Welke registers zijn opgenomen in deze index?

Bevolkingsregisters ‘delen 1’ en supplementen uit het archief van het Bevolkingsregister, inventarusnummers 258 t/m 994.

De index bevat van alle afdelingen van alle buurten van ‘delen 1’, dus de bevolkingsregistratie over de jaren 1851-1853 (met uitzondering van één register, buurt F afdeling 1, dat verloren is gegaan).

Daar zijn aan toegevoegd alle supplementregisters. Die supplementregisters kunnen ook gegevens bevatten over de periode 1854-1863.

Korte geschiedenis van het bevolkingsregister

In 1849 werd door de Gemeentewet bepaald dat alle gemeenten in Nederland een bevolkingsboekhouding moesten bijhouden. Bij Koninklijk Besluit van 22 december 1849 werd bepaald dat het bevolkingsregister vanaf 1850 verplicht werd gesteld. De volkstelling van 1849/1850 werd in Amsterdam als beginpunt genomen om een serie registers te kunnen opzetten. In vrijwel elk land werden volkstellingen gehouden, maar dat zijn altijd momentopnamen. Bevolkingsregisters met een doorlopende registratie zijn alleen aangelegd in Nederland, België, Italië en de Scandinavische landen.

Tot 1893 werd in Amsterdam de bevolkingsregistratie gevoerd in vastbladige registers, geordend op adres. Het betreft de volgende series:

Datering Archief Inventarisnummers Vorm Beschrijving Handleiding
1851-1853 5000 258-994 Gebonden register, op adres Delen 1 deze
1854-1863 5000 258-994 Gebonden register, op adres Delen 3 deze
1864-1874  5000 1023-1429 Gebonden register, op adres   Bevolkingsregisters 1864-1874Bevolkingsregisters 1864-1874
1874-1893 5000 1547-2476 Gebonden register, op adres   Bevolkingsregisters 1874-1893Bevolkingsregisters 1874-1893
1893-1920 5416 n.v.t. gebonden register, op achternaam gezinshoofd   Overgenomen DelenOvergenomen Delen
1893-1939  5422 n.v.t. kaartsysteem, op achternaam gezinshoofd   Gezinskaarten
1939-1993  30238 n.v.t. kaartsysteem, op naam kaarthouder   Persoons- en archiefkaarten
1939-1993 30408 n.v.t. kaartsysteem, op naam kaarthouder   Persoons- en archiefkaarten

Hoe werkte de bevolkingsregistratie vanaf 1851?

De bevolkingsregisters van Amsterdam werden vanaf 1851 bijgehouden in registers die werden geordend per buurt. Het doel was inzicht te krijgen te krijgen welke inwoners van Amsterdam op welke adressen woonden.

Het bevolkingsregister was daarom meer een ordening op adres dan op persoon. De registers waren in adresvolgorde opgezet. Als iemand stond ingeschreven op een bepaald adres en ging verhuizen, dan werd de naam doorgehaald in het oude deel en opnieuw ingeschreven in een ander deel (lees: op een ander adres).

Een huisnummer kan meerdere pagina’s beslaan in een register. Een huisnummer dat meerdere pagina’s omvat betekent meestal dat het huis meerdere wooneenheden bevatte. Welke wooneenheid dat binnen die woning was staat slechts zelden vermeld: het kan hier om een verdieping, voor- of achterkamers, een kelder etc. gaan. Soms werd gebruik gemaakt van vervolgbladen omdat de bladzijde vol was.

De mensen die op een bepaalde bladzijde staan hebben dus allen die ene wooneenheid binnen die woning bewoond. Vaak niet helemaal gelijktijdig. Aan de aankomst- en vertrekdata kan men zien wanneer een persoon of gezin weer vertrok naar een ander adres en de nieuwe bewoners hun intrede deden. Familierelaties tussen de diverse bewoners van een bepaalde wooneenheid worden niet gegeven. Toch is het meestal wel duidelijk, omdat ook geboortedata en de huwelijkse staat werden genoteerd. Een man en een vrouw, ongeveer even oud, en een stel jonge kinderen met de achternaam van die man betekent een gezin. Als daar nog een meeverhuizende jonge vrouw met een geheel andere achternaam en het beroep dienstbode bij wordt geregistreerd is dat natuurlijk geen familie, maar behoorde ze als inwonende dienstbode wel tot het huishouden.

Wat was de indeling in buurten in Amsterdam?

Adressen en stadsdelen in het Amsterdam van 1851-1853 zijn niet dezelfde als tegenwoordig. Amsterdam was vóór 1850 onderverdeeld in 60 burgerwijken en 5 buitenwijken. Voor de invoering van het bevolkingsregister werd de stad opnieuw verdeeld in 50 buurten met een letter of dubbele letters. De buurten met de letters J en JJ werd overgeslagen, daarvoor dient I of II te worden gelezen. Een buurt was onderverdeeld in afdelingen. De afdelingen kregen een volgnummer. Kleine buurten bestonden uit twee of drie afdelingen, grotere uit zes of zeven afdelingen. In totaal waren er 263 afdelingen.

Aan het hoofd van een buurt stond een buurtcommissaris. Dit waren betaalde krachten. Aan het hoofd van een afdeling stond een buurtmeester die verantwoordelijk was voor de goede registratie van de inwoners van zijn afdeling binnen de buurt. De buurtmeesters, een onbezoldigde erebaan, waren in de meeste gevallen duidelijk minder onderlegd, wat goed is te merken aan de slordige manier van registratie van de oudste registers. Er waren echter ook heel nauwkeurige buurtmeesters, zoals Jan ter Gouw. Hoofdonderwijzer en geschiedschrijver Ter Gouw was buurtmeester van afdeling 4 van buurt Z. De buurtmeester ging twee maal per jaar bij de verhuisdagen in mei en september langs de huizen om zijn register te actualiseren. De buurtcommissaris nam die gegevens achteraf over van de registratie door de buurtmeesters in een tweede serie registers. De meeste van door de buurtcommissarissen bijgehouden dubbelen zijn vernietigd.

Hoe liep de huisnummering in Amsterdam?

Binnen de buurt werd vanaf 1851 gebruik gemaakt van een straatnaam en een huisnummer, het zogenaamde ‘kleine nummer’. Het ‘kleine nummer’ was ingevoerd in 1796, dus lang voor de invoering van het bevolkingsregister, en deed dienst tot 1853.

In 1853 werd een nieuw systeem ingevoerd. De buurtindeling en de afdelingen bleven ongewijzigd, maar men stapte af van het ‘kleine nummer’. Per buurt werden alle huizen doorgenummerd. Men begon bij een bepaalde hoek in de buurt te tellen en telde door als men de hoek omsloeg. Aan het eind van de ronde van de buurtmeesters waren alle huizen binnen de buurt voorzien van een unieke letter/cijfercombinatie.

Dat alles had wel tot gevolg dat er totaal geen logisch verband meer bestond tussen de straatnamen en de huisnummers. Korte straten met enkele huizen konden huisnummers krijgen als A 281 of QQ 478. Lange straten, zoals de Prinsengracht, werden uitgesmeerd over meer dan tien buurten, zodat Prinsengracht nummer 482 op meerdere plaatsen in de stad lag en de buurtcode (in dit geval Z, BB, CC of KK) goed onthouden moest worden. De bevolking van Amsterdam snapte er niets van en bezoekers van de stad al helemaal niet.

In de bevolkingsregisters werden, indien van toepassing, de oude nummers doorgestreept en het nieuwe nummer werd erachter geschreven. Door de omnummering van 1853 bleken de in 1851 aangelegde registers van de vijftig buurten en de bijbehorende afdelingen niet goed meer te functioneren. Deze eerste serie die loopt tot 1853/1854 kreeg als aanduiding ‘delen 1’. Om genoeg tijd te hebben met het overschrijven van alle relevante gegevens naar een volgende serie registers maakte men een tussenregister voor de tijdelijke administratie, ‘delen 2’. Vanuit deze twee series werd een derde serie opgezet die liep over de periode 1854-1863, “delen 3’. Zowel in ‘delen 1’ als in ‘delen 3’ kwam het regelmatig voor dat bladzijden vol raakten en men moest uitwijken naar bladzijden aan het einde van het register. Daarnaast kwam het voor dat in de registers helemaal geen lege bladzijden meer te vinden waren. Dan ging men verder in een supplementregister.

In 1862 begon men een nieuwe serie bevolkingsregisters aan te leggen. Officieel ging die nieuwe registratie in in 1864. De buurten bleven hetzelfde maar de afdelingen werden afgeschaft. De buurtcommissarissen, die de registers bijhielden, noteerden de doorlopende nummeringen nu in de logisch oplopende volgorde.

010043000002 004

[Beeldbank 010043000002_004]

Om snel het huisnummer op een kaart uit deze periode te lokaliseren kan eerst de letter van de buurt (A-ZZ) opgezocht worden op de bovenstaande overzichtskaart van Amsterdam.
Zoek daarna via de inventaris de kaart van de betreffende buurt op (volg de link naar de beeldbank) om het huisnummer op de kaart te vinden.

Er is een omnummertabel voor de verschillende huisnummers gemaakt door medewerkers van het Stadsarchief Amsterdam, die later gecontroleerd en verbeterd is door HISGIS. Deze omnummertabel kunt u hier downloaden.

Welke gegevens uit deze serie zijn te vinden in de oorspronkelijke registers?

In de bevolkingsregisters (delen 1) werden de volgende gegevens opgenomen:

  • adresgegevens: naam van de straat of gracht met huisnummer(s)
  • achternaam
  • voorna(a)m(en)
  • geboortedatum
  • geboorteplaats
  • huwelijkse staat (O=ongehuwd, H=gehuwd, W=weduwnaar/weduwe, S=gescheiden)
  • religie
  • beroep
  • vestigingsjaar in Amsterdam (alleen in ‘serie 1’ bij de eerste inschrijving in 1851 en als het buiten Amsterdam geborenen betrof)
  • datum vestiging op het woonadres
  • overlijdensdatum (alleen als die persoon overleed tijdens de bewoning van het desbetreffende adres)
  • datum vertrek naar een nieuw adres of andere woonplaats
  • twee kolommen, met ingevuld W (woonplaats) of V (verblijfplaats)
  • vorig adres of vorige woonplaats
  • volgend adres of volgende woonplaats
  • extra aantekeningen (of men in dienst was, tijdelijk afwezig etc.)

Zeker in de registers van ‘serie 1’, die voor deze index zijn gebruikt, moet de gebruiker voorzichtig zijn met de gevonden gegevens. De informatie die in de registers werd opgenomen werd door de ingeschrevene mondeling opgegeven. Soms ontbreekt daarom de exacte geboortedatum, maar staat er alleen het jaar. Ook als de geboortedatum volledig werd opgenomen, blijkt die regelmatig niet exact te kloppen. Hetzelfde gaat op voor de namen. Veel namen, vooral voornamen maar ook achternamen, corresponderen niet met de schrijfwijze zoals die voorkomt in de Burgerlijke Stand.

Welke gegevens zijn te vinden in de index en waar kan men op zoeken?

Zoeken kan in de index op de volgende onderdelen:

  • naam: eventueel in combinatie op achternaam (eventueel met tussenvoegsels) en voorna(a)m(en)
  • datum: geboortedatum. Gezien de vele onzorgvuldigheden bij de registratie door de buurtmeesters is het raadzaam om niet te veel op exacte geboortedatum te zoeken. Beter is om een periode af te baken, bij voorbeeld geboren tussen 1820 en 1830
  • locatie: geboorteplaats
  • adres: straatnaam, buurtcode, buurtnummer, straatnaam in bron. Het verschil tussen straatnaam en straatnaam in bron betreft straatnamen die sinds 1851 veranderd zijn. Een voorbeeld hiervan is de Spuistraat. Vult men Spuistraat in bij straatnaam dan wordt automatisch doorverwezen naar de Nieuwe Zijds Achterburgwal. De naam Spuistraat werd pas gebruikt voor de Nieuwe Zijds Achterburgwal na 1864.
  • beroep: vult men bakker in bij deze zoekoptie dan krijgt men alle in Amsterdam ingeschreven personen die opgaven bakker te zijn. Maar de beroepskeuze in het midden van de 19e eeuw was veel gedifferentieerder dan tegenwoordig. Het gebruik van een wildcard, een * voor en/of achter de zoekoptie **bakker** geeft als opbrengst ook bakkersknechten, maar ook alle roggebroodbakkers, broodbakkers, beschuitbakkers enz.

Het blijft belangrijk om bij alle zoekopties de nodige wild-cards in te bouwen. Op de achternaam ‘Vries’ is de opbrengst 3581 hits. Als de onderzoeker dat beperkt tot alle personen geboren tussen 1800 en 1810 blijven er nog 285 resultaten over. Als men als locatie – geboorteplaats Amsterdam - invoert, blijven er nog 280 over. Als men dan opnieuw via overige als beroep **bakker** invoert blijken er twee in A* geboren bakkers met de achternaam (de) Vries.
Dat blijken de in Amsterdam geboren ongehuwde bakkersknecht Pieter de Vries, geboren in 1803, uit de Lange Leidschedwarsstraat en de in 1802 geboren en in 1851 in de Rozenstraat wonende bakker Dirk de Vries te zijn.