939: Archief van de Vereniging voor Openbaar Onderwijs en rechtsvoorganger

Algemene kenmerken

Toegangsnummer:

939

Periode:

1860 - 1991

Inleiding

In de 18e eeuw was de invloed van de kerk op het onderwijs groot. De scheiding van Kerk en Staat, die een gevolg was van de uitroeping van de Bataafse Republiek in 1795, betekende dat het onderwijs aan deze invloed van de kerk werd onttrokken.

Van groot gewicht hierbij was de rol die de in 1784 opgerichte Maatschappij tot Nut van 't Algemeen speelde. Zij bracht aan het einde van de 18de eeuw rapporten uit met aanbevelingen over de noodzakelijke onderwijsvernieuwingen: invoering van klassilkaal onderwijs, geneeskundig toezicht en het overlaten van godsdienstonderwijs aan de kerkgenootschappen.

In 1806 verscheen de eerste wet op het lager onderwijs. De wet was een compromis tussen de patriotten, de oude regenten en de Hervormde Kerk. De lagere scholen werden in twee categorieën verdeeld: openbare en bijzondere. Openbare scholen werden geheel of gedeeltelijk uit openbare middelen gefinancierd. Bijzondere scholen waren scholen, opgezet door kerkelijke of andere instellingen of door particulieren. Bijzondere scholen mochten alleen opgericht worden met toestemming van het gemeentebestuur.

Godsdienstonderwijs was uitsluitend toegestaan buiten de gewone schooluren. Verder bepaalde de wet dat de vakken rekenen, lezen en schrijven onderwezen werden. Van de onderwijzers werd een akte van bekwaanheid verlangd.

Het overlaten van het godsdienstonderwijs aan de kerkgenootschappen betekende een grote breuk met het verleden: sinds de Dordtse Synode van 1618 was het de taak van de onderwijzers geweest, in de woorden van Simon Schama, de leerlingen immuun te maken tegen de bacillen van de heterodoxie.(1) Het lager onderwijs, zoals dat na 1806 gestalte kreeg, was van een voor die tijd hoog niveau. Spil van het nieuwe onderwijsbestel waren de schoolopzieners, die de taak hadden de naleving van de wet op de scholen in het oog te houden.

Twee van hen zouden in 1866 het initiatief nemen voor de oprichting van de vereniging 'Volksonderwijs'.

Oprichting Vereeniging 'Volksonderwijs'

In de eerste helft van de 19e eeuw was van confessionele zijde geen groot verzet te bespeuren tegen het openbare onderwijs. Dit veranderde in de tweede helft van de eeuw. In 1857 was de nieuwe wet op het lager onderwijs van Van der Brugghen tot stand gekomen. Deze wet bevatte onder meer voorschriften betreffende de grootte van de klassen en de salariering van het onderwijzend personeel. Bovendien moest overal 'voldoende' onderwijs gegeven worden; dit was al in de grondwet van 1848 vastgelegd.

Bijzondere scholen ontvingen geen subside van de overheid.

Het aannemen van de wet bracht grote commotie teweeg. De anti-revolutionair Groen van Prinsterer bedankte voor het kamerlidmaatschap; christelijke organisaties werden in het leven geroepen om de oprichting van bijzondere scholen te bevorderen. De eis om de bijzondere scholen te subsidieren werd het strijdmiddel hiervoor.(2)

De confessionelen streden niet alleen voor bijzonder onderwijs, maar ook tegen openbaar onderwijs. Dit laatste nam bedenkelijke vormen aan. Zo reisde ene dominee Ploos van Amstel door het land en preekte in schuren en stallen in de volgende trant: de jeugd wordt op de openbare school opgevoed aan de voeten van den vorst der duisternis, er wordt der jeugd vergift toegediend; de openbare school is eenen sectenschool voor de modernen. De geest en strekking van de leesboekjes in 't algemeen zijn: Wij leven in de wereld om te eten en te drinken, te dansen en te springen. (3)

De rede van de dominee is tyerend voor het niveau waarop de confessionele strijd in die tijd niet zelden gevoerd werd: verdachtmakingen, veroordelingen en kwade trouw waren aan de orde van de dag.

De noodzaak ontstond om een organisatie op te richten, die tegenspel zou bieden aan de confessionele aanvallen en die de belangen van het openbaar onderwijs zou behartigen. Het initiatief hiertoe werd genomen door, zoals gezegd, twee schoolopzieners, jhr. mr. Frederik Hessel van Beijma thoe Kingma en mr. Philippus van Blom, beiden uit Friesland. Op 25 mei1866 kwamen op hun verzoek ongeveer twintig mensen bijeen, die verontrust waren over de strijd van de confessionelen tegen het openbaar onderwijs. Ze namen het besluit om een vereniging op de richten, die 'Volksonderwijs' genoemd zou worden en die tot doel had het openbaar onderwijs tegenover de aanvallen van de christelijk-nationale tegenstanders te verdedigen.(4) De aanwezigen deelden de overtuiging dat het onderwijs een zorg van de overheid behoorde te zijn en ook waren ze overtuigd van de positieve werking van openbaar onderwijs, omdat eigenschappen als verdraagzaamheid en welwillendheid tegenover andersdenkenden vanzelfsprekend aangeleerd zouden worden, door de aanwezigheid van allerlei gezindten bijelkaar. Deze nadruk op zowel de verantwoordelijkheid van de staat als op het belang van het leren van verdraagzaamheid zal een constante en bindende factor blijven gedurende de lange geschiedenis van het bestaan van de vereniging.

De oprichting van de vereniging 'Volksonderwijs' vond dus plaats in een periode, waarin de schoolstrijd met hernieuwde felheid gevoerd werd.(5) Dit bepaalde het karakter van de vereniging. Met recht schreef de secretaris van de afdeling Utrecht, B. Heijmans, in 1916 te gelegenheid van het 50jarig bestaan: De geschiedenis der Vereeniging "Volksonderwijs" is er eene van bijna onafgebroken strijd: niet met vuurwapen en scherp gewette zwaarden, doch met de wapenen van een somwijlen in de hoogste mate gespannen geest (6)

Gedurende haar hele bestaan tot dan toe en ook na 1916 wijdde de vereniging zich aan de bescherming van het openbaar onderwijs tegen wat in de taal van de 19de eeuw genoemd werd: de agitatiekoorts van het kerkvolk.

Nationaal

Aanvankelijk beperkte de vereniging haar activiteiten tot het schrijven van artikelen in de Provinciale Friesche Courant, die daarna als brochure verschenen, met veelzeggende titels als De Macht der Waarheid, Onderwijzers Waakt! en Licht en Schaduw. Tussen 1866 en 1870 werd een groot aantal artikelen geschreven en herdrukt. De vereniging groeide snel: in 1868 hadden zich al meer dan 700 mensen aangesloten. In juni 1870 werd besloten de Friese vereniging om te vormen tot een nationale: de 'Vereeniging tot bevordering van het Volksonderwijs in Nederland'. Op een vergadering in Amsterdam werd Beijma tot voorzitter gekozen; de overige nieuwe bestuurleden waren onder meer A. Moens, J. van Vloten, en E. van Lier. Het doel van de vereniging bleef onveranderd: bescherming en verdediging van de beginselen van de wet op het lager onderwijs; verbetering van het volksonderwijs zelf en van de opleiding en salarissen en onderwijskrachten. Ook ijverde zij voor het invoeren van de leerplicht en voor de bestrijding van het schoolverzuim. De nieuwe vereniging gaf een eigen maandblad uit, de Maandbode der Nederlandsche Vereeniging 'Volksonderwijs'. (7)

Een van de zaken waar de vereniging in haar vroege bestaan mee te maken kreeg was het vraagstuk of middelbare school ook voor meisjes toegankelijk moeten zijn. Aanleiding was de eis van de jonge Aletta Jacobs uit Sappemeer om toegelaten te worden tot de middelbare school. Op de jaarlijkse algemene vargadering in 1871 -waar nog uitsluitend mannen aanwezig waren- werd het vraagstuk besproken. Is de vraag van dit meisje een eenmalig iets en verdient het geen aandacht, of is het een teken dat maatschappelijke veranderingen voor vrouwen op komst zijn? De vergadering meende het laatste, sprak zich positief uit over deze verandering, en besloot zich tot doel te stellen het onderwijs voor meisjes te bevorderen.

Het ledental van de vereniging groeide gestaag, evenals het aantal afdelingen. Langzamerhand nam zij een duidelijke vorm aan: in 1874 werd besloten ook politiek kwesties te bespreken voorzover die het onderwijs aangaan, en invloed uit te oefenen op de verkiezingen voor de Tweede Kamer, de provinciale en gemeentelijke raden.

In januari 1876 gaat het 'Nederlandse Schoolverbond', een vereniging die in 1870 was opgericht ter bestrijding van het schoolverzuim, samen met de vereniging 'Volksonderwijs'. De nieuwe naam van de beide verenigingen wordt 'Vereeniging tot bevordering van het Volksonderwijs en het Schoolbezoek in Nederland'. Na deze fusie telde de vereniging 10.000 leden, verspreid over 26 afdelingen. Voorzitter van de vereniging werd dr. H.J.E. van Leeuwen; Beijma werd ere-lid.

De activiteiten richtten zich in die tijd op de nieuwe onderwijswet in 1878 van de liberale minister Kappeijne van de Coppello. In deze wet werden de voorschriften betreffende o.a. salarissen en schoolgebouwen uitgebreid.

In de wet werd ook de subsidie voor het bijzonder onderwijs afgewezen. dit had het effect dat de strijdbaarheid van de confessionelen enorm toenam. Voor het eerst in de geschiedenis besloten katholieken en anti-revolutionairen zich aaneen te sluiten in hun strijd voor bijzondere scholen.

Dieptepunt

Het ledental van 'Volksonderwijs' daalde nadat de wet aangenomen was, aanzienlijk. Een kleine kern van leden bleef doorgaan met het werk van de vereniging en waakte over de naleving van de wettelijke voorschriften.

In 1888 kwam een colalitiekabinet tot stand, dat in 1889 met de onderwijswet-Mackay kwam: een begin werd gemaakt met de overheidsfinanciering en gelijkstelling van bijzondere met openbare scholen. 'Volksonderwijs' sprak zich niet uit tegen de subsidiering. Ze was van mening dat ze niet tegen de oprichting van bijzondere scholen was, maar voor het openbaar onderwijs.

In 1886 kreeg 'Volksonderwijs' een nieuwe voorzitter: mr. H. Goeman Borgesius. Secretaris werd mr. A. Kerdijk. Samen ondernamen aij talloze propagandatochten door het land om het openbaar onderwijs onder de aandacht te brengen. Ze hielden lezingen over de noodzaak van nieuwe schoolgebouwen en schoolmeubels, verbetering van de onderwijstractementen, betere onderwijsmethoden en het belang van de leerplicht. Ook werd aandacht besteed aan de kwaliiteit van het voorbereidend lager onderwijs, de toen genoemde 'bewaarscholen'. Andere kwesties in deze tijd waren het teken- en gymnastiekonderwijs, het vak- of ambachtonderwijs en de stichting van schoolbibliotheken.

In 1897 trad Goeman Borgesius af vanwege de aanvaarding van een ministerschap. Toen hij als minister in 1901 de Leerplichtwet invoerde, werd dit door velen als sluitstuk beschouwd; ook meende men dat de schoolstrijd ten einde was gekomen. Het was een moeilijke tijd voor de vereniging; het ledental bleef dalen tot een dieptepunt werd bereikt in 1903; ongeveer 2000 leden waren overgebleven. Het orgaan van de vereniging verscheen met grote tussenpozen, en in 1896 werd zelfs geen algemeen vergadering gehouden. Men dacht aan opheffing.

Abraham Kuyper schudde in 1903 de leden van 'Volksonderwijs' echter wakker. de anti-revolutionaire voorman meende dat in het onderwijs de bijzondere scholen regel moesten worden en het openbaar onderwijs uitzondering.

Bloei

In 1903 trad mr. J.A. van Gilse, die Goeman Borgesius opgevolgd was, af als voorzitter en werd opgevolgd door de energieke schoolopziener C.A. Zelvelder. Het Amsterdamse schoolhoofd Klaas de Vries werd secretaris. De komst van deze twee, die vele jaren de leiding zouden hebben van de vereniging, bracht een ommekeer. In 1905 telde de vereniging al meer dan 9000 leden. Van nu af aan, tot aan 1940, zou het ledental blijven stijgen.

In een brief in 1904 aan de Tweede Kamer werd de overtuiging van de vereniging met nieuw elan verwoord:



Waar de kinderen van hetzelfde Volk naarmate van de door hunne ouders omhelsde

kerkelijke leerstellingen worden gescheiden, zal er bekrompen onverdraagzaamheid

worden gekweekt, en zullen daarvan verhoudingen en toestanden het gevolg zijn, die

slechts onheil kunnen stichten en op den duur zelfs ons volksbestaan kunnen bedreigen. (8)

De schoolstrijd werd met nieuwe kracht gevoerd. Kuyper had in 1905 een niet erg ingrijpende verbetering van de subsidiering van het bijzonder onderwijs doorgevoerd. Veel confessionelen waren hier niet tevreden over. Liberale noch confessionele kabinetten konden echter tot een oplossing komen; de strijd verkeerde in een impasse.

De confessionelen gingen in hun strijd voor subsidiering van het openbaar onderwijs niet zelden over tot het uitoefenen van dwang: zo werd bijvoorbeeld de diaconale steun pas verstrekt, wanneer de ouders beloofd hadden dat zij hun kinderen naar een bijzondere school zouden sturen. De vereniging besloot een fonds op te richten, om de ouders, die de dupe waren van deze methode, en die hun kinderen principieel openbaar onderwijs wilden laten volgen, financieel bij te staan: het fonds 'Kerkelijke Schooldwang der Armoede'. Grote verontwaardiging wekte ook de Borromeus-Encycliek in 1910, waarin het openbaar onderwijs het werk van een

'oppermachtige duistere sekte' genoemd werd.

In 1913 trad een liberaal extra-parlementair kabinet aan o.l.v. Cort van der Linden. Deze regering probeerde de impasse in de schoolstrijd te doorbreken. Zij stelde een commissie in, waarin van alle partijen twee vertegenwoordigerss zitting hadden. Centraal stond de kwestie van de wijziging van art. 192 van de grondwet, waarin de gelijkstelling van het bijzonder en openbaar onderwijs was vastgesteld. Na twee en een half jaar kwam de commissie met een ontwerp voor een nieuwe artikel dat werd uitgewerkt tot de wet op het lager onderwijs van 1920. Deze wet regelde onder andere het 7de leerjaar, het vervolgonderwijs, en kleinere klassen. Van groot belang was het streven, dat ouders meer dan voorheen betrokken moesten worden bij het onderwijs. De wet stelde: de oudercommissie bevordert de bloei van de school door bij de ouders belangstelling aan te kweken.

Als gevolg hiervan werden ouderavonden en oudercommissies op veel plaatsen ingesteld. De Nederlandse Ouderraad voor het Openbaar Lager Onderwijs, die in 1923 werd opgericht, coordineerde het algemene beleid. Tussen deze Ouderraad (de 'NOROLO') en 'Volksonderwijs' kwam een nauwe samenwerking.

De wet beloofde veel goeds, maar werd binnen enkele jaren door dezelfde minister, die hem had uitgevaardigd, De Visser (CHU), op essentiele punten teruggedraaid. De vereniging, die aanvankelijk in 1920 dacht te kunnen volstaan met het aantonen en bestrijden van de lacunes en gebreken in de wet, moest alle zeilen bijzetten om zich te verzetten tegen de voorstellen van de regering om op het onderwijs te bezuinigen.

In 1923 leek het even dat een nieuw tijdperk was aangebroken. Een landelijke actie tegen de bezuinigingen in het onderwijs verenigde voor het eerst in de geschiedenis zowel aanhangers van bijzonder als openbaar onderwijs. In het 'Comite van Actie tegen de Verslechtering van het Onderwijs' zaten vertegenwoordigers van liberale, confessionele en socialistische organisaties.

Pacificatie

De verbroedering was van korte duur. Al gauw werden de oude tegenstellingen weer voellbaar. Bezuinigingen werden doorgevoerd:

in 1924 werd het aantal leerlingen per leerkracht verhoogd, en de wettelijke regelingen voor het 7de leerjaar en het vervolgonderwijs afgeschaft. Veronderwaardiging wekte de regeling dat gehuwde onderwijzeressen ontslagen moesten worden. Welk een ongeoorloofd ingrijpen in het partikuliere leven van talloze vrouwen, meende een spreker op de jaarlijkse algemene vergadering van 1925. (9)

Het bijzonder onderwijs groeide sterk na de financiele gelijkstelling, de pacificatie, van 1920. Om toestemming te krijgen voor de oprichting van een bijzondere school werd een bepaald aantal handtekeningen van ouders verlangd. De ouders hoefden niet de zekerheid te geven dat hun kinderen inderdaad die school zouden bezoeken, maar moesten alleen positief staan tegenover een eventuele oprichting. Al snel was een ware handtekeningenzwendel aan de gang. Een enorme versnippering was het gevolg. Het overheidsgeld moest over vele instellingen van onderwijs verdeeld worden: de toestand van het openbaar onderwijs ging snel achteruit. Een radiorede, die secretaris Klaas de Vries over deze wantoestanden wilde uitspreken, werd verboden door de toen bestaande 'radio-controle-commissie'. In de rede maakte De Vries een onthullende becijfering over het verspilde overheidsgeld. Hij rekende voor dat in de periode van 1920 tot 1927 sprake was van een toename van 58.000 leerlingen. Uitgaande van 175 leerlingen per school kon volstaan zijn met 330 nieuwe scholen. Dankzij de pacificatie waren 1289 nieuwe scholen opgericht, waarvan 1183 bijzondere en 106 openbare scholen. Voor de vereninging werd het verbod een groot succes: de brochures met de tekst van de lezing vlogen weg en leverden de kas bijna duizend gulden op.

De radio werd als nieuw propagandamiddel gebruikt; daarna volgde de film. In 1931 werd een filmcommissie ingesteld. Na de oorlogsperiode werden radio en film ook als hulpmiddel in het onderwijs gebruikt, onder leiding van de Stichting Schoolradio en de Stichting Nederlandse Onderwijsfilm.

De situatie was inmiddels ontstaan dat het aantal openbare scholen na 1920 verminderde, dat het aantal leerlingen bij het openbaar onderwijs daalde, maar dat het aantal leden van 'Volksonderwijs' onder de druk der omstandigheden toenam.

De vereniging ontplooide diverse activiteiten. Landdagen werden georganiseerd en het eerste 'Volksonderwijs Schoolreisjes Verblijf'' op Vlieland werd opgericht. Na de oorlog kwamen hier ook vakantiehuizen in Drente (de Kwartjesberg) en in Zeeland bij.

In 1930 werd een nieuw, groot pand betrokken in de Alexander Boersstraat.

Mr. P.J. Oud werd in 1931 voorzitter en verving H. Smeenge, die in 1923 Zelvelder was opgevolgd. In 1933 werd Oud minister van Financien.

Teleurstelling

In het begin van de jaren dertig overheerste in de vereniging een gevoel van teleurstelling over de gang van zaken rond het openbaar onderwijs. In de eerste plaats was er teleurstelling over de 'pacificatie'. Deze had geen einde van de schoolstrijd gebracht: de strijd had zich verplaatst van Den Haag naar de gemeenteraden. Er was teleurstelling over de methoden, die de confessionelen gebruikten om hun scholen op te richten: de handtekeningenzwendel. Er waren geen verbetering en uitbreiding van het onderwijs gekomen, maar een versnippering en daardoor een verslechtering van de omstandigheden van het openbare onderwijs.

Er was teleurstelling over oud-voorzitter Oud en het lid Marchant, die als ministers van Financien respectievelijk Onderwijs onsympathieke maatregelen namen betreffende het openbaar onderwijs. In 1933 werd door enkele afdelingen zelf voorgesteld om de twee als lid van de vereniging publiekelijk te royeren. Het voorstel werd afgewezen, maar het voorstel is typerend voor de algehele ontstemming over het overheidsbeleid in deze jaren.

Een groot aantal openbare scholen werd opgeheven; de rubriek in het orgaan van de vereniging 'Uit de oorden der benauwenis' werd speciaal in het leven geroepen om verslag te doen van sluitingen en opheffingen van openbare scholen. In 1936 is voor de vereniging de maat vol. Zij droeg voortaan het standpunt uit dat de wettelijke voorwaarden voor de toestemming voor de stichting van bijzondere scholen verzwaard moeten worden. Met nadruk werd gesteld dat de vereniging geen voorstandster van staatsscholen was -de praktijk hiervan in het Duitsland van Hilter was weinig voorbeeldig- maar zij keerde zich fel tegen de versnippering en benadeling van het openbaar onderwijs.

Oorlogstijd

De vereniging telde in 1940 60.000 leden, verspreid over 600 afdelingen. Na het uitbreken van de oorlog werden nog maar enkele vergaderingen gehouden.

Op 24 en 25 1941 mei vieerde men het 75-jarig bestaan in 'Hotel Spoorzicht' te Leeuwarden, op de plaats waar in 1866 in de herberg van Pieter Jan de Boer de vereniging was opgericht. Toen tijdens de vergadering de maatregelen van de regering om Joodse leerkrachten en leerlingen te verwijderen van de openbare scholen ter sprake kwamen, was de houding van de vereniging die van de doorsnee organisatie tijdens de bezetting: de voorzitter, mr. W.C. Wendelaar, zei dat volstaan kan worden met een welsprekend stilzijgen. Omdat het zingen van het 'Wilhelmus' verboden was, werd tot besluit van de vergadering staande het Friese volkslied gezongen. In 1943 gaf het hoofdbestuur opdracht aan de afdelingen om het werk te staken. Zoals bij zoveel organisatie in de oorlogstijd werd de vrijkomende tijd gebruikt om plannen te maken voor gewenste veranderingen in bestuurstructuren, wanneer de oorlog afgelopen zou zijn.

De latere voorzitter, Mr. A. de Roos schreef het rapport: Bevrediging door nieuwe organen in het onderwijsbeheer. In het rapport beval hij de oprichting van adviesorganen aan; in deze organen, op plaatselijk, provinciaal en landelijk niveau, zouden vertegenwoordigders moeten zitten van de overheid, van onderwijsorganisaties en van oudercommissies. Een toporgaan zou het ministerie moeten adviseren bij wetsontwerpen en andere kwesties betreffende het onderwijs.

De aanbevelingen betreffende nieuwe beheersvormen werden later uitgangspunt van een staatscommissie onder voorzitterschap van De Roos en bij de uitvoering van de Mammoetswet in grote lijnen uitgevoerd.

Wederopbouw

De tijd na de oorlog liet een tekort zien: aan leerkrachten en aan scholen. De vereniging, onder aanvoering van de in 1948 gekozen voorzitter De Roos, zette zich aan de werderopbouw, samen met bevriende organistaties: de Nederlandse Onderwijzers Vereniging, het NOROLO, en het 'Nut'.

Opvallend is dat de aloude tegenstelling kerkelijken en niet-kerkelijken aan het verdwijnen was. 'Volksonderwijs' conformeerde zich aan de christelijke 'overkant'. Polemische taal werd in deze tijd van herstel niet geuit en de jaarlijkse algemene vergaderingen, die traditiegetrouw op zaterdag en zondag plaatsvonden, werden nu op zaterdag gehouden.

De situatie van na de 'pacificatie': een dalend aantal leerlingen en scholen voor het openbaar onderwijs, maar een bloeiende vereniging, zette zich voort. Het ledental dat in 1950 tot 125.000 gestegen was, noodzaakte een ruimere behuizing. Men betrok een nieuw pand in de Jan Luykenstraat.

In 1958 brak het hoofdbestuur met de traditie om zich niet uit te spreken over buitenlandse politieke kwesties. De inval in Hongarije door het leger van de Sovjet-Unie werd streng veroordeeld. Bovendien verbond het bestuur consequenties aan haar standpunt: mensen die de inval goedkeurden, hoorden niet thuis in de Vereniging. De uitspraken van het bestuur brachten de gemoederen danig in beweging. In 1958 daalde het ledental voor het eerst sinds 1904. Als oorzaak werd genoemd de verhoging van de contributie, die in deze jaren van bestedingsbeperking niet door alle leden betaald kon worden.

De bemoeiïngen richtten zich in deze periode vooral op het voortgezet onderwijs, Voor de meeste kinderen was het lager onderwijs niet langer eindonderwijs.

De vereniging kreeg vooral te maken met het wetsontwerp voor de Mammoetwet. In 1954 was een staatscommissie ingesteld onder voorzitterschap van De Roos. Leden van de commissie waren Tilanus, Gielen, Roosjen en Van Sleen. De commissie moest tot overeenstemming komen over nieuwe beheersvormen bij het openbaar onderwijs. Het rapport, dat De Roos tijdens de oorlog had geschreven, vormde zoals gezegd de basis voor de besprekingen. De bevindingen van de commissie vormden de uitgangspunten van het wetsontwerp, dat in 1963 tot stand kwam.

Nieuwe tijden

Nieuwe, moderne tijden braken aan in de Vereniging. Voorzitter De Roos nam in 1962 afscheid van de vereniging. 'Wij, van de jongere generatie, deze andere generatie, wil het anders doen, kort en zakelijk, maar met niet minder toewijding en met niet minder enthousiasme', sprak zijn opvolger, de Utrechtse rector dr. G. Stellinga tot de leden in de jaarlijkse vergadering.

Nieuw was ook een internationale samenwerking: de oprichting van 'Le Ligue Internationale de I'Enseignement, de I'Education et de la Culture Populaire'.

De vereniging sloeg een nieuwe richting in, toen in 1964 de instelling van ouderraden, oudercommissies en schoolraden bij de wet verplicht werd gesteld. De vereniging was van groot belang voor deze nieuwe adviesorganen omdat zij landelijk werkte en meer continuïteit had dan de raden en commissies. Haar nieuwe taak werd de begeleiding van de adviesorganen, de voorlichtig aan ouders en onderwijsgevenden, en het onderhouden van de contacten met de schoolbesturen. Daarnaast verstrekte ze juridische bijstand aan leden van de commissies en raden. Een vanzelfsprekende stap in deze ontwikkeling was vervolgens de fusie met de 'NOROLO'.

Op de ochtend van 14 december 1968 was de laatste algemene vergadering van de vereniging 'Volksonderwijs'.

Samen met de 'NOROLO' vormde zij vervolgens de 'Vereniging voor Volksonderwijs'. De nieuwe vereniging gaf een blad voor ouders en leerlingen uit met de naam 'Inzicht', en een apart blad voor kaderleden, 'Uitzicht'.

In 1971 werd Stellinga, die de drijvende kracht achter de fusie was geweest, opgevolgd door C.J. de Ronde. In het algemeen was de visie van de vereniging op haar taak in deze tijd dat zij een 'service-instituut' diende te zijn. Zij verstrekte informatie- en propagandamateriaal over onder meer wetgeving, raden, ouderparticipatie en medezeggenschap.

Daling aantal leden

De hoeveelheid nieuwe nota's, procedures, plannen, planprocedures, adviescommissies etc, die in de zeventiger en tachtiger jaren op onderwijsgebied ontwikkeld werden, is adembenemend. Tal van nieuwe verschijnselen zagen het licht zoals emancipatie, dagonderwijs voor volwassen, de toestroom van leerlingen, in 1979 nog 'buitenlandse kinderen' genoemd en de invoering van de basisschool.

Het ledental van de vereniging daalde deze decennia echter dramatisch. Veel tijd werd besteed aan bezinning en plaatsbepaling, maar zonder resultaat. Vanwege de financiele situatie kon het personeel haar werk niet meer naar behoren doen.

Het personeel was verontrust over het dalende ledental, dat gezien werd als een gevolg van de ontzuiling en van de vergrijzing van het ledenbestand (de helft van de leden was 50+).

Aanvulling op het archief

In 2009 werd een aanvulling op dit archief overgebracht. Dat archiefmateriaal is beschreven onder toegangsnummer 30082.

Noten

1. Simon Schama, Patrriotten en bevrijders. Revolutie in de Noordelijke Nederlanden 1780-1813, (Amsterdam 1989) 624.

2. H.Q. Roling, 'Onderwijs in Nederland', in: Geschiedenis van opvoeding en onderwijs. Inleiding Bronnen Onderzoek, B. Kruithof,

J. Noordman en P. de Rooy (red.) (Nijmegen 1982).

3. Stadsarchief Amsterdam (SAA), Archief van de 'Vereniging voor Openbaar Onderwijs' voor 1969 Vereniging 'Volksonderwijs'

(1860) 1866-1991, (arch.nr. 939), 'Volksonderwijs', brochure, 1866

4. SAA, (939), 'Volksonderwijs. Ons doel en hoe we dat doel wenschen te bereiken', brochure, 1866

5. Hans Wansink, Een school om te kiezen. Naar een actuele onderwijspolitiek (Amsterdam 1992) 39-62.

6. SAA (939), Gedenkboek 50 jaar Volksonderwijs 1866-1916

7. Vanaf 1891 is de naam van het blad 'Volksblad', later 'Volksonderwijs. Orgaan van Volksonderwijs'. Vanaf 1991 verschijnt

'Volksonderwijs' maandelijks.

8. SAA (939), brief aan de Tweede Kamer, 1904. 0vergenomen in 1905 in het februarinummer van 'Volksonderwijs'.

9. SAA (939), verslag algemene vergadering 1925

10. SAA (939), verslag algemene vergadering 1941

11. SAA (939), verslag algemene vergadering 1964

Archiefvormer

Vereniging Volksonderwijs
© Stadsarchief
Disclaimer / Colofon
<

Gegevens over mogelijk nog levende personen mogen alleen worden gebruikt voor historisch (waaronder genealogisch), wetenschappelijk of statistisch onderzoek.

Door het aanklikken van onderstaande button verklaart u zich te houden aan het Reglement voor raadpleging en gebruik van het Stadsarchief.