Doden en gewonden

nr. 000343000005 De jongens uit het Aalmoezeniersweeshuis zaten tijdens de dienst van 27 juli 1704 op de jongensgalerij van de Westerkerk, toen het gewelf boven hun hoofd plots instortte. Zes weesjongens overleefden de ramp in de Westerkerk niet, zo is op deze lijst te zien. Het document wordt bewaard in het archief van het Aalmoezeniersweeshuis.

Dood gebleeven

Arent van Mekeren was in de Westerkerk ‘dood gebleeven’ en Evert Evertz was ‘doot thuijs gecoomen’. Een andere jongen was in het ziekenhuis overleden; hij had naast andere verwondingen twee gebroken benen. Christoffel Verpoorte werd pas de volgende dag onder het puin aangetroffen, ook met twee gebroken benen ‘ent lighaam verpletterd’.

Gewond

Bij het instorten van het gewelf boven de jongensgalerij raakten verder 44 weesjongens gewond. De lijst beschrijft veel hoofdletsel, botbreuken en verwondingen aan armen en benen. Jacob Oldenburghs had ‘een groote wonde int voorhooft met 2 wonden int agterhooft, 2 met ontblooting vant been’. Dirk van Claveren leed naast andere verwondingen aan ‘gangrena van de knie tot aan de teenen’. Met enkele weesjongens liep het beter af. Pieter Valk had slechts een kleine wond aan zijn hoofd en was snel weer genezen. Een paar anderen konden de volgende dag alweer aan het werk.

Aalmoezeniersweeshuis

In het Aalmoezeniersweeshuis kwamen de allerarmste kinderen terecht. Het waren vondelingen en wezen die niet in aanmerking kwamen voor het Burgerweeshuis – omdat hun ouders geen poorter waren – of een van de kerkelijke weeshuizen. De kinderen kregen les in het weeshuis. Als ze vijftien waren gingen jongens bij een baas in de leer. Meisjes bleven tot hun achttiende in het weeshuis en maakten er kleding voor de andere kinderen en voor de verkoop. In 1824 werd het Aalmoezeniersweeshuis opgeheven. De wezen moesten toen naar de veenkoloniën in Drenthe om te werken.

Lijst van dode en gewonde weesjongens, archief van het Aalmoezeniersweeshuis, 1704

© Stadsarchief
Disclaimer / Colofon
<