843: Archief van de Algemene Doopsgezinde Sociëteit

Algemene kenmerken

Toegangsnummer:

843

Periode:

1612 - 1980

Inleiding

De inventaris beschrijft de archieven van de Algemene Doopsgezinde Sociëteit (ADS), de door haar opgerichte fondsen en de fondsen die tussen 1948 en 1974 in de Algemene Doopsgezinde Sociëteit zijn opgegaan.

De meeste fondsen hielden zich bezig met het verlenen van pensioenen aan de aangesloten predikanten. De premies werden meestal door de gemeente en door de predikant betaald. Voor een aanvulling op het traktement of het pensioen bestond ook een fonds.

De Algemene Doopsgezinde Sociëteit

Inleiding

Sinds 1680 was de opleiding tot doopsgezind predikant te Amsterdam gevestigd. De gemeente Lam en Toren aldaar betaalde zowel het salaris van de hoogleraar als de toelagen aan de minder draagkrachtige studenten. Financiële moeilijkheden voor de gemeente, die haar kapitaal grotendeels in obligaties had belegd, ontstonden doordat de Franse bezetters van de Nederlandse staatsschuld maar een derde betaalden (de zogenaamde tiërcering). In oktober 1810 zond de Amsterdamse gemeente Lam en Toren een circulaire aan alle doopsgezinde gemeenten in Nederland met verzoek om financiële steun voor de voortzetting van de predikantenopleiding.

Oprichting

Op 21 en 22 augustus 1811 werd, mede op initiatief van Haarlem, Westzaandam en Oostzaandam, te Amsterdam de oprichtingsvergadering van de 'Algemene Doopsgezinde Sociëteit ter bevordering van den Predikdienst' gehouden.

Deze organisatie had tweeërlei taak. Zij hield zich bezig met de opleiding tot predikant ('het aankweeken van leeraren') en verleende steun aan minder draagkrachtige gemeenten bij het beroepen en salariëren van hun zielszorgers ('het ondersteunen van behoeftige gemeenten in het verkrijgen en behouden van geschikte leeraren').

Verdere ontwikkelingen

In de loop der tijd werd het steeds duidelijker dat de Algemene Doopsgezinde Sociëteit zich met meer bezig hield dan met de twee bovengenoemde taken. Zij werd weliswaar door de afgevaardigden van de Nederlandse Doopsgezinde gemeenten bestuurd, maar bezat niet de bevoegdheden om als het overkoepelend bestuursorgaan van die gemeenten werkzaam te zijn.

Dit probleem leidde in 1920 tot de instelling van een commissie die zich moest bezig houden met de 'omvorming der ADS tot centrale vereniging'. Als gevolg van de werkzaamheden van deze commissie kwam er in 1923 een essentiële reglementswijziging tot stand. De Algemene Doopsgezinde Sociëteit werd van een vereniging van doopsgezinde gemeenten tot de vereniging der doopsgezinde gemeenten. Het eerste artikel van het reglement luidde nu: 'De Algemeene Doopsgezinde Sociëteit is de vereeniging der Doopsgezinde gemeenten in Nederland en van die in aangrenzende landen'. En artikel twee: 'Zij heeft ten doel de bevordering der godsdienstige en zedelijke en daarmee onmiddellijk samenhangende stoffelijke belangen der Doopsgezinden in haren kring, allereerst van den predikdienst onder hen, alsmede hunnne vertegenwoordiging naar buiten'. Het reglement van 1967 vermeldt onder haar doelstelling onder andere: 'Gemeenten en instellingen zo zij dit wensen in hun geestelijke taak bij te staan'.

De hoofdtaak van de in 1811 opgerichte Algemene Doopsgezinde Sociëteit lijkt wat op de achtergrond te zijn geraakt, mede daarom zijn de stukken betreffende de predikantenopleiding achter in het sociëteitsarchief opgenomen.

Bestuurssamenstelling

Op de jaarvergaderingen van de Algemene Doopsgezinde Sociëteit verschenen de afgevaardigden van de gemeenten. In 1811 waren dat er 16, in 1828 was hun aantal 20. Eerst in 1873 was het aantal afgevaardigden tot 28 toegenomen. Bij de eeuwwisseling waren er 36 afgevaardigden en in 1946 bedroeg het aantal 57. Uit de afgevaardigden (Bestuurders geheten) werd een bestuur gekozen van zes leden. Ook degenen die het toezicht hadden op de predikantenopleiding (de Curatoren) werden uit de afgevaardigden gekozen. Hun aantal was 11.

Mennofonds

Begin 1920 nam de Algemene Doopsgezinde Sociëteit het initiatief tot het uitgeven van obligaties met het doel uit het bijeen gebrachte kapitaal (1,5 miljoen gulden) uitkeringen te doen aan predikanten met een te laag salaris. Deze stichting, het Mennofonds genaamd, werd een groot succes. Mede omdat er veel giften kwamen kon jaarlijks 20.000 gulden worden uitgekeerd.

Pensioenfonds Algemene Doopsgezinde Sociëteit

Toen de Algemene Doopsgezinde Sociëteit in 1945, na voorbereidende werkzaamheden tijdens de oorlog, besloot zelf een pensioenfonds op te richten was het tevens de bedoeling dat de reeds bestaande fondsen in haar zouden opgaan.

Het streven om tot vereniging van alle pensioenfondsen te komen werd ingegeven door het besef, in maart 1943 in een rapport aan alle doopsgezinde gemeenten vermeld, dat er 'vele grove onbillijkheden' waren ontstaan tussen de fondsen onderling. Een uniforme regeling voor alle predikanten zou deze verschillen wegnemen.

De Algemene Doopsgezinde Sociëteit slaagde er in om binnen twaalf jaar na de Tweede Wereldoorlog de belangrijkste fondsen in haar pensioenfonds te laten opgaan.

Emeritaatfonds voor Doopsgezinde leraren

Dit fonds, ook wel Zaanse fonds genoemd werd op 2 mei 1848 door tien Zaanse gemeenten opgericht met het doel 'een jaarlijkse uitkering te verzekeren aan de deelhebbende leraren' als zij 65 jaar worden of eerder niet meer in staat zijn hun ambt uit te oefenen.

Het fonds verkreeg zijn inkomsten uit contributies van de deelhebbers, erfmakingen en giften, vrijwillige bijdragen en renten.

Het kapitaal van het fonds bestond uit drie gedeelten: het Reservefonds, dat zijn de gelden die de Amsterdamse gemeente in 1848 bijeen bracht om zelf een emeritaatfonds te stichten. In 1851 werd besloten toch toe te treden tot het Zaanse fonds. De andere delen zijn: het Invaliditeitsfonds en het Ouderdomsfonds.

Aan het fonds konden alle doopsgezinde gemeenten in Nederland en het Duitse grensgebied deelnemen. Sinds 1943 liet het geen nieuwe deelnemers meer toe. Op 5 oktober 1948, kort na de viering van het honderdjarig bestaan, ging het fonds op in het pensioenfonds van de Algemene Doopsgezinde Sociëteit.

Dienstjarenfonds

Het Dienstjarenfonds werd op 26 mei 1913 te Haarlem opgericht. Zijn doel was dienstdoende predikanten jaarlijks een toelage te verstrekken als zij langer dan tien jaar hun gemeente hadden gediend.

Het kapitaal van het fonds bestond uit het stichtingskapitaal aangevuld met giften en rente.

Op 16 mei 1950, kort voor zijn 37 jarig bestaan, ging het over in het beheer van de Algemene Doopsgezinde Sociëteit.

Doopsgezind pensioen verhogingsfonds

Dit fonds werd op 13 juni 1929 op initiatief van de Algemene Doopsgezinde Sociëteit opgericht met als doel de pensioenen van zijn predikanten en de uitkeringen aan hun weduwen op een behoorlijk peil te brengen. Het was een zelfstandig fonds waarvan drie van de zeven bestuursleden door de Algemene Doopsgezinde Sociëteit benoemd werden.

Het beheer van het fonds ging in 1954 over naar het pensioenfonds van de Algemene Doopsgezinde Sociëteit.

Fonds tot ondersteuning van weduwen en wezen van doopsgezinde leraren in Noord en Zuidholland

Het fonds tot ondersteuning werd in 1794 door vier predikanten uit de Zaanstreek opgericht. Door contributies van gemeenten en predikanten, door giften en door rente verkreeg het de middelen die nodig waren voor een jaarlijkse ondersteuning van weduwen en hun kinderen.

Zijn werkzaamheden beperkten zich tot 1898 tot Noord Holland en Zuid Holland, daarna door o.a. de vereniging met het Zwolsche Fonds, breidden deze zich over het hele land uit.

Op de Algemene vergadering van het fonds op 19 juni 1956 werd besloten het beheer per 1 januari 1957 over te dragen aan het Pensioenfonds van de Algemene Doopsgezinde Sociëteit.

Verhoogingsfonds

Op 9 mei 1865 werd het fonds tot verhooging van doopsgezinde leeraarstractementen opgericht. Zijn taak was de jaarsalarissen van predikanten te verhogen. Aan de gemeenten die hiervoor in aanmerking kwamen verstrekte hij een jaarlijkse toelage.

Het fonds verkreeg zijn inkomsten uit contributies en uit rente.

Van de fondsen heeft dit fonds het langst bestaan, eerst in 1974 is het onder het beheer van het pensioenfonds van de Algemene Doopsgezinde Sociëteit gekomen.

Liefdecassa

Het oudste fonds dat in deze inventaris voorkomt is de Liefde Cassa, die op 26 maart 1755 te Amsterdam door Ananias Willink, Jan Willink, Pieter de Haan, Jan Deknatel, ds. Joannes Deknatel, Wilhem Willink, Christina Willink, Agneta Leeuw, Anna van Diepenbroek en Dina van Diepenbroek, allen leden van de doopsgezinde gemeente Lam en Toren aldaar, werd opgericht. Het aanvangskapitaal was fl. 13.000.

Volgens het eerste artikel van het reglement zal de Cassa 'voor eerst en bijzonder gebruikt worden tot assistentie van Doopsgezinde leeraren die geacht worden het evangelium te verkondigen...'

Bij de oprichting van de predikantenopleiding te Amsterdam was bepaald dat gemeenten die geen predikant benoemden die in Amsterdam was opgeleid en hem geen fl. 250 salaris betaalden, uit Amsterdam geen subsidie meer zouden ontvangen. Het gevolg zou zijn dat 'veele gemeenten van leraars berooft werden, ten verval komen en verstrooijen'.

De Liefdecassa werd opgericht om deze arme gemeenten financieel te steunen zodat zij in staat waren hun predikanten te blijven betalen.

Het fonds bleef ruim 50 jaar in Amsterdam gevestigd. In 1808 werd het naar Hoorn verplaatst waar het, tegen de bedoeling van de oprichters in, een fonds werd uitsluitend ten behoeve van de doopsgezinde gemeente aldaar.

Een conflict binnen de gemeente Hoorn bracht in 1903 de vreemde positie van de Cassa aan het licht.

Het duurde nog tot eind 1909 voor de Liefdecassa, na bemiddeling door de Algemene Doopsgezinde Sociëteit, aan het Verhoogingsfonds kon worden overgedragen.

Inventarisatie

De eerste die zich bezighield met de ordening van het archief was de hoogleraar W. Cnoop Koopmans. In het verkorte verslag van de jaarvergadering (inv. nr. 44) staat op 25 juni 1835 vermeld: 'Van prof. Koopmans ontving de vergadering met blijdschap en erkentenis het berigt, dat hij dezen winter had te baat genomen tot het voleindigen van een werk, welks hooge noodzakelijkheid zich reeds lang had doen gevoelen en waarmede hij zich reeds vroeger, met opoffering van veel tijd, had bezig gehouden, namelijk het in orde brengen, schikken, registreeren en op index stellen van alle stukken uitmakende het Archief van de Algemeene Doopsgezinde Sociëteit'.

Ook de penningmeesters hadden het 'onder hun beheer staande gedeelte volgens één en hetzelfde, gemeenschappelijk ontworpen plan, gerangschikt en alzoo mede gewerkt tot het daarstellen van een algemeen Archief, het welk nu in het vervolg met weinig moeite zou kunnen bijgehouden worden'.

In 1905 stelde P. van Eeghen de bijlagen bij de notulen (inv.nr. 28) samen die hun oorsprong hadden in de ordening die in 1835 door prof. Koopmans voltooid werd. Prof. J.G. de Hoop Scheffer vervaardigde in de jaren 1860 1884 de Inventaris van de archiefstukken berustende bij de Amsterdamse Doopsgezinde gemeente. In deze inventaris bevinden zich ook stukken betreffende de Algemene Doopsgezinde Sociëteit. Waarschijnlijk heeft hij ook het plan gehad een inventaris van de Algemene Doopsgezinde Sociëteit te maken. Een inhoudsopgave in januari 1890 door de commies der Algemene Doopsgezinde Sociëteit A. Bleeker vervaardigd (inv. nr. 323) wijst hierop. Het archief is daarin verdeeld in 17 rubrieken en omvat zowel delen als losse stukken.

Blijkens het verslag van de bibliotheekcommissie van de Amsterdamse gemeente over 1910 'hield ds. J.G. Boekenoogen zich in dat jaar onledig met het inventariseren van het archief der Alg. Doopsgezinde Sociëteit. Met die werkzaamheden is hij gereed gekomen; de stukken in dat archief wachten slechts op nommering'. De lijsten van archiefstukken, geordend volgens de inhoudsopgave uit 1890 bevinden zich eveneens in inv. nr. 323. Daarna is er lange tijd weinig aan het archief gedaan.

In december 1964 begon ds. A. Mulder, ruim 25 jaar voorzitter van de archiefcommissie der Algemene Doopsgezinde Sociëteit, met de werkzaamheden die zouden moeten uitmonden in een moderne inventaris van deze organisatie.

Van de ordening van 1910 was niet veel meer over. De stukken uit de rubrieken XI en XVa ontbraken. Bovendien waren er stukken in het archief van de Amsterdamse gemeente terecht gekomen.

Bij de inventarisatie betrok ds. Mulder ook de archieven van de pensioen en tractementsverhogingsfondsen, die op dat moment bijna alle in de Algemene Doopsgezinde Sociëteit waren opgegaan.

Het archief van ds. Mulder is bewaard gebleven (archief 938) en daaruit valt op te maken hoeveel moeite het kostte de ontbrekende delen en stukken op te sporen.

Door zijn plotseling overlijden op 26 oktober 1968 heeft hij zijn werk niet kunnen voltooien.

Bij mijn inventarisatie moest ik constateren dat ook van hetgeen ds. Mulder in de jaren 1964 1967 aantrof weer een gedeelte verdwenen is. Van het overblijvende gedeelte heb ik deze inventaris samengesteld. Het archief van voor 1945 is, op een lacune tussen 1890 en 1914 na, vrij volledig. Een groot deel van het archief van na 1945 berust nog in de kerk van de Doopsgezinde Gemeente op het Singel te Amsterdam.

Archiefvormers

© Stadsarchief
Disclaimer / Colofon
<

Gegevens over mogelijk nog levende personen mogen alleen worden gebruikt voor historisch (waaronder genealogisch), wetenschappelijk of statistisch onderzoek.

Door het aanklikken van onderstaande button verklaart u zich te houden aan het Reglement voor raadpleging en gebruik van het Stadsarchief.