92: Archief van de Stads- en Godshuispolder

Algemene kenmerken

Toegangsnummer:

92

Periode:

1628 - 1955

Inleiding

De Stads- en Godshuispolder is gelegen tussen de Kostverlorenvaart, de Overtoom, de Nassaukade en de De Clercqstraat.

Op de vijfde december 1636 kwamen de afgevaardigen van de thesaurieren der stad Amsterdam, van de regenten van het weeshuis, van het gasthuis, van de huisarmen aan de Nieuwe Zijde, van de leprozen en de ingelanden Jan Heijmerich, dr. Trojanus de Magistris en Griete Benninck bijeen. Zij besloten een organisatie in het leven te roepen, die de waterschapsbelangen zou behartigen van het land gelegen tussen de Heiligeweg en de Blekerssloot en van de stadsgracht tot aan de Kostverlorenwetering. Hierbij was niet inbegrepen het land dat tussen de Heiligeweg en de stadsgracht lag en dat door de uitbreiding van 1660 binnen de stad is komen liggen.

Die organisatie zou bestaan uit vier polder- of molenmeesters die samen het polderbestuur zouden vormen. Om de twee jaar zouden twee poldermeesters aftreden en twee nieuwe in hun plaats worden benoemd. Voor de eerste twee jaar werden gekozen: één der thesaurieren der stad Amsterdam of haar landmeter, één der regenten van het weeshuis, één der regenten van het gasthuis, één der ingelanden. Er waren zeven personen die voor poldermeesters in aanmerking kwamen nl. één van de thesaurieren der stad, vier regenten van de vier instellingen en de twee ingelanden Jan Heijmerich en dr. Trojanus de Magistris. Na iedere twee jaar traden de twee poldermeesters die reeds vier jaar zitting hadden gehad af en werden er twee van de drie overige gegadigden poldermeester. De bovengenoemde instellingen en de stad hadden vele landerijen die in de polder gelegen waren, en de bovengenoemde ingelanden waren de grootste grondbezitters van de overige ingelanden.

Er werd besloten de voorgenoemde landen te bekaden, een wetering te graven en met een watermolentje dat aan de Kostverlorenvaart stond de polder te bemalen. Dit watermolentje is in 1654 buiten werking gesteld en een nieuwe grote scheprad-watermolen werd er voor in de plaats gezet. Er zou tweemaal per jaar een schouw worden gedreven over alle sloten, kaden en waterkeringen. In 1653 werd de schout van Amstelveen door de stad gemachtigd om de poldermeesters te assisteren met het drijven der schouw en de boeten die hem zullen worden toegewezen te ontvangen. Er zou eenmaal per jaar rekening worden gehouden ten overstaan van alle ingelanden, op dezelfde dag zouden dan om de twee jaar ook verkiezingen gehouden worden tot het benoemen van twee nieuwe poldermeesters. Maar er bleef één bezwaar, dat door het polderbestuur in de loop der tijden duidelijk werd gevoeld: men had geen octrooi van de Staten van Holland. Zodoende had het eigenlijk geen macht om onwilligen te beboeten of te dwingen het nalatige in orde te brengen. Er werd dan ook octrooi aangevraagd, dat op 27 mei 1752 door de Staten van Holland werd verleend, maar krachtens dit octrooi werd de administratie enigzins gewijzigd. Men kreeg niet meer vier maar zes poldermeesters. Zij werden de eerste maal gekozen uit en door de navolgende colleges:

- één door de burgemeester en wethouders van Amsterdam

- één door de regenten van het Burgerweeshuis

- één door de regenten van het gasthuis

- één door de regenten van het leprozenhuis

- twee door de ingelanden.

De benoeming van nieuwe poldermeesters had bij gelegenheid ener vacature als volgt plaats: bij overlijden of bedanking van de vertegenwoordiger der bovengemelde gestichten in de stad, door het college waartoe zodanige overledene of bedankt hebbende behoorde. De benoeming in een vacature der overige twee leden geschiedde door het gezamenlijke college van poldermeesters met medewerking van de ingelanden die bij het doen der rekening aanwezig waren. De poldermeester die voor het Leprozenhuis zitting had is later ontslagen daar het Leprozenhuis geen land meer in de polder had liggen. Men hield toen nog vijf poldermeesters over. In 1795 veranderde het systeem van verkiezen en had nu plaats volgens het decreet van de provisionele representanten van het volk van Holland d.d. 7 oktober 1795.

Het polderbestuur was belast met het onderhoud van de watermolen en het bekostigen van een molenaar. Ter bestrijding van de kosten werd er een omslag over de landerijen geheven. Zij maakten keuren en konden degenen die nalatig waren bevonden bij het drijven der schouw bekeuren en boeten opleggen. Zij hadden het recht om werken die niet in orde waren bevonden aan te besteden. Als secretaris-penningmeester fungeerden:

C. Henrixcz 1636 1666

P. Block 1666 1686

A. van Heijningen 1686 1700

A. van Eijbergen 1700 1725

J. van Eijbergen jr. 1725 1743

E. Poppingh 1743 1761

J de Bruijn 1761 1775

J.A. Lette 1775 1798

A. Hansson 1798 1835

C. Metselaar 1835 1864

F.G.R.H. van Lilaar

waarnemend 1864

mr. A. Rendorp 1865

mr. F. Hooft Graafland 1865 1881

jhr. Mr. H.G. Dedel 1881 1918

C.Th.H. Vermeer 1918 heden

De secretaris hield notulen, tekende de uitgaande stukken, maakte als penningmeester de rekeningen en begrotingen op en bewaarde het archief. Zoals we gezien hebben werd de polder 5 december 1636 opgericht. Van deze vergadering vinden we de resolutie in het 'polderboek'.

Zo'n 'polderboek' was oorspronkelijk een algemeen register waar alles werd ingeschreven, resolutiën, rekeningen enz., maar dit is met de tijd veranderd. Men kreeg in 1731 naast het 'polderboek' een 'resolutiënboek'. Dit 'resolutiënboek' werd maar een jaar als zodanig behandeld, men schreef er daarna de schouwbevindingen en notulen in. Toen in 1734 het 'polderboek' vol was, legde men weer een 'polderboek' aan, maar men schreef er alleen maar afschriften van de rekeningen in.

Van de losse stukken zoals bijlagen van de rekeningen en ingekomen stukken vindt men tot 1670 zeer weinig; waarschijnlijk zijn die stukken te niet gedaan. Na 1670 komen de rekeningen met bijlagen bijna compleet voor. Van de ingekomen stukken is er van de 17de eeuw maar een enkel stuk, van de 18de eeuw is er betrekkelijk ook nog maar weinig. Vanaf 1865 worden alle stukken, zowel rekeningen, ingekomen stukken, gaarderlijsten enz. vermeld in de chronologische index 1865 1890. In 1865 heeft mr. A. Rendorp het archief geordend tot 1862.

Archiefvormer

Stads- en Godshuispolder
© Stadsarchief
Disclaimer / Colofon
<

Gegevens over mogelijk nog levende personen mogen alleen worden gebruikt voor historisch (waaronder genealogisch), wetenschappelijk of statistisch onderzoek.

Door het aanklikken van onderstaande button verklaart u zich te houden aan het Reglement voor raadpleging en gebruik van het Stadsarchief.