5501: Archief van het Ambacht Nieuwer-Amstel, met het Archief van de Ambachten Rietwijk, Rietwijkeroord en Rietwijkeroorderpolder

Algemene kenmerken

Toegangsnummer:

5501

Periode:

1601 - 1811

Inleiding

Inventaris van het archief van Nieuwer-Amstel (Amstelveen), 1601-1811

Inleiding

Het hierna geïnventariseerd gedeelte van het archief van de gemeente Nieuwer-Amstel neemt zijn aanvang in 1601 en eindigt ten tijde van de invoering van de Franse bestuursadministratie op 1 augustus 1811. Deze bestuursadministratie bracht veel veranderingen in de bestuursorganisatie van de gemeenten. Daarom is dat jaar ook gekozen als einddatum van dit gedeelte van het archief.

De "Handleiding voor het ordenen en beschrijven van archieven" samengesteld door mrs. Muller Fz., J.A. Feith en R. Fruin Th. Az., stelt voorop, dat het systeem van de indeling van een archief gegrond moet zijn op de oorspronkelijke organisatie van dat archief, die in hoofdzaak overeenstemt met de inrichting van het bestuur, waarvan het afkomstig is. Daarom moet eerst iets over de bestuursorganisatie van Nieuwer-Amstel worden medegedeeld.

Bestuursorganisatie voor 1795

De kleinste rechtsgebieden waarin het huidige Noord-Holland was verdeeld waren de bannen of ambachten. Zij vormden als ware de cellen waaruit op bestuurlijk, rechtelijk en waterstaatkundig gebied de organisatie ten plattenlande was opgebouwd. Het ambacht Amstelveen bestond omstreeks 1413 uit zeven delen (kwartieren): Buitenveldert, Roemersdorp, Middeldorp, Smedeman, Legmeer, Noortveen en Oetewaal. Langs de Amstel ontwikkelde zich in de loop der tijd een rij nieuwe buurtschappen. In het noorden Meerhuizen, de Omval en bij de Tolbrug de buurt Ouderkerk. Ten zuiden van de Ouderkerkerlaan: Waardhuizen, Schanshoek, Swaluwebuurt en Nes aan de Amstel. Tenslotte moet het buurtschap Bovenkerk genoemd worden. In een vijftiende eeuwse akte wordt Bovenkerk al vermeld. Een verklaring van de naam is niet moeilijk te geven. Vanuit Amsterdam gezien was al het geen dat ten zuiden van de kerk lag "boven de kerk"gelegen. Sedert 1399 was het ambacht Amstelveen door hertog Albrecht van Beieren,graaf van Holland, Zeeland en Henegouwen in erfleen uitgegeven, waardoor als het ware een stuk overheidsgezag in particuliere handen kwam. Het ambacht werd een ambachtsheerlijkheid en de leenman werd ambachtsheer. Hij bezat het bestuur en de lage rechtspraak. Deze functie oefende hij niet zelf uit, maar benoemde daartoe op zijn beurt een schout en verder allerlei functionarissen zoals schepenen, secretaris, gerechtsbode en bekleders van kleine ambten zoals schoolmeester, koster, kerkmeester, weesmeester enz. Verder genoot de ambachtsheer een aandeel in de boeten en oefende hij veelal verschillende rechten en bevoegdheden uit zoals het recht van jacht, visserij, wind, veer, tol en andere heerlijke rechten. Ook had hij vaak het collatierecht, dat wil zeggen her recht een pastoor, na de reformatie een predikant, aan te stellen. Tenslotte had hij, eventueel met de regenten (schout, schepenen, vroedschappen of de invloedrijke gegoede lieden), het recht om verordeningen te maken (keurrecht) en op overtreding van deze keuren straffen te stellen. Echter met dien verstande dat deze keuren niet in strijd mochten zijn met de wetgeving van de Staten van Holland. Stierf zijn geslacht uit dan kwam het ambacht ook weer aan de leenheer teug (in 's graven boezem terugkeren). Wel was het mogelijk om de ambachtsheerlijkheid te verkopen, zij het met toestemming van de leenheer, later van de Staten van Holland.

In 1529 verkocht jonker Reinoud van Brederode , in die tijd met de ambachtsheerlijkheid beleend, zijn leengoed aan de burgemeesters van Amsterdam. Nu zag de leenheer niet graag, dat een leengoed in handen kwam van een rechtspersoon (bijvoorbeeld een stad), want daardoor was het uitgesloten dat het leengoed door uitsterven van het geslacht van de leenman nog eens aan hem zou terugkomen. Bovendien moest een nieuwe leenman bij het overlijden van de vorige of bij verkoop van een leengoed, zekere betalingen doen aan de leenheer om in het bezit van het leen te komen (heergewade). Deze inkomsten moest de leenheer ook derven wanneer het leen in handen van een rechtspersoon kwam. Ten einde deze moeilijkheden te ontgaan, moest de rechtspersoon een zogenaamde "sterfman" aanwijzen, dat wil zeggen een natuurlijk persoon die namens de rechtspersoon beleend zou worden. Zo moest Amsterdam bij aankoop van de ambachtsheerlijkheid ook een sterfman aanwijzen die namens de stad beleend was. Stierf deze sterfman, dan moest een daartoe aangewezen opvolger belening vragen en de "heergewade"voldoen. Het is dus onjuist de beleende personen als ambachtsheren aan te duiden. Deze foutieve benaming is overigens wel in de hand gewerkt door het feit dat de sterfman meestal één van de burgemeesters was. Vaak bezat hij ook nog een aanzienlijk grondbezit in de ambachtsheerlijkheid. Maar de uiteindelijke beslissingsbevoegdheid bleef tot 1795 in handen van het college van Amsterdam. De schout stond aan het hoofd van het ambacht. Hij oefende met de buren (allen die in het dorp een erf hadden, grondbezitters en gebruikers) het bestuur, met de schepenen de rechtspraak uit. Omdat er geen onderscheid werd gemaakt tussen rechtspraak en bestuur, kunnen we veilig aannemen dat ook de bestuurstaak door schepenen werd uitgeoefend. De buren werden later veelal vervangen door ambachtsbewaarders, ook wel aangeduid als "waarsluyden". Toch hebben de buren nog lang enig aandeel in het administratieve bestuur behouden, want bij belangrijke zaken werden ze nog veel netrokken. De "waarsluyden" behartigden de bestuursbelangen van de kwartieren waarin het ambacht verdeeld was. Zij worden ook wel onder de naam van"buurtmeesters"en zelfs van "burgemeesters" gevonden. Als verder functionarissen mogen ook wel de secretaris, belast met de zorg voor de administratieve neerslag van het bestuur, de kerkmeesters, de armmeesters, de gerechtsbode, de brand- en wachtmeesters, de keurmeesters van hooi enz. genoemd worden.

Bestuursorganisatie na 1795

Het zelfstandig worden van Nieuwer-Amstel berust op de "Publicatie betreffende de heerlijkheden, heemraadschappen enz., gearresteerd bij den Provisionele Representanten van het Volk van Holland, den 6den maart 1795", uitgave 's Lands Drukkerijen van Holland te Den haag 1795:

Artikel 1. "Dat aan de Ingezetenen van alle Steden of Dorpen wordt toegekend het recht, om hunne Stedelijke of Dorps-Reegeringen te verkiezen, wordende de verkozene Persoonen, die in eenen bijzonderen Eed staan van de Eigenaars der Heerlijkheden bij deezen van denzelven Eed ontslagen, wanneer de Ingezeetenen van hunne Stad of Dorp hunne Stads- of Dorpsregeering veranderen".

In het eerste jaar van de Bataafse Republiek (1795-1896) werden overal plaatselijke verkiezingen gehouden. Ook werd er gestreefd naar afschaffing van de heerlijke rechten. Ten gevolge daarvan liet men de schout en schepenen niet meer door Amsterdam aan stellen. De burgerij koos een provisionele schout en schepenen. Niet veel later werden zij weer uit hun ambt ontzet en werd een "regeringsreglement voor Amstelveen" van kracht. Het schepencollege bleef voor de rechtspraak bestaan. Helaas is van dit reglement geen enkel exemplaar teruggevonden. Het hield in dat het voormalige ambacht bestuurd zou worden door een municipaliteit onder voorzitterschap van een president. Deze zou tevens als "civiele" aanklager fungeren in het nieuw gevormde "Comité van Justitie". Verder werden nog andere comités gevormd waarvan wel het voornaamste het "Comité van Algemeen Welzijn"was. Er kwamen "wijkvergaderingen", waarvan de naam voor zichzelf spreekt, die weer gezamenlijk vergaderen in de "centrale vergadering der wijkvergaderingen". De scheiding tussen bestuur, wetgeving en rechtspraak, alsmede de afschaffing van de heerlijke rechten werd vastgelegd in de Staatsregeling van 1798. Volgens deze Staatsregeling werden de ambachten zelfstandige gemeenten, die hun eigen bestuur kozen en hun vertegenwoordigers in het provinciaal en in het landsbestuur. Wel bewaard gebleven is een reglement voor het gemeentebestuur (1), zoals dat in de raadsvergadering van 24 januari 1804 (2) is vastgesteld. Het telt niet minder dan 138 artikelen. Het gemeentebestuur moest voortaan bestaan uit zeven leden, die minstens 25 jaar oud moesten zijn en drie jaar in de gemeente gewoond moesten hebben om gekozen te kunnen worden. De vergaderingen werden met gesloten deuren in het rechthuis gehouden. Het gemeentebestuur koos zelf zijn president en belastte twee van zijn leden met de financiën en twee met het beheer van de weeskamer. De schout was het hoofd van de politie en hij fungeerde als "opperbrand- en wachtmeester". De president van het gemeentebestuur werd uit dit bestuur gekozen en moest één jaar aanblijven. De gemeentesecretaris, die tevens secretaris van de rechtbank mocht zijn, moest 25 jaar oud zijn en binnen de gemeente wonen. Hij was belast met de zorg van de administratieve neerslag van het bestuur. Daar het ambt van de schout (civiele aanklager) dus onverenigbaar was met dat van president van het gemeentebestuur, werden deze functies sedert 1803 ook weer in de praktijk gescheiden. Nadat het nieuwe gemeentebestuur als "Raad der gemeente van Nieuwer-Amstel"geïnstalleerd was, werd in de vergadering van 26 januari 1804 een reglement van 17 artikelen voor deze Raad vastgesteld (3).

Reorganisaties van het staatsbestel volgen elkaar snel op. Uiteraard had dit zijn invloed op de bestuursorganisatie van Nieuwer-Amstel. In juli 1810 volgde de inlijving bij Frankrijk. Dit had tot gevolg dat door het in werking treden van de Franse wetboeken in het gehele land uniformiteit van rechtsbedeling ontstond in plaats van de uiteenlopende gewestelijke en stedelijke rechtsbepalingen. Op1 maart 1811 werd overal het Franse gemeenterecht van kracht. De gemeentebesturen hielden op een rechtsprekend college te zijn. Een ander gevolg van de inlijving was dat de naam van de schout werd vervangen door maire, bijgestaan door adjoints du maire (wethouders) en een conseil municipal (gemeenteraad). Op 1 augustus 1811 werden de maire, één adjoint du maire en negen leden van het conseil municipal geïnstalleerd (4).

Rechtelijke organisatie voor 1795

In het tegenwoordige Noord-Holland werd sedert de vijftiende en zestiende eeuw voornamelijk rechtgesproken in baljuw- schoutengerechten. Het baljuwgerecht was voortgekomen uit het oude gravengerecht. De baljuw was vertegenwoordiger van de landsheer en werd door hem aangesteld. Hij had binnen zijn gebied aanvankelijk dezelfde bevoegdheden als de landsheer over diens territoir. Hiervan bleef niet meer over dan de hoge rechtspraak, de politie en het maken van keuren. Hij presideerde het rechtelijk college van schepenen, doch had zelf geen deel aan de vaststelling van het vonnis. De steden en hoge heerlijkheden waren aan het rechtsgebied van de baljuw onttrokken. Deze hadden hun eigen rechtsgebied. In 1489 wist Amsterdam het recht om een baljuw in Amstelland aan te stellen aan zich te trekken. Nieuwer-Amstel 1515 geschiedde de benoeming door de Rekenkamer der Grafelijkheids Domeinen en na de afzwering van Filips II in 1581 door de Gecommitteerde Raden van de Staten van Holland. In Amstelland, waartoe het ambacht Amstelveen behoorde, was wel een baljuw doch geen college van "de Baljuw en zijn mannen". De baljuw oefende namelijk de criminele jurisdictie uit tezamen met het gerecht van het ambacht, war de delicten waren voorgevallen. Er was geen hoger beroep mogelijk op de baljuw. Wel mochten de schepenen van Amstelveen en andere dorpen bij hun collega's in Amsterdam "vonnisse halen". Maar indien men dit deed zou het door de Amsterdamse schepenen gewezen vonnis rechtsgeldigheid bezitten. De kosten van dit "vonnisse halen" waren voor rekening van de verliezende partij.

De baljuwschappen waren verdeeld in schoutambachten of bannen, waar de schout, die evenals de baljuw alleen het rechtelijk college presideerde, met de schepenen de lage of civiele jurisdictie uitoefende. Aanvankelijk werd in de schoutgerechten recht gesproken door asing (asega = rechtzegger) en buren, waarbij de asing het vonnis voorstelde, de buren het vaststelden en de schout het uitvoerde. Dit systeem was in die tijd zeer verbreid en werd aangeduid met de naam "asichdoms- of aasdomsrecht". In Amstelland werd het aasdomsrecht in 1388 afgeschaft en werd de rechtspraak door schout en schepenen ingevoerd. Naast de civiele jurisdictie waren de lagere gerechte tevens belast met de voluntaire jurisdictie, zoals overdracht van onroerend goed, vestiging van hypotheken en dergelijke. De schout fungeerde ook als officier van justitie.

Van de vonnissen van de lage gerechten was beroep mogelijk bij de baljuwgerechten en vervolgens bij het Hof van Holland. Ook kon men van deze vonnissen direct in beroep gaan bij het Hof, hetgeen in later tijd steeds meer gebruik werd. Sedert de invoering van de rechtspraak door schout en schepenen (1388), bestond het college dus uit schout en zeven schepenen, die door of vanwege de landsheer beëdigd werden. Ieder jaar traden op Vrouwendag ( 2 februari) vijf schepenen af. De ambachtsheer, in casu de burgemeesters van Amsterdam, benoemde dan weer vijf nieuwe uit een dubbeltal dat door de zittende schepenen aangeboden werd.

Zodra de vijf nieuwe schepenen benoemd waren wezen zij uit de zittende schepenen er twee aan, die nog ter wille van de continuïteit een jaar lang lid bleven van de schepenbank. Van de zeven schepenen kwam er één van de Overtoom of Buitenveldert-Veendijk en een van de Buitenveldert-Amsteldijk. Deze twee fungeerden, om het andere jaar, als president-schepen. Eén schepen moest afkomstig zijn uit Bovenkerk-Amsteldijk en één uit het dorp Amstelveen zelf. Deze twee schepenen fungeerden beurtelings een jaar lang als vice-president van het schepencollege. De twee overblijvende schepenen werden genomen uit de kwartieren van de legmeer en Oetewaal. De Stadspolder werd, wat bestuur en rechtspraak aanging, gerekend te behoren tot Buitenveldert en de Vrije Noortveen had geen eigen vertegenwoordiger in het schepencollge.

Rechtelijke organisatie na 1795

De schepenbank werd vervangen door een comité van justitie, waarvan de leden door de burgerij werden gekozen op grond van de eerder genoemde publicatie van de Provisionele Representanten van het Volk van Holland van 6 maart 1795. De werkzaamheden bleven aanvankelijk nog dezelfde. Nieuwer-Amstel de staatsgreep van 1798 werden de rechtsprekende organen overal definitief van de bestuurscolleges gescheiden, terwijl het benoemingsrecht in handen werd gegeven van de nationale overheid. Voortaan werd recht gesproken in naam van het Bataafse Volk.

De inrichting van de plaatselijke rechtbanken geschieden op grond van reglementen die door de plaatselijke besturen zelf waren ontworpen en goedgekeurd werden door het Departementaal Bestuur. Deze reglementen kwamen in de loop van het jaar 1803 tot stand (5).

De inrichting van de rechtbank in Nieuwer-Amstel maakte een reglement van 100 artikelen noodzakelijk. Deze rechtbank moest bestaan uit zeven leden die de naam van schepenen droegen. Zij werden voor vier jaar gekozen en zij moesten minstens 30 jaar oud zijn. De benoemingen geschiedden door het Departementaal Bestuur op gezamenlijke voordracht van het rechterlijke college en het gemeentebestuur. In 1805 werd de benoeming van publieke aanklagers aan de raadspensionaris opgedragen, welk recht in 1806 toekwam aan de koning, die ook de benoeming van de leden van de rechtbank aan zich trok. Ook de schepenen moesten met gesloten deuren hun rechtdagen in het rechthuis houden. Hun salaris was gelijk aan dat van de leden van de Raad, namelijk f100, - per jaar. Afzonderlijke commissarissen uit hun midden deden de kleine zaken af en verder waren er nog commissarissen voor onbeheerde boedels. Bij deze rechtbank bekleedde de baljuw van Amstelland de post van openbare aanklager in criminele zaken, terwijl de schout deze functie had in civiele zaken.

In juli 1810 volgde de inlijving bij Frankrijk. De rechtelijke organisatie bleef gehandhaafd tot aan het in werking treden van de Franse rechtelijke organisatie op 1 maart 1811.

Waterstaatkundige organisatie voor 1795

In het jaar 1388 droeg hertog Albrecht van Beieren, graaf van Holland, Zeeland en Henegouwen het bestuur over de afwatering in de verschillende rechtsgebieden op het oude land (dat wil zeggen het land dat bestond in tegenstelling tot het nieuwe gewonnen land in de droogmakerijen) op aan schout en schepenen van de desbetreffende ambachten.

Schout en schepenen traden op in hoedanigheid van dijkgraaf en heemraden, want de polders waren juridisch niet zelfstandig. De ingelanden konden geen eigen bestuur voordragen of kiezen, geen keuren maken. Zij hadden dus geen publiekrechtelijke bevoegdheden.

Dit college van schout en schepenen dreef de schouw over binnendijken, wegen en waterlopen, vaardigde de nodige keuren uit en verrichtte alles wat verder noodzakelijk was. Toen Amstelveen als ambachtsheerlijkheid in erfleen werd uitgeven (1399), kreeg de ambachtsheer de bevoegdheid die schout en schepenen bezaten. Hij benoemde ook de polder- en molenmeesters. Zij hielden toezicht op de waterstaatswerken en inden de omslag voor het ambachtsbestuur. Zij vormden als het ware de schakel tussen de ingelanden en het ambachtsbestuur. In de praktijk oefende de ambachtsheer niet zelf het schout ambt uit, maar hij beperkte zich tot het aanstellen van een schout en schepenen. Alleen het uitvaardigen van allerlei voorschriften behield hij aan zich.

In de landsheerlijke periode ontstond veelal een scheiding tussen dijk- en polderbestuur, doordat de landsheer ten behoeve van een beter toezicht op en onderhoud van de zeedijk afzonderlijke dijkbesturen instelde. De landsheer rekende deze dijken tot zijn invloedssfeer als beschermers van zijn territoir. Degene die aanmerkelijke schade aan deze dijken bracht verbeurde in principe lijf en goed. Op hetzelfde niveau stonden de latere besturen over een belangrijke dam of zeedijk, alsook over een boezembeherend waterschap, bijvoorbeeld het waterschap van Uitwaterende Sluizen van Kennemerland en West-Friesland en van Amstelland.

Om het probleem van de wateroverlast uit de omliggende Stichtse en Hollandse gebieden op te lossen, stelde keizer Karel V in 1520 het Heemraadschap van Nieuwer-Amstel in. Het heemraadschap bestond uit vijf personen die de meeste landerijen in het land en het dorp van Amstelveen in eigendom hadden. Vier van hen werden aangesteld tot heemraden en de vijfde, tevens de oudste, moest als dijkgraaf fungeren. Ook trad de baljuw soms als dijkgraaf op. Dit college werd aangesteld door de keizerlijke Raad. Het Heemraadschap had bemoeiing met dijken, kaden, bruggen, sluizen, waterlozingen, molens enz. binnen Nieuwer-Amstel en het mocht keuren uitvaardigen. Dit moest echter wel in overleg en op advies van schout en schepenen gebeuren. Voorts stelden zij de schouwdagen en de boetes vast. De schouw werd echter door schout en schepenen gedreven en zij inden ook de opgelegde boetes. De rechten van de ambachtsheerlijkheid werden niet rechtstreeks aangetast. Alleen wanneer schout en schepenen te kort schoten of in gevallen dat er waterschapsbelangen van grotere omvang te behartigen waren, ging het heemraadschap fungeren. Zo trachtte het invloed op het polderbestuur uit te oefenen.

In 1252 was het probleem van de wateroverlast nog niet afdoende opgelost en stelde keizer Karel V het Hoogheemraadschap Amstelland in .Hierbij werd onder meer bepaald: "voortaan zal de baljuw van Amstelland als dijkgraaf met 6 heemraden den Ringh ofte omloop van de ghemeene waterschap ende water schuttinghe van Amstelland in onsen lande van Holland" schouwen op gelijke voet als men in Rijnland doet, zo dikwijls als dat nodig zal zijn. De dijkgraaf zal de 6 heemraden kiezen uit de gerechten van Amsterdam, Weesp, Ouderkerk, Amsterveen, Diemen en Waverveen. Voor zover deze tot de ambachtsheerlijkheden behoorden die in het bezit van Amsterdam kwamen, werden zij door de burgemeesters van Amsterdam aangewezen. De door hen op de ring (samenstel van aaneengesloten dijken, kaden enz. die een zeker gebied afsluiten van aangrenzende wateren) uitgeoefende schouw laat de bevoegdheid van de schout en schepenen uit de ambachten onaangetast. In de loop van de tijd bleef de samenstelling van het college ongewijzigd. De vergaderingen van dit hoge college werden gehouden in het Gemene Landshuis van de Zeeburger- of Diemerdijk, of in het stadhuis te Amsterdam.

Waterstaatkundige organisatie na 1795

In 1795 werden dorps- en polderbesturen in principe gescheiden door de provisionele Representanten van het Volk van Holland. Men stelde dat ook de ingelanden gerechtigd waren een eigen bestuur te kiezen. Over het algemeen is dit slechts op enkele plaatsen verwezenlijkt. Meestal werd het polderbestuur overgenomen door de municipaliteiten, later gemeentebesturen. Pas in 1851 schreef de gemeentewet deze scheiding dwingend voor.

Archief

Het archief beslaat slechts vier meter. Dit is grotendeels te wijten aan het feit dat met de inval van de Pruisen in 1787 het rechthuis werd geplunderd en een groot gedeelte van het archief werd verbrand. Als gevolg hiervan ontbreken veel archiefbescheiden van vóór 1787 (onder andere resoluties van het gerecht, belastingkohieren en dorpsrekeningen). Toch zijn er wel archiefbescheiden daterend uit de zeventiende eeuw voor deze brandstichting gespaard gebleven. Zij werden waarschijnlijk elders bewaard. Vanaf 1787 heeft het restant van het archief een tijdlang in de open lucht en later jarenlang in een stal gelegen (6). Pas in 1841 werd het naar het raadhuis overgebracht. In 1869 werd het restant aangevuld met een schenking van het heemraadschap; een portefeuille bevattende stukken uit de jaren 1657-1809.

Bij de ingebruikneming van het nieuwe raadhuis, Amsteldijk 67, in 1892 werd er een brandvrije archiefbewaarplaats ingericht. Na de annexatie in 1896 door Amsterdam kwam dat raadhuis op Amsterdams grondgebied te liggen. Het gemeentebestuur keerde terug naar de dorpskern, waar nog in het zelfde jaar een nieuw gemeentehuis, Dorpsstraat 71, werd betrokken. Het archief bleef aanvankelijk in Amsterdam achter. Pas een jaar later werd het ook naar het nieuwe gemeentehuis overgebracht.

Door de groei van Nieuwer-Amstel na de Tweede Wereldoorlog en de daarmee gepaard gaande uitbreiding van de gemeentelijke administratie ontstond ruimtegebrek in de archiefkelder en werden gedeelten van het archief overgebracht naar de zolder en naar de telefoonkelder. Omstreeks 1966 werd een gedeelte overgebracht naar de archiefkelder van het politiebureau te Amstelveen (7). De bouw van een nieuw raadhuis moest onder meer een eind maken aan een toestand van tamelijke ontoegankelijkheid en niet altijd even veilige bewaring. Met de ingebruikneming van dit, idyllisch aan de poel gelegen nieuwe raadhuis, laan van Nieuwer-Amstel 1, kon omstreeks 20 april 1980 het archief worden overgebracht naar de archiefkelder die ingevolge artikel 24, archiefwet 1962, door de gemeenteraad als archiefbewaarplaats werd aangewezen. In 2004 werd het archief overgebracht naar de archiefbewaarplaats van het Stadsarchief van Amsterdam.

Inventarisatie

In 1892 en in 1911 werden pogingen ondernomen om het archief door inventarisatie toegankelijk te maken. In 1929 werd echter geconstateerd dat het archief in zeer slechte toestand verkeerde en de bewaring chaotisch was. Gedurende 1929-1932 inventariseerde de heer S. Hart, volontair bij de gemeentelijke archiefdienst van Amsterdam ( de latere gemeentearchivaris van Amsterdam) met behulp van de Nieuwer-Amstelse secretarieambtenaren de heren Krol en Witzier het archief over de periode 1813-1930. In 1940 werd wederom een poging ondernomen om het archief te herordenen, doch een inventaris die vooral het archief van vóór 1813 toegankelijk moest maken, bleef uit.

In 1973 besloot het college van burgemeester en wethouders een middelbaar archiefambtenaar ter secretarie, speciaal belast met de verzorging van het statisch (oud) archief, aan te trekken. Als zodanig werd per 1 oktober 1974 de heer Gast benoemd. Hij maakte in 1975 een globale ordening van het archief over de periode 1601-1882, waardoor dit gedeelte van het archief toegankelijk werd. In 1979 aanvaarde hij een benoeming elders. Per 1 februari 1982 ben ik hem in dezelfde functie opgevolgd. Ik heb mij vanaf die datum bezig gehouden met de voltooiing van de door mijn voorganger aangevangen inventarisatie.

Door de beperkte omvang van het archief over de periode 1601-1811, heb ik de archiefbescheiden overwegend stuksgewijs beschreven. Aangezien de leesbaarheid van de kladnotulen van de municipaliteit (inventarisnummers 9-43) te wensen overliet, heb ik de bijlagen ervan beschreven in bijlage A. Deze bijlage en de index van persoonsnamen hierop zijn ondergebracht bij inventarisnummer 9. Tevens is bij elk inventarisnummer van 9 tot en met 43 de daarbij behorende ontsluiting aan toegevoegd.

Bij de ordening ben ik uitgegaan van de onderscheidene taken van het bestuur. De al eerder aangehaalde omzwervingen en verschillende inventarisaties van het archief, alsmede de gebrekkige bewaring in vroegere tijden, hebben de oorspronkelijke structuur min of meer aan het oog onttrokken.

Noten

  1. Zie inventarisnummer 85.
  2. Zie inventarisnummer 6.
  3. Zie inventarisnummer 6.
  4. Zie inventarisnummer 43, bijlage nummer 200.
  5. Zie inventarisnummer 453.
  6. Zie jaarlijks uitvoerig beredeneerd verslag van de toestand der gemeente over 1861.
  7. Zie dossier -2.07.353.221 verslagen oud-archief, 1975, 1976.
  8. Zie dossier -2.07.353.221 beheer van archiefstukken. Registratuur, vanaf 1976
Geraadpleegde literatuur

-Archieven, de, in Noord-Holland; (behalve Amsterdam). Samson, Alphen aan den Rijn, 1989. ( overzichten van de archieven en verzamelingen in de openbare archiefbewaarplaatsen in Nederland: deel VII).

-Groesbeek, J.W. Amstelveen; acht eeuwen geschiedenis. Amsterdam, Allert de Lange, 1966.

Archiefvormer

Ambacht Nieuwer-Amstel Ambacht Rietwijk Ambacht Rietwijkeroord Rietwijkeroorderpolder, 1637-1811
© Stadsarchief
Disclaimer / Colofon
<

Gegevens over mogelijk nog levende personen mogen alleen worden gebruikt voor historisch (waaronder genealogisch), wetenschappelijk of statistisch onderzoek.

Door het aanklikken van onderstaande button verklaart u zich te houden aan het Reglement voor raadpleging en gebruik van het Stadsarchief.