5214: Archief van de Stadsingenieur

Algemene kenmerken

Toegangsnummer:

5214

Periode:

1855 - 1895

Inleiding

Geschiedenis van de instelling

De organisatie

In de raadsvergadering van 18 januari 1856 werd het voorstel van B & W aangenomen tot aanstelling per 1 mei 1856 van een Stadsarchitect, een Stadsingenieur en een Directeur bij de Publieke Werken en ontslag per ultimo april van dat jaar van de Inspecteur der Publieke Werken, de Directeur van het Stadsfabriekambt en de Directeur van de Stadswaterwerken. De laatste twee functionarissen waren tot dan toe verantwoordelijk voor de technische gang van zaken bij de Publieke Werken, terwijl de Inspecteur een inspecterend controlerende functie had (zie inleiding van arch. 5361).

De bedoeling was dat de Stadsarchitect min of meer de functies overnam van de Directeur van het Stadsfabriekambt, de Stadsingenieur die van de Directeur van Stadswaterwerken en dat de Directeur bij de Publieke Werken veel kleinere zaken op zich zou nemen die toch veel tijd zouden kosten (stadswerkvolk, de werkplaatsen, goten, paalwerken).

De volgende zaken kwamen onder de Stadsingenieur te vallen:

alle sluizen (constructie, onderhoud en bediening), waterkeringen, duikers, dijken en kaaimuren (voorzover tot waterkering dienend), straten, paden, wegen, het stedelijk plantsoen (viel vroeger onder Stadshoutvesterij: arch. 276), baggeren, alle grondwerkzaamheden, puinophaling, schoonhouden van markten, van bruggen en van pleinen en ophalen van as en vuilnis, storthopen in de grachten ruimen, stedelijke verlichting en alles wat betrekking heeft op de gas en waterleidingen en de wateraanvoer, telegraafleidingen, de landmeterij en het opnemen en in kaart brengen van de terreinen, het toezicht op het Stadswaterkantoor, watercirculatie, stadsgrachten, dokken, balkhaven, open havenfront (uitdiepen) en sluisdiepen (1).

Omdat er allerlei bedenkingen betreffende de samenwerking tussen Ingenieur, Architect en Directeur waren, werd in de raadsvergaderingen van 23 januari 1873 en 5 februari 1873 de wenselijkheid van één verantwoordelijke persoon voor alle Publieke Werken uitgesproken en aldus besloten tot de aanstelling van een Directeur Generaal. Toen echter vlak voor de aanvang van diens werkkring de vorige Directeur overleed werd de titel Directeur Generaal veranderd in Directeur van de Publieke Werken (2). De Directeur van de Publieke Werken volgde de voorgaande Directeur bij de Publieke Werken in een totaal andere hoedanigheid op, nl. als superieur en niet als collega van de Stadsingenieur en de Stadsarchitect (3). Tevens kwam er een herschikking der taken, zodat de Stadsarchitect het beheer der timmertuin, de smederij en de andere gemeentelijke werkplaatsen, de Stadsingenieur plannen voor stadsuitbreiding maken, grondzaken, klokkenluiden, de riolen, goten, wallen, dukdalven en andere paalwerken en het beheer van het materieel voor het Brandwezen erbij kreeg (4). Bij voordracht van 7 januari 1895 van B & W werd op 13 februari 1895 door de gemeenteraad het voorstel aangenomen om de bureaus van Stadsingenieur en de Stadsarchitect niet meer zelfstandig te laten corresponderen, waardoor deze administraties als zodanig ophielden te bestaan (5).

De stadsingenieurs

De eerste Stadsingenieur was Petrus van der Sterr, geboren op 17 augustus 1817 te Texel en gehuwd met Anna Grijn, geboren op 23 januari 1818 te Den Helder. Toen hij in september 1855, uit Den Helder komende, zich alhier vestigde, was hij van beroep opzichter. Per 1 mei 1856 werd hij alhier aangesteld als Stadsingenieur. Kinderen van hem werden geboren te Winkel (N.H.) (26 september 1848), te Nieuwer Amstel (31 augustus 1851 en 3 december 1853), te Fort Bath (Zeeland) (4 september 1854) en te Amsterdam (29 juli 1858). Het gezin vertrok op 18 april 1864 naar Beverwijk (6). Zijn opvolger per 1 januari 1864 was Jacobus Gerardus van Niftrik.

Jacobus Gerardus van Niftrik werd op 20 juni 1833 geboren in het 'Huis van het Circul van Ooy' te Nijmegen. Hij huwde op 21 juli 1860 met Petronella Hendrika Theunissen, bij wie hij 5 zonen en 3 dochters kreeg. Hij overleed alhier op 26 oktober 1910. Hij was de zoon van de dijkschout van de polder Circul van Ooi. In 1849 werd hij aspirant schout, op 18 mei 1852 buitengewoon opzichter bij de waterstaat in Noord Brabant, per 1 juni 1855 opzichter van de waterstaat 4e klasse te Ellewoutsdijk op Zuid Beveland onder ingenieur I.F.W. Conrad. In 1858 dong hij mee via een vergelijkend examen naar de betrekking van aspirant ingenieur in Nederlands Indië. Er waren drie plaatsen verbonden aan dit examen, waarbij hij de derde plaats behaalde. Desondanks werd een ander benoemd. Per 1 mei 1859 werd hij naar Alkmaar overgeplaatst, weer onder Conrad. Hij werkte o.a. aan het Nieuwe Diep. Conrad, die meende dat Van Niftrik groot onrecht was aangedaan inzake het aspirant ingenieurschap in Nederlands Indië, vond dat deze daar een vergoeding voor diende te krijgen. Dankzij diens bemoeiingen werd hem door de Minister van Koloniën alsnog aangeboden, aspirant ingenieur te Nederlands Indië te worden. Daar hij inmiddels gehuwd was, sloeg hij dit aanbod af. Op 1 juli 1859 was hij opzichter der 3e klasse geworden, op 31 maart 1863 opzichter der 2e klasse en op 1 januari 1864 Stadsingenieur van Amsterdam. Hij bleef dit tot hem op eigen verzoek per 1 januari 1901 eervol ontslag werd verleend (7). Na beëindiging van de zelfstandigheid van de administratie van de Stadsingenieur in februari 1895 en het opgaan daarvan in de Dienst voor de Publieke Werken, bleef de functie van Stadsingenieur een belangrijke functie binnen die Dienst. (leiding van het eerste hoofdbureau der Publieke Werken, dat zich bezighield met voorbereiding en uitvoering van nieuwe werken)(8) .

Geschiedenis van het archief

Tot 1923 lag het archief van de Stadsingenieur op het Prinsenhof (stadhuis). Vervolgens werd het overgebracht naar de Bank van Lening aan de Herenmarkt, alwaar depotruimte was vrijgekomen. In 1958 volgde de verhuizing naar de voormalige meel en broodfabriek Ceres aan de Nieuwe Prinsengracht (9). Uiteindelijk werd het archief in 1986 overgebracht naar het vroegere raadhuis van Nieuwer Amstel, dat al sinds 1914 als archiefbewaarplaats was ingericht en waar door grootschalige nieuwbouw genoeg depotruimte was bijgekomen om alle aan de archiefdienst overgedragen archieven op die plaats te verenigen (10).

Verder zij gewezen op de bouwtekeningen en plattegrondencollectie op de Atlas met als toegang het kaartsysteem getiteld : openbare werken / monumentenzorg. De fiches met Dienst Publieke Werken kunnen de archieven Stadswerken en gebouwen, Stadsingenieur, Stadsarchitect en Dienst Publieke Werken betreffen, afhankelijk van periode en object.

*INVENTARISATIEWERKZAAMHEDEN*

Het archief bevindt zich in goede staat, de lengte bedraagt 13 meter. Over de jaren 1855 1856, 1858 1859, 1866 1875 en 1878 werden ooit achteraf indicateurs gemaakt naar de toen aanwezige stukken. Vergelijking met de later toch weer teruggevonden oorspronkelijke indicateurs van 1867 en 1871 laat zien dat in de periode tot en met 1873 zeer veel stukken verloren zijn gegaan.

Literatuur

J. van Niftrik, 'Geschiedenis van de Publieke Werken van Amsterdam van 1864 1901', [1901] (getypt)

J.G. van Niftrik, 'Levensbeschrijving en werken van J.G. van Niftrik', bezorgd in getypte vorm door Ramaer [na 1910] (11) Voetnoten

1) Arch. 5079, notulen 18-1-1856: munimenten nr. 7

2) Arch. 5079, notulen 5-2-1873 en 23-1-1873

3) Gemeenteblad 1873, afd. 2, p. 314

4) J. van Niftrik, 'Geschiedenis van de Publieke Werken van Amsterdam van 1864-1901'[1901], p. 28 (getypt)

5) Gemeenteblad 1895, afd. 3, volgnr. 11, art. 4,5 en 7

6) Bevolkingsregister van 1851, WW 88, C 364, F 364, M 140 en van 1864, M 140

7) J.G. van Niftrik, 'Levensbeschrijving en werken', bezorgd in getypte vorm door Ramaer [na 1910], Bijlage IV*

8) 100 jaar Publieke Werken, 13 februari 1850-1950; uitgave ter gelegenheid van het 100-jarige bestaan van de Dienst der Publieke Werken [Amsterdam, 1950]

9) Ons Amsterdam 1987 (nr. 31), p. 254 e.v.

10) Gemeenteverslag 1986

11) Alleen te verkrijgen na voorafgaande afspraak; nog ongeïnventariseerd aanwezig in arch. 5213

Archiefvormer

Stadsingenieur
© Stadsarchief
Disclaimer / Colofon
<

Gegevens over mogelijk nog levende personen mogen alleen worden gebruikt voor historisch (waaronder genealogisch), wetenschappelijk of statistisch onderzoek.

Door het aanklikken van onderstaande button verklaart u zich te houden aan het Reglement voor raadpleging en gebruik van het Stadsarchief.