AUP

nr. 010095000002 In de jaren dertig van de twintigste eeuw werd de toekomstige groei van Amsterdam in grote lijnen vastgelegd in het Algemeen Uitbreidingsplan van Cornelis van Eesteren. Van Eesteren presenteerde het plan voor het eerst in 1934. In de jaren daarna volgden enkele aanpassingen. Het was het eerste stedelijke uitbreidingsplan dat zo systematisch en op basis van zo veel onderzoek tot stand kwam.

Wonen, werken en ontspanning

Stedenbouwkundige Cornelis van Eesteren onderscheidde in het Algemeen Uitbreidingsplan vier functies in de stad: wonen, werken en ontspanning, met als bindende factor het verkeer. Hij ontwierp woonwijken in de nabijheid van de plaatsen waar gewerkt werd. Daartussen kwamen ontspanningsgebieden met veel groen.

Licht, lucht en ruimte

Het Algemeen Uitbreidingsplan onderscheidde zich van eerdere plannen doordat ‘licht, lucht en ruimte’ voorop stonden. Er werd gebouwd in ‘stroken’ – flatblokken met lange gaanderijen – voorzien van parken en sportterreinen. Het was voor het eerst dat ruimte voor ontspanning en recreatie zo’n prominente plek kreeg in een stedenbouwkundig ontwerp.

Tuinsteden

Na de Tweede Wereldoorlog breidde Amsterdam verder uit volgens het Algemeen Uitbreidingsplan. Ten westen van het oude stadscentrum werden vijf zogenaamde tuinsteden – buurten te midden van het groen – aangelegd: Slotermeer, Slotervaart, Overtoomse Veld, Geuzenveld en Osdorp. Centraal in de nieuwe wijken kwam een kunstmatig meer, de Sloterplas.

Cornelis van Eesteren

Cornelis van Eesteren (1897-1988) was als stedenbouwkundige verantwoordelijk voor het aanzien van grote delen van Amsterdam. Hij was een aanhanger van het Nieuwe Bouwen, een beweging die vooral de functionaliteit van gebouwen benadrukte en ernaar streefde met moderne technologie bruikbare en gezonde woningen, scholen en werkplaatsen te bouwen.

Algemeen Uitbreidingsplan voor Amsterdam door Cornelis van Eesteren, 1935

© Stadsarchief
Disclaimer / Colofon
<