Handleiding Overledenen Gast-, Pest-, Werk- en Spinhuis 1739-1812

Naar welke bronnen verwijst de index?

In de index zijn de volgende inventarisnummers opgenomen uit het Archief van de Burgerlijke Stand: doop-, trouw- en begraafboeken van Amsterdam (retroacta van de Burgerlijke Stand) Deze registers maken al sinds 1811 deel uit van de DTB maar zijn nooit eerder als index beschikbaar gesteld!

De mensen die vanuit deze instellingen werden begraven zijn over het algemeen niet te vinden in de begraafboeken van de kerken. Alleen als de overledene werd opgehaald door familie, die verder de organisatie en kosten van de begrafenis op zich nam, zijn zij naast in deze index ook te vinden in de reguliere Begraafregisters en in de Index op de begraafregisters voor 1811.

Binnen- en Buitengasthuis

Het Gasthuis bestond naast de algemene armen- en ziekenafdeling uit een afzonderlijk Pesthuis. In 1635, toen het inzicht was doorgedrongen dat het niet erg handig was om de besmettelijke zieken en doden binnen de muren van de stad te houden, werd een nieuw Pesthuis gebouwd buiten de stad.

Het nieuwe Pesthuis werd vanwege de lokatie ook wel Buitengasthuis genoemd en het oude Gasthuis of Sint-Pietersgasthuis (op het huidige Binnengasthuisterrein) werd vanaf die tijd Binnengasthuis.

Het Binnengasthuis stond nog tot ver in de achtiende eeuw bekend onder de oude naam van Sint-Pieters Gasthuis. Het Gasthuis had verschillende afdelingen, waaronder een apart soldatenhuis en verbandhuizen voor mannen en vrouwen. Op het terrein van het Binnengasthuis was daarnaast nog een baaijerd te vinden: dit was een instelling voor tijdelijke opvang waarin men maximaal een aantal nachten per maand mocht blijven. Het Binnengasthuisterrein wordt nu gebruikt door de Universiteit van Amsterdam.

Het Buitengasthuis of Pesthuis lag bij de aanleg nog buiten de stad aan de Overtoomse Vaart. Op de plaats van het oude Pesthuis/Buitengasthuis werd later het Wilhelmina Gasthuis gebouwd, het huidige WG-terrein.

Het Pesthuis was uit voorzorg tegen besmettelijke ziekten buiten de stad gebouwd en dan nog kwam men er niet eenvoudig binnen. Om het Pesthuis te bereiken moest men vanaf de Heilige of Overtoomse weg een houten brug oversteken, een lange laan doorlopen met aan weerszijden bomen, aan het einde daarvan nog eens twee stenen bruggen passeren, een ijzeren hek en vervolgens nog een houten brug. De gebouwen waar de zieken werden verpleegd werden aan alle kanten omringd door water.

Het Spinhuis bestond al sinds 1597 (als onderdeel van het Sint Ursulaklooster) en was van oudsher een strafinstelling voor vrouwen. In 1782 ging het Spinhuis samen met het Rasphuis, waar de mannen zaten, op in een veel groter pand, het ‘Nieuwe Werkhuis’ in de Roeterstraat (nu: het Sarphatihuis).

Bevolking van de instellingen

De Gasthuizen waren officieel armenziekenhuizen en het Werk- en Spinhuis waren meer vergelijkbaar met een tuchthuis. Toch hoefde men niet veroordeeld te zijn om in het Werkhuis te belanden; iemand kon zich ook vrijwillig laten opnemen, tegen kost en inwoning in ruil voor arbeid. Het Werk- of Spinhuis werd bevolkt door armen, plegers van kleinere misdrijven, bedelaars en hoeren. Bij de omwenteling van 1795 konden echter ook regenten (tijdelijk) in het Werkhuis belanden.

De Gasthuizen hadden niet alleen zieken onder hun hoede, maar verzorgden ook algemene opvang van armen en daklozen. De overgrote meerderheid was buiten Amsterdam geboren en had zo geen (familie-)netwerk om op terug te vallen. Ook gewonde militairen konden er terechtkomen. In het Pesthuis waren in de achttiende eeuw waren geen Pestlijders meer te vinden, maar waren het vooral geestelijk en lichamelijk gehandicapten, psychiatrisch zieken, doofstommen en epilepsie-patiënten die hier een bed kregen. Er waren open en gesloten bedsteden waarin vooral de 'kwaadwilligen en raazenden' (Wagenaar) werden opgesloten. Pas later, in de loop van de negentiende eeuw verschoven de taken van de Gasthuizen naar het verzorgen en beter maken van patiënten. Het Pesthuis specialiseerde zich steeds meer in de richting van een psychiatrische instelling.

De Gasthuizen waren berucht vanwege de stank, armzalige huisvesting en slechte verzorging. Over het algemeen waren het dan ook niet de meest gegoede burgers die in deze instellingen terechtkwamen. Onder de Amsterdamse burgers bestond er zelfs zoiets als gasthuisvrees: wat zou er met je lichaam gebeuren als je daar – geen ondenkbaar scenario in verband met de slechte hygiëne en niet opgeleide zaalknechten – kwam te overlijden en de familie het lijkengeld niet voldeed (en zo het lichaam niet mee mocht nemen)? Het was een publiek geheim dat lijken uit het Gasthuis soms werden gebruikt voor anatomische lessen. Wie in het Gasthuis terecht kwam, zo griezelde men, had dus gerede kans om in een knekelput bij het Pesthuis en/of in stukjes te eindigen op de ontleedtafel van een Friese hoogleraar!

Een verschil met het huidige ziekenbezoek is dat familie in de achttiende eeuw het Gast- en Pesthuis alleen tegen betaling mocht betreden. Maar ook buitenstaanders betaalden entree voor een bezoekje om de armen, gekken en zieken te bekijken! Vanaf het begin van de negentiende eeuw kon men in het Binnengasthuis zelfs live operaties bijwonen.

Overlijden in het Gast-, Pest-, Werk- of Spinhuis

In de Gasthuizen bevond zich zo een bont gezelschap van armen, gehandicapten, (terminaal-) zieken, gewonde soldaten en krankzinnigen. Van de zieken, zo blijkt ook uit het Memorieboekje van het Gasthuis, verliet uiteraard lang niet iedereen de instelling levend en wel. Vrouwen en ongeboren kinderen konden sterven in het kraambed. Ook in de naastgelegen ‘baaijert’ (tijdelijke daklozenopvang) stierven er mensen, vaak zonder dat er een naam bekend was. Ook werden de zogenaamde haaldoden, overledenen die vooral in de openbare ruimte werden gevonden, meestal naar het Gasthuis overgebracht voor sectie.

Vanuit het (Binnen-)Gasthuis werden de meeste ongelukkigen begraven op het Sint Anthonieskerkhof (op de plaats van het huidige mr. Visserplein) en vanuit het Pesthuis aan de rand van de stad op de dichtstbijzijnde begraafplaatsen, die toen op het grondgebied lagen van het naburige Nieuwer-Amstel. Vanaf het einde van de achttiende eeuw werden ook de de doden uit het Binnengasthuis naar het Pest- of Buitengasthuis gevoerd om daar te worden begraven. De niet-geidentificeerde doden en op straat gevonden armen werden met de Gasthuiswagen naar het Verbandhuis binnen het Gasthuis gebracht en van daaruit met de schuit naar het kerkhof van het Pesthuis vervoerd. Waarschijnlijk vond de begrafenis zeer snel na het overlijden plaats. De kisten met doden werden op deze begraafplaatsen vijf- of zeven hoog op elkaar gestapeld en meestal na twaalf of vijfentwintig jaar geruimd. (Wagenaar 248).

Overledenen in het Spin- en Werkhuis werden op het kerkhof van die instelling begraven. Uit het Register van overledenen blijkt dat er bij uitzondering op verzoek van familie ook elders of op het Sint Anthonieskerkhof begraven werd.

Welke gegevens zijn te vinden in de index?

  • naam van de overledene
  • geboorteplaats (aleen overledenen Gast- en Pesthuis; niet gestandaardiseerd en niet altijd genoteerd)
  • datum van overlijden
  • indien van toepassing: aantekening 'kind van' of 'kraamkind'
  • leeftijd bij overlijden (alleen overledenen Spin- en Werkhuis)
  • afdeling binnen de instelling, bijvoorbeeld ‘Vrouwenhuis (Gasthuis)’ of ‘Mannen (Pesthuis). Met ‘Gasthuis’ of ‘St. Pietersgasthuis’ wordt het Binnengasthuis bedoeld, ter onderscheiding van het Pesthuis of Buitengasthuis.
Er overleden veel naamloze zuigelingen en ongeboren kinderen in de diverse instellingen. In de index is in dat geval als persoonsnaam de naam van de moeder opgenomen met als annotatie ‘kind van’ of ‘kraamkind van’.

Welke gegevens zijn te vinden in de bron?

  • naam
  • plaats
  • datum van overlijden
  • oorzaak van overlijden (alleen overledenen Spin- en Werkhuis)
  • burgerlijke staat: ‘vrijster’, ‘weduwe’ etc. (alleen overledenen Gast- en Pesthuis; niet altijd vermeld)
  • heel soms: beroep of militaire rang
  • heel soms: extra aantekeningen als 'in huis verdronken', 'criminelen', 'soldaat', 'kraamvrouw', 'innocent' (zwakzinnig), 'onderweg in den schuit overleden', 'door de familie thuisgehaald', 'door de politie gezonden', ‘op de baaijert’ (tijdelijke daklozenopvang bij het gasthuis).
  • heel soms: het kerkhof waar iemand begraven is
  • verwijzingen (alleen Spin- en Werkhuis). Achter de naam van de overledene staat een verwijzing bestaande uit een letter (O, V, A, R) en een folionummer. Deze verwijzen naar diverse inschrijvingsregisters van het Werkhuis die helaas grotendeels verloren zijn gegaan. Per 'soort' tuchteling werden aparte boeken bijgehouden. Er waren gestraften (meestal jonge mensen of publieke vrouwen; plegers van ernstiger delicten werden veroordeeld tot het Rasphuis). Er waren schoutsgasten (opgebrachten/opgepakten), vrijwilligen (een soort van daklozenopvang), tegen alimentatie (‘geldgasten’).

Hoe zoek ik in de index?

In de index kan gezocht worden op:
  • naam
  • datum of periode van overlijden
  • geboorteplaats (via de knop 'locatie'). let op: de spelling uit de bron is overgenomen en zal in de meeste gevallen afwijken van de huidige schrijfwijze.
  • afdeling van de instelling (via de knop 'ander'). Door middel van een wildcard (*) kan bijvoorbeeld geselecteerd worden op overledenen in het Soldatenhuis (Gasthuis) dmv de zoekopdracht Soldatenhuis*, of op overledenen uit het Spin- of Werkhuis door te zoeken op *Werkhuis* of Spin*.

Verder zoeken

Personen die in het Spin- of Werkhuis overleden en via deze index zijn gevonden kunnen mogelijk worden opgespoord in de archieven van de betreffende instelling. Soms is daar meer informatie te vinden als woonadressen, reden van opname, het aantal keren dat iemand werd opgenomen etc.
De meeste bewaarde registers dateren van ná de periode van deze index.

Archief 347: Archief van het Spin- en nieuwe Werkhuis

  • 39-41 Spinhuis: Inschrijfboek van de ingekomen tuchtelingen. 1678-1731 en 1807-1811. Uit de periode 1731-1807 is helaas geen inschrijfboek bewaard gebleven.
  • 116-125 (Nieuwe) Werkhuis: Inschrijving van de tuchtelingen vant werckhuys 1654-1754
    Hierin staan namen, herkomstplaatsen, leeftijden en vaak een korte omschrijving van de reden waarom zij in het werkhuis belandden. Als iemand meerdere keren werd opgepakt werd de nieuwe opname steeds onder de persoonsnaam bijgeschreven.
  • 42-55 Stamboek 1742-1862. De stamboeken bevatten namen, adres of herkomstplaats en data van opname.
  • 131-132 Inschrijving der tuchtelingen in het Werkhuis 1812-1822.
    Hierin zijn te vinden de datum van inschrijving, naam, herkomstplaats, religie, datum van ontslag of overlijden.
Archief 342: Archief van de Gasthuizen
Nadere persoonsgegevens over de bevolking van de gasthuizen zijn helaas nauwelijks te vinden in het archief. Slechts fragmentarisch zijn er stukken overgeleverd als verzoeken om opname of stukken inzake de afwikkeling van erfenissen van personen die in het Gast- of Pesthuis overleden.
  • 1265 Staten van patienten in het Pesthuis 1696-1753. Bevat o.a. losse lijsten van patiënten met namen, datum van opname en beknopte diagnose. De meesten werden pro deo opgenomen of werden door één van de kerkelijke instellingen betaald.
Archief 342: Archief van de Gasthuizen
Zie voor statistische gegevens met betrekking tot zieken en doden in de Gasthuizen:
Archief 5061: Archieven van de Schout en Schepenen
  • 640C-G Schouwregisters 1666-1817 Van lang niet alle overledenen in de Gasthuizen was een naam bekend. Het was de taak van een speciaal aangewezen chirurgijn om autopsie te doen om deze lichamen en op andere personen waarvan de doodsoorzaak niet kon worden vastgesteld. Soms kregen zij doden gebracht door de knecht van het Gasthuis, vaak gingen zij zelf naar het Gasthuis om een ‘onbekend mans- of vrouwspersoon’ te visiteren. In de Schouwregisters zijn deze verklaringen terug te vinden.

Verder lezen

Verantwoording

Deze index is in 2013 gemaakt door vrijwilligers bij het Stadsarchief Amsterdam.
Laatst bijgewerkt op 24 sep 2013
ZoekVoorbeeldHandleiding
© Stadsarchief
Disclaimer / Colofon
<