Handleiding Boetes trouwen en begraven buiten de stad 1685-1795

Naar welke bronnen verwijst de index?

In de index zijn de volgende inventarisnummers opgenomen uit het archief van de Regenten van het Aalmoezeniersweeshuis: De Aalmoezeniers ontvingen de opbrengst van de Boeten op trouwen en begraven buiten de stad, als financiële bijdrage aan de armenzorg, en hielden dit bij in hun journalen van inkomsten en uitgaven.

Het Aalmoezeniersweeshuis

Het Aalmoezeniersweeshuis werd op 1 januari 1666 in gebruik genomen. De Aalmoezeniers hadden van oudsher een zorgtaak voor de armen binnen de stad, maar vingen vanaf 1685 alleen nog kinderen op. De onfortuinlijke wezen waren niet alleen kinderen die geen ouders meer hadden, maar ook kinderen die tijdelijk opvang nodig hadden omdat hun ouders op zee waren, een straf ondergingen of in het gasthuis lagen. In de praktijk kwamen vooral de allerarmste kinderen zonder (kerkelijk) vangnet en ook veel vondelingen in het weeshuis terecht.

Het weeshuis stond op de Prinsengracht, in een destijds wat groezelige buurt tussen de Leidsegracht en de Leidsestraat. Het bleef bestaan tot 1825 en werd toen verbouwd tot Paleis van Justitie.

Voor de armenzorg, hoe spartaans ook — het merendeel van de kinderen was ondervoed en te klein voor hun leeftijd — was uiteraard geld nodig. Die verkreeg het Aalmoezeniersweeshuis vanuit het stadsbestuur, uit particuliere giften maar ook vanuit bestuurlijke taken en de opbrengsten uit diverse belastingen. Een deel van deze belastinggelden mochten de Aalmoezeniers rechtstreeks innen.

Eén van deze belastingen was de Boete op trouwen en begraven buiten de stad.

Belasting op trouwen en begraven

Al in 1613 ontving het Aalmoezeniershuis inkomsten uit boetes die te maken hadden met begrafenissen; als iemand te laat (na twee uur 's middags) werd begraven kostte dat 25 gulden, dat maar liefst opliep tot 200 gulden na half vier 's middags. Ook als er lantaarns werden gehuurd voor begraven in de avond, of als er begrafenisbriefjes (rouwkaarten) werden gedrukt kregen de Aalmoezeniers hier een percentage van. Vanaf 1702 kwam hier nog een bedrag bij voor het gebruik van koetsen of schuiten voor het vervoer binnen of buiten Amsterdam. Vanaf 1682 noteerden de Aalmoezeniers per jaar de totaalbedragen van de ontvangen boeten op begraven, maar ook van huwelijken die buiten de stad gesloten werden in hun financiële journalen. Vanaf 1685 - mogelijk eerder maar de jaren 1683-1684 zijn niet bewaard gebleven — noteerden ze naast het bedrag ook de persoonsnamen van de huwelijkspartners of overledenen.

Een algemene belasting op het trouwen en begraven (het Middel op trouwen en begraven) werd in 1695 opgelegd door de Staten van Holland en West-Friesland, in de eerste plaats bedoeld als een tijdelijke maatregel om de financiële uitwassen van de Negenjarige Oorlog (1688-1697) met Frankrijk te kunnen dragen; zie ook het Archief van Stadssecretaris betreffende de ontvangst van het middel op trouwen en begraven. Geldend voor heel Holland werden mensen in vier inkomensklassen verdeeld en aan de hand daarvan werd het te betalen bedrag bepaald.

In Amsterdam braken op 31 januari en 1 februari 1696 ernstige rellen uit na het opleggen van deze nieuwe belasting op het begraven, het zogenaamde Aansprekersoproer. Hierbij werden huizen van vooraanstaande Amsterdammers opengebroken en geplunderd. Het stadsbestuur trad hardhandig op en veroordeelde oproerlingen en plunderaars tot de dood of dwangarbeid op de overzeese suikerplantages.

Boete op trouwen en begraven

Het Middel op trouwen en begraven diende betaald te worden in de plaats waar het huwelijk of de begrafenis plaatsvond. Als een Amsterdammer bijvoorbeeld buiten de stad in Sloterdijk werd begraven liep het stadsbestuur het middel op begraven mis, want die kwam dan de schatkist van Sloterdijk ten goede. Om deze inkomstenderving voor de stad tegen te gaan werd een boete ingesteld. Vanaf 1695 werd de Boete op het trouwen en begraven zo in feite een boete op het ontduiken van het Middel op trouwen en begraven in Amsterdam.

Mensen (of hun nabestaanden) moesten voor hun buitensteedse activiteiten dus dubbel betalen: één keer de standaard belasting in de plaats waar zij trouwden of begraven werden, met daarbovenop nog de boete in Amsterdam. Pas als de boete betaald was mocht er getrouwd of begraven worden.

De boete viel over het algemeen lager uit dan het bedrag dat standaard aan belasting betaald moest worden. De overgrote meerderheid betaalde voor het trouwen 3 gulden per huwelijkspartner, dat gelijk was aan het bedrag van het Middel dat voor de laagste belastingklasse geheven werd. Voor extra’s als trouwvervoer per wagen, schuit, sleetje of chaise kon het bedrag echter oplopen tot 25 gulden of zelfs een maximum van 200 gulden voor een groot gevolg met meerdere koetsen. Bij het begraven betaalde men in de meeste gevallen 10 gulden; het maximum bedrag was 155 gulden voor een stijlvolle uitvaart bij avond ‘met statie’.

Trouwen of begraven buiten de stad

Waarom wilde men trouwen of begraven buiten de stad? Hier konden diverse redenen aan ten grondslag liggen:
  • Woonplaats. Als bruid en bruidegom niet allebei uit Amsterdam kwamen moest uiteraard één van beide plaatsen gekozen worden om in te trouwen
  • Herkomst. Binnen de stad waren er natuurlijk veel mensen van elders afkomstig en het kwam voor dat mensen na hun dood begraven wilden worden in hun geboortegrond. Een voorbeeld zijn in Amsterdam overleden schippers die terugvervoerd werden naar de Waddeneilanden.
  • Religie. Joden mochten niet in de stad begraven worden. Portugese joden werden op de joodse begraafplaats in Ouderkerk begraven, maar waren waarschijnlijk vrijgesteld van de boete. Quakers lieten zich begraven op de begraafplaats in Landsmeer. Doopsgezinden konden graven kopen bij de kerk in Sloterdijk.
  • Mode. Vooral voor rijken was het aantrekkelijk om met een huwelijksstoet per boot of koets naar een lokatie buiten de stad te rijden, of om buiten de stad en bij donker, uitgeleid met een fakkelstoet, begraven te worden.
  • Plaats van overlijden. Iemand kon overlijden tijdens een uitstapje buiten de stad en uit praktisch oogpunt daar begraven worden.
De mensen die voorkomen in deze bronnen, en dus trouwden of begraven werden buiten de stad, komen niet voor in de trouw- of begraafregisters van de stad Amsterdam — terwijl men ze daarin wel zou verwachten; ze hebben immers in Amsterdam gewoond! Voor deze personen is het, in het geval digitale indexen ontbreken, vaak de enige manier om een aanwijzing te krijgen voor zowel de plaats als de datum van overlijden of trouwen. Soms komen ze wel in de Ondertrouwregisters voor, maar lang niet altijd met de vermelding van de plaats waar het beoogde huwelijk plaats zou vinden.

Welke gegevens zijn te vinden in de index?

de datum bij de persoonsnaam is de dag waarop de boete werd geregistreerd, en zal meestal niet gelijk zijn aan de trouw- of begraafdatum.

Trouwen:

  • naam bruid
  • naam bruidegom
  • datum van inschrijving in het Aalmoezeniersjournaal
  • plaats van trouwen
Begraven:
  • naam overledene
  • datum van inschrijving in het Aalmoezeniersjournaal
  • plaats van begraven
In de index kan gezocht worden op naam, datum en plaatsnaam.

Welke gegevens zijn te vinden in de bron?

De namen zijn gehaald uit de boekhouding van het Aalmoezeniersweeshuis. Behalve de namen die deze boete betreffen staan er daarom nog veel meer posten op de pagina, zoals bij de inkomsten diverse andere ontvangen belastinggelden en huuropbrengsten, en aan de uitgavenkant bedragen voor personeel, kaarsen, voedsel of kleding.

Naast de gegevens uit de index zijn in de bron te vinden:

  • bedrag van de opgelegde boete
  • eventuele bijzonderheden (niet altijd opgetekend): ‘ met 2 carossen’, ‘met statie’, ‘bij avond’, ‘in stilte’, een heel enkele keer de exacte datum van overlijden

Verder zoeken

Voorafgaand aan het trouwen of begraven moest een betaalbewijs van de boete getoond worden. De feitelijke trouw- of begraafdatum zal daarom meestal één tot enkele dagen later geweest zijn dan de datum uit de index.

De beboete personen werden eerst geregistreerd in de registers van het Middel op het trouwen en het Middel op begraven, omdat ze immers ook deze belasting verschuldigd waren aan het stadsbestuur. Deze registraties bevatten niet veel informatie, maar kunnen in het geval van begraven wel dichter op de overlijdensdatum zitten dan de Aalmoezeniersregisters.

Als men de plaats van trouwen of begraven eenmaal weet uit de index kan eventueel verder worden gezocht in de trouw- en begraafboeken van de betreffende gemeente.

De meeste DTB-registers van de omliggende gemeenten worden bewaard bij het Stadsarchief Amsterdam. De boeken zijn grotendeels gedigitaliseerd en daarnaast in het Informatiecentrum ook op microfiche raadpleegbaar. Ook zijn in het Informatiecentrum de papieren klappers op naam te vinden, maar online zijn ze nog niet doorzoekbaar. Zie voor de inventarissen:

Verder lezen

  • Lees de inleiding op de inventaris van het archief van de Regenten van het Aalmoezeniersweeshuis en taakvoorganger
  • Jan Wagenaar, Beschryving van Amsterdam, deel II; p. 297 e.v.
  • Over het middel op trouwen en begraven: S. Hart, 'Een sociale structuur van de Amsterdamse bevolking in de 18e eeuw', in: Jaarboek Amstelodamum 65 (1973), p. 73-83.

Verantwoording

De namen van de bruidegoms en begravenen waren eerder toegankelijk via kaartsystemen op de studiezaal. Deze zijn ingevoerd in de computer en (grotendeels) gecontroleerd aan de hand van de originele journaals. Dit computerbestand is in 2012 verwerkt tot de huidige via de website raadpleegbare index met een koppeling naar de pagina’s van de gedigitaliseerde registers.
Laatst bijgewerkt op 14 jan 2016
ZoekVoorbeeldHandleiding
© Stadsarchief
Disclaimer / Colofon
<