Twee conterfijsels

nr. image In de omvangrijke nalatenschap van Maarten Daey uit 1659 worden 'twee conterfijsels' (portretten) van Maerten Soolmans en Oopjen Coppit genoemd. De twee levensgrote portretten waren in 1634 door Rembrandt van Rijn geschilderd. De schilderijen, die sinds 1877 in bezit van de Franse familie Rothschild waren, zijn in 2015 gekocht door de Nederlandse en Franse staat en zullen beurtelings in het Rijksmuseum en het Louvre tentoongesteld worden.

Dat we nu weten wie er afgebeeld zijn op deze twee kostbare schilderijen is te danken aan het omvangrijke Archief van de Amsterdamse Notarissen en aan de speurzin van juffrouw van Eeghen.

Rembrandt-tentoonstelling 1956

Tijdens de grote Rembrandt-tentoonstelling in 1956 werden er diverse schilderijen getoond uit particulier bezit, waaronder twee levensgrote portretten uit de collectie van de Franse familie Rothschild. Het zou gaan om de portretten van militair Maarten Daey en zijn eerste vrouw Machteld van Doorn. Tijdens deze tentoonstelling verbaasde men zich over de jeugdige, modieus geklede man, die een dertigjarige militair in actieve dienst moest voorstellen. Bovendien was het echtpaar in 1634, het jaar dat het schilderij gemaakt zou zijn, in de Nederlandse kolonie in Brazilië. Reden genoeg voor voormalig adjunct-archivaris Isabella van Eeghen om nader onderzoek te doen.

Oopjen Coppit

In het archief van de Amsterdamse notaris Coornhart vond zij deze boedelinventaris met bijna honderd schilderijen waaronder "een out man van Rembrandt" en meerdere portretten. In het voorhuis waren, aldus de inventaris, naast onder meer "een wapen van Marten Dey" en diverse andere schilderijen "twee conterfijsels Marten Soolemans en Oopie Coppit" aanwezig. In het achterhuis hingen "twe schilderije van Capiteyn Day en sijn eerste vrouw". Oopjen Coppit was de tweede vrouw van Daey en weduwe van Maerten Soolmans.

Coppit en Soolmans trouwden in 1633. De gesjeesde rechtenstudent Soolmans was de zoon van een rijke naar Amsterdam gevluchte suikerfabrikant uit Antwerpen. Oopjen Coppit was een telg uit een oud patriciërsgeslacht . Zij bracht niet minder dan 35.000 gulden in bij het huwelijk. Een rijk echtpaar dat het zich kon veroorloven zich levensgroot door Rembrandt te laten portretteren, concludeerde Van Eeghen.

Misschien, zo speculeerde zij, had Soolmans Rembrandt in zijn Leidse tijd al leren kennen:

Indien dat het geval is, dan zijn de vijf Leidse jaren van Marten Soolmans, die niet door een examen werden besloten, achteraf vruchtbaarder gebleken dan menig met succes bekroonde studie. Want daaraan danken wij twee types, die alleen een meesterschilder ons zo kon weergeven: de aristocratische Amsterdamse patriciërsdochter, trots van houding, en de Antwerpse emigrantenzoon, iets te modieus, goedaardig, maar onbeduidend, kortom een Leidse student van een slag, zoals Rembrandt die uit eigen ervaring meer zal hebben gekend.

Ondertrouw, Maerten Soolmans en Oopjen Coppit, 9 juni 1633.

Na de dood van Oopjen Coppit bleven de twee schilderijen tot 1798 in het bezit van de familie Daey. In de loop van de 18e eeuw moet de kennis over de geportretteerden verloren zijn gegaan.

Archief van de Amsterdamse Notarissen

Bij de verdeling van een erfenis werd door de notaris vaak een boedelinventaris opgemaakt. Daarin staat minutieus omschreven wat er van waarde in het huis aanwezig is. In het archief van de Amsterdamse Notarissen zijn talloze boedelinventarissen bewaard gebleven. Met elkaar geven de boedelinventarissen een beeld van het Amsterdams interieur door de eeuwen heen. En van aardig wat topstukken van de meesters van de Gouden Eeuw weten we wie ze in bezit heeft gehad dankzij dit archief.

Download transcriptie PDF (127,78 Kb)
Deel van de boedelinventaris van Maarten Daey, tweede echtgenoot van Oopjen Coppit, 3 november 1659.

© Stadsarchief
Disclaimer / Colofon
<