442: Archief van de Parochie van de Heilige Franciscus Xaverius (de Krijtberg)

Algemene kenmerken

Toegangsnummer:

442

Periode:

1616 - 1957

Inleiding

Geschiedenis van de statie/parochie.

Al in het prille begin van de 17e eeuw waren enkele leden van de Sociëteit van Jezus in Amsterdam werkzaam. De arbeid van deze rondzwervende en opgejaagde pioniers heeft geen duidelijke sporen achtergelaten. De eerste van wiens persoon en werk dat wel kan worden getuigd was pater Augustijn van Teylingen, van huis uit Haarlemmer en telg uit een oud adellijk geslacht. Hij kwam in 1619, als jong priester, in Amsterdam en zou er tot zijn dood, in 1669, onafgebroken de zielzorg uitoefenen. Dat ook zijn pad niet over rozen ging blijkt wel hieruit, dat hij pas kort na 1650 een vaste bedeplaats voor zijn kudde kon inrichten, namelijk in een huis in de Kalverstraat, vanouds genaamd 'de Hooitwagen', maar al vrij spoedig 'de Papagaai' geheten. Onder die tweede naam bleef deze statie, thans parochiekerk, tot op de dag van vandaag bekend.

Na de dood van pater Van Teylingen kwam 'de Papegaai' in handen van de saeculiere geestelijkheid. Pater Henricus Prince, die pater Van Teylingen opvolgde, betrok toen een huis 'de Blauwe Bock' op de Verwers- (thans: Raam-) gracht. Toen de jezuïten in 1708 werden verbannen, werd deze statie opgeheven.

Een tweede initiatief, dat al dadelijk tot een vaste vestiging kwam in een huushuis, genaamd 'de Zijdeworm', ook in de Kalverstraat, werd genomen door pater Gerardus Maertens (Martini), die echter maar ongeveerd een jaar (1624/1625) in Amsterdam verbleef. Ook zijn opvolger bleef er maar kort, namelijk tot 1628, waarna pater Petrus Laurensz., geboortig uit Frans-Vlaanderen, zich in deze statie vestigde. Tot een paar maanden vóór zijn dood, in 1664 zou pater Laurensz. Deze post blijven bezetten.

In 1654 verplaatste pater Laurensz. De statie naar het Singel tegenover de Oude Lutherse kerk, naar een huis genaamd 'de Krijtberg', dat hij, samen met twee kleinere aangrenzende huizen, had kunnen kopen. Sindsdien bleef deze residentie van 'de Sociëteit' op dezelfde plaats en onder dezelfde naam ruim drie eeuwen onafgebroken voortbestaan, een unicum in heel de geschiedenis van de overigens zo mobiele Sociëteit van Jezus.

Een derde initiatief ging uit van de Amsterdammer Henricus van Alkemade. Hoewel hij op verzoek van de pro-vicaris Leonardus Marius naar Amsterdam was gekomen, om daar de gelederen te versterken, gaf de apostolisch vicaris Rovenius hem toch alleen maar verlof om in het huis van zijn moeder, Agatha van Beijnsdorp, mis te lezen. Na de dood van Rovenius trok hij in 1652 in het pand 'de Keizerskroon' aan de Brouwersgracht. In dat huis, eigendom van Evert van Linteloo, die een zoon in 'de Sociëteit' had, had de saeculiere priester Antionius Schellingwou, die eerder in 1652 was overleden al godsdienstoefeningen gehouden. In 1663 verplaatste pater Van Alkemade zijn bedehuis naar de Keizersgracht (huidig nummer: 22), naar één van de grootste toenmalige schuilkerkjes, 'de Zaaier' geheten, dat door de daar-dienst-doende saeculiere priester was verlaten.

Blijkbaar waren de apostolisch vicarissen van oordeel dat de jezuïten, evenals de dominicanen, de franciscanen en de augustijnen, hun aantal staties in Amsterdam tot twee dienden te beperken. Vandaar dan het verbod van Rovenius aan pater Van Alkemade, om naast de twee onderscheiden activiteiten, nl. van pater Van Teylingen, later resulterend in de stichting van 'de Papegaai', en van pater Laurensz. (in 'de Zijdeworm' en later in 'de Krijtberg') nog een derde gemeente te gaan opbouwen; vandaar ook de toewijzing, na de dood in 1669 van pater Van Teylingen, van 'de Papegaai' aan de saeculiere geestelijkheid; vandaar, tenslotte, eveneens in 1669, de aan pater Van Alkemade opgelegde verplichting om 'de Zaaier' te sluiten.

Voor 'de Kruitberg', waarvan nu verder, ter adstructie van de inventaris van die statie/parochie, een korte geschiedenis wordt gegeven, zou men op goede grond 1624 als stichtingsjaar kunnen aanhouden. Toen immers kwam men al, zoals wij zagen, tot een vaste vestiging in 'de Zijdeworm' in de Kalverstraat en 'de Krijtberg' aan het Singel werd daarvan, toen pater Laurensz. Met zijn gemeente daarheen verhuisde, zonder meer de voortzetting. Het feit dat het oudst-aanwezige doopboek al in 1638 begint; dat de aantallen doopsels en huwelijken, die daarin vanaf dat tijdstip worden aangetekend erop wijzen dat pater Laurensz. Toen (in 1638 dus) al een meerdere-jaren-gevestigde gemeente moet hebben gehad en, tenslotte, het feit dat de aantekening van doopsels en huwelijken, bij de verhuizing van de Kalverstraat naar het Singel, gewoon doorgaat in pater Laurensz.' Zelfde fijne handschrift, pleiten voor deze opvatting. Ook vertoont het aantal toegediende doopsels rond 1654 niets anders dan de geleidelijke toeneming, die zich al eerder manifesteerde.

We vinden namelijk

In de jaren 1639/42 in totaal 122 doopsels;

In de jaren 1645/48 in totaal 138 doopsels;

In de jaren 1650/53 in totaal 150 doopsels en

In de jaren 1655/1658 in totaal 162 doopsels.

Eindelijk kan worden opgemerkt dat reeds 'de Zijdeworm', evenals daarna 'de Krijtberg', de H. Franciscus Xaverius tot patroonheilige had, zoals uit een gedicht van Vondel uit den jare 1651, bij gelegenheid van de professie van pater Laurensz.' Klopje, Dina Noordyck, duidelijk blijkt.

Onder de opvolgers van pater Laurensz.:

De Amsterdammer Johannes Verhaghen (alias: Van Winterswyck); van 1664-1673 (+);

De Fransman Johannes Laurentius Proch (alias: Laurentius), van 1673-1685;

De Antwerpenaar Gregorius Martens, van 1685-1693 (+);

De Mechelaar Jacobus Vleminx, van 1693-1699 (+),

Te, tenslotte, tot de verbanning van de jezuïeten door de Staten van Holland,

Franciscus Gilles, uit een Amsterdam-Antwerps geslacht, van 1699-1708,

Bleef 'de Krijtberg' bloeien. Zij behoorde wel niet tot de uitzonderlijk grote staties, zoals 'de Boom' en 'de Mozes en Aäron', van de paters franciscanen, en de jezuïetenstatie 'de Zaaier', in welke kerken kort na 1700 wel 200 doopsels per jaar werden toegediend, maar in de rij van de 25 roomse schuilkerk, die Amsterdam tegen het einde van de 17e eeuw rijk was, nam zij toch, na deze drie groten, één van de eerste plaatsen in.

Nadat 'de Zaaier', zoals vermeld, in 1669 op last van de apostolisch vicaris Van Neercassel was gesloten, zetten pater Henricus van Alkemade en diens opvolgers hun zielzorg-arbeid, zo goed en zo kwaad als 't ging, vanuit 'de Krijtberg' voort. Deze moeilijke situatie heeft waarschijnlijk (met nu en dan een onderbreking?) haast twintig jaar geduurd en zal het uiterste hebben geëist van de accommodatie van het zolderkerkje aan het Singel.

Zowel in de 17e als in de 19e eeuw (bijna geheel de 18e eeuw was de statie gesloten!) heeft 'de Krijtberg' zich dan wel niet door een uitzonderlijk groot aantal gemeenteleden onderscheiden, hoewel dat toch in de jaren rond 1850 zeer aanzienlijk mag worden genoemd, maar wel is in beide tijdperken speciaal vanuit deze statie, misschien meer dan vanuit welke andere in Amsterdam ook, een sterke invloed uitgegaan op de leidende figuren in de samenleving. Het lijkt wel, wanneer men de doop- en trouwboeken doorbladert, of heel het roomse Amsterdamse patriciaat met 'de Krijtberg' relatie onderhield. Typerend voor wat zij in de 17e eeuw betekende is het heel bijzondere contact juist van deze statie en haar bedienaren met Vondel, waarvan bij herhaling blijkt, en, voor wat de 19e eeuw aangaat, is kenschetsend dat, dank zij de sterke invloed en leiding van de tweede stichter (na tachtig jaren sluiting) van 'de Krijtberg', pater Adam Beckers, diens misdienaar en jeugdige biechteling Jan Philip Roothaan, uitgroeide tot die andere maar dan wereldvermaarde tweede stichter van de in 1814 herstelde Sociëteit van Jezus.

Niet onvermeld mag blijven dat de drie Jezuïetenstaties in Amsterdam, tot de verbanning in 1708, een ruggesteun hadden in nog een S.J.-residentie, gevestigd in het huis 'de Zonnebloem' aan de Herengracht (thans: nr. 14) bij de Brouwersgracht. In dat huis resideerden de overste van de jezuïetenmissie in de Noordelijke Nederlanden; zieke paters uit de Hollandse Zending werden er verpleegd en vandaaruit werden ook 'supplentes' (plaatsvervangers bij ziekte of overlijden) naar de staties gestuurd. Paters bestemd voor de verre missiën wachtten er op scheepsgelegenheid en bereidden er zich voor op hun werk in vreemde landen en onder vreemde volken, bijvoorbeeld door zich te oriënteren bij de beroemde drukkers van land- en zeekaarten, Blaeu. De jaarverslagen door pater Franciscus van der Meersch, die als overste van de jezuïetenmissie van 1652 tot 1656 in 'de Zonnebloem' woonde, naar Rome gezonden, waaruit pater H.J. Allaard S.J., in zijn 'Geschiedenis van de Sint Franciscus Xaverius-kerk', e.e.a. in nederlandse vertaling citeert, geven een beeld van de activiteiten en wederwaardigheden van pater Laurensz., juist in de dagen van de verplaatsing van diens statie van Kalverstraat naar Singel. Over 1653 bericht pater Van der Meersch:

'Pater Laurensz. Is een onvermoeid man. Vervolgingen heeft hij dit jaar geleden en lijdt die op het ogenblik nog, wijl hij, met de overige religieuzen dor de magistraten uit de stad verdreven, niet mag opgenomen worden, al zijn al de overige weer teruggekeerd. Hij houdt zich dus schuil, maar niet zonder in 't geheim nuttig werkzaam te zijn. Zoland hij vrijheid genoot sprak hij twee- en zeer vaak driemaal op zon- en feestdagen tot een saamgedrongen menigte van toehoorders. Met veel nut hield hij de vasten-meditaties. De algemene communie is in bloei'.

En over 1654:

'Dit jaar werd het huis volbouwd, dat door pater Laurensz. Bewoond wordt, tegenover de Lutherse kerk. 't Is zeer geschikt om godsdienstige vergaderingen te houden. Hierdoor zijn we nu ook bevrijd van de overgrote kosten voor het huren van een bedehuis en gemakkelijker kunnen wij de mensen verzamelen in een woning, die aan de katholieken bekend is en die ons door de overheid oogluikend wordt toegestaan. Toen in het vorige jaar, 1653, de hand aan 't werk werd geslagen, is dit gebouw door iemand bezocht, die de magistraat heimelijk had afgevaardigd, en we hebben veel tegenspraak moeten verkroppen, wijl destijds alle reguliere priesters uit Amsterdam waren verbannen en sommigen op pater Laurensz. Meer gebeten waren en wel zozeer dat hij onder de regulieren de laatste was, die weer werd toegelaten door de Schout, die zijn gewoon bedehuis 'de Zijdeworm' hevig bestookte. Pater Van der Meersch had daar gedurende de vorige vastentijd gepreekt'.

Blijkbaar kon de magistraat de oogluiking in de drukke en centraal gelegen Kalverstraat bezwaarlijk toepassen, maar was dat op dit deel van het Singel, waarvan de percelen toen via gangen of met hun achtererven nog op de stadswal uitkwamen, wel mogelijk.

Zowel uit de laatste aangehaalde zin als uit het volgende citaat, ook uit het verslag over 1654, blijkt hoe men vanuit 'de Zonnebloem' de Amsterdamse jezuïetenstaties bijsprong. We lezen namelijk verder: 'Behalve de drie vaste zendelingen in de Amstelstad: A. van Teylingen, H. van Alkemade en P. Laurensz., hebben ook anderen daar ijverig gearbeid, te weten de paters Philips Couplet, Franciscus de Rougemont en Ignatius Hartoghvelt, die, bestemd voor de missie in China en een gunstig getij afwachtend, hun blakende ijver voor de chinese bruid reeds zochten te koelen in apostolische arbeid te Amsterdam, zodat op het hoogfeest van Kerstmis veertienmaal gepreekt werd door de leden der Sociëteit, om niet te spreken van veel andere predikaties door de overige priesters gehouden, in 't bijzonder door pater Van der Meersch, die krachtens zijn bediening van Superior der Missie hier verblijft en een waakzaam oog houdt op alle staties'.

De eruditie en brede oriëntatie van pater Laurensz. En diens opvolgers, die langdurig en grondig waren gevormd en opgeleid en in de praktijd geschoold in vreemde landen en die soms zelf buitenlanders waren, is ongetwijfeld de zielzorg in 'de Krijtberg' zeer ten goede gekomen, en de assistentie van de 'supplentes' bood de kerkbezoekers niet alleen een welkome variatie maar bovendien verleende zij de statie een cosmopolitisch karakter. In een stad als Amsterdam, waar toen, bij wijze van spreken, alle volken en talen elkaar ontmoetten, heeft juist 'de Krijtberg' in een typische behoefte voorzien, speciaal voor de vreemdelingen. Daaruit valt ook wel te begrijpen dat men bij alle geboden voorzichtigheid toch een zekere vrijmoedigheid toonde, zoals men kan opmaken uit de typering van 'de Krijtberg' in de 'Lijste van Paepsche vergaderplaatsen in Amsterdam', in 1656 door predikanten en ouderlingen aan burgemeesters aangeboden, luidende:

'42. Op de Cinghel bij de brouwerij vant Lam in de Crijtberghen woont pater Lourens en hefter zijn papsch kerck met musick instrementen, die oock int Katerstegien wtcompt, daer se met troepen tseffens sonder eenighe schroom ingaen, selfs dan als een predikant en ouderling vant quartier voor de duer zijn besieg met hare visitte'.

Hoe 't 'de Krijtberg' verging, nadat de jezuïeten waren verbannen en hun staties waren gesloten, en hoe zij, ook na de opheffing van 'de Sociëteit' in 1773, toch voor de Orde is behouden gebleven, lezen we in de 'Schets van de geschiedenis der Jezuïeten in Nederland' van pater F. van Hoeck S.J., op bladzijden 284 en 285:-

'Sinds 1708 was 'de Krijtberg' op last der Staten gesloten, maar de magistraat liet oogluikend toe dat priesters er hun dienstwerk verrichtten; het bovenhuis werd als kerk en het benedenhuis als pastorie gebruikt. De Maastrichtenaar, Mathias Thomassen, was er in 1773 pastoor en bleef dit, als gesaeculariseerd priester, na de opheffing der Sociëteit. Om de Statie te behouden begon hij in 1786 te onderhandelen met zijn stad- en ordegenoot Adam Beckers, die te Mechelen verbleef. Eenige notabelen der parochie, o.a. de heeren Ubertii en Van Waijenburg, waren hem daarbij behulpzaam. In overleg met den nuntius, Antonius Zondadari, en kardinaal Frankenberg, aartsbisschop van Mechelen, nam Beckers de uitnodiging aan. Den 17 januari 1787 had de nuntius hem een jurisdictiebrief gegeven en den 29en kwam hij in Amsterdam; den volgenden dag droeg Thomassen hem de pastorie en al haar toebehooren over. Toen Beckers, twee dagen na zijn aankomst, een bezoek wilde brengen aan den aartspriester Antonius Meylink, werd hij niet ontvangen en 10 Februari kreeg hij verbod de priesterlijke functies uit te oefenen. Een maand later, bij schrijven van 5 Maart, trok ook de nuntius de jurisdictie in, die hij trouwens alleen gegeven had op voorwaarde dat de aartspriester Beckers als missionaris zou erkennen. Krachtens het pakkaat van 21 september 1730 kon het stadsbestuur priesters toelaten, mits ze 'burger' werden. Den 5 April legde Beckers den poorterseed af en was zoo door de wereldlijke overheid als dienstdoend priester erkend. Daar hij echter van de geestelijke overheid geen aanstelling kreeg en toch als priester dienst deed, werd de zaak te Rome aanhangig gemaakt. Den 28 September was Meylink gestorven. Zijn opvolger, Herman ten Hulscher, weigerde eveneens Beckers te erkennen. Het kwam zoo ver dat de nuntius den 23 November, namens de Propaganda, aan Beckers moest meedelen dat hij zou worden gesuspendeerd, als hij zich niet aan de beslissing van den aartspriester onderwierp. Het was voor Ten Hulscher een zeer moeilijk geval, daar Beckers kon rekenen op den steun der Amsterdamsche burgemeesters, die er al op zinspeelden eventueel alle roomsche bedehuizen in Amsterdam te zullen laten sluiten indien Beckers niet werd aanvaard. Ten einde raad besloot Ten Hulscher toe te geven. Den 18 Februari zond hij een verslag van den toestand aan de Propaganda. Het gevolg was dat Beckers toestemming kreeg om in den Krijtberg werkzaam te zijn, onder voorwaarde dat dit geen praecedent zou wezen en het aan iederen pastoor verboden bleef een medehelper te hebben, zonder goedkeuring der Propaganda. Ten Hulscher ging zelf aan de burgermeesters mededeelen dat de zaak in orde was gekomen.

Eenige maanden later gelukte het aan Beckers de officiële opening der Krijtberg gedaan te krijgen. Toen, bij het eindigen van den patriottenstrijd, de Pruisische troepen Amsterdam hadden bezet, kwam generaal von Kalckreuth een bezoek brengen aan Beckers, dien hij persoonlijk kende, en vroeg of hij hem van dienst kon zijn. Beckers maakte van deze gelegenheid gebruik om, door bemiddeling van den generaal, van burgemeester Rendorp verlof te bekomen dat de kerk officieel in gebruik genomen mocht worden. Rendorp gaf de toestemming; op Pinksterzondag werd er, voor 't eerst sinds 1708, een plechtige hoogmis gecelebreerd.

De betere verhouding tusschen Beckers en den aartspriester is maar van korten duur geweest. Thomassen van 7 November 1789 gestorven. Beckers legde het er op aan om steeds regulieren, Dominicanen en Franciscanen, tot assistent te hebben en vond daarin weer steun bij den magistraat die verklaarde dat hij tot kapelaan kon kiezen wien hij wilde, maar dat na zijn dood de Statie aan de saeculieren moest overgaan. De nieuwe nuntius, Caesar Brancadoro, maakte den toestand nog moeilijker. Hij toonde overdreven genegenheid voor de regulieren en bemoeide zich met den politieken strijd dier dagen, door partij te kiezen voor het stadhouderlijk bestuur tegen de patriottische gezindheid van veel geestelijken. Aan beckers gaf hij weer verlof zelf zijn kapelaans te kiezen. In 1800 kwam als assistent in den Krijtberg de ex-Jezuïet Henricus Groenen, een stadgenoot van Beckers. Beiden ontvingen 13 december 1803 een schrijven van den generaal, Gabriël Gruber, dat zij hun geloften mochten afleggen en weer in de Sociëteit worden opgenomen; hiermede was het behoud der Statie voor de Orde verzekerd'. Zoals reeds bij de beschrijving van het archief van 'de Zaaier', in de daarbij gegeven korte geschiedenis van die statie/parochie is vermeld, was rond 1800 en in de eerste helft van de 19e eeuw het aantal gemeenteleden van 'de Krijtberg' aanmerkelijk groter dan dat van 'de Zaaier', zulks geheel in tegenstelling tot de verhouding omstreeks 1700. Al in het jaar 1800 werden in 'de Krijtberg' niet minder dan 150 doopsels toegediend. Zelfs de vervanging van de schuilkerk 'de Zaaier', in 1837, door een ruim kerkgebouw, bracht in die verhouding geen grondige wijziging. Trouwens ook 'de Krijtberg' was vlak tevoren, onder het pastoraat (1819-1849) van de Vlaming pater Franciscus Fol, verruimd. Deze verbouwing, waarover later meer zal worden gezegd, vergde een bedrag van F. 30.000,-. Pater Allard schrijft daarover in zijn geschiedenis van 'de Krijtberg', op pagina 152: -

'Die vergroting was allernoodzakelijkst geworden want de geestelijke opbouwing der gemeente hield onder pater Fol en zijn eerste opvolgers gelijke tred met de stoffelijke ontwikkeling van kerk en kerkhuis. De volgende statistieke opgaven heb ik uit officiële oorkonden geput. Ten jare 1836 telde men in 'den Krijtberg' 2600 paaschcommunies, in 1844 waren er 3600 en in 1867 was het getal tot 4300 geklommen'.

De bezetting van de residentie bleef nu ook niet meer, zoals in de 17e eeuw, beperkt tot de overste- (of oudste-) missionaris (zoals men de reguliere oversten der staties in de dagen van de Hollandse Zending gemeenlijk betitelde), hoogstens, vooral bij het klimmen der jaren, geholpen door een assistent. Minstens drie paters stonden weldra de overste in de zielzorg terzijde en dit aantal zou in de tweede helft van de 19e eeuw nog verder uitgroeien. Blijkens de afleesboeken, die na het overlijden (1806) van pater Beckers beginnen, werden er toen iedere zondag twee missen gelezen. Overigens geven deze afleesboeken weinig inzicht, maar men kan er wel uit distilleren dat er in de tweede helft van de 19e eeuw en ook na 1900 vier vaste zondag-ochtenddiensten zijn geweest.

Eminente priesters waren, hetzij als overste hetzij als assistent, aan 'de Krijtberg' verbonden. Herhaaldelijk was de overste van deze statie tevens superior van de jezuïetenmissie in Nederland en toen, in 1850, Nederland tot een zelfstandige provincie van 'de Sociëteit' werd verheven, werd de toenmalige superior van 'de Krijtberg', de Amsterdammer Andreas Consen, tot provinciale overste benoemd. Geen wonder dan ook dat van zulk een eminente bezetting belangrijke en levensvatbare initiatieven zijn uitgegaan! Wederkerig vormden enerzijds de gunstige ligging van deze jezuïetenstatie, namelijk in het centrum van 's lands hoofdstad, anderzijds de omvangrijke ' ook materiële- nood, waarmee men juist in deze grootstad werd geconfronteerd, het geëigende klimaat voor de vorming en ontwikkeling van dergelijke initiatieven. De voornaamste mogen niet onvermeld blijven.

Zo moet op de eerste plaats melding worden gemaakt van wat de strijdvaardige Adam Beckers, die in 1805 tevens tot eerste superior van de toen herstelde Nederlandse jezuïetenmissie werd aangesteld, vanuit 'de Krijtberg' ondernam. Niet alleen stuurde hij jonge mensen naar Rusland, om daar tot jezuïet te worden gevordm, maar hij bewerkte ook der er jezuïeten-missionarissen naar de Verenigde Staten werden gezonden en hij begeesterde zijn gemeenteleden om dit missiewerk rijkelijk te steunen. Inderdaad 'weldadig' voor heel Amsterdam en zelfs voor velen daarbuiten was het initiatief dat de Amsterdammer pater Arnoldus Frentrop, van 1836 tot 1852 assistent in 'de Krijtberg', met de steun van priesters en leken, die hij voor z'n plannen wist te begeesteren, tot stand bracht. Immers, door zijn toedoen werd in 1841 de 'Vereeniging tot Weldadigheid' gesticht, een vereniging die katholieke mannen en vrouwen mobiliseerde voor daadwerkelike hulp aan en persoonlijke belangstelling voor de behoeftige geloofsgenoot; het katholiek onderwijs aan de vrouwelijke jeugd organiseerde; tientallen scholen stichtte en enkele opvoedingsgestichten oprichtte.

Bij de oprichting in Amsterdam, per 1 januari 1857, van de parochies, werd 'de Krijtberg' algemene hulpkerk van 'de Zaaier' en kreeg een eigen, uiteraard beperkt, territoir. Toch behield 'de Krijtberg' bijzondere betekenins voor heel katholiek Amsterdam, zeker niet op de laatste plaats door de Maria-congregaties voor dames (één voor gehuwde en één voor ongehuwde), die in datzelfde jaar door pater-superior Consen werden opgericht. De leden van deze godsdienstige verenigingen werden namelijk uit alle parochies gerecruteerd, en de geestelijke vorming die haar werd gegeven werd zichtbaar in goede werken, die zich al evenmin door parochiegrenzen lieten inperken.

Ook pater Johannes Ruscheblatt, weer een Amsterdammer, die van 1859 tot 1872 in 'de Krijtberg' de leiding had, stimuleerde tot goede werken tot ver buiten eigen gebied. Persoonlijk gaf hij daarin het voorbeeld, door de zorg voor de gedetineerden in de cellulaire strafgevangenis op zich te nemen. Hij was 't ook die, middels de in 'de Krijtberg' gevestigde Vereniging tot bevordering der verering van het Allerheiligste Sacrament, die verering evengoed elders als in eigen kerk bevorderde en tevens bereikte dat voor arme kerken paramenten werden aangekocht of, beter nog, door liefdadige en kunstvaardige handen werden vervaardigd.

Onder het rectoraat (1872-1876) van pater Petrus van de Goorbergh leverde 'de Krijtberg' opnieuw een belangrijke bijdrage aan katholiek Amsterdam, om niet te zeggen: aan katholiek Nederland, want de vereniging 'Geloof en Wetenschap', die toen werd opgericht, heeft op vele andere plaatsen in Nederland navolging gevonden. In 1896 ontstond uit het Amsterdamse 'G.&W.' de studentenvereniging 'Sanctus Thomas Aquinas', waarvan de directeur van 'G.&W.' de moderator werd. In het eigen gebouw der Vereniging, Herengracht 415, werd een leeszaal ingericht, vanwaaruit zich het werk van de r.k. openbare leeszalen en bibliotheken heeft ontwikkeld.

Het rectoraat (van 1876 tot 1891) van pater Johannes van Helvoort werd beheerst door de zorg en inspanning voor de bouw van een nieuwe, de huidige, kerk met sacristiegebouw. Daarover zal straks nog een en ander worden gezegd.

Pater Cornelis Schmier, rector van 1891 tot 1896, richtte, ook weer voor heel Amsterdam, het 'Liefdewerk de Catechismus' op. De leden van de Maria-congregatie voor ongehuwde dames zetten zich in voor het doel: 'in godsdienstig opzicht verwaarloosde of verstandelijk-achterlijke kinderen, behoorlijk te leren bidden en hen, alsmede volwassenen van 't vrouwelijk geslacht, zoveel doenlijk de lessen van de catechismus in 't geheugen te prenten'.

Tijdens het rectoraat van pater Schmier werd ook het R.K. Gymnasium (Sint-Ignatiuscollege) aan de zogenaamde 'bocht' van de Herengracht gesticht. De openingsdatum, in september 1895, viel samen met de sterfdag van pater Lotharius Jans, Maastrichtenaar, sinds 1881 in 'de Krijtberg' werkzaam, die zich, naast zijn onvermoeid zorgen voor armen en misdeelden, ook bijzonder voor de oprichting van dit gymnasium had beijverd.

Tenslotte zij gememoreerd wat onze geschiedschrijver, pater Allard, noemt: het 'krachtdadig medewerken' door pater-rector Lucianus Steger (1896-1907) 'met de bekende liefdadige vrouw, die de zoogenaamde 'crêches' onder den titel van 'Sint Anna-vereeniging' stichtte ter verpleging van onverzorgde kinderen van hunne geboorte af tot hun vierde jaar toe'.

Voordat, tot besluit, een en ander zal worden gezegd over de bouw en de inrichting van het nog bestaande kerkgebouw en over de belevenissen van de parochie gedurende de laatste decennia, eerst nog een enkel woord over de oude 'Krijtberg'.

Pater Laurensz. Is ongetwijfeld in 1654 uitgeweken naar het Singel, omdat hij daar, langs de zuidzijde van de Katersteeg, voldoende inpandige ruimte vond om zonder te veel opzien zijn toch zeker niet onaanzienlijk getal gemeenteleden te verzamelen. Het terrein, waarover hij daar de beschikking kreeg, was niet alleen zó ruime, dat men daarop een kerk van circa 12 meter breed en wel twee- à driemaal zo lang zou kunnen bouwen, maar bovendien zou het daar te stichten schuuilkerkje langs drie zijden, namelijk vanaf het Singel, via het woonhuis; vanuit de Katersteeg, lopende van het Singel naar de Stadsvest (thans de Herengracht), en, tenslotte, via een gangetje, rechtstreeks uitgang gevend op de Stadsvest, toegankelijk zijn.

Hoewel pater Laurensz. Zelf al een voor die tijd aanzienlijk bedrag, t.w. F. 30.000,-, aan aankoop, verbouw en inrichting, had besteed, waarop bij een visitatie in 1656 wel wat aanmerking werd gemaakt, want hij zou gebouw hebben 'met veel kosten en zonder voldoende nut en voorzichtigheid', kreeg de schuilkerk 'de Krijtberg' waarschijnlijk pas een twintigtal jaren later de vorm, die zij, behoudens de verlenging van de kerkruimte in 1835, tot haar afbraak in 1883 zou bewaren. Hierover deelt Mejuffrouw Dr. I.H. van Eeghen, in haar artikel over 'de eigendom van de katholieke kerken te Amsterdam ten tijde van de Republiek' het volgende mede: -

'Op 1 juli 1677 werd in de Gereformeerde kerkeraad gerapporteerd, dat er achter de Krijtberg een nieuwe kerk werd gebouwd. Op 15 juli werd het antwoord van burgemeesters medegedeeld. Deze hebben gezegd er niets tegen te kunnen doen, omdat het een achterhuis betrof'. De toevloed in de jaren rond 1675 van vele gemeenteleden van pater Henricus van Alkemade en diens opvolgers, toen 'de Zaaier' op last van de apostolisch vicaris Van Neercassel gesloten was, zal de bouw van een flink kerkgebouw mede gestimuleerd hebben.

Het is beslist een misvatting van Jos.A. Alberdingk Thijm, een misvatting die pater Allard schijnt te delen, dat de schuilkerken vóór 1700 nog een zeer provisorisch karakter zouden hebben gehad. De geschiedenis van, bijvoorbeeld, de franciscanen-statie 'Mozes en Aäron' leert ons wel anders. In het pand 'Mozes' beschikte men sinds 1649 al over een geheel ingericht bedehuis, dat 800 mensen kon bevatten, en hoog en breed vóór het einde van de 17e eeuw was 'de Mozes en Aäron', met zijn twee verdiepingen van ruime galerijen, al zó omvangrijk, dat die kerk een paar duizend gelovigen kon herbergen. Het ons-bewaard-gebleven 'Ons' Lieve Heer op Solder' is ongetwijfeld een kostbaar en uniek reliek uit de schuilkerkenperiode, maar men zal altijd moeten bedenken dat het één van de allerkleinste van de Amsterdamse schuilkerkjes is geweest. Vanzelfsprekend heeft men in de tachtig jaar (1708-1788), gedurende welke 'de Krijtberg' op last van de burgerlijke overheid gesloten bleef, geen verbouwingen ondernomen, laat staan uitbreidingen. Men mag dan ook veilig aannemen dat 'de Krijtberg', zoals wij die kennen van de fraaie interieurtekening, uit den jare 1788, van A. de Lelie, uit de laatste kwart van de 17e eeuw dateert. Blijkbaar heeft pater Allard deze tekening niet gekend, want hij zou anders stellig niet zo'n geringe dunk hebben gehad van de allure van de kerk, die pater Beckers na tachtig jaar weer kon openstellen. Ook zou hij dan uit wat vader Roothaan in 1809 aan zijn zoon in Rusland schreef over 'eene overgroote plechtigheid in de Krijtberg, omtrent de H. Wijding derzelve, op Witten Donderdag, door den bisschop geassisteerd door de P(aters) beneffens nog wel dertig geestelijken..' nooit hebben geconcludeerd, dat er onder pater H. Groenen (Maastrichtenaar, evenals zijn beide voorgangers, Thomassen en Beckers, en superior van 1806 tot 1814) 'eene aanzienlijke verandering moet zijn aangebracht, zoodat een nieuwe wijding van 't kerkgebouw noodzakelijk werd geoordeeld'. Het interieur van de oude Krijtberg, zoals we dat kennen van de foto's van kort vóór de afbraak in 1883, foto's die pater Allard zelf in zijn 'geschiedenis van de Krijtberg' publiceert, is namelijk onmiskenbaar identiek ' enig meubilair uitgezonderd ' met het interieur dat de tekening van 1788 van A. de Lelie ons laat zien. Voor 'eene aanzienlijke verandering' koort vóór 1809 is er dan ook geen plaats. Niet omwille van zo'n verandering, maar omdat 'de Krijtberg', of die nu onlangs verbouwd was of niet, hoogstwaarschijnlijk nooit was geconsacreerd, heeft men de aanwezigheid van monseigneur baron Van Velde De Melroy, voorheen bisschop van Roermond en primaat van Gelderland, die in de dagen van Lodewijk Napoleon, priesters en kerken wijdend, door het Koninkrijk Holland reisde en die, blijkens aantekening vóórin het oudste afleesboek, in 'de Krijtberg', in de wintermaanden 1808/1809, 12 sub-dakens, 19 diakens en 13 priesters had gewijd en aan 885 gelovigen het vormsel had toegediend, benut om dat verzuim te herstellen.

Wat betreft de verbouwing onder pater Fol, in 1835, het luidt in zijn necrologie: 'Aan hem hebben wij de vergrooting en verfraaiing onzer kerk, de herbouwing onzer pastorie te danken'. Het bestek voor de aannemer is getiteld: 'Voorwaarden voor het maken van eene nieuwe pastory en het achteruitbrengen van den kerkmuur..' en pater Allard licht e.e.a. nog toe als volgt: 'Het oude Krijtberggebouw (d.w.z. het smalle woonhuis aan de Singel, dat de naam 'Crytbergh' droeg) werd afgebroken en bijna geheel nieuw opgebouwd, onder één gevel gebracht met het daarnaast gelegen koetshuis, de stalling en vier pakzolders, welke de rijke Elisabeth Mojana ' ten geschenke had gegeven'.. Hiermede was de pastorij ongeveerd in den tegenwoordigen toestand gebracht en het oude kerkgebouw dertig voet (8.5 meter) langer geworden'.

Volledigheidshalve zij nog vermeld dat de kerkruimte circa 12 meter breed en, sinds 1835, zeker 30 meter lang was en op de eerste verdieping was gelegen. De schuilkerken situeerde men meestal hoger dan de begane grond om zodoende een onbelemmerder lichtinval door de daklantaarn(s), die dan boven de omringende huizen uitstak(en), te verkrijgen. Het middenschip was ongeveer zes en de beide zijbeuken waren elk circa drie meter breed. Boven de zijbeuken bevonden zich de galerijen. O.m. blijft de vraag onbeantwoord, waarvoor men de ruimten onder de kerk, die vanuit de smalle Katersteeg nagenoeg geen daglicht zullen hebben ontvangen, heeft benut. 'Ik heb UWEd eene goede tijding mede te deelen. Zoo als UWEd weet, hebben wij F. 5000 geleend, om de laatste schuld van den bouw der kerk te voldoen. Daarvan was reeds terug gegeven van het legaat Beuns F. 2000. De overige F. 3000 heb ik van daag terug gegeven. Zij waren mij edelmoedig ter hand gesteld, omdat ik er zoo bedrukt uitzag, zoo zeide de milder gever. God zij gedankt, nu kunnen wij afrekening houden en den ganschen bouw besluiten met een vrolijken avond in de Krijtberg'.

Dit briefje schreef pater J. van Helvoort, rector (1876-1891) van 'de Krijtberg', op 12 november 1884 aan de heer L. van Straaten, penningmeester van het kerkbestuur van de H. Ignatius. Het sloot een tijdperk af van ruim een kwart eeuw van beleidvol handelen en onvermoeid arbeiden voor de bouw van de nieuwe 'Krijtberg'. Want ook voor de gemeenteleden van 'de Krijtberg' gold dat de schuilkerk hen, zowel letterlijk als figuurlijk, begon te benauwen.

Hoewel 'de Krijtberg' per 1 januari 1857, bij de indeling van Amsterdam in parochies, bijkerk van 'de Zaaier' was geworden en zodoende sindsdien een onderdeel vormde van de parochie van de H. Ignatius, was deze subordinatie weinig meer dan een formaliteit. In feite beschouwden zij, die in het aan 'de Krijtberg' toegewezen deel van het parochiegebied woonden, die kerk als hun parochiekerk, waarvoor zij uitsluitend verantwoordelijk waren. Van de vier kerkmeesters van 'de Zaaier' waren er altijd twee die, onder voorzitterschap van de rector van 'de Krijtberg', fungerend als gemachtigde van de patoor, de materiële belangen van die hulpkerk behartigden, terwijl de beide andere kerkmeesters hun aandacht uitsluitend aan 'de Zaaier' besteedden. De bouw van de nieuwe Sint-Franciscus Xaveriuskerk is dan ook helemaal een Krijtberg-aangelegenheid geweest, waarvan echter het initiatief bij de paters jezuïeten lag. Zij, immers, begonnen al in 1857, daarbij handelend middels enkele prominente leden van de Nederlandse Provincie, die onder de firma 'Villefort en Compagnie' een te Amsterdam gevestigde burgerlijke vennootschap hadden opgericht, met de aankoop van belendende percelen. De vraag rijst wel, waarom men aan deze plek bleef vasthouden, nu deze door de parochie-indeling in een uithoek (een 'appendix', zou men kunnen zeggen) van het arbeidsveld was komen te liggen. Op Keizers- en Prinsengracht, nabij de Reestraat, zou men, als men verplaatsing naar 'de Jordaan' al een al te boude stap mocht vinden, de nieuwe kerk heel was centraler en meer binnen het bereik van de bewoners van genoemde volksbuurt hebben gesitueerd. Van pogingen in die richting is niets bekend. Mogelijk wilde men zich niet te dicht vestigen bij de niet-parochiële kerk, die de paters redemptoristen in 1850 aan de Keizersgracht tussen Westermarkt en Reestraat hadden gesticht. Pater-generaal Roothaan had zijn Amsterdamse medebroeders immers nog op 't hart gedrukt, om toch hartelijk met deze zonen van Alfonsus samen te werken en vooral alles wat naar naijver zweemde te vermijden.

Toen pater Van Helvoort, dadelijk na zijn komst in 'de Krijtberg', met voortvarendheid aan 't werk toog, had men de benodigde percelen ten noorden van de Katersteeg al in handen en de aankoop van die steeg zelf van de Gemeente zou, nu anderen dat uitpad niet meer behoefde, tegen een redelijke prijs mogelijk zijn.

Architect Alfred Tepe, de evenknie van de grote Cuypers, kreeg opdracht om de nieuwe kerk te ontwerpen. Voor het ruim 50 meter diepe maar uitermate smalle bouwterrein schiep hij een imposant kerkgebouw. Voor de gevel aan het Singel had hij maar 17 meter breedte en van het transept, dat men pas kon gaan bouwen nadat door de afbraak van de oude kerk zijwaarts ruimte was verkregen, moest hij de breedte tot 21 meter beperken. Tepe's schepping, de enige die Amsterdam rijk is, onderscheidt zich door haar rijzigheid en vooral ook door de weidsheid van priesterkoor en zijkapellen, met vele ramen bezet, waardoor, evenals door de ramen ter weerszijden van het transept en die hoog boven de galerijen langs het middenschip, het licht rijkelijk binnenstroomt.

In augustus 1883 kon de nieuwe kerk in gebruik worden genoemen en op het patroonfeest, 3 december d.a.v., werd zij door Haarlems pas-gewijde bisschop, Caspar Bottemanne, geconsacreerd. De kosten, met inbegrip van die voor het gebouw voor sacristie, ornamentenberging en parochiezaal, dat ' eveneens door Tepe in neo-gothische stijl ontworpen ' op de plek van de oude schuilkerk verrees, beliepen F. 250.000,-. Daarvan had 'de Sociëteit' F. 40.000,-, zijnde de waarde van de door haar overgedragen grond, renteloos voorgeschoten. Bijna een gelijk bedrag was door parochianen en vrienden bijeengebracht. Aan bijdrage uit de kerkekas, tezamen met gekweekte rente van tijdelijk belegde bouwfondsgelden, ontving met nog circa F. 20.000,-, terwijl voor de ontbrekende F. 150.000,- 4%-obligaties werden uitgegeven.

Wat al binnen de eerste twintig jaar na het gereedkomen van de kerk voor een stijlvolle aankleding door particulieren en corporaties werd aangeboden, somt pater Allard, in zijn in 1904 geschreven 'geschiedenis', als volgt op: -

'Het prachtig ciborium of overhuifd altaar, het Maria-altaar, de communiebank, de kruis- of triomfbalk, de beelden ' komen uit de werkplaatsen van den heer Wilhelm Mengelenberg ' de preekstoel en 't Sint Jozefsaltaar uit die van Jozef Cuypers. De geschilderde ramen in het priesterkoor zijn van Geuer (inmiddels rond 1930 door andere vervangen!), die bij de zijaltaren van den heer Nicolaas, die in 't transept van Otto Mengelberg. Het kapelletje van 't H. Hart komt uit het atelier van Raaimakers te Geleen'.

Deze gaven werden later nog aangevuld met de polychromie van het priesterkoor en de zijkapellen; zeven fijnbesneden biechtstoelen; een piéta; gebeeldhouwde kruiswegstaties; vier grote kunstgesmede lichtkronen, om slechts het voornaamste te noemen, en de schat van oude kelken, monstransen, altaargewaden en ornamenten, werd aangevuld met vele nieuwe, uitgevoerd in een aan-het-nieuwe-kerkinterieur-aangepaste stijl.

Met groter en uitbundiger luister dan ooit tevoren, konden nu de kerklijke hoogtijdagen worden gevierd. Maar deze glorietijd was slechts kortstondig, want, evenals alle andere binnenstadskerken, ondervond ook 'de Krijtberg' de weerslag van de ontvolking, door de trek naar nieuwere wijken. Bovendien raakte 'de Krijtberg' haar gebied in 'de Joraan' kwijt aan 'de Zaaier', toen die kerk in 1928 van de Keizersgracht naar de Rozengracht werd verplaatst.

De sluiting van de Sint-Catharinakerk bracht met zich mee dat 'de Krijtberg' per 1 januari 1934 tot parochiekerk werd verheven en dat het overgrote deel van het gebied der Sint-Catharinaparochie aan het arbeidsterrein van 'de Krijtberg' werd toegevoegd. Vanzelfsprekend gaf dit enige opleving maar niettemin drong zich de laatste jaren, mede door de voortschrijdende ontkerkelijking, meer en meer de vraag op of 'de Krijtberg' zal kunnen blijven functioneren. Préalabele vragen zijn daarbij of zij, op grond van haar ligging, exemplarische architectonische kwaliteiten e.d. verdient om, eerder dan sommige andere binnenstadskerken, in stand te blijven, en ook of zij een bijzondere geschiktheid heeft voor het vervullen van een veelsoortiger dan haar huidige, beperkte, functie. Dat het interieur van 'de Krijtberg' al ruim tien jaar geleden op even smaakvolle als doeltreffende wijze werd aangepast aan de eisen van de hedendaagse liturgie verdient zeker, bij het te vellen salomonsoordeel, in haar voodeel te strekken. Bewaring en ordening van de archieven.

Deze archieven, beslaande vijf à zes strekkende meter, werden in 1967, door bemiddeling van de Stichting Centraal Archief Katholiek Amsterdam, in bruikleen gegeven aan de Gemeentelijke Archiefdienst.

Blijkbaar hebben de paters van de residentie aan de archieven veel zorg besteed. Met name pater Al. Van de Kant S.J., die in zijn jeugd misdienaar in 'de Krijtberg' was geweest en daar in 1918 als kapelaan terugkeerde, heeft zich beijverd om verspreid liggende stukken en delen bijeen te brengen. In de zestiger jaren zijn de archieven door de archivaris van de Nederlandse provincie van de Sociëteit van Jezus geordend.

Bij de nu doorgevoerde herordening is er naar gestreeft deze zoveel mogelijk te doen naar analogie van die van andere reeds geïnventariseerde archieven van staties/parochies. Geraadpleegde literatuur.

H.J. Allard S.J., De Sint Franciscus Xaverius-kerk of De Krijtberg te Amsterdam 1654-1904, tweede vermeerderde uitgave, Amsterdam, C.L. van Langenhuysen, 1904.

F. van Hoeck S.J., Schets van de geschiedenis der jezuïeten in Nederland, Dekker & van de Vegt N.V., Nijmegen, 1940.

Dalmatius van Heel O.F.M. en Bonfilius Knipping O.F.M., van Schuilkerk tot Zuilkerk, Geschiedenis van de Mozes en Aäronkerk te Amsterdam, Urbi et Orbi, Amsterdam, 1941.

A.D., bijzondere medewerker van het dagblad 'De Nieuwe Dag', Reeks van wekelijkse artikelen onder de titel 'Katholiek Amsterdams Verleden', 1949-1951.

Dr. I.H. van Eeghen, De eigendom van de katholieke kerken te Amsterdam ten tijde van de Republiek, 64e jaargang van de Bijdragen tot de geschiedenis van het bisdom Haarlem, pag. 217 e.v. 1957.

C.J. Ligthart S.J., De nederlandse jezuïetengeneraal Jan Philip Roothaan, een antwoord op de vraag: 'Wat is een jezuïet?', Dekker & van de Vegt, Nijmegen, 1972.

Archiefvormers

    De nummers achter de archiefvormers verwijzen naar het corresponderende inventarisdeel of het inventarisnummer. Door er op te klikken opent zich de inventaris op dat onderdeel of nummer.
    • Parochie van de Heilige Franciscus Xaverius (de Krijtberg)
    • Parochie van de Heilige Franciscus Xaverius (De Krijtberg); broederschap van de gedurige aanbidding en vereniging van het Allerheiligst Sacrament tot versiering van oude kerken : 7
    • Parochie van de Heilige Franciscus Xaverius (De Krijtberg); broederschap van de Heilige Geest tot voortplanting van het geloof : 11
    • Parochie van de Heilige Franciscus Xaverius (De Krijtberg); broederschap van de Zalige Dood : 5
    • Parochie van de Heilige Franciscus Xaverius (De Krijtberg); broederschap van het Heilige Hart van Jezus : 4
    • Parochie van de Heilige Franciscus Xaverius (De Krijtberg); congregatie van Onze Lieve Vrouw Praesentatie en de Heilige Joseph : 8
    • Parochie van de Heilige Franciscus Xaverius (De Krijtberg); genootschap van de Eeuwige Memorie : 6
    • Parochie van de Heilige Franciscus Xaverius (De Krijtberg); kerkbestuur : 2
    • Parochie van de Heilige Franciscus Xaverius (De Krijtberg); Maria-congregatie Onze Lieve Vrouw Geboorte en de Heilige Aloysius, voor ongehuwde dames : 14
    • Parochie van de Heilige Franciscus Xaverius (De Krijtberg); Maria-congregatie Onze Lieve Vrouw Onbevlekt Ontvangen en van Heilige Franciscus Xaverius, Jonge werkgeverscongregatie : 13
    • Parochie van de Heilige Franciscus Xaverius (De Krijtberg); Maria-congregatie Onze Lieve Vrouw Praesentatie en van de Heilige Catharina, voor gehuwde dames : 15
    • Parochie van de Heilige Franciscus Xaverius (De Krijtberg); Maria-congregatie voor studenten aan de universiteit van Amsterdam : 9
    • Parochie van de Heilige Franciscus Xaverius (De Krijtberg); parochiale afdeling van het pauselijk liefdewerk van de Heilige Apostel Petrus : 12
    • Parochie van de Heilige Franciscus Xaverius (De Krijtberg); pastoor : 1
    • Parochie van de Heilige Franciscus Xaverius (De Krijtberg); Rooms-Katholiek Zangkoor Consolatrix : 10
    • Parochie van de Heilige Franciscus Xaverius (De Krijtberg); Zangkoor Ad Majorem Dei Gloriam (A.M.D.G.) : 3
© Stadsarchief
Disclaimer / Colofon
<

Gegevens over mogelijk nog levende personen mogen alleen worden gebruikt voor historisch (waaronder genealogisch), wetenschappelijk of statistisch onderzoek.

Door het aanklikken van onderstaande button verklaart u zich te houden aan het Reglement voor raadpleging en gebruik van het Stadsarchief.