5061: Archieven van de Schout en Schepenen, van de Schepenen en van de Subalterne Rechtbanken

Algemene kenmerken

Toegangsnummer:

5061

Periode:

1524 - 1811

Inleiding

Voor een complete verhandeling over de ambten van Schout en Schepenen, hun verantwoordelijkheden en hun taken, verwijzen we u naar het twaalfde en dertiende stuk van Jan Wagenaar's 'Amsterdam in zyne opkomst, aanwas, geschiedenissen, voorregten, koophandel, gebouwen, kerkenstaat, schoolen, schutterije, gilden en regeringe'. Maar om u toch een zeker handvat te geven bij het raadplegen van dit archief, volgt hier een korte uitleg van de structuur van de rechtspraak, welke rechtbanken zich met welke zaken bemoeide en welke soort stukken daarbij werden opgemaakt.

De Schout



Van oudsher was de schout, ook wel hoofdofficier, de hoogste ambtenaar die het recht vorderde en de wet handhaafde. In eerste instantie uit naam van de graven en later vanwege de Staten van Holland en West-Friesland. Hierom zat hij als het hoofd van de schepenen op een kussen met het wapen van Holland. Het ambt van schout werd eertijds verpand aan individuele personen, die hun investering terug konden verdienen door het opleggen van boetes en het innen van verschillende belastingen. In 1477 wordt het ambt voor het eerst aan de stad verpand, wat inhield dat de schout door de burgemeesters en raden werd aangesteld. De graaf verkreeg het recht tot het aanstellen van de schout nog twee keer terug. In 1564 koopt de stad dit recht weer voor 20.000 guldens en 300 ponden jaarlijks, maar werd bij de afstand van de Satisfactie in 1581 ontslagen van deze jaarlijkse last en behield tot de Franse periode het recht tot het benoemen van de schout.

De oudste nog bekende instructie aan de schout uit 1564 schrijft voor dat de schout werd gemachtigd, 'om over alle misdaaden, zelfs zulken, waar over de Graaven, oudtyds, de regtspraak aan zig behouden hadden, gelyk Zeeroof [piraterij], Reroof [lijkberoving], Vrouwekragt, Moord, Moordbrand [brandstichting], Samenzweering [Conspiratie], valsche munt, Klokslag, of oproer met klokslag, Sodomie enz. regt te vorderen: doch zaaken van Zeevonden, Bastaarden, Stragiersche (1), desperatie [desperate], of onbeheerde, en diergelyke goederen moest hy zig niet onderwinden; maar den Ontvanger van ’s Graaven Espargne daarmede laten beworden.' Hij was bevoegd om tot een mijl rondom de stad misdadigers te arresteren, gevangen te nemen en te executeren. Daarnaast was het hem toegestaan om zonder verlof van burgemeesters of schepenen huiszoekingen te verrichten, ook bij poorters. Verdachten werden, in het bijzijn van twee schepenen, door de schout verhoord en hun bekentenissen werden door een van de secretarissen in de Confessieboeken geschreven. Na uitvoerig onderzoek en het horen van getuigen, stelde de schout een eis vast. De schout diende het uiteindelijke vonnis, dat door de schepenen werd uitgesprokken, ten uitvoer te brengen. Verder schreef hij mee aan de keuren, ofwel de lokale wetten, die golden voor de bewoners van Amsterdam.

In 1534 werd er voor het eerst een substituut-schout aangesteld en in de 18e eeuw waren er vijf met ieder zijn eigen jurisdictie. Wagenaar beschrijft er drie: 1) De Hoofd Provoost van het Aalmoesseniers-Weeshuis die gemachtigd was om bedelaars, die in het nieuwe Werkhuis geplaats werden, op te vangen. 2) De Baljuw van de Zeezaken of het Waterrecht, die de wet moest handhaven op het IJ en haar oevers en de verkopingen deed van schepen. 3) De Substituut-Schout van de Plantaadje, of Plantage, die alle ongeregeldheden moest regelen in de Plantage en langs de Kadijk en het Weesperveld. De schout en zijn substituut-schouten hadden ieder twaalf agenten onder zich die met geweld het recht mochten laten gelden.

De Schepenen

Vermoedelijk werden de eerste Schepenen al rond 1270 aangesteld door de graven. Of dit plaatsvond bij nominatie is niet duidelijk. Pas in 1449 machtigde Filips van Bourgondië de Vroedschap om jaarlijks veertien personen te nomineren waaruit de graaf zeven Schepenen koos. In 1560 werd dit aantal verhoogt naar respectievelijk achttien en negen, totdat in 1581 het aantal genomineerde weer op veertien werd gesteld en werd besloten om jaarlijks van de zeven aftredende Schepenen twee personen als presidenten aan te wijzen. In Wagenaar’s werk valt te lezen welke ceremonies en rituelen er werden opgevoerd bij de nominatie, verkiezing en beëdiging van de Schepenen.



Wagenaar vat de werkzaamheden van de Schepenen als volgt samen: 'Het Ampt van Schepenen van Amsterdam bestaat, in 't algemeen, in het spreken van regt over allerlei Crimineele en Civile zaaken, die binnen de Stad en derzelver Vrijheid voorvallende, voor hunne Regtbank gebracht worden. Veelen van deeze zaken komen, ter eerster aanleg, voor de Schepenen. Doch veele anderen worden, doorgaands, eerst gebragt, voor de ondergeschikte Banken van Commissarissen, die, van tyd tot tyd, tot bevordering van voorspoedige rechtspraak, en tot ontlasting van de Bank van Schepenen, op geregt zijn: van welke Banken, men zig egter, altoos, op de Bank van Schepenen beroepen mag. Ook mogen partyen, indien zy het eens zyn, zaaken, die, anderszins, ter eerster aanleg, voor eene der ondergeschikte banken, behooren zouden, regelregt, brengen voor de Bank van Schepenen. Voorts, dragen schepenen zorg, dat hunne Vonnissen en die der ondergeschikte Regtbanken ter uitvoering gelegd worden; zig daartoe, des noods, doende dienen van de sterke hand.'

Zodra iemand verdacht en aangeklaagd werd, of gedagvaard en gedaagd werd, kwam iemand op de rol. De rol is een register waarin de zaken werden ingeschreven en gepland werd wanneer ze voor moesten komen. Er bestonden meerdere rollen voor de verschillende type zaken. Wagenaar behandeld de rollen die vanaf 1656 werden bijgehouden, te weten: de Ordinaris Rol, Geprivilegeerde Rol, Extraordinaris Rol, Beneficie Rol, Impost Rol, Schouten Rol, Keur Rol en Kleine Rol. Voor alle rollen, behalve de Schouten en Keur Rol, was het verplicht om een procureur de zaak te laten afhandelen of aanwezig te hebben.

Behalve de rechtspraak in criminele en civiele zaken werden er ook vele andere zaken voor de schepenen gebracht. Zo ontvingen zij velerlei rekwesten en schikten deze. De voornaamste verzoeken behelsden verzoeken om een curator in verlaten of verwarde boedels, dan wel iemand aan te stellen als zaakwaarnemer/gemachtigde van iemand die vermist, afwezig, overleden of minderjarig is. Daarnaast regelden zij de borgtochten gekomen van onroerende of roerende goederen en transporten of kwijtscheldingen van vaste goederen die op basis van kustingbrieven en schepenenkennissen (een soort gerechtelijke schuldbrieven) op de goederen van de schuldenaars ter executie gelegd waren. Samen met de schout taxeerde zij huizen en andere onroerende goederen en zij bemiddelde in burenruzies en andere geschillen tussen ingezetenen van de stad.

De Subalterne Rechtbanken

In het derde boek van het dertiende stuk behandelt Wagenaar de 'Commissarissen der Collegien van Regeeringe of Bewind'. Hieronder bevinden zich ook de vijf Subalterne Rechtbanken: Bank van Huwelijkse Zaken en Injurien, Bank van Zeezaken, Bank van Kleine Zaken, Bank van Assurantien en Avarijen en Bank van Desolate Boedels. Het archief van de laatste Bank in dit rijtje is niet opgenomen onder dit toegangsnummer, maar is te vinden onder toegangsnummer 5072.

Bank van Huwelijkse Zaken en Injurien

Deze bank werd in 1578 ingesteld, nadat op de Synode van Dordrecht in 1574 was besloten dat iedereen ook voor 'de polityk' trouwde en dat dus geregistreerd moest worden. Voor die tijd was het huwelijk eigenlijk een kerkelijke aangelegendheid. Stellen konden zich op donderdag en vrijdag in het huwelijk laten verbinden. Voor bruidegommen onder de 25 en bruiden onder de 20 gold dat ze toestemming moesten hebben van ouders of voogden, of als deze er niet waren de burgemeesters of weesmeesters. Om de Commissarissen van Kleine Zaken te ontlasten, werden de Commissarissen van Huwelijkse Zaken in 1679 ook de zaken omtrent civiele geschillen betreffende bedreigingen en kwetsen, die niet boven de 600 guldens uitkomen, toebedeeld. Vandaar dat ze sindsdien ook de Commissarissen van Injurien of Beledigingen genoemd worden.

Bank van Assurantien en Avarijen

De Bank van Assurantien en Avarijen behandelde alle geschillen met betrekking tot verzekerde lading en schepen, die dan wel schade hadden opgelopen, of wel vermist werden. De bank werd in 1598 opgericht. Daarvoor werden deze zaken voor de schepenbank behandeld. Bij de Bank van Assurantien en Avarijen werd ook een register bijgehouden van verstrekte verzekeringen en in de gaten gehouden of ze onder de juiste voorwaarden werden afgesloten.

Bank van Kleine Zaken

Deze Bank werd opgericht in 1611 en handelde in eerste instantie in zaken waarvan de waarde niet boven de 40 gulden lag. In de jaren daarna werd dit bedrag steeds verhoogd, tot dat het in 1650 600 gulden betrof, criminele zaken uitgezonderd. Deze bank behandelde verder alle zaken die niet bij een ander bank onder te brengen waren, zowel in eerste aanleg, als in reconventie. Dit alles puur en alleen om de schepenen te ontlasten.

Ban van Zeezaken

Opgericht in 1641, behandelde deze bank alle zaken tussen koopman en schipper, schipper en bootsgezel, koopman en loodsman, loodsman en schipper, verlader en verlader, reder en reder en schipper en reder, waar het geen zaken van Assurantien en Avarije betrof. Zaken bij deze bank behelsden over het algemeen geschillen over arbeidsloon, reparaties of herstellen van schepen en levering van proviand en andere scheepsuitrusting.

Verantwoording van de inventaris

De inventaris op dit archief dateert al vanaf het begin van de 20e eeuw. Helaas zijn er sindsdien stukken verweesd geraakt en verdwenen. In 2017 is de inventaris herzien en zijn de verweesde stukken opnieuw beschreven. Er berusten geen openbaarheidsbeperkingen op dit archief. Het archief omvat zo’n 213 strekkende meter.

(1) Stagiersche of Estagiersche goederen zijn goederen van vreemden, die zonder familie vrienden of nagelaten te hebben, na overlijden komen te vervallen aan de staat.

Archiefvormers

© Stadsarchief
Disclaimer / Colofon
<

Gegevens over mogelijk nog levende personen mogen alleen worden gebruikt voor historisch (waaronder genealogisch), wetenschappelijk of statistisch onderzoek.

Door het aanklikken van onderstaande button verklaart u zich te houden aan het Reglement voor raadpleging en gebruik van het Stadsarchief.