Jan Boomhoff

nr. 005061000026 De negenjarige Jan Boomhoff werd in 1771 opgepakt omdat hij een zakdoek had gestolen. In het archief van de Amsterdamse schout en schepenen is een verslag van het verhoor van de jongen bewaard in een zogeheten confessieboek. Jan probeerde met zijn kruimeldiefstallen het gezinsinkomen aan te vullen.

Neusdoek

Op 8 januari 1771 verhoorden de Amsterdamse hoofdofficier en twee schepenen de negenjarige Jan Boomhoff. Jan was op heterdaad betrapt bij het stelen van een ‘neusdoek’. Een heer getuigde hoe zijn neusdoek op zondag, bij het uitgaan van de Noorderkerk, uit zijn zak was gestolen. Een politieagent verklaarde vervolgens dat hij Jan had opgepakt en naar de gevangenis in het stadhuis had gebracht. Jan Boomhoff gaf daarna de diefstal toe.

Bekentenis

Jan Boomhoff bekende dat hij de zakdoek verkocht had aan een uitdraagster. Hij wist dat die vrouw dat soort dingen kocht. Dat had hij gehoord van een stel jongens die wel vaker neusdoeken stalen: Schele Toon, Bart, Kas, Kleine Arie en de Magere. Jan gaf ook toe dat hij al eerder had gestolen. Bij het uitgaan van de rooms-katholieke kerk De Posthoorn had hij neusdoeken uit de zakken van mensen gerold om ze aan uitdraagsters te verkopen. Dat had hij vier keer gedaan. Hij had er acht stuivers mee verdiend.

Bedelen

Jan Boomhoff woonde op een kamer in de Palmstraat, zo staat in het verhoor te lezen. Hij woonde daar bij zijn moeder en stiefvader, een smidsknecht. Jan had nog een zus en twee kleine broertjes. Het gezin was erg arm. Jans moeder stuurde hem dagelijks de straat op om te bedelen. Kwam hij niet thuis met vier stuivers, dan kreeg hij geen eten – tenzij zijn stiefvader eens een goed woordje voor hem deed. Daarom had hij de zakdoek gestolen.

Verslag van het verhoor van Jan Boomhoff, archief van schout en schepenen, 1771


© Stadsarchief
Disclaimer / Colofon
<