Vrouwenvleesch

nr. 015009000045 In dit pamflet van 7 april 1908 windt een Amsterdammer zich op over de ‘handel in vrouwenvleesch’. De woede van de pamfletschrijver gaat vooral uit naar een bordeel aan de Oudezijds Achterburgwal bij de Bethaniënstraat, waar meisjes vanachter de vitrages klanten naar binnen lokken. Zo’n klant moet allerlei dure drankjes kopen – de prijs is hoger dan in een eersteklas hotel – terwijl de meisjes vaak koude thee in plaats van cognac drinken. Avond aan avond plukken zij hun klanten helemaal kaal.

Hoerenbaas Kakkie

De exploitant van het bordeel is een jood genaamd Snip, bijgenaamd hoerenbaas ‘Kakkie’. Hij heeft twee kinderen van negen en dertien bij een gebocheld dienstmeisje. Maar hij leeft samen met een katholieke dame van zo’n 120 kilo, die de kinderen als hun moeder beschouwen. De kinderen krijgen jenever te drinken, en een van hen is al eens op schoot bij een van de meisjes gesignaleerd. Genoeg reden om Snip uit de ouderlijke macht te ontzetten: '"Zoo de ouden zongen, zoo piepen de jongen” zegt men wel eens en het gevolg van dergelijke opvoeding zal zijn dat de kinderen eenmaal in dezelfde voetstappen hunner ouders zullen volgen, wanneer hier geen strenge maatregelen genomen worden.’ De schrijver twijfelt er niet aan of de politie zal ingrijpen.

Prostitutie in Amsterdam

In de havenstad Amsterdam bestaat prostitutie al bijna net zo lang als de stad zelf. Halverwege de negentiende eeuw waren prostituees vooral te vinden in de Nes en in het Hol, de benaming voor de steegjes tussen de Nieuwendijk en de Nieuwezijds Voorburgwal. Maar in de loop van de negentiende eeuw werden de Wallen – het noordelijke deel van de Oudezijds Voorburgwal en Achterburgwal – berucht als rosse buurt. Dit 'red light district' is inmiddels over de hele wereld bekend. De raamprostitutie daar trekt daarom niet alleen klanten, maar ook veel toeristen.

Dit pamflet bevindt zich in de collectie klein materiaal onder nummer: 30584/74
Pamflet over prostitutie, 7 april 1908

© Stadsarchief
Disclaimer / Colofon
<