5182: Archief van de Secretarie; Afdeling Militaire Zaken en rechtsvoorgangers

Algemene kenmerken

Toegangsnummer:

5182

Periode:

1804 - 1947

Inleiding

Wetgeving en dienstplicht (1)

Tijdens de Franse overheersing werd de dienstplicht (conscriptie) ingevoerd. Loting bepaalde of een dienstplichtige werkelijk opgeroepen werd voor de vervulling van zijn dienstplicht. Deze dienstplicht werd na het vertrek van de Fransen gehandhaafd: al de mannelijke ingezetenen die hun 19de jaar waren ingetreden moesten zich in hun woonplaats laten inschrijven. De eerste militiewet van 1815 werd in 1817 vervangen door de wet voor de oprichting van de nationale militie (2). De gouverneur van de provincie werd verantwoordelijk voor al de aangelegenheden met betrekking tot de lichting van de militie. De provincie werd verdeeld in militiedistricten, met een militieraad en een militiecommissaris voor zaken als loting, aanwijzing en vrijstelling. Bij de nieuwe wet van 1861 veranderde er weinig. Met de militiewet van 1912 werd een keuringsraad ingesteld voor de medische keuring van lotelingen. In 1922 nam deze keuringsraad de taken over van de militieraad. Een districtscommandant werd verantwoordelijk voor de loting. De taken van de Commissaris van de Koningin werden sterk beperkt.

Oorspronkelijk was het de bedoeling van de wetgever dat de Landmilitie zou bestaan uit vrijwilligers, zo nodig aangevuld met ingelote dienstplichtigen. Dit laatste was in de negentiende eeuw steeds noodzakelijk. Eén van de oorzaken van het geringe aanbod van vrijwilligers was het feit dat een ingelote dienstplichtige zich kon laten vervangen (tegen betaling) door een remplacant. Ook kon men zijn dienst laten waarnemen door een zogenaamde nummerverwisselaar (3). In 1898 werd het remplacantenstelsel afgeschaft en de persoonlijke dienstplicht ingevoerd.

De stedelijke administratie en militaire aangelegenheden (4)

De Bataafs-Franse tijd

Om al de aangelegenheden betreffende de huisvesting, voeding en het transport van de Franse troepen te regelen, werd in 1795 een Comité van expeditie en een Comité van inkwartiering ingesteld. De werkzaamheden van beide comité's droegen een besturend karakter, terwijl die van het eveneens in 1795 opgerichte Kantoor van inkwartiering en expeditie op het uitvoerende vlak lagen. In 1797 werden de Comité's van inkwartiering en expeditie samengevoegd onder de benaming: Comité van inkwartiering en expeditie.

Omstreeks 1803 kwam er in plaats van het comité en het kantoor van inkwartiering en expeditie één orgaan: de commissie van kazernering. In 1807 bestond deze commissie uit twee leden van de stedelijke Raad, een inspecteur, twee employe's van het voormalige kantoor en een magazijnbediende. De inspecteur hield zich bezig met de inspectie van de kwaliteit van geleverde goederen, de toestand van kazernes en overige militaire gebouwen en met financiële administratie. Dit laatste omvatte bijvoorbeeld het bijhouden van de rekening-courant met het Ministerie van Oorlog inzake de door de stad Amsterdam voorgeschoten kosten. Deze inspecteur werd met ingang van 1 januari 1809 aangesteld als superintendent (=iemand belast met het oppertoezicht). De inspecteur nam deze functie over van het inmiddels nog enige raadslid in de commissie van kazernering. Sindsdien bestond de commissie alleen nog uit ambtenaren.

schema 1: situatie resp. 1795, 1797 en ca. 1803.

+----------------------+ +----------------------+ +---------------------+

fl. beleid fl. fl. beleid fl. fl. uitvoering fl.

+----------------------fl. +----------------------fl. +---------------------fl.

fl. fl. fl. fl. fl. fl.

fl. fl. fl. fl. fl. fl.

fl. comité van fl. fl. comité van fl. fl. kantoor van fl.

fl. expeditie fl. fl. inkwartiering fl. fl. inkwartiering fl.

fl. fl. fl. fl. fl. en expeditie fl.

fl. fl. fl. fl. fl. fl.

fl. fl. fl. fl. fl. fl.

fl. troepen fl. fl. fl. fl. fl.

fl. transport fl. fl. huisvesting fl. fl. fl.

+----------------------+ +----------------------+ +---------------------+

fl. fl. fl.

fl. fl. fl.

+----------------------+ +----------------------+

fl. beleid fl. fl. uitvoering fl.

+----------------------fl. +----------------------fl.

fl. fl. fl. fl.

fl. fl. fl. fl.

fl. comité van fl. fl. kantoor van fl.

fl. inkwartiering fl. fl. inkwartiering fl.

fl. en expeditie fl. fl. en expeditie fl.

fl. fl. fl. fl.

fl. huisvesting en fl. fl. fl.

fl. transport troepen fl. fl. fl.

+----------------------+ +----------------------+

fl. fl.

fl. fl.

+------------------------+

fl. fl.

fl. fl.

fl. commissie fl.

fl. van kazernering fl.

fl. fl.

fl. fl.

fl. fl.

fl. fl.

+------------------------+ De werkzaamheden van de commissie stonden vooral in verband met het in de stad gelegerde garnizoen. Begin juli 1810, kort na de inlijving van ons land bij Frankrijk, werd het garnizoen uitgebreid met Franse troepen. Deze vermeerdering van het garnizoen leidde door het gebrek aan kazerne-ruimte tot inkwartiering op grote schaal bij de burgerij (5). Het steeds meer inkwartieren van militairen bij burgers had ook een andere oorzaak: de kazernes werden bouwvallig. De bouw van de Oranje-Nassaukazerne moest de hier genoemde problemen verhelpen. Behalve de inkwartiering omvatte de werkzaamheden in deze periode ook de zorg voor doortrekkende militairen, een paspoorten-administratie (6), bemoeienis met aangehouden bedelaars, uitbetaling van pensioenen en het beheer van meubilair en beddegoed.

De conscriptie werd na de inlijving van ons land bij Frankrijk in 1810 ook voor jongemannen in Amsterdam van toepassing (8). Na de openbare kennisgeving van het decreet van 3 februari 1811 werden zij die geboren waren in 1788, bestemd om als 'conscrits' van de 'classe 1808' te worden ingeschreven. De volgende inschrijvingen vonden daarna nog plaats:

in sept. 1811 de classe 1809 (geb.jaar 1789);

in febr. 1812 de classe 1810 (geb.jaar 1790);

in sept. 1812 de classe 1811 (geb.jaar 1791);

in jan. 1813 de clasclasse 1813 (geb.jaar 1793).

Naast deze inschrijving was de commissie van kazernering betrokken bij de inschrijving voor de maritieme conscriptie, het korps kust-kanonniers, de Garde Soldée, de Compagnie de Réserve, de Garde d'Honneur en de werving van vrijwilligers voor de Hollandse regimenten in de Grande Armée.

Onder invloed van het Franse bestuur werd in januari 1812 een belangrijke wijziging doorgevoerd bij de stedelijke administratie van Amsterdam (8). Er werden op het Stadhuis drie afdelingen gevormd: een afdeling Thesaurie (later: Financiën) voor de financiële aangelegenheden, een afdeling Secretarie (later: Algemene Zaken) voor de overige bestuurszaken en een derde afdeling Militaire Zaken, waar al de militaire aangelegenheden werden behandeld. Dit laatste hield in dat de commissie van kazernering werd omgezet in de 3e divisie (=afdeling) van het Stadhuis.

schema 2: de stedelijke administratie in 1812

+----------------------+ +----------------------+ +---------------------+

fl. 1e divisie fl. fl. 2e divisie fl. fl. 3e divisie fl.

+----------------------fl. +----------------------fl. +---------------------fl.

fl. fl. fl. fl. fl. fl.

fl. fl. fl. fl. fl. fl.

fl. Thesaurie fl. fl. Secretarie fl. fl. Militaire Zaken fl.

fl. fl. fl. fl. fl. fl.

fl. fl. fl. fl. fl. fl.

fl. fl. fl. algemene fl. fl. fl.

fl. financiën fl. fl. bestuurs- fl. fl. fl.

fl. fl. fl. aangelegenheden fl. fl. fl.

+----------------------+ +----------------------+ +---------------------+ Een superintendent werd chef van deze afdeling. Op de afdeling werden twee bureaus gevormd die belast waren met de volgende werkzaamheden (9):

1e bureau: de verzorging van passerende troepen; de leverantie van de benodigdheden voor de kazernes; het voorzien in wagens en schuiten ten behoeve van de militairen; de inkwartiering van militairen bij burgers.

2e bureau: uitvoering van de decreten en wetgeving op het terrein van de conscriptie; het opmaken van mercurialen (prijslijsten van goederen).

Met het vertrek van de Fransen kwam er een eind aan de werkzaamheden ten behoeve van de Franse militaire autoriteiten, maar de nieuwe organisatie van de stedelijke administratie op het Stadhuis werd na de Franse tijd niet ongedaan gemaakt.

Na de Bataafs-Franse tijd

Hoewel de commissie van kazernering werd omgezet in een secretarie-afdeling, verloor zij niet het karakter een dienst: in tegenstelling tot de twee andere afdelingen secretarie en thesaurie vond er nauwelijks beleidsvoorbereiding plaats. Ook werd er geen indicateur gebruikt, zoals bij de twee andere afdelingen, om de inkomende en uitgaande stukken in te schrijven. De indicateur (of liever: een 'voorlopige versie' (10)) werd pas ingevoerd in november 1813, na het vertrek van de Fransen.

De werkzaamheden werden met name bepaald door de verschillende militiewetten.

In januari 1814 werd een verdergaande unificering aangevoerd als reden om bij de secretarie-afdeling Militaire zaken een reorganisatie door te voeren: 'Gelet op de gereguleerde organisatie der overige deelen der voormalige administratie, zodanig dat de voorheen bestaan hebbende 3de Divisie der Mairie belast met de Militaire Stads Zaken nog behoort gewijzigt te worden na den thans betaamlijke voet' (11). Het betekende voor de afdeling een splitsing in twee commissariaten, namelijk een Commissariaat van militaire zaken en een Commissariaat van kazernering en garnizoenszaken.

Het Commissariaat van militaire zaken kende twee bureaus:

1e bureau: dit behandelde alle zaken die in verband stonden met de oprichting van de Landmilitie en de Landstorm; alles wat betrekking had op de conscriptie, de lichting van troepen, de militaire pensioenen, de administratie van het meubilair in gebruik bij militaire autoriteiten, het inzenden van mercurialen aan de militaire en marine autoriteiten.

2e bureau: behandelde al de aangelegenheden op het gebied van de inkwartiering.

Het Commissariaat voor kazernering en garnizoenszaken behandelde de aangelegenheden inzake de kazernering; de verzorging en administratie van fournituren; het toezicht over de leverantie van levensmiddelen en water aan de troepen; het houden van de rekening met het rijk vanwege voorschotten ten dienste van de troepen; het verzorgen van militaire transporten.

Aan het hoofd van de commissariaten stonden twee commissarissen.

Het toezicht op de werkzaamheden lag tussen 1814 en 1827 in handen van de (presiderend-) burgemeester. Na die tijd, toen de verschillende 'vakken van bestuur' (de afdelingen op het Stadhuis) werden verdeeld tussen de leden van het college van B & W, bij een wethouder (12). Dagelijks moest de commissaris verschijnen bij de burgemeester 'ten einde het noodige te produceren, over te nemen of zodanige orders te ontvangen als dienstig zal bevonden worden.' Opheffing van de commissariaten

Het Commissariaat van kazernering en garnizoenszaken werd, ten gevolge van een bezuinigingsronde, in 1829 opgeheven, na de pensionering van de commissaris. De taken werden verdeeld over verschillende afdelingen op het Stadhuis: de zorg voor het materieel werd opgedragen aan de Commissaris van publieke werken, het financieel gedeelte aan de secretarie-afdeling financiën. De aangelegenheden op het gebied van de kazernering kwamen bij het Commissariaat van militaire zaken te berusten. Vooralsnog, tot aan diens pensionering in 1845, bleef er bij dit commissariaat titulair wel een commissaris aan het hoofd staan.

Werkzaamheden van de afdeling

Aan het hoofd van de afdeling kwam nu, net als bij de overige afdelingen op het stadhuis, een hoofd-commies te staan, tot 1853 zelfs twee (13). De bestuurlijke verantwoordelijkheid voor de afdeling ging over van de wethouder naar de burgemeester. Doordat de taken een sterk uitvoerend karakter droegen en minder beleidsvoorbereidend waren zoals bij de andere afdelingen van het stadhuis, leek Militaire zaken meer op een dienst dan op een secretarie-afdeling. Burgemeester en wethouders merken zelfs op dat de afdeling 'een uitzonderlijk gedeelte van de stedelijke secretarie' uitmaakt (14).

De naam van de afdeling werd in november 1853 gewijzigd in afdeling (Nationale) Militie en schutterij(en) (15). De werkzaamheden werden vooral bepaald door de verschillende militiewetten. Behalve de inschrijving, loting, vrijstelling, verloven en de regeling van pensioenen van militairen bleven de voedselvoorziening en ook de huisvesting de aandacht houden. In 1860 werd de kazerne Oranje-Nassau overgedaan aan het rijk. Vijf jaar later werden er nieuwe kazernes op het bolwerk Muiden (tegenwoordig: Sarphatistraat) in gebruik genomen en oude kazernes naast het Paleis voor Volksvlijt afgebroken.

Na de militiewetten van 1815 en 1817, die het fundament legden voor de negentiende eeuwse militie-wetgeving, volgde een uitgebreide wetgeving in 1861 (16). Er kwamen nieuwe voorschriften omtrent de wijze van inschrijving van de mannelijke ingezetenen en de registers zelf werden enigszins gewijzigd. Het aantal lotelingen dat moest worden ingeschreven begon in de jaren tachtig sterk toe te nemen en verdubbelde in nog geen twintig jaar (17). De in omvang gestaag toememende werkzaamheden moesten door de afdeling vooralsnog met hetzelfde aantal ambtenaren worden verricht (18). In een rapport aan B & W schreef de hoofdcommies I.J. Ritter dat behalve dat het beschikbare personeel in aantal tekort schoot, van 'de 7 ambtenaren zijn geheel ongeschikt tot het verrigten van eenig werk de kommies K.W. Friso Vogelaar wegens hoogen ouderdom en ligchaams verzwakking, en de klerk H.B. Veltman ten gevolge van eene hem in de maand Juli j.l. overvallen beroerte' (19). Beiden gingen kort hierop met pensioen, maar de bestaande vacatures mochten van B & W niet worden opgevuld: 'tijdelijke hulp [zal] in het schrijfwerk voorzien' (20).

Met de groei van de gemeentesecretarie rond 1900 nam vooral het aantal klerken en schrijvers bij de afdeling Nationale Militie en Schutterij sterk toe. De toename van het aantal militie- en schutterijplichtigen maakten dit ook noodzakelijk. In 1896 kwam er de inschrijving voor de Landstorm bij (21), in 1901 de Landweer (22).

De naam van de afdeling werd in 1907 opnieuw gewijzigd: naar aanleiding van de opheffing van de schutterij werd het in plaats van afdeling Nationale militie en schutterij opnieuw afdeling Militaire zaken (23).

Ingrijpende reorganisaties heeft de afdeling niet meer doorgemaakt. In een organisatie-overzicht van de afdeling, opgemaakt in 1924 (24), worden vijf onderafdelingen (=bureaus) genoemd, met de taken. De werkzaamheden waren dezelfde als hiervoor beschreven. Nieuwe taken kwamen er alleen nog bij in geval van oorlogsdreiging (1914 en 1939/'40: mobilisatie en demobilisatie) en bezetting (1940-'45: Nederlandse Arbeidsdienst).

Geschiedenis van het archief en verantwoording van de inventarisatie

De raadhuizen op de Dam en op de O.Z. Voorburgwal, verschillende percelen op en rond genoemde burgwal en accomodatie in de Utrechtsepoort, dienden tot onderkomen van de verschillende bestuurlijke organen belast met militaire aangelegenheden (25).

Al vrij vroeg, rond 1860, ging men er toe over de archieven van de secretarie-afdeling te inventariseren. Deze inventaris is niet aangetroffen.

Geleidelijk aan werden gedeelten van het archief overgedragen aan het gemeentearchief. In de jaren na 1900 werden daar de ingekomen en minuten van uitgaande stukken 'gezuiverd en geregeld', dat wil zeggen dat de blanco vellen papier en de apostillen werden verwijderd. Het indicateurnummer van de afdeling en het nummer van de generale indicateur werden overgenomen op het stuk (26). In de jaren twintig stelde de archiefdienst een vernietigingslijst op, mede in overleg met de secretarie-afdeling, waarna overgegaan werd tot uitvoering. Van de stukken uit 1828 bijvoorbeeld werd ca. 30 % vernietigd (27).

In 1963 kwam een deelinventaris uit van het archief tot en met 1861, van de hand van F. de Rochemont. Zijn indeling van het archief en van de inventaris, namelijk een gedeelte vóór en na 15 november 1813 is overgenomen. Deze scheiding hangt samen met de invoering van het indicateurstelsel op laatstgenoemde datum (28). De inventaris van 1963 is op enkele punten verbeterd en aangepast. De beschrijving van het gedeelte na 1861, met onder meer een onderscheid in stukken wel en niet vallende onder de dienstplicht, en de uitvoering van en vernietiging van stukken over de jaren 1926 - 1945 completeerde de inventarisatie van de secretarie-afdeling Militaire Zaken. Bij deze inventarisatie werd op verschillende wijzen assistentie verleend door W. Koning.

De omvang van het archief bedraagt 176 meter.

Aanwijzingen voor het gebruik van de inventaris

Het archief biedt vele mogelijkheden om het te gebruiken als bron voor historisch onderzoek. Een opsomming van deze mogelijkheden vindt men in een deel uit de serie 'Broncommentaren' (29). Vooraf dient gezegd te worden dat het archief van deze secretarie-afdeling niet compleet bewaard is gebleven: met name uit de periode tot ca. 1830 ontbreken een aantal lotings- en inschrijvingsregisters en van de serie ingekomen en minuten van uitgaande stukken ontbreken de jaren 1814 - 1824 vrijwel geheel.

Hieronder volgt een beschrijving van een aantal onderdelen van het archief van de secretarie-afdeling Militaire zaken.

Inv.nr:

137 - 3305 (ingekomen en minuten van uitgaande stukken, 1813 - 1945)

Bevatten onder andere:

- correspondentie met het rjk, de provinciale Gouverneur en andere gemeenten in binnen- en buitenland over dienstplichtigen of legeronderdelen;

- brieven over procedurekwesties als inschrijving, loting, keuring, oproep, ontslag, verlof e.d.; daarnaast over desertie, geboortebewijzen (van

buitenlanders) en overlijden;

- regeling van militaire pensioenen;

- ingekomen mercurialen (prijslijsten van goederen);

- requisitie van rijtuigen, paarden of automobielen;

- stukken betreffende fortificaties en bewapening;

- maatregelen in verband met inkwartiering of kazernering;

2155 - 3305 (ingekomen en minuten van uitgaande stukken, 1926 - 1945)

Het zgn. 'Engelse hoofden systeem', vanaf 1926 in gebruik bij de afdeling Militaire zaken, kent een vast (hoofd)nummer voor een vast onderwerp (met subnummers voor de stukken), gevolgd door een doorlopende nummering voor de stukken betreffende andere onderwerpen. De afdeling Militaire zaken maakte hier nog een eigen variant op; men gebruikte binnen die subnummers opnieuw subnummers of letters. Voor een voorbeeld ter verduidelijking, zie de opmerkingen bij inv.nrs. 3530 - 3760.

3306 - 3529 (indicateurs, 1814 - 1925)

De inkomende en uitgaande stukken van de afdeling werden (chronologisch) ingeschreven in indicateurs, met gegevens over afzender/geadresseerde en onderwerp van een stuk, over de 'loop' van de stukken bij de administratie (de behandeling en afloop) en eventuele opmerkingen;

3530 - 3760 (indicateurs, 1926 - 1945)

Over de jaren 1926 - 1945 zijn er indicateurs per rubriek, in totaal maximaal 35 delen per jaar (dit hangt samen met wat er hierboven beschreven staat bij de inv.nrs. 2155 - 3305). Al de inkomende en uitgaande stukken van de afdeling Militaire zaken werden ingeschreven in één van die 35 delen. In één van de delen vindt men een overzicht van de onderwerpen. Soms ontbreken delen. Binnen de hoofdnummers (voor een rubriek) zijn er subnummers voor onderwerpen binnen die rubriek. Binnen deze nummering werden stukken soms vervolgens weer alfabetisch opgeborgen.

3761 - 3782 (trefwoordenindexen, 1818 - 1834)

De rubrieken in de trefwoordenindexen over de jaren 1818 - 1834 zijn aangeduid met letters. Een overzicht, met de betekenis en de varianten die in verschillende jaren voorkomen:

A Nationale Militie

B Militairen

C Inkwartiering

D Schutterij

E Diversen

F Mercurialen

G Desertie

H Pensioenen

I Ontslag uit dienst

L Informatiën

Uitzonderingen:

- in 1820 is K: Informatiën;

- in 1823 - 1832 is I: Franse Achterstand;

- in 1832 - 1834 is K3: Vrijwillige wapening;

- in 1832 is K2: Kommandement;

- in 1833 en 1834 is J: Ontslag uit dienst, K: Militaire Dienst, L: Landstorm;

- in 1834 is J2: Vervoermiddelen.

3903 - 4028 (inschrijvingsregisters)

4029 - 4225 (alfabetische naamlijsten)

Delen 1 en 2 van de registers met de alfabetische naamlijsten bevatten de namen van de jongens die in een bepaald jaar de dienstplichtige leeftijd hadden bereikt. Sommige jongens waren niet direct inzetbaar maar werden doorgeschoven naar het volgend jaar omdat ze bijvoorbeeld te klein waren, een priester opleiding volgden ed. Deze jongens werden ingeschreven in de registers deel 3 en 4 van het jaar daarop. Soms was een deel 5 nodig. De jongens konden meerdere opvolgende jaren worden doorgeschoven. De registers nrs. 3, 4 en 5 zijn niet gedigitaliseerd omdat hun namen voorkomen in de delen 1 en 2 van het jaar van hun eerste oproep.

4226 - 4514 (lotingsregisters)

4573 - 4605 ('Staat A')

4870 - 4970 (Landstorm)

In deze registers worden de volgende gegevens vermeld: een volgnummer, naam (voornaam en familienaam), geboorteplaats en datum, beroep, namen en beroep ouders of voogd; en soms: verblijfplaats, signalement, door wie men is aangegeven, uitspraak van de militieraad, dag van inlijving en legeronderdeel, naam van de plaatsvervanger of nummerverwisselaar, datum ontslag uit dienst, genoten onderwijs.

Vanaf 1863 vallen bij de inschrijvingsregisters het jaar van de inschrijving en het jaar van de lichting niet meer samen; bij inv.nr. 1305 is 1862 het jaar van inschrijving, 1863 het jaar van de lichting, enz. Bij de lotingsregisters zijn van 1863 tot 1914 de gegevens uit de inschrijvingsregisters getrokken.

Noten

(1) Zie uitgebreider in: Broncommentaren V: De militieregisters 1815 - 1922. Stichting Archiefpublicaties. 's-Gravenhage 1986.

(2) De belangrijkste Militiewetten zijn de Militiewet van 1815 (Staatsblad nr. 19); de wet omtrent de oprichting van de Nationale Militie van 1817

(Staatsblad nr. 1); de wet betreffende de Nationale Militie van 1861 (Staatsblad nr. 72); de wet tot regeling van de verplichting ten aanzien van

de militie van 1912 (Staatsblad nr. 145); de dienstplichtwet van 1922 (Staatsblad nr. 43).

(3) Een vrijgelote dienstplichtige, met een lotingnummer hoger dan het getal aan het district opgelegde contingent, kon de plaats innemen van een

ingelote dienstplichtige.

(4) Het gedeelte van de inleiding tot 1862 is een bewerking van de inleiding op de 'oude' inventaris van F. de Rochemont: Inventaris van de

commissie van kazernering 1810-1811, de derde divisie der stedelijke secretarie 1812-1814, het commissariaat voor de militaire zaken 1814-

1854 en de afdeling nationale militie en schutterij 1854-1861.(bibliotheek gemeentearchief).

(5) De wijkboeken ten behoeve van de vrijstelling van inkwartiering zijn geplaatst onder het Nieuw Stedelijk Bestuur (arch. 5053, inv.nrs. 380-383)

voor 1810-1813 en onder arch. 5012 (inv.nrs. 1-8) voor 1814-1841.

(6) De bemoeienis met paspoorten had van doen met de controle of personen zich niet aan de inlijving onttrokken (Staatsblad 1814, nr. 12, art. 1-

3).

(7) Aan de conscriptie werd iedere Fransman, en hij die in het bij Frankrijk ingelijfde gebied woonde, onderworpen die de leeftijd van 20 jaar had

bereikt.

(8) Zie uitgebreider in de inleiding op de inventaris van de Secretarie-afdeling Algemene Zaken, arch. 5181, blz. 6,7.

(9) Johannes Vollenhoven: 'Organisatie en Personeel van de Stedelijke Administratie 1808-1817 (bibliotheek gemeentearchief, H 39), blz. 13, 14.

(10) Zie inv. nr. 3306.

(11) Arch. 5166/1, blz. 26, 27.

(12) Arch. 5166/13, blz. 176.

(13) Dit heeft waarschijnlijk van doen met de 'oude' tweedeling in taken op de afdeling. Arch. 5166/59, blz. 92; arch. 5166/76, blz. 327; arch.

5181/10431 (1868).

(14) Arch. 5166/17, blz. 57.

(15) Zie de notulen van B & W: 5166/77, blz 319 en 330. Er werd geen besluit over de naamswijziging gevonden.

(16) Wet van 19 augustus 1861 (Staatsblad nr. 72).

(17) A. Knotter, Economische transformatie en stedelijke arbeidsmarkt. (Zwolle 1991), blz. 272.

(18) Aantal ambtenaren, overgenomen uit de Herenboekjes: 1846: zeven; 1890: acht; 1901: veertien; 1911: twintig; 1921: tweeendertig.

(19) Arch. 5166/82, blz. 441.

(20) Arch. 5166/83, blz. 240.

(21) Deze formatie van de landmacht bestond uit vrijwilligers. In 1940 ontbonden.

(22) Staatsblad nr. 160 (1901). De Landweer werd ingesteld om als legeraanvulling de -niet meer bruikbare- schutterij te vervangen. Onderdeel in

1922 vervallen.

(23) Arch. 5166/202, blz. 246.

(24) 'Overzicht van de organisatie en ontwikkeling van de secretarie der gemeente Amsterdam sedert de invoering van de gemeentewet in 1851'.

(bibliotheek gemeentearchief, H 1006), blz. 52, 53.

(25) Voor een overzicht: de inleiding op de inventaris van F. de Rochemont (zie noot 4).

(26) Het nummer van de generale indicateur werd omcirkeld.

(27) Verslag van het Gemeente-Archief te Amsterdam, over het jaar 1925; idem 1926.

(28) Dit stelsel is ook de basis voor de ordening in de inventaris.

(29) Zie noot 1 (blz. 11). Voor het gebruik van de registers op een specifiek terrein, de kwantitatieve geschiedenis, zie: 'The representativeness of

the Dutch military registers as a source for quantative history', Economic and social history in the Netherlands. Vol.I, (1989).

Archiefvormer

Secretarie; afdeling Militaire Zaken
© Stadsarchief
Disclaimer / Colofon
<

Gegevens over mogelijk nog levende personen mogen alleen worden gebruikt voor historisch (waaronder genealogisch), wetenschappelijk of statistisch onderzoek.

Door het aanklikken van onderstaande button verklaart u zich te houden aan het Reglement voor raadpleging en gebruik van het Stadsarchief.