Beleenbriefjes

nr. 000368000002_001a

Stukken stof

Vijf perkamenten beleenbriefjes uit de negentiende eeuw uit het archief van de Stadsbank van Lening. De briefjes werden uitgegeven als bewijsstuk voor stukken stoffen die bij de bank in bewaring waren gegeven in ruil voor contant geld. De stoffen die op het beleenbriefje rechts vermeld staan, zijn niet meer zo bekend. ‘Everlasting’ is een wollen, sterke keperstof. ‘Orleans’ is een geweven stof, bedoeld voor vrouwenkleding, met een kamgaren inslag. Onder het briefje staat een notitie van de politie. Die heeft de stoffen in beslaggenomen: er was kennelijk sprake van een misdrijf. Vermoedelijk zijn de stoffen gestolen en vervolgens beleend.

Zondagse kleding

Kleding en stoffen waren in de negentiende eeuw populaire goederen om te belenen. In de zomer droeg men geen winterjas, dus arme mensen konden die naar het ‘pandjeshuis’ brengen. En zondagse kleding werd doordeweeks beleend. Weeshuizen, gestichten, scholen en andere instellingen lieten op de kleding, die ze uitdeelden, merktekentjes borduren om verpanding tegen te gaan.

Bank van Lening

De Wisselbank, die in 1609 werd opgericht, leende geld aan de overheid en grote ondernemingen. Burgers en handelaars waren afhankelijk van particuliere leenbanken, die woekerrenten berekenden. Om deze praktijken tegen te gaan, richtte het Amsterdamse stadsbestuur in 1614 een Stadsbank van Lening of ‘Lomberd’ op in het voormalige Maria Magdalenaklooster in de Nes. De nieuwe Stadsbank van Lening halveerde de renten op kleine onderpanden van ‘schamele luiden’. Het woord Lomberd (lommerd) komt van Lombardije en verwijst naar de herkomst van de Italiaanse geldschieters, die zich in de vijftiende eeuw in de stad vestigden.

Personeel

Om fraude te voorkomen moest het personeel van de bank, de suppoosten, een borg van maar liefst vierduizend gulden betalen. Een enorm bedrag, zeker in die tijd. De beroemdste suppoost van de Bank van Lening is ongetwijfeld de dichter Joost van den Vondel. Hij kon de borg niet zelf opbrengen, maar zijn vrienden betaalden het geld in 1658 om hem aan de baan te helpen. Zijn leven als suppoost viel de grote dichter zwaar. Na tien lange jaren dienst ging hij met betaald pensioen. De verhoogde stoel, vanwaar hij de pandgoederen in de gaten moest houden, werd in 1867 teruggevonden in de kelders aan de Nes.

Vijf perkamenten beleenbriefjes uit de negentiende eeuw

© Stadsarchief
Disclaimer / Colofon
<