhofsteeg; op 27 april 1852 vertrokken naar de Prinsengracht AA 527;

1852-1853/54: ten huize van Frederik van de Poll (1780-1853), o.a. ex-burgemeester van Amsterdam en gouverneur des konings van Utrecht, wonende aan de Kromme Nieuwegracht te Utrecht;

1854-1855/56: ten huize van Jan Jacobus van de Poll (1784-1863), ontvanger der belastingen, wonende en overleden te Utrecht;

1855/56-1909: ten huize van Frederik Harman van de Poll (1823-1909), inspecteur 1e klas der reg[ering] en dom[einen] en directeur van de levensverzekeringsmaatschappij Kosmos, wonende op Beek en Royen te Zeist;

1909-1935: ten huize van Fredrik van de Poll (1860-1937), directeur der levensverzekeringsmaatschappij Kosmos, wonende op Beek en Royen te Zeist;

Sinds de oprichting van de Stichting heeft de collectie zich achtereenvolgens bevonden:

1935-1939: op Beek en Royen (2de Dorpsstraat 56 te Zeist);

1939-1945: in de bomvrije Kofferkelder van de Nederlandsche Handelmaatschappij (Kneuterdijk 1 in Den Haag);

1945-1949: terug op Beek en Royen;

1949-1958: ten huize van Abraham Nicolaas Jan van de Poll (1894-1977) in Het Beverschaep (Korte Engelenburgerkade 10 (nu 18) te Dordrecht);

1958-1967: in de Wilhelminalaan 65 te Zeist (op zolder);

1967-1980: in de Wilhelminalaan 63 en 65 te Zeist (zolder doorgebroken naar die van buurvrouw Van der Mersch)

1969-1970: op Slot Zeist: bruikleen: zeven schilderijen van de hand van Caspar Netscher en een portret, voorstellende Jan Cock Blomhoff)

Vele mooie plannen, die alle om allerlei redenen mislukten, werden gemaakt om de collectie onder dak te brengen. Onder andere het Museum Van Loon in oprichting (geopend voor publiek in 1973) aan de Keizersgracht 672 in Amsterdam in de periode 1962-1968 en ook het huis aan de Herengracht 476 te Amsterdam, dat door mejuffrouw Mirandolle aan de Vereniging Hendrick de Keyser werd nagelaten, waren op zeker moment een optie. Het Slot Zeist was het langst (vanaf ca.1957) kandidaat voor het onderbrengen van de collectie, doch viel uiteindelijk, behalve voor het zilver en de miniaturen, in 1970 af.

De beheerder/bestuurders, later voorzitter/bestuursleden

De volgende personen hebben de collectie beheerd en de stichting bestuurd:

1935-1937: Frederik van de Poll (1860-1937)

1937-1948: Johanna Margaretha Elisabeth van de Poll (1872-1970)

1948-1977: Abraham Nicolaas Jan van de Poll (1894-1977)

1977-1992: Abraham Nicolaas Jan van de Poll (1928-1992)

1992-heden: Marianne van de Poll - Elion

Geschiedenis van het archief en verantwoording van de inventarisatie

Van 1935 tot 1948 werd de administratie van de Stichting op Beek en Royen te Zeist gevoerd. Vervolgens werd het archief naar Het Beverschaep te Dordrecht overgebracht, het nieuwe onderkomen van de collectie, ten huize van de nieuwe beheerder. In 1958 verhuisde de beheerder en de collectie en ook het archief naar de Wilhelminalaan 65 te Zeist. Vanaf 1971 werd de administratie gevoerd door E.A. van de Poll-Witholt, vrouw van de beheerder. In 1977 overleed beheerder A.N.J. van de Poll (1894-1977) en werd zijn zoon A.N.J. van de Poll jr. (1928-1992) beheerder. De administratie bleef evenwel in handen van E.A. van de Poll-Witholt te Zeist.

In 1958 en 1959 heeft Stichting het overgrote deel van het onder haar berustende archiefgedeelte in bewaring gegeven aan het Gemeentearchief van Amsterdam. In 1972, 1977, 1993 en 2001 volgden nog vier inbewaargevingen van een groot aantal stukken uit vooral de 19e en 20e eeuw.

Het archief van de Van de Poll-Wolters- Quina Stichting werd door één persoon, de beheerder/bestuurder of voorzitter/bestuurslid, gevormd en zo kon het gebeuren, dat dit bestand vermengd raakte met stukken van desbetreffende in een andere hoedanigheid. De archiefvormer maakte vaak geen onderscheid tussen zaken, die hij als bestuurder/beheerder van de Stichting deed en zaken, die hij b.v. privé deed, zaken, die weliswaar met de collectie te maken hadden, maar niet met het bestuur of beheer daarvan; zoals briefwisselingen over de historie van het model van de Heilige Grafkerk. Kunstmatig moest een scheiding worden aangebracht.

Voor de statutenwijziging van 1957 was de beheerder/bestuurder autonoom in zijn beslissingen, derhalve geen verantwoording aan leden, aandeelhouders, commissie of bestuur schuldig. Leden of aandeelhouders heeft een stichting niet, en omdat er ook geen commissie of bestuur was, werden er voor 1957 dientengevolge geen jaarverslagen vervaardigd, noch vergaderingen gehouden en dus geen notulen gemaakt. Pas vanaf 1959 zijn er jaarverslagen en notulen bewaard gebleven.

Veel series zijn zeer onvolledig bewaard gebleven, zoals bv. de jaarverslagen en de notulen van 1959 tot 1980. Ook de financiële administratie vertoont vele hiaten.

In de periode 1971-1980, gedurende de administratie van E.A. Witholt-van de Poll, kreeg het archief enigszins het karakter van een secretariaat. Veel zaken konden door haar niet zelfstandig worden afgehandeld en/of behoefden de handtekening van een bestuurder. Dit werd na het overlijden in 1977 van haar echtgenoot, voorzitter/bestuurder van de Stichting, uiteraard lastig en heeft zeker meegespeeld in de beslissing om de administratie en dus ook de collectie snel te verhuizen.

Het archief is volledig openbaar.

Archiefvormers

    Het nummer achter de archiefvormers verwijzen naar het corresponderende inventarisdeel of het inventarisnummer. Door er op te klikken opent zich de inventaris op dat onderdeel of nummer.
    • Buma, C.W.A. Gelder de Neufville, C.J.J. van (Carolina) : 38 (1947 - 1954)
    • Van de Poll-Wolters-Quina Stichting
© Stadsarchief
Disclaimer / Colofon
<

Gegevens over mogelijk nog levende personen mogen alleen worden gebruikt voor historisch (waaronder genealogisch), wetenschappelijk of statistisch onderzoek.

Door het aanklikken van onderstaande button verklaart u zich te houden aan het Reglement voor raadpleging en gebruik van het Stadsarchief.